Openbaring 16

Vers 1-2

De eerste schaal

‘En ik hoorde een luide stem uit de tempel tot de zeven engelen zeggen: Gaat heen en giet de zeven schalen van de grimmigheid van God uit op de aarde! En de eerste ging weg en goot zijn schaal uit op de aarde, en er kwam een kwaadaardige en boze zweer aan de mensen die het merkteken van het beest hadden en die zijn beeld aanbaden.’


(1) Van wie is de stem uit de tempel?

(2) Is bij de schalen sprake van hetzelfde patroon als bij de bazuinen en de zegels en is dit patroon nog elders terug te vinden?

(3) Wanneer vinden de schaalgerichten plaats en hoe weten we of dit al dan niet gelijktijdig zal zijn met de gerichten onder de zegels en de bazuinen?

(4) Wat stelt de plaag van de eerste schaal precies voor?


(1) Van wie is de stem uit de tempel?

Sommige vragen over de Bijbel kunnen eenvoudigweg beantwoord worden door een gedeelte goed in zijn context te lezen. Soms is dat lastig in verband met de hoofdstukindeling. Men begint dan een nieuw hoofdstuk en men is alweer vergeten hoe het voorgaande hoofdstuk eindigde. Dat wreekt zich bijvoorbeeld bij het lezen van 1 Thessalonicenzen 4 en 5. Het vierde hoofdstuk eindigt met het relaas van de opname van de gemeente: ‘zo zullen ‘wij’ altijd met de Heer zijn’. Het vijfde hoofdstuk begint met ‘de tijden en gelegenheden’, waarbij ‘zij’ zullen zeggen: 'vrede en veiligheid'. Direct na de opname is derhalve nog steeds sprake van een ‘zij’, die deze wereld proberen in goede banen te leiden. En dan zegt Paulus: ‘een plotseling verderf zal over ‘hen’ komen’. De zeventigste jaarweek van Daniël barst in al haar angstwekkende verschrikking los tegen een wereld die Christus blijft verwerpen en in eigen kracht een ‘vredige en veilige samenleving’ wil inrichten. Dat is allemaal ná de opname van de gemeente! Duidelijker kan de leer van de opname van de gemeente vóór de grote verdrukking niet worden neergezet. Maar velen zien het niet omdat ze niet over de hoofdstukken heen kunnen kijken en Bijbelteksten niet in hun verband kunnen lezen.

Ten aanzien van Openbaring 16 wordt duidelijk wie er spreekt uit het laatste vers van Openbaring 15: ‘En de tempel werd vervuld met de rook van de heerlijkheid van God en van zijn macht; en niemand kon de tempel binnengaan, voordat de zeven plagen van de zeven engelen voleindigd waren.’

Dit betekent dat er niemand in de tempel is, behalve God, in de rook van zijn heerlijkheid van van zijn macht. De stem die aan het begin van Openbaring 16 uit de tempel komt, is de stem van God Zelf. Dat de stem het heeft over ‘de schalen van de grimmigheid van God’, betekent niet dat het iemand anders moet zijn dan God. God kan Zichzelf ook aanduiden als ‘God'. We lezen dat vaker in de Bijbel, bijvoorbeeld in Genesis 19: ‘Toen liet de HEERE zwavel en vuur op Sodom en Gomorra regenen van de HEERE, uit de hemel…’ En we zien het in Hebreeën 1:8, waar God zegt: ‘Uw troon, o God, is tot in alle eeuwigheid…’ En in Hebreeën1:10 horen we God zeggen: ‘U, HEER, hebt in het begin de aarde gegrondvest en de hemelen zijn werken van uw handen…’. En Hebreeën 6:13: ‘Want toen God aan Abraham de belofte deed, zwoer Hij omdat Hij bij geen meerdere kon zweren, bij Zichzelf….’

God Zelf geeft de opdracht de schalen van God uit te gieten. Er is geen hogere instantie boven God Zelf aan wie Hij verantwoording schuldig is. ‘Vóór Mij is er geen God geformeerd en na Mij zal er geen zijn. Ik, Ik ben de HERE, en buiten Mij is er geen Verlosser. Ik heb verkondigd, verlost en doen horen en ben geen vreemde onder u; gij toch zijt mijn getuigen, luidt het woord des HEREN, en Ik ben God. Ook voortaan ben Ik dezelfde en niemand redt uit mijn hand. Ik werk, en wie zal het keren?’ (Jesaja 43:10-13).


(2) Is bij de schalen sprake van hetzelfde patroon als bij de bazuinen en de zegels en is dit patroon nog elders terug te vinden?

We zetten hier de scheppingsdagen, de zegels, de bazuinen en de schalen naast elkaar:

=============================================================================

Schepping                        Zegels            Bazuinen                                    Schalen

1. Licht                             Wit paard       Aarde getroffen, vegetatie      Aarde getroffen, zweren

2. Water boven/onder    Rood Paard     Zee getroffen, 1/3 bloed        Zee getroffen 100% bloed,

3. Zee/Aarde                    Zwart Paard    Water getroffen, 1/3 bloed    Water getroffen 100% bloed

4. Hemellichamen            Vaal Paard    Hemellichamen, 1/3 duister        Zonnevlam

5. Vogels, zeedieren    Dood getuigen    Sprinkhanenplaag                    Troon beest verduisterd

6. Landdieren, mens        Wereldbeving    Engelen bij Eufraat los            Eufraat droogt op

                                                                    Ruiterij doodt 1/3 mensen    Legers verzamelen in Israël

7. Rust                            Start bazuinen    Start schalen                            Zware wereldbeving en hagel

    ============================================================================

Alles op een rijtje zettend, zijn er zeker patronen te ontdekken in de verschillende reeksen van plagen. De parallellen tussen de scheppingsdagen en de zegels zijn het minst duidelijk maar men zou ze als volgt kunnen trekken. (1) Het licht van de eerste dag wordt weerspiegeld in de ‘engel van het licht’, die zich in het eerste paard manifesteert. (2) De tegenstellingen tussen wateren boven en beneden zien we terug in de tegenstellingen in de samenleving, leidend tot strijd van het rode paard. (3) De aarde, die groen voortbrengt, als voedselbron voor de mens, heeft betrekking op tekorten, die ontstaan onder het zwarte paard. (4) De hemellichamen zou men als tekenen van de tijden kunnen plaatsen bij de gebeurtenissen onder het vale paard, waarbij zwaard, honger, pest en wilde dieren amok maken onder de mensheid - zoals zo vaak aangekondigd aan Israël onder Jeremia, als teken van Gods oordeel. (5) De vogels (demonische machten) en zeedieren (zeemonsters onder de natiën) veroorzaken dood onder Gods getuigen. (6) Landdieren en mens: de enorme beving laat wereldwijd alles op de vlucht slaan en mensen kruipen in holen en grotten.

De duidelijkste parallellen zijn er tussen de bazuinen en de schalen. Toch zijn er ook belangrijke verschillen en zelfs tegenstellingen. Zo zien we bij de eerste bazuin dat de vegetatie wordt getroffen en bij de eerste schaal dat de mensen worden getroffen (met zweren). Voorts zien we bij de vierde bazuin dat het schijnsel der hemellichamen afneemt terwijl het juist sterk toeneemt bij de vierde schaal, zo heftig, dat mensen door de zon worden verbrand. We zullen de parallellen tussen scheppingsdagen, bazuinen en schalen verder uitdiepen bij de bespreking van de afzonderlijke schalen.


(3) Wanneer vinden de schaalgerichten plaats en hoe weten we of dit al dan niet gelijktijdig zal zijn met de gerichten onder de zegels en de bazuinen?

Er zijn uitleggers die de zegels, de bazuinen en de schalen in hun uitleg geheel of gedeeltelijk laten overlappen. Gezien de inhoud van de gerichten en de manier waarop de gerichten ten opzichte van elkaar in het boek zijn geplaatst, is dat onterecht. Het boek maakt duidelijk dat er eerst zeven zegels worden geopend door het Lam. Na opening van het zevende zegel worden de bazuinen pas uitgedeeld (Openbaring 8:2). Er kunnen derhalve geen bazuinen worden geblazen voordat eerst alle zeven zegels zijn geopend. Na het blazen van de zevende bazuin worden pas de zeven schalen uitgedeeld ‘om te verderven die de aarde verderven’, zoals de 24 oudsten aankondigen bij het blazen van de zevende bazuin (Openbaring 11:18).

