openbaring 11

Vers1,2

Tweeënveertig maanden

En mij werd een meetlat gegeven, die op een staf leek. En de engel was erbij komen staan en zei: Sta op en meet de tempel van God, het altaar en hen die daarin aanbidden.

Maar laat de buitenste voorhof van de tempel erbuiten en meet die niet, want die is aan de heidenen gegeven. En zij zullen de heilige stad vertrappen, tweeënveertig maanden lang.

De belangrijkste vraag die in verband met Openbaring 11 moet worden beantwoord, is in welk gedeelte van Daniëls 70e en laatste jaarweek dit hoofdstuk zich afspeelt. Die jaarweek is de periode van circa 7 jaar, waarover het grootste deel van het boek Openbaring zich grofweg afspeelt. Er zijn in dit opzicht hoofdzakelijk twee opvattingen. (1) Openbaring 11 plaatst ons weer aan het begin van de laatste jaarweek, waar we ook waren in Openbaring 6, met het verbreken van de zegels, en beschrijft ons de eerste helft van Daniëls laatste jaarweek. (2) Openbaring 11 plaatst ons aan het begin van de tweede helft van de laatste jaarweek. Volgens de uitleg van deze pagina was de tweede helft van Daniëls 70e jaarweek begonnen met de vijfde bazuin en de val en een ster uit de hemel op aarde (satan).

Er zijn negen argumenten om aan te nemen dat Openbaring 11 gaat over de tweede helft van Daniëls jaarweek.

(1) De uitdrukking ‘tweeënveertig maanden’ komt in Openbaring slechts twee keer voor. De eerste keer is hier en de tweede keer is in Openbaring 13:5, waar het gaat om de tijd dat het beest uit de zee macht heeft om handelend op te treden. Het beest uit de zee start zijn totalitaire werelddictatuur pas aan het begin van de tweede helft van Daniëls 70e jaarweek.

(2) De uitdrukking ‘twaalhonderdzestig dagen’ komt in Openbaring ook slechts twee keer voor. De eerste keer is hier en de tweede keer is in Openbaring 12:6, waar de vrouw, die de woestijn in vlucht, gedurende die tijd wordt gevoed. Dit voeden van de vrouw betreft ook weer de tweede helft van Daniëls jaarweek, de 'grote verdrukking' of 'tijd van grote benauwdheid', die volgens de Olijfbergrede start na de 'gruwel van de verwoesting', halverwege de 70e jaarweek.

(3) Het gaat over een periode dat de heilige stad wordt vertrapt. Dat gebeurt pas nadat het dagelijks slacht- en spijsoffer worden gestaakt en een gruwel wordt opgericht die verwoesting brengt. Dit gebeurt volgens Daniël 9:27 halverwege de laatste jaarweek. Weliswaar wordt in Daniël 9:27 gesteld dat het verbond voor velen zwaar wordt gemaakt, ‘een week lang’. Maar het ‘zwaar maken van het verbond’ is niet hetzelfde als het ‘vertrappen van de heilige stad’. Zou dat wel het geval zijn, dan zou dit in totaal geen 42 maar 84 maanden duren.

(4) De twaalfhonderdzestig dagen is de periode dat de twee getuigen of twee profeten optreden. Profeten van God treden altijd op in de donkerste periode van Israëls geschiedenis. Daarom worden ze hier ook de ‘twee olijfbomen en de twee kandelaars’ genoemd ‘die staan voor de God van de aarde'. De eerste halve jaarweek is lang zo donker niet als de tweede, hoewel dan al sprake is van zware misleiding. Het volk is dan vrij om God te dienen conform de offerrituelen van het Oude Testament en er staat geen afgod in de tempel. Als de twee profeten optreden gedurende de eerste halve jaarweek, dan zou er geen licht worden verspreid in de zeer donkere tweede halve jaarweek.

(5) De twee getuigen hebben macht over het water, om het in bloed te veranderen, en over de aarde, om die te slaan met plagen. Die macht heeft alleen zin als er geen sprake is van andere plagen. Juist in de eerste halve jaarweek zijn er tal van plagen, eerst van de apocalyptische ruiters, burgeroorlog, hongersnood, epidemieën (weliswaar veroorzaakt door de machtsbolwerken op aarde, maar dat maak niet uit). Dan volgt een enorme aardbeving en daarna volgen de oordelen van de vier bazuinen. Echter, gedurende de tweede halve jaarweek, die begint bij de vijfde bazuin en de vestiging van het wereldrijk van het beest, zijn er geen plagen vanwege zegels of bazuinen. De vijfde en de zesde bazuin slaan op het totalitaire optreden van het wereldrijk. De plagen vanwege de schalen volgen pas bij de zevende bazuin, die zijn geluid laat horen na afloop van het rijk van het beest, dus ná de tweeënveertig maanden of twaalhonfderdzestig dagen van de tweede helft van Daniëls jaarweek. Het is de periode van het rijk van het beest, de tweede helft van de jaarweek, die wordt ‘vergald’ door deze twee getuigen van God.