Nu is de volgtijdelijkheid van de bazuinen en de schalen minder duidelijk dan die van de zegels en de bazuinen. Dat komt door de enorme intermezzo’s tussen bazuinen en schalen in de vorm van ‘de grote tekenen in de hemel’ (Openbaring 12), de twee hoofdrolspelers in de laatste halve jaarweek, het beest uit de zee en het beest uit de aarde (Openbaring 13) en de getuigenissen die God gedurende die zelfde periode laat uitgaan in de wereld, eindigend in de oogst (Openbaring 14). Pas in Openbaring 15 gaat de chronologie vanaf de zevende bazuin verder met de ‘engelen die de zeven laatste plagen hadden’ en die de zeven schalen aangereikt krijgen.

Maar gezien de duidelijke verhaallijn, die consequent de verleden tijd hanteert, is er geen speld tussen te krijgen, dat de schalen direct volgen op de zevende bazuin. Eerder zagen we dat het boek regelmatig overstapt op een andere werkwoordtijd, bijvoorbeeld de toekomstige tijd of de tegenwoordige tijd, dan wel overstapt op een andere stijl, zoals: niet langer ‘ik zag’ maar meer algemeen: ‘er werd gezien’. Dat zijn indicaties dat we te maken hebben met doorbrekingen van de chronologie. Echter, dergelijke veranderingen in werkwoordtijd of stijl vinden we geen enkele keer in het relaas van de zegels, de bazuinen en de schalen. Die volgen allemaal keurig de verleden tijd.

Voorts zagen we hierboven dat er behoorlijke verschillen zijn tussen de impact van de bazuinen en de impact van de schalen. Ook dat laat zien dat dit geen gelijktijdige gebeurtenissen zijn maar dat de schalen chronologisch volgen op de bazuinen.

We hebben hier en daar al gezien wanneer de schalen uitgegoten zullen worden. We zullen de aanwijzingen daarvoor hier nogmaals op een rijtje zetten:

(1) Openbaring 10:7: 'de verborgenheid van God', die voleindigd wordt bij bazuin 7

(2) Openbaring 11:14: 'Het derde Wee!', dat spoedig komt na het optreden van de 2 getuigen

(3) Openbaring 11:15: 'Het koninkrijk van de Heer en van zijn Christus', dat is gekomen bij bazuin 7

(4) Openbaring 11:17: Het ontbreken van 'en die komt' - God heeft zijn koningschap aanvaard

(5) Openbaring 11:18: 'De naties zijn toornig geworden' - uitlopend op Harmagedon in Openb.19

(6) Openbaring 15:2: De overwinnaars op het beest staan op de zee, de grote verdrukking is voorbij

(7) Openbaring 16:5: Het ontbreken van 'en die komt' - God is gekomen in oordelen


Hieronder wordt punt (1) van Openbaring 10:7 uitgewerkt, omdat het de meest duidelijke aanwijzing is.

Openbaring 10:7: ‘...maar in de dagen van de stem van de zevende engel, wanneer hij zal bazuinen, zal ook de verborgenheid van God voleindigd worden, zoals Hij aan zijn slaven, de profeten, heeft verkondigd.’ De voleindiging van de verborgenheid is niet de opname van de gemeente, want die is in het Oude Testament aan geen enkele profeet verkondigd omdat de gemeente nog een geheimenis was (Efeze 3:1-10). Het gaat hier om de verborgenheid van de volgorde en de samenhang tussen een groot aantal profetieën over de korte periode van de schaalgerichten, die voor de profeten, die het opschreven, onduidelijk was en ook voor ons nog steeds onduidelijk is. Pas de vervulling ervan zal volledige duidelijkheid scheppen over de wijze waarop de profetieën over deze periode in vervulling gaan.

Een profeet, die zich afvroeg hoe alles in de eindtijd zou gaan lopen, was Daniël. Hij zegt: ‘Ik nu hoorde het wel, maar begreep het niet en zei: Mijn heer, waarop zullen deze dingen uitlopen?' (Daniël 12:8). En dan krijgt hij als antwoord: ‘Ga heen, Daniël want deze dingen blijven verborgen en verzegeld tot de eindtijd.’ En dan is het nog steeds niet voor iedereen weggelegd om het te begrijpen, want de engel zegt: ‘...en geen der goddelozen zal het verstaan, maar de verstandigen zullen het verstaan’ (Daniël 12:9, 10).

De goddelozen zullen er uiteindelijk ook achter komen wat de profetieën betekenen. Echter, het zal voor hen te laat zijn daarop nog te anticiperen en zij zullen de verschrikkingen meemaken waarvoor de profetieën waarschuwen. Zo lezen we bijvoorbeeld in Jesaja 28:18-19: ‘Dan zal uw verbond met de dood uitgewist worden en uw verdrag met het dodenrijk zal geen stand houden; wanneer de voortstormende gesel doortrekken zal, dan zult u daardoor vertrapt worden. Zo dikwijls als hij zal doortrekken, zal hij u grijpen; want morgen aan morgen zal hij doortrekken, bij dag en bij nacht en het verstaan van de openbaring zal louter verschrikking zijn.’

De engel geeft Daniël alleen nog een kort tijdspanne van hoe lang het allemaal zal duren voordat alle gevaar geheel geweken is. Die tijdsperiode betreft de tijd ná de grote verdrukking en vóór het begin van de regering van Jezus Christus. Het is volgens Daniël een korte periode van 75 dagen of 2,5 maanden. Er staat: ‘En van de tijd af dat het dagelijks offer wordt gestaakt en een gruwel wordt opgericht, die verwoesting brengt, zijn het 1.290 dagen; welzalig hij die blijft verwachten en 1.335 dagen bereikt.’

De tijd van grote verdrukking, die start met de staking van het offer, is 1260 dagen of 42 maanden, volgens Openbaring 11:2,3. Dat betekent dat er nog eens 30 en 45 dagen lopen vanaf het einde van de grote verdrukking tot het bereiken van ‘zaligheid’ in het vrederijk van de Heer Jezus. Mogelijk is de 30 dagen de korte periode van de schaalgerichten en is daarna nog 45 dagen nodig voor het verslaan van alle militaire machten. Hoe dat precies zit weten we niet. Het wordt pas openbaar na het blazen van de zevende bazuin. Anders gezegd: ‘de tijd zal het leren’.


(4) Wat stelt de plaag van de eerste schaal precies voor?

Opvallend is het grote verschil tussen de eerste bazuin en de eerste plaag. De eerste bazuin vernietigt een derde van de bomen en al het groene gras op aarde (Openbaring 8:7). De eerste schaal veroorzaakt een ‘boze en kwaadaardige zweer’ bij degenen die het merkteken van het beest hebben. Voorts hebben we gezien dat het rijk van het beest pas bij de vijfde bazuin van start gaat. De ster die daar uit de hemel valt en de put van de afgrond krijgt, is de draak die volgens Openbaring 12 halverwege de laatste jaarweek uit de hemel valt en dan nog 1260 dagen heeft of ‘tijd, tijden en een halve tijd’ om de vrouw te vervolgen. Gelijktijdig start het rijk van het beest, dat 42 maanden duurt, precies dezelfde tijd als 1260 dagen. Dat betekent dat de eerste bazuin enige tijd voorafgaat aan het rijk van het beest en nimmer gelijktijdig kan optreden met de eerste schaal, die zweren geeft aan hen die het teken van het beest hebben.

De schaalgerichten zijn een rechtstreeks oordeel vanuit de hemel over het rijk van het beest. Het hemelse oordeel begint met een oordeel over het merkteken. Zij die dit teken in hun lichaam hebben geaccepteerd ondervinden daarvan zeer ernstige gevolgen. We weten niet wat ‘de kwaadaardige en boze’ zweer is, die de mensen krijgen. Het eerste woord 'kwaadaardige' duidt op de gevolgen van de zweer voor de lichamelijke conditie en het tweede woord 'boze' op de mate van pijn, die veroorzaakt wordt. Het is een zweer die mensen letterlijk ziek maakt en die zeer pijnlijk is.

We moeten hierbij bedenken dat het aanbrengen van het teken van het beest, middels de schorpioensteek van de vijfde bazuin, ook al zoveel pijn veroorzaakte. De ‘sprinkhanenplaag van de vijfde bazuin’ valt samen met de aanvang van het rijk van het beest en de uitrol van zijn ‘technologische, economische en politieke agenda'. De sleutel tot de enorme macht wordt aan de uit de hemel geworpen satan gegeven (Openbaring 12:9, 9:1), die daarmee in zeer korte tijd het Romeinse rijk opnieuw uit de grond stampt. Dat wekt zoveel verwondering dat mensen zich er massaal door laten misleiden: ‘de gehele aarde ging met verbazing het beest achterna’ (Openbaring 13:3). Velen zwichten voor de politieke misleiding en druk en worden slachtoffer van ernstige pijn, zo erg, dat de mensen zichzelf van het leven wilden beroven, wat echter niet lukt omdat sprake is van een soort ‘transhumanistisch project’.

De pijn aan het begin, direct na het aanbrengen van het teken, duurt circa vijf maanden (Openbaring 9:5). Hoe lang de pijn van de zweer aan het einde van de 3,5 jaar grote verdrukking duurt, wordt niet duidelijk. Aan de ene kant zal het korter zijn omdat de resterende tijd tot de terugkeer van Christus slechts 2,5 maanden is. Maar Christus komt voor de onderdanen van het beest niet om hen te genezen. Hij komt om hen te straffen met vuur en zwavel, zoals we lazen in Openbaring 14:10: ‘...en hij zal gepijnigd worden met vuur en zwavel ten aanschouwen van de heilige engelen en het Lam. En de rook van hun pijniging stijgt op tot in alle eeuwigheid; en zij hebben dag en nacht geen rust….’ De terugkeer van Jezus Christus brengt voor deze mensen iets dat nog veel erger is dan hun ‘kwaadaardige en boze zweer’.

Hoe lang hun pijniging zal duren, weten we niet. Eerder overdachten we dat ‘het opstijgen van de rook van hun pijniging tot in alle eeuwigheid’ niet persé hoeft te beteken dat de pijniging zelf ook eeuwig is. Het kan gaan om een eeuwige gedachtenis aan die pijniging, een eeuwig ‘monument’ in de vorm van de voortdurend opstijgende rook. Mocht iemand in de grote verdrukking dit gedeelte ooit onder ogen komen, dan raad ik aan het er niet op te wagen. De dood om wille van Jezus Christus en daarna een opstandig en een ingang in zijn rijk is verre te prefereren boven alles wat gepaard gaat met het merkteken van het beest (Openbaring 14:13).

Belangrijk is dat het niet uitsluitend gaat om ‘het merkteken van het beest’, de fysieke markering in het lichaam. Het gaat ook en misschien vooral om de daarmee verbonden ‘aanbidding van het beeld’. Dit is het beeld waaraan adem werd gegeven en het lijkt daarom te gaan om een vergevorderde kunstmatige intelligentie, die is doorontwikkeld tot een soort zelfstandig denkend digitaal individu met ongelofelijke briljante capaciteiten, namelijk om onnoemelijk veel gegevens van de mensheid wereldwijd te kunnen processen en er actie op te ondernemen. Het is een soort ‘levend en zelfdenkend wereldwijd controlemechanisme’ waaraan mensen zich met hun hele hebben en houwen hebben toevertrouwd. Op die manier functioneert het voor hen die zich eraan overgeven als een soort god. Dit overgeven aan ‘de moderne technologie’ is de moderne vorm van aanbidding waarop de mensheid anno 2022 met rasse schreden afstevent.

- 19 juni 2022 -


Vers 3-7

De tweede en derde schaal

‘En de tweede goot zijn schaal uit op de zee, en zij werd bloed als van een dode, en elke levende ziel, alles wat in de zee is, stierf. En de derde goot zijn schaal uit op de rivieren en de waterbronnen, en het werd bloed. En ik hoorde de engel van de wateren zeggen: U bent rechtvaardig, U die bent en die was, de Heilige, omdat U zo geoordeeld hebt. Want bloed van heiligen en profeten hebben zij vergoten, en bloed hebt U hun te drinken gegeven; zij zijn het waard. En ik hoorde het altaar zeggen: Ja, Heer, God de Almachtige, waarachtig en rechtvaardig zijn uw oordelen.’


(1) Welke opvattingen zijn er in de literatuur over de plagen van de schalen?

(2) Welke parallellen zijn er tussen de schalen twee en drie en de eerdere geschiedenis?

(3) Wat is de reikwijdte van de plagen van de schalen twee en drie en hoe lang duren ze?

(4) Wat is de betekenis van de verandering van het water in bloed?

(5) Wat is de betekenis van het commentaar op de verandering van water in bloed?


Voordat we ingaan op het gedeelte zelf, geven we onder (1) eerst nog even kort de verschillende visies die men in de literatuur op dit gedeelte (en op de andere gedeelten van Openbaring betreffende natuurrampen) aantreft. We zetten die visies hier kort onder elkaar met de de uitleg die zij geven van Openbaring 16, met name de zee die verandert in bloed.


(1) Welke opvattingen zijn er in de literatuur over de plagen van de schalen?

(A) Preterisme: Openbaring zou zijn vervuld in de eerste eeuw na Christus, de tijd dat Johannes leefde. De zee die verandert in bloed, zou volgens deze visie de Zee van Galilea zijn. De oorzaak zou gelegen zijn in de slachting die door de Romeinse legioenen rond het meer van Galilea werd voltrokken in het jaar 67 onder Vespasianus. Het eerste grote probleem van deze uitleg is dat dit enkele decennia gebeurde voorafgaand aan het schrijven van het boek Openbaring. Hoe kan het dan ooit onderdeel zijn van ‘wat hierna zal gebeuren’? (Openbaring 1:19, 4:1). Het tweede probleem is, dat de slachting door Romeinse legers ongetwijfeld bloedig was, maar niet zo bloedig dat ‘alle leven in de zee stierf’. Dat is een onmogelijkheid, gezien de omvang van het meer en de omvang van de bevolking. Het derde probleem met deze uitleg is dat deze gebeurtenis wordt geïsoleerd van al het andere dat eraan vooraf gaat en wat erop volgt. De mensen kregen in de tijd van Johannes geen ‘boze zweer’ vanwege ‘het teken van het beest’. De waterbronnen werden in die dagen niet aangetast, enzovoorts.

(B) Historisme: Openbaring zou vervuld zijn in de loop van de 2000 jaar geschiedenis. De oorlogen die in de loop der eeuwen door middel van vele zeeslagen zijn gevoerd, kleurden de zeeën rood. Deze uitleg loopt eveneens stuk op de laatste twee bezwaren onder (1). Verder wordt binnen het historisme een overdrachtelijke betekenis voorgesteld door ‘zee’ uit te leggen als menigte van volkeren en ‘bloed’ als de geestelijke dood van deze volkeren door de valse leer, met name in de eeuwen van Katholicisme. Maar wat is dan het onderscheid tussen de plagen van de tweede en de derde schaal (zee versus waterbronnen)? En hoe moeten we dan uitleggen: ‘bloed van heiligen en profeten hebben zij vergoten, en bloed hebt U hun te drinken gegeven’? Is het bloed van heiligen en profeten letterlijk en het bloed dat ‘zij’ te drinken krijgen ineens overdrachtelijk? En hoe zijn dan de oordelen van de andere schalen in vervulling gegaan, om nog maar te zwijgen van de rest van het boek Openbaring?

Een groot probleem van het preterisme en het historisme, is dat men daarmee het boek Openbaring verandert in een soort allegorie, die alles kan omvatten en die daardoor niets zegt. Men kan er op alle mogelijke manieren een eigen invulling kan geven. Een tweede groot probleem is dat de uitleg noodzakelijkerwijs zeer fragmentarisch wordt omdat de reeks van gebeurtenissen in Openbaring zich nog nooit voltrokken heeft. Men moet het totaalplaatje van Openbaring in talloze stukjes knippen en deze stukjes hier en daar op de geschiedenis plakken om een uitleg te krijgen, die enigszins klopt. En dan nog blijven vele stukjes Openbaring ongebruikt omdat het gaat om unieke gebeurtenissen.