(6) De werkwoordsvormen van het zevende vers maken duidelijk dat ze gedurende het rijk van het beest opereren en dat het beest gedurende hun optreden aanwezig is. Er staat namelijk: ’En wanneer zij hun getuigenis voleindigd ZULLEN hebben, dat ZAL het beest dat OPSTIJGT (let wel: er staat niet: ZAL OPSTIJGEN) oorlog met hen voeren en het ZAL hen overwinnen en doden.’ Hier staat overal ‘zal’ als iets wat nog toekomstig is – we kijken vanaf het begin van hun optreden – behalve waar het gaat om het opstijgen van het beest. Dat gebeurt namelijk op het moment dat de getuigen beginnen met hun bediening. En dat betekent dat hun bediening de tweede halve jaarweek betreft.

(7) De werkwoordstijd van het optreden van de twee getuigen is toekomstige tijd tot en met vers 10, de dood van de twee getuigen en de blijdschap daarover van de wereld. In vers 11 wordt overgegaan op de standaard werkwoordstijd van Openbaring, de verleden tijd. Dat betekent dat aan het begin van het optreden van de twee getuigen terug wordt gegaan in de tijd en dat vooruit wordt gekeken naar het eind van hun optreden, dat ongeveer samenvalt met 'het blazen van de zevende bazuin', waarnaar reeds vooruit was gewezen door de sterke engel van hoofdstuk 10. Van daaraf gaat het verhaal verder waar de sterke engel van hoofdstuk 10 'gebleven was' en staat het weer in de verleden tijd.

(8) Direct na de beëindiging van hun bediening, hun dood, opstanding en hemelvaart, vindt er een grote aardbeving plaats. Die vormt de eerste aankondiging van het einde van het koninkrijk van het beest en is (volgens 11:14) nog onderdeel van de tweede ‘wee’, die begon met de zesde bazuin, die bazuinde, vijf maanden in de tweede helft van de laatste helft van Daniëls jaarweek.

(9) Direct na de gebeurtenissen van het vorige punt wordt de zevende bazuin geblazen, als definitief teken van het einde, zoals al was aangekondigd door de ‘sterke engel’ van hoofdstuk 10.

(10) Direct na het bazuinen van de zevende bazuin aanbidden de vierentwintig oudsten God als degene zijn grote kracht ter hand heeft genomen en die Koning is geworden. Daniëls laatste jaarweek is voorbij en daarmee de heerschappij van het beest. Daar zal aanstonds mee worden afgerekend. Hoe dat gebeurt lezen we verder in Openbaring 15, 16 en 19. De hoofdstukken daartussendoor zijn ‘uitstapjes’ die belangrijke achtergronden achter de wereldgeschiedenis duidelijk maken.

- 20 januari 2022 -


Vers1,2

De heilige stad

En mij werd een meetlat gegeven, die op een staf leek. En de engel was erbij komen staan en zei: Sta op en meet de tempel van God, het altaar en hen die daarin aanbidden.

Maar laat de buitenste voorhof van de tempel erbuiten en meet die niet, want die is aan de heidenen gegeven. En zij zullen de heilige stad vertrappen, tweeënveertig maanden lang.


Zoals we al aangaven bij Openbaring 10, zijn we hier aangeland bij een belangrijke ‘insnijding’ in de chronologie van het boek Openbaring. We noemen hier nog even de punten waaruit dat blijkt. Het is namelijk erg belangrijk voor een goed begrip van de hoofdstukken die volgen en die de bekendste zijn van het boek.

(1) Van de boekrol van Openbaring 5, de geschiedenis van de gehele wereld, gaat de beschrijving ineens over naar het perspectief van het volk van ‘het geopende boekje’ in de hand van de sterke engel, het volk Israël. Een ander perspectief betekent ook dat de volgtijdelijkheid onderbroken kan worden.