(C) Futurisme: Openbaring wordt vervuld in een tijd die nog steeds toekomstig is. Dit is de verklaring die hier wordt voorgestaan, de enige verklaring die recht doet aan alle gegevens van het boek. (1) Ten eerste, het stemt overeen met de driedeling die het boek zelf aandraagt als sleutel tot de betekenis: Openbaring 1:19 ‘Schrijf nu op wat u hebt gezien, en wat is, en wat hierna zal geschieden.’ Het ‘wat hierna zal geschieden', is uitdrukkelijk toekomst. De vraag is dan nog of het gaat om zeer directe toekomst (historisme) of verder weg gelegen toekomst (futurisme). De vraag is natuurlijk wat bedoeld wordt met ‘wat is’ en met ‘hierna’. Gezien het feit dat Johannes Christus ziet in zijn heerlijkheid (wat u gezien hebt), daarna zeven brieven moet opstellen aan zeven gemeenten (wat is), moet het ‘hierna’ wel slaan op een periode ná het tijdvak van de gemeente.

De zeven brieven van Openbaring 2 en 3 zijn zeer herkenbaar in de historie van (1) de vroege kerk, (2) de tijd van de vervolging onder het Romeinse rijk, (3) de kerstening van het Romeinse rijk, (4) de Katholieke Middeleeuwen, (5) de Reformatie, (6) het Reveil en ten slotte (7) de huidige situatie van de kerk met eindeloos veel denominaties.

(2) Ten tweede, het futurisme laat de volledige tekst van Openbaring in tact en scheurt die niet in eindeloos veel stukjes om die te laten aansluiten bij de historie.

(3) Ten derde, het futurisme sluit aan bij de profeten van het Oude Testament, die allemaal een zeer concreet eeuwigdurende herstel van Israël voorspellen.

(4) Ten vierde, het futurisme sluit aan bij de leer van het Nieuwe Testament over de Gemeente als afzonderlijk lichaam van Christus, gevormd op Pinksteren in het jaar van Christus’ dood en opstanding en voleindigd in de opname van de gemeente vlak voor de start van Israëls zeventigste en laatste jaarweek, de periode waarin God de geschiedenis met zijn verbondsvolk vervolgt en waarvan het boek Openbaring verslag doet.

(5) Ten vijfde, het futurisme hoeft zich niet in bochten te wringen waar het gaat om unieke eindtijdgebeurtenissen, zoals de plagen onder de zegels, de bazuinen en de schalen en de wereldwijde tirannie van totalitaire controle. We zullen hieronder de betekenis van de plagen onder de tweede en de derde schaal belichten vanuit de optiek van het futurisme.


(D) Het idealisme, wat het boek Openbaring volledig los ziet van elke vorm van geschiedenis en er volledig een allegorie in leest van telkens terugkerende ‘wetmatigheden van het leven’ en ‘principes van het goddelijke bestuur’. Uiteraard is Openbaring in deze visie volledig overdrachtelijk. De ‘zee’ slaat op de mensheid, verdeeld in vele volken met elk hun instituties en hun bestuur, dat steeds verwerpelijker wordt en steeds meer ‘dood en verderf’ om zich heen veroorzaakt. Mooie allegorie. Maar wat voegt dit toe aan de activiteiten van de Apocalyptische ruiters, de sprinkhanen en de legers van de vijfde en de zesde bazuin en de monsterlijke tirannie en afgoderij van het rijk van het beest? In wezen niets. Het zou dan in symbolische taal ongeveer hetzelfde nog eens herhalen. Wat is de zin daarvan? Het gaat er nu juist om dat God gekomen is in de kracht van zijn oordeel en dat Hij vernietigende slagen laat neerkomen op het rijk van het beest en alle mensen die erbij horen. En dat doet Hij door het water van zee en waterbronnen letterlijk aan te tasten.


(2) Welke parallellen zijn er tussen de schalen twee en drie en de eerdere geschiedenis?

Dat de tweede en de derde plaag het water betreffen, komt sterk overeen met de scheppingsdagen. Op de tweede dag maakte een firmament scheiding tussen het water onder en het water boven het firmament. Op de derde dag vloeide al het water op aarde samen in zeeën en kwam er land tevoorschijn. Water nam op beide scheppingsdagen een belangrijke plaats in.

Water wordt veranderd in bloed. Waar hebben we dat eerder gezien? Het was de allereerste plaag waarmee Egypte werd geteisterd toen Farao het volk Israël niet wilde laten gaan. Zeven dagen lang was de Nijl samen met alle verzamelplaatsen van water veranderd in bloed, zodat de vis in de Nijl stierf en de rivier stonk (Exodus 7:14-25).

Maar de mensen die de plagen van de schalen meemaken, hebben een zeer recente herinnering aan een dergelijke gebeurtenis. Het gebeurde namelijk eveneens bij de tweede bazuin ongeveer 4 jaar eerder. Toen veranderde een derde deel van de zee in bloed, waarbij een derde van de zeedieren stierf en een derde van de schepen verging. Dat werd veroorzaakt door ‘iets als een grote berg', die brandend van vuur in zee werd geworpen. De plaag van de tweede schaal is echter veel ernstiger. Er staat: ‘...elke levende ziel, alles wat in de zee is, stierf.’ Dat is heel wat meer dan een derde.

Een nog veel recentere herinnering aan iets dat lijkt op deze plagen was het optreden van de twee getuigen gedurende de tweede helft van de zevenjarige verdrukking. Vanaf de tempel te Jeruzalem profeteerden de twee getuigen tot de gehele mensheid en zij ondersteunden hun getuigenis met plagen, die kopieën zijn van de plagen die Mozes en Elia brachten: ‘Openbaring 11:6 ‘Zij hebben macht de hemel te sluiten, zodat er geen regen zal vallen in de dagen dat zij profeteren. En zij hebben macht over de wateren om die in bloed te veranderen, en de aarde te treffen met allerlei plagen, zo vaak zij dat willen.’ Vlak voordat de schalen van Gods oordeel begonnen neer te dalen, werden deze twee getuigen door het beest uit de afgrond gedood en terwijl hun lichamen op straat lagen in Jeruzalem, stuurden de mensen elkaar geschenken uit blijdschap over het feit dat deze getuigen geen rampen meer konden brengen. Eindelijk waren ze voorgoed af van dat water dat steeds in bloed werd veranderd, zo moeten ze hebben gedacht. En dan komen de tweede en de derde schaal neer, waarbij zich op wereldschaal afspeelt, wat beide profeten mogelijk alleen regionaal hadden veroorzaakt.


(3) Wat is de reikwijdte van de plagen van de schalen twee en drie en hoe lang duren ze?

(3) De vraag is natuurlijk: wat er wordt bedoeld met ‘de zee’. Er zijn verschillende interpretaties mogelijk, namelijk alle oceanen op aarde of slechts de meest bekende Atlantische Oceaan of alleen de Middellandse Zee omdat dit de Zee is van het Romeinse rijk, dat in de eindtijd weliswaar wereldwijd haar invloed doet gelden maar nog steeds op dezelfde oude plek haar machtsconcentratie heeft. Vergelijken we de tweede en de derde plaag met de eerste, dan zouden we het volgende kunnen concluderen. Bij de eerste plaag werd de schaal ‘op de aarde’ uitgegoten, waarbij er een boze zweer kwam aan ‘de mensen die het merkteken van het beest hadden’. Deze mensen bevinden zich volgens Openbaring 13:7 in elke stam, taal en volk. De eerste plaag is wereldwijd. Maar als ‘aarde’ van de eerste plaag wereldwijd moet worden opgevat, waarom ‘zee’ van de tweede plaag dan niet? En ook de derde plaag lijkt te wijzen op een wereldwijde impact, namelijk ‘de rivieren en de waterbronnen’. Er wordt geen enkele begrenzing aangegeven. Het rijk van het beest is wereldwijd en daarom is te verwachten dat deze plagen, waarbij de zee en de waterbronnen in bloed worden veranderd, eveneens wereldwijd zijn.

Hoe lang duren deze plagen? Wanneer zowel de zee als de waterbronnen wereldwijd dermate verontreinigd zijn dat alles wat erin leeft, sterft, dan kunnen deze plagen onmogelijk al te lang duren. Zouden ze bijvoorbeeld maanden aanhouden, dan zou alle leven op aarde onmogelijk worden. Het kan daarom niet anders of deze zeer heftige en omvangrijke plagen zijn van zeer korte duur. Dat stemt ook overeen met het karakter van God, die een God is van genade, goedertierenheid en erbarmen en voor Wie een oordeel in grimmigheid een ‘vreemde bezigheid’ is. We lezen dat bijvoorbeeld in Jesaja 28:21: 'Want de HEERE zal opstaan zoals op de berg Perazim.Hij zal woeden, zoals in het dal van Gibeon, om Zijn werk te doen – vreemd zal Zijn werk zijn – en om Zijn daad te verrichten – ongewoon zal Zijn daad zijn.’ En denk aan Psalm 30:6: 'Want een ogenblik duurt Zijn toorn,maar een leven lang Zijn goedgunstigheid; overnacht 's avonds het geween, 's morgens is er gejuich.’ En Jesaja 61:1 zegt: 'De Geest van de Heere HEERE is op Mij, omdat de HEERE Mij gezalfd heeft...om uit te roepen het jaar van het welbehagen van de HEERE en de dag van de wraak van onze God…’. Een jaar van welbehagen maar slechts een dag van wraak. Zo is God.

Dat God bepaald niet met groot gemak zijn oordelen over de wereld brengt, bleek ook al uit het einde van Openbaring 15. God trekt zich volledig terug in de rook van zijn tempel om daar geheel alleen de ernst te ondergaan van het oordeel dat Hij in zijn heiligheid en gerechtigheid moet uitvoeren. God staat daarin geheel alleen. Niemand kan gedurende de plagen van de schalen de tempel binnengaan. Een indicatie voor de tijdsduur van het water dat in bloed is veranderd hebben we in de eerste plaag in Egypte, waarbij het een week duurde. Voorts geeft Daniël 12 aan dat er vanaf het einde van de 3,5 jaar (oftewel 1260 dagen) heerschappij van het beest tot aan het einde van de schalen circa dertig dagen zullen verlopen: Daniël 12:11 ‘Van de tijd af dat het steeds terugkerende offer weggenomen zal worden en de verwoestende gruwel opgesteld zal zijn, zijn het duizend tweehonderdnegentig dagen.’ De 1290 dagen is 30 dagen langer dan de 1260 dagen heerschappij van het beest. Misschien moeten we daar nog de 3,5 dagen af trekken, die de twee getuigen op de straten van Jeruzalem liggen, alvorens zij worden opgewekt en ten hemel varen (Openbaring 11:11). Direct aansluitend wordt de zevende bazuin geblazen (Openbaring 11:15), wat het startsein is voor de zeven schalen. In dat geval zouden de schalen in totaal slechts 30 – 3,5 = 26,5 dagen duren. Voor de plaag van het water dat in bloed verandert, zou men één hooguit twee weken kunnen rekenen. Dat lijkt heel kort. Echter, stelt u zich eens voor dat u een week lang alleen bloed te drinken zou krijgen.


(4) Wat is de betekenis van de verandering van het water op aarde in bloed?

Onder de uitleggers die Openbaring vanaf hoofdstuk 4 zien als toekomstig (=futurisme) zijn er die aannemen dat we hier mogelijk te maken hebben met natuurlijke verschijnselen, waarbij het water van de zee en de waterbronnen rood gaat kleuren. Dat kan gebeuren door iets wat men ‘red tide’ noemt, een alg of bacterie die het water rood kleurt. Anderen denken aan milieuvervuiling door industrie. De vraag is echter of dan voldoende wordt rekening gehouden met de almacht van God en met de inhoud van de tekst. Allereerst is God machtig om al het water op aarde letterlijk in bloed te veranderen. Hij heeft daar geen alg voor nodig en ook geen menselijke industriële activiteiten. De tijd die Openbaring beschrijft, is uniek in de geschiedenis. Nooit hebben zich de dingen voorgedaan, die zich in die zeven jaar voordoen. Dat geldt ook voor deze plagen van de schalen. De belangrijkste vraag is of een uitleg met een alg of met industriële vervuiling recht doet aan de tekst. Het antwoord is: nee. Er staat letterlijk ‘bloed’. Er staat dat het water van de zee ‘bloed werd als van een dode’. Dus niet: het water werd ‘als bloed’. Het 'iets' worden of zijn of hebben 'als' wordt in Openbaring vaak vermeld wanneer iets alleen maar ergens op lijkt maar het er niet volledig mee overeen komt, zoals bij de tweede bazuin: ‘iets als een grote berg, brandend van vuur’ (Openbaring 8:8), of van de ‘sprinkhanen bij de vijfde bazuin: ‘En zij hadden haar als haar van vrouwen, en hun tanden waren als tanden van leeuwen.’ (Openbaring 9:8). Dat woordje 'als' ontbreekt hier bij 'bloed'. Er staat dat het water bloed werd, als van een dode’. En ook het water van de waterbronnen werd ‘bloed’. Daar komt nog bij wat er over de plaag wordt gezegd door de engel van de wateren: ‘Want bloed van heiligen en profeten hebben zij vergoten, en bloed hebt U hun te drinken gegeven’. De engel geeft aan dat het bloed is, wat de mensen noodgedwongen moeten drinken als straf voor het bloed dat door hen vergoten is.


(5) Wat is de betekenis van het commentaar op de verandering van water in bloed?

Van twee kanten klinkt commentaar op het veranderen van water in bloed. Allereerst ‘de engel van de wateren’, die zegt: ‘U bent rechtvaardig, U die bent en die was, de Heilige, omdat U zo geoordeeld hebt. Want bloed van heiligen en profeten hebben zij vergoten, en bloed hebt U hun te drinken gegeven; zij zijn het waard.’ Hier wordt een tipje van de sluier opgelicht van Gods besturing van zijn schepping en hier blijkt een engel over de wateren te zijn aangesteld. De complexiteit van Gods schepping kent geen grenzen en alleen al op gebied van water zijn enorm ingewikkelde processen wereldwijd gaande. En hoewel alles in Gods handen rust of nauwkeuriger: in de handen van de Zoon, ‘die alle dingen draagt door het Woord van zijn kracht’ en ‘in wie alle dingen bestaan’, heeft God toch het bestuur over concrete zaken uitbesteed aan engelen. Eerder lazen we over 'een engel die macht had over het vuur' (Openbaring 14:18). Maar ook deze engelen, die gaan over het bestuur van onderdelen van Gods schepping, bestaan 'in Hem', zoals Kolosse 1:16: '...want in Hem zijn alle dingen geschapen in de hemelen en op de aarde, de zichtbare en de onzichtbare, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten; alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen'. En dat zegt Kolosse van Jezus, 'de eerstgeborene van de hele schepping'.

De engel van het water schaart zich volledig achter Gods optreden, hoewel de gebeurtenissen zijn dagelijks werk compleet in het honderd sturen en hij alle zeilen zal moeten bijzetten om de ‘watervoorziening weer in het gareel te krijgen’ . Hij zwaait God alle lof toe voor zijn rechtvaardig oordeel. Hij noemt God Hem ‘die bent en die was, de Heilige'. Dat raakt aan wat de vier levende wezens in en rondom de troon dag en nacht uitbrengen in Openbaring 4:8 ‘Heilig, heilig, heilig is de Heere God, de Almachtige, Die was, Die is, en Die komt!’ Hier ontbreekt het ‘die komt’ omdat God hier in zijn oordelen reeds komende is en daarin zijn almacht laat blijken. Vandaar dat de engel van de wateren ook de almacht weglaat. In het ‘zij zijn het waard’ horen we een echo van Openbaring 5, waar we de oudsten horen zingen dat het Lam 'waardig' is het boek te nemen en zijn zegels te verbreken omdat Hij hen met zijn bloed gekocht heeft. In beide gevallen wordt ‘waarde’ ontleend aan ‘bloed’. De waarde in Openbaring 5 is ontleend aan het eigen bloed dat Iemand gaf voor anderen. De ‘waarde’ van Openbaring 16 is ontleend het bloed van anderen dat door mensen werd vergoten ten eigen bate.

Dan komt er nog een tweede commentaar van het altaar. ‘Ja, Heer, God de Almachtige, waarachtig en rechtvaardig zijn uw oordelen’. Waarschijnlijk is dit het brandofferaltaar omdat in geval van het reukofferaltaar sprake is van een ‘gouden altaar’, ‘dat voor de troon staat’ (Openbaring 8:3, 9:13). Dat nu juist dit altaar begint te spreken is bijzonder toepasselijk omdat aan de voet van dit altaar al het bloed is gesprengd van alle heiligen en getuigen die gedood zijn door ‘hen die op de aarde wonen’. Het aantal van alle martelaren is voltooid nu de heerschappij van het beest is afgelopen en er geen getuigen van God meer worden omgebracht. Dit is een belangrijk moment van wraak over hun bloed, waarom zij reeds riepen bij het openen van het vijfde zegel in Openbaring 6:9-11. We geven dat gedeelte voor de duidelijkheid nog even helemaal weer: ‘En toen het Lam het vijfde zegel geopend had, zag ik onder het altaar de zielen van hen die geslacht waren omwille van het Woord van God, en omwille van het getuigenis dat zij hadden. En zij riepen met luide stem: Tot hoelang, heilige en waarachtige Heerser, oordeelt en wreekt U ons bloed niet aan hen die op de aarde wonen? En aan ieder van hen werd een lang wit gewaad gegeven. En tegen hen werd gezegd dat zij nog een korte tijd moesten rusten, totdat ook het aantal van hun mededienstknechten en hun broeders, die evenals zij gedood zouden worden, volledig zou zijn geworden.’

Het moment van wraak is nu volledig gekomen, nu God degenen, die het bloed van zijn getuigen vergoten, bloed laat drinken omdat op de gehele aarde geen enkele andere drank beschikbaar is.

Het commentaar wat we hier niet horen, maar wat voortdurend doorgaat, dag en nacht, is wat de vier dieren rond de troon zeggen: ‘Heilig, heilig, heilig’. In het commentaar van de engel van het water, het altaar en de vier dieren is zichtbaar dat de volledige hemel achter de oordelen staat, die in deze korte periode vanuit God over de aarde gaan, ook al zijn de oordelen nog zo heftig.

- 24 juni 2022 -


Vers 8, 9

Zonnebrand

‘En de vierde goot zijn schaal uit op de zon, en haar werd gegeven de mensen met vuur te verbranden; en de mensen werden verbrand door grote hitte en lasterden de naam van God, die de macht over deze plagen had, en zij bekeerden zich niet om Hem heerlijkheid te geven.’


(1) Wat is de betekenis van het oordeel van de vierde schaal?

(2) Hoe ervaren de heiligen in de grote verdrukking de plagen van de schalen?

(3) Wat is het effect van de vierde plaag en wat is dan de zin ervan?


(1) Wat is de betekenis van het oordeel van de vierde schaal?

De plagen twee en drie kan men vrijwel onmogelijk lang van tevoren aan zien komen. Dat water in bloed verandert, komt in de natuur niet voor en het is in de geschiedenis alleen rond 1500 voor Christus gebeurd en op veel kleinere schaal, in de rivier de Nijl (Exodus 14-25). Echter de vierde plaag, waarbij de zon overactief wordt en zeer veel schadelijke effecten geeft op aarde, is iets waarvoor al jarenlang wordt gewaarschuwd. Het gaat dan om een zogenaamde ‘zonnevlam’, die kan optreden tijdens het actievere gedeelte van een zonnecyclus. Men wijst daarbij echter voornamelijk op het effect op de elektronische en elektrotechnische infrastructuur, die vrijwel volledig zal worden verwoest, waardoor de mensheid plotseling eeuwen terug is in haar ontwikkeling.

Hier wordt echter een effect genoemd dat nog veel heftiger is. Niet alleen zal de zon met haar straling een verwoestend effect sorteren op de wereldwijde technische infrastructuur. Ook zal de mens zelf in zijn lichaam door de zon worden ‘gestoken’. Er staat dat het ‘de zon gegeven wordt’ de mensen ‘met vuur te verbranden’. Het woord voor ‘vuur’ is ‘Pyr’ en dat betekent vrijwel door het hele nieuwe testament letterlijk ‘vuur’, zoals dat wat op Sodom en Gomorra regende en zoals het ‘vuur’ waar Paulus de adder van zijn hand in afschudde. Maar ook: het vuur van de hel. Ook: God, die een ‘verterend vuur is’. Ook: de discipelen, die Jezus vragen of ze om ‘vuur’ uit de hemel moeten bidden, net als Elia deed, omdat een Samaritaanse stad de Heer niet wilde ontvangen. Het lijkt daar te gaan om de bliksem wat ook de betekenis van vuur kan zijn. Het lijkt er sterk op dat de mensheid vrijwel letterlijk door de zon ‘geroosterd’ wordt en dat er geen ontsnappen aan is, ook niet binnenshuis. De straling van de zon wordt zo intens, dat die als ‘vuur’ wordt ervaren en overal dwars doorheen gaat. Hoewel zich in de geschiedenis zonnevlammen hebben voorgedaan, is dit een zonnevlam die heftiger is dan alles wat de mens ooit eerder meemaakte.

Kenmerkend is de uitdrukking ‘werd gegeven’. De zon ‘werd gegeven’ de mensen met vuur te verbranden. Als we deze uitdrukking door Openbaring nagaan, dan slaat ‘werd gegeven’ vrijwel overal op de opbouw en de uitvoering van de heerschappij van het beest. Het begint met het rode paard van het tweede zegel, dat ‘werd gegeven’ de vrede van de aarde weg te nemen (Openbaring 6:4). Dat is een belangrijke stap richting tirannie want vervolgens ontvangt de ruiter een groot zwaard – de ergste vorm van repressie ooit, zo erg dat dissidenten, zij die het woord van God brengen, worden onthoofd (Openbaring 20:4). Dat gebeurt als onderdeel van het vale paard bij het vierde zegel (Openbaring 6:8), dat ‘werd macht gegeven’ over het vierde deel van de aarde om te doden. We zien de getuigen van God bij het vijfde zegel onder het altaar (Openbaring 6:9). Bij de vijfde bazuin werd aan de uit de hemel gevallen ster (satan, de draak van Openbaring 12:9) de sleutel van de put van de afgrond ‘gegeven’. Vervolgens werd aan de sprinkhanen ‘gegeven’ om de mensen vijf maanden te pijnigen. Daarna lezen we dat ‘de voorhof’ buiten de tempel aan ‘de naties is gegeven’ en dat die de heilige stad 42 maanden zullen vertreden. Van het beest uit de zee wordt gezegd dat het (1) een mond ‘werd gegeven’, die grote dingen en lasteringen sprak (Openbaring 13:5), en dat het (2) gezag ‘werd gegeven’ om te handelen (Openbaring 13:5), 42 maanden en dat het (3) ‘werd gegeven’ oorlog te voeren tegen de heiligen en hen te overwinnen (Openbaring 13:7) en dat het (4) gezag ‘werd gegeven’ over alle natiën (Openbaring 13:7). Van het beest uit de aarde wordt gezegd dat het (1) ‘werd gegeven’ tekenen te doen in tegenwoordigheid van het eerste beest en dat het (2) ‘werd gegeven’ aan het beeld van het beest adem te geven’.

Echter, de tijd van grote verdrukking is voorbij. Het is gedaan met de macht van het beest. Zijn koninkrijk is ten einde. Zijn heerschappij over de aarde verschrompelt. Alles wat hem voor korte tijd ‘werd gegeven’, wordt afgepakt. In plaats van macht die aan het wereldrijk werd gegeven, wordt bij de vierde schaal macht aan de zon gegeven. Het vuur van de zon verschroeit het volledige rijk van het beest.

Dat deze macht aan de zon ‘werd gegeven’ is hemelse ironie. Ten diepste is de afgoderij van het beest een aanbidding van de zonnegod. Zo hebben de heersers van de rijken zich van ouds af gepresenteerd, als vertegenwoordigers van de zon, die op aarde licht, warmte en leven brengt. Dat begon met Nimrod, kort na de zondvloed en is alle wereldrijken doorgegaan tot aan het Romeinse rijk. Het werd in een verborgen vorm zelfs overgenomen door het Rooms Katholicisme, de verborgenheid van het grote Babylon, de directe voorloper van het beest. De aanbidding van de zon werd daarbij gecombineerd met de aanbidding van de slang. Het is de zon die wereldwijd in de persoon van het beest zal worden aanbeden. Dat blijkt uit de kleuren van het rijk (vuurrood, donkerrood, zwavelkleurig) en uit de vernietigingskracht van het rijk: vuur (Openbaring 9:17,18). Deze afgond, de zon, wordt nu de oorzaak van de totale vernietiging van het rijk en van een ondraaglijke hitte. Daarom is deze vierde en middelste plaag de kern van alle plagen. Het is de plaag die de essentie der dingen aan het licht brengt. Niet de zon met het beest als afgevaardigde is God maar de God, die de zon en alle hemellichamen en alle planeten inclusief de aarde schiep, die is God.

De plaag met ondraaglijke zonnehitte is een antwoord op de beestachtige ongerechtigheden van het rijk van het beest tegen allen die zich er niet aan wilden onderwerpen. Allen die enig verzet boden, werden gedood met ‘vuur, rook en zwavel’, die uit de bek van de paarden kwam. Het was de 200 miljoen tellende ruiterij, de militaire wereldmacht van het beest, die letterlijk ontketend werd met het losmaken van de vier engelen aan de Eufraat, de gecombineerde boosheid van de vier wereldrijken (Openbaring 9:15, 16). Ook deze plaag van vurige hitte werd op kleinere schaal al eerder ervaren door de 3,5 jaar optreden van de twee getuigen: ‘En als iemand hun schade wil toebrengen, komt er vuur uit hun mond en verteert hun vijanden; en als iemand hun schade wil toebrengen, dan moet zij zo gedood worden’ (Openbaring 11:5). Bij de vierde schaal zijn het niet langer de twee getuigen maar is het de zon die wereldwijd mensen verbrandt met vuur uit de hemel.

Overigens is sprake van een bijzonder staaltje van ‘fine tuning’ door God. Dat is al zo met de normale situatie van het leven op aarde, waarbij alle wetmatigheden, alle afstanden in het heelal en alle massa’s van hemellichamen en al hun omtrekken en hun banen uitzonderlijk zijn uitgebalanceerd, zodat een stabiel leven op aarde mogelijk is. Maar om een zonnevlam zodanig te laten zijn en te richten, dat die wel een enorme hitte geeft maar de mensen niet tot as verzengt of de elementen op aarde volledig laat wegsmelten, dat vraagt een uitzonderlijk gedetailleerde stuurmanskunst van de Bestuurder van het groot heelal.


(2)Hoe ervaren de heiligen in de grote verdrukking de plagen van de schalen?

Een belangrijke vraag is hoe universeel deze plaag is. Eerder merkten we in het kader van de schalen 2 en 3, waarbij al het water op aarde bloed werd, op dat het waarschijnlijk gaat om wereldwijde plagen. Voor de enorme hitte van de zon is dat niet anders. Weliswaar wordt de zijde van de aarde die naar de zon is toegekeerd erger getroffen. Maar bij een vlam die enige tijd blijft hangen, wordt dat na 12 uur vanzelf precies omgekeerd. De vraag naar de reikwijdte van deze plagen is belangrijk in verband met de groepen mensen die niet gezwicht zijn voor de tirannie van het beest, de heiligen, en die ook nog niet zijn omgekomen door onthoofding (Openbaring 6:9, 20:4) of door vuur (Openbaring 9:18). Er zijn drie groepen mensen die ergens op aarde, in de natuur, buiten het systeem van het beest, overleven. (1) De 144.000 uit de twaalf stammen van Israël (Openbaring 7:4), (2) de ontelbaar grote schare uit alle naties, geslachten, volken en talen (Openbaring 7:9) en (3) de gelovige Israëlieten die aan het begin van de grote verdrukking gevlucht zijn in de woestijn, voorgesteld als ‘de vrouw’ (Openbaring 12:6, 14). Hoe zullen deze groepen de plagen van de schalen meemaken? We kunnen daarover het volgende zeggen:

(1) Petrus schrijft: ‘...en als Hij de rechtvaardige, Lot gered heeft...dan weet de Heer godvrezenden uit de verzoeking te redden, maar onrechtvaardigen te bewaren tot de dag van het oordeel om gestraft te worden’ (2 Petrus 2:7,9). God is rechtvaardig en zal ervoor zorgen dat de plagen niet hen treffen, voor wie deze niet bedoeld zijn.

(2) Jesaja schrijft: ‘Kom mijn volk, ga in uw binnenkamers, en sluit uw deuren achter u; verberg u een korte tijd tot de gramschap over is. Want zie de HEERE verlaat zijn plaats om de ongerechtigheid der bewoners van de aarde aan hen te bezoeken, dan zal de aarde het op haar vergoten bloed aan het licht te brengen en haar verslagenen niet langer te bedekken’ (Jesaja 26:20,21). Dit gedeelte wordt ten onrechte wel eens toegepast op de opname van de gemeente maar heeft daar helemaal niets mee te maken. Het gaat om de heiligen in de laatste jaarweek van Daniël, allen die zich afzonderen van het beest, die zich moeten verbergen, zodat ze veilig zijn voor deze plagen. Het gaat om de ‘korte tijd van gramschap’ wat overeenkomt met de grimmigheid van God die middels de schalen wordt uitgegoten, gedurende ongeveer een maand. Het gaat om de ‘ongerechtigheid der bewoners van de aarde’, de term die als een soort leitmotiv door heel Openbaring geweven zit als aanduiding voor degenen die zich onderwerpen aan de machten van de duisternis. Het gaat om het ‘op aarde vergoten bloed’, wat precies overeen komt met de reden voor de plagen van de schalen 2 en 3.

(3) Ook bij de tien plagen van Egypte werd het gebied van het volk Israël meermalen gespaard. Bij de vierde plaag, de steekvliegen, lezen we: ‘Maar op die dag zal Ik het land Gosen, waar mijn volk verblijf houdt, uitzonderen, dat daar geen steekvliegen voorkomen, opdat u weet dat Ik, de HEERE, in het land ben’ (Exodus 8:22). Bij de vijfde plaag, de veepest, lezen we: ‘En de HEERE zal het vee van Israël afzonderen van het vee der Egyptenaren, zodat er geen stuk van het vee dat de Israëlieten bezitten, zal sterven (Exodus 9:4). Bij de zevende plaag, de hagel, lezen we: ‘Alleen in het land Gosen, waar de Israëlieten woonden, hagelde het niet’ (Exodus 9:26). Bij de negende plaag, de duisternis: ‘Maar alle Israëlieten hadden licht, waar zij woonden' (Exodus 10:23).

(4) Een belangrijke hulp voor de heiligen in de grote verdrukking, is de sterke engel, die we in Openbaring 10 uit de hemel zien neerdalen. Deze sterke engel is bekleed met een wolk, heeft de regenboog op zijn hoofd en is bekleed met de zon en zijn voeten zijn als vuurzuilen. Dat zijn de elementen waarmee het rijk van het beest wordt aangevallen (water, zon en vuur) en waartegen deze engel de heiligen bescherming biedt. Met name de regenboog is veelzeggend en herinnert God aan zijn verbond met de mensheid om de aarde niet weer volledig met water te bedekken. Deze sterke engel zet zijn rechtervoet op de zee en zijn linker op de aarde. Hij claimt daarmee zijn rechten op zee en aarde. Dat is belangrijk want het zijn ‘zee en aarde’ die op dat moment volledig worden gedomineerd door ‘het beest uit de zee’ en ‘het beest uit de aarde’ (Openbaring 13: 1, 11). Het neerdalen van de sterke engel is het moment dat de invloed van het beest al sterk begint te verminderen. We horen de sterke engel vervolgens met opgeheven rechterhand zweren bij Hem die eeuwig leeft, Schepper van hemel, aarde en zee (de domeinen die door de plagen van de schalen worden getroffen) dat er geen ‘tijd’ meer zal zijn. Het woord ‘tijd’ is een sleutelwoord. Het komt diverse keren voor in de uitdrukking ‘tijd, tijden en een halve tijd’ (Daniël 7:25 en 12:7 en Openbaring 12:14). Die uitdrukking staat voor 3,5 jaar. Met ‘tijd’ wordt dan mogelijk ‘een jaar’ bedoeld. Dat betekent dat de sterke engel neerdaalt op een moment, iets korter dan een jaar voor het einde van de grote verdrukking. Immers, op dat moment is het einde nog niet gekomen want de sterke engel zegt: ‘...maar in de dagen van de stem van de zevende engel, wanneer hij zal bazuinen…’. Het moment van het einde, dat is het moment waarop de zevende bazuin wordt geblazen, is derhalve nog toekomstig. Dat betekent dat er gedurende het laatste jaar van de grote verdrukking een bijzondere bescherming uitgaat van de sterke engel.

(5) De Heer Jezus gaf bij zijn profetische reden het volgende aan: ook met ‘En als die dagen niet werden verkort, zou geen enkel vlees behouden worden, maar ter wille van de uitverkorenen zullen die dagen worden verkort.’ Het woord voor ‘verkorten’ betekent letterlijk ‘mutileren’, ‘verminken’. Dat zou kunnen betekenen dat de heerschappij van het beest over de mensheid wordt verminkt, ingekort, aan banden gelegd, omdat er anders geen heiligen vanuit de grote verdrukking het vrederijk zouden kunnen binnengaan. Immers, zij zouden allen door het beest en zijn legers worden uitgemoord. Maar dat betekent tevens een bescherming tegen de plagen van de zeven schalen.

(6) We lezen in Openbaring 10 nóg iets bijzonders, dat ook te maken kan hebben met de bescherming ten tijde van de gerichten van de zeven schalen. Dat zijn de zeven donderslagen. We lezen daarover het volgende: ‘En hij (de sterke engel) riep met luider stem, zoals een leeuw brult; en toen hij riep, lieten de zeven donderslagen hun stemmen horen. En toen de zeven donderslagen gesproken hadden, stond ik op het punt het op te schrijven; en ik hoorde een stem uit de hemel zeggen: Verzegel wat de zeven donderslagen gesproken hebben en schrijf het niet op’. Dit gedeelte lijkt aan te geven dat de sterke engel niemand anders is dan de Heer Jezus Zelf, 'de Leeuw uit de stam van Juda', die derhalve ‘bij Zichzelf zweert’ (vers 6), zoals God wel vaker doet (Heb.6:13). Het antwoorden op Jezus met donderslagen uit de hemel komen we meermalen tegen (Johannes 12:28, 29, Openbaring 14:1,2) en het kan niet anders of bij Mattheus 3:17 en 17:5 klonk de stem van God eveneens als donderslagen (Psalm 29).

De vraag is natuurlijk wat de zeven donderslagen spraken. We weten dat niet maar we hebben wel een vermoeden. Deze zeven donderslagen zouden te maken kunnen hebben met de plagen van de zeven schalen die binnen het jaar komen en waartegen de heiligen zich reeds konden beschermen, door te luisteren naar de aanwijzingen van de zeven donderslagen. Dat zou tevens de reden kunnen zijn dat Johannes niet mocht opschrijven wat de zeven donderslagen hadden gesproken. Het ging namelijk om specifieke aanwijzingen, die uitsluitend bedoeld waren voor de oren van de heiligen in de grote verdrukking en voor niemand anders. Die geheimhouding is belangrijk want het gaat om een reddingsplan in een tijd van zeer zware oorlog. Mogelijk geven de donderslagen ook locaties weer, waarheen de heiligen in de grote verdrukking zullen kunnen vluchten tegen de plagen van de schalen. Dat is ook het geval met de Israëlieten die aan het begin van de grote verdrukking uit Judea zijn gevlucht voor het beest, wanneer zij ‘de gruwel van verwoesting’ waarover Daniël had gesproken, zien staan in de heilige plaats (Mattheus 24:15). Zij worden door God Zelf ‘met arendsvleugelen’ weggevoerd naar een plaats in de woestijn om daar door God gevoed en beschermd te worden (Openbaring 12:6, 14).


(3) Wat is het effect van de vierde plaag en wat is dan de zin ervan?

In de plaag met de zon demonstreert God zijn enorme macht. Eindelijk zou nu het moment gekomen moeten zijn, dat mensen inzien, Wie recht heeft op aanbidding. Niet het beest. Niet de zon. Maar de almachtige God die de zon schiep en alle sterren van het heelal. Vlak voor de uitrol van het rijk van het beest werd daar al toe opgeroepen door een engel in het midden van de hemel: ‘Vreest God en geeft Hem heerlijkheid, want het uur van zijn oordeel is gekomen en aanbidt Hem die de hemel en de aarde en de zee en de waterbronnen heeft gemaakt’. De hemel, met de zon, die zo steekt, de zee en de waterbronnen, die in bloed zijn veranderd, het is allemaal door God gemaakt. Aanbid Hem. Dat moment van aanbidding zou nu toch gekomen moeten zijn. Helaas, er staat: ‘...en lasterden de naam van God, die de macht over deze plagen had, en zij bekeerden zich niet om Hem heerlijkheid te geven.’

Het omgekeerde gebeurt van wat men misschien zou verwachten, dat de mensen gaan inzien dat God machtiger is dan het beest en dat Hij alle aanbidding waard is. In plaats daarvan ‘lasteren’ de mensen de naam van God. Hoe kan dat? Het heeft alles te maken met indoctrinatie en hersenspoeling. De mensen hebben 3,5 jaar achtereen via alle media waarover zij beschikken, met de meest moderne communicatietechnieken ooit, waarbij waarschijnlijk zelfs rechtstreeks via een chip implantaat informatie werd overgedragen, niet anders gehoord dan wat het beest over God te zeggen had. En dat is niet veel soeps. Want het beest had ‘zeven koppen met daarop namen van lastering’ (Openbaring 13:1) en het ‘werd hem een mond gegeven die grote dingen en lasteringen sprak…’ (Openbaring 13:5). En er volgt: ‘En hij opende zijn mond tot lasteringen tegen God, om zijn naam te lasteren en zijn tabernakel en hen die in de heel wonen.’ (Openbaring 13:6).

Als de mensheid in de grote verdrukking niets dan lasterpraat over God heeft vernomen, dan is het geen wonder dat ze deze taal nog enige tijd blijven herhalen. Zij zijn als verkeerd opgevoede kinderen, die hun verkeerd woordgebruik moeten afleren. Veel daarvan is nu reeds zichtbaar. Praten de mensen niet alles na wat hun door de zogenaamde wetenschap en de massamedia wordt ingeprent? Het gedachtegoed van de mensheid is al langer dan een eeuw onderhevig aan een verschrikkelijk bederf door verwerpelijke theorieën over evolutie, waarin voor God geen plaats is.

Vlak voor de grote verdrukking brak er iets van een besef door van de grootheid van God, bij de enorme wereldbeving van het zesde zegel. Toen zeiden alle mensen van hoog tot laag tot de bergen en de rotsen: ‘Valt op ons en verbergt ons voor het aangezicht van Hem die op de troon zit en voor de toorn van het Lam…’ (Openbaring 6:16,17). Maar van dat ontzag is na 3,5 jaar heerschappij door het beest onder directe regie van satan weinig meer over. In plaats van ontzag te hebben voor God, lasteren de mensen God.

Komt het dan nooit, het moment dat alle mensen zich gewonnen geven en God erkennen? Ja, dat moment komt. Alleen zal het nog enige tijd duren voordat hun gemoedsgesteldheid is veranderd. Bij de vierde schaal is het rijk van het beest nog bezig in te storten en mogelijk hebben mensen nog de valse hoop dat het tij zal keren ten gunste van het rijk. Enkele plagen verderop zal die valse hoop volledig de bodem zijn ingeslagen. Het wereldbeeld van allen ‘die op de aarde wonen’ zal een totale omwenteling ondergaan bij de terugkeer van Christus uit de hemel, het oordeel over het beest en de gevangenzetting van de duivel (Openbaring 19:11-20:3).

Het ogenblik komt, dat ‘elk schepsel dat in de hemel en op de aarde en onder de aarde en op de zee is, en al wat daarin is’ zal zeggen: ‘Hem die op de troon zit en het Lam, zij de lof en de eer en de heerlijkheid en de macht tot in alle eeuwigheid’ (Openbaring 5:13). God heeft Jezus een naam geschonken die boven alle naam is, ‘opdat in de naam van Jezus elke knie zich buigt van hen die in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn, en elke tong belijdt dat Jezus Christus Heer is, tot heerlijkheid van God de Vader.’ (Fil.2:10,11)

Voor hen die zich slaafs onderwierpen aan het beest en zijn rijk zal het ‘onder de aarde’ zijn, dat zij het Lam lof zullen toezwaaien en hun knie voor Hem zullen buigen. Dat is de consequentie van de eigen keuzes die zij in hun leven hebben gemaakt. Van Gods kant was dit absoluut niet nodig geweest want Hij wil dat alle mensen behouden worden en tot kennis van de waarheid komen’ (1 Timotheus 2:4).

- 26 juni 2022 -

openbaring

van Jezus Christus