(2) In plaats van het voortdurende ‘en ik hoorde’ en ‘en ik zag’, zien we Johannes hier handelend optreden en opdrachten vervullen. (a) Hij moet het boek nemen uit de hand van de engel. (b) Hij moet het boekje opeten – zoet in zijn mond en bitter in zijn buik. (c) Hij moet opnieuw profeteren. (d) Hij moet opstaan en de tempel van God en het altaar en hen die daarin aanbidden meten. (e) Hij moet de voorhof buiten de tempel verwerpen door die niet te meten.

(3) De werkwoordtijd verandert. Alles wat in de verleden tijd wordt beschreven is in chronologische volgorde beschreven. Maar hier verandert de vertelling naar toekomende tijd. Dat begint al in Openbaring 11:2, waar staat: ‘...want hij (de voorhof) is aan de naties gegeven, en zij ZULLEN de heilige stad vertreden tweeënveertig maanden lang).

(4) De Tweeënveertig maanden van vertreden van de heilige stad komt overeen met de laatste helft of 3,5 jaar van de laatste jaarweek van Daniël. Echter, we zagen dat die laatste helft reeds begon in hoofdstuk 9 met het gevallen zijn van de ster uit de hemel op aarde en dat daar sindsdien circa anderhalf jaar van beestachtige dictatuur werd beschreven. Dat betekent dat we hier anderhalf jaar terug gaan in de tijd, weer naar het begin van diezelfde dictatuur, die in totaal 3,5 jaar duurt.

Dat het perspectief verschuift van de wereld als geheel naar Israël, blijkt direct uit het begin van Openbaring 11. Het gaat over het centrum van Israël: de tempel. Dit gedeelte lijkt sterk op de beschrijving die Ezechiël geeft van de enorme structuur die de tempel in het duizendjarig rijk zal vormen (Ezechiël 40 – 46). Ook dat gedeelte begint met een meetroede en wel van 6 el (circa 3 meter). Een belangrijk verschil is dat het niet Ezechiël zelf is, die de meting aan de toekomstige tempel van God verricht maar ‘de man met een koperen uitstraling’, waarschijnlijk een engel.

Hier in Openbaring 11 is het de profeet die de meting moet verrichten met ‘een rietstok, die eruit ziet als een staf’. Dat doet natuurlijk direct denken aan Mozes, die het volk uit Egypte (het land van de Nijl met al het riet) heeft geleid met ‘de staf van God’. Die staf speelde een zeer belangrijke rol in de bevrijding van het volk Israël uit het land Egypte. Het was die staf waarmee Mozes de tekenen verrichtte en waarmee hij uiteindelijk de zee spleet, waardoor het volk werd gered van hun achtervolgers. Hier is het opnieuw de staf, dit maal als meetinstrument, die de redding moet brengen. Maar die redding is slechts voor een zeer select gezelschap. De redding is alleen voor degenen die in de tempel aanbidden. De voorhof van de tempel en alles wat daar verder buiten ligt, wordt niet gemeten en derhalve niet beschermd. Daarom staat er: ‘Die is aan de naties gegeven’ en de heilige stad ‘zal tweeënveertig maanden worden vertreden’.

Uit andere gedeelten weten we waarop dit ‘aan de naties gegeven’ en ‘vertreden’ slaat. We zetten hier alle schriftgedeelten onder elkaar, die hierop betrekking hebben:

(1) Dan. 7:25: ‘Hij zal woorden spreken tegen de Allerhoogste, en de heiligen van de Allerhoogste te gronde richten; hij zal erop uit zijn tijden en wet te veranderen, en zij zullen in zijn macht gegeven worden voor een tijd en tijden en een halve tijd.’

(2) Dan. 9:27 ‘En hij zal het verbond voor velen zwaar maken, een week lang; in de helft van de week zal hij slachtoffer en spijsoffer doen ophouden; en op een vleugel van gruwelen zal een verwoester komen, en wel tot aan de voleinding toe, en waartoe vast besloten is, dat zal zich uitstorten over wat woest is.’

(3) Dan. 8:23; ‘En in het laatst van hun koningschap, als de boosdoeners de maat hebben volgemaakt, zal er een koning opstaan, hard van aangezicht en bedreven in listen. En zijn kracht zal sterk zijn – maar niet door eigen kracht – en op ontstellende wijze zal hij verderf brengen, en wat hij onderneemt zal hem gelukken; machtigen zal hij verderven, ook het volk der heiligen.'

(4) Dan.11:31; ‘Dan zullen strijdmachten door hem op de been gebracht worden. Zij zullen het heiligdom, de vesting ontheiligen, het dagelijks offer doen ophouden en een gruwel oprichten, die verwoesting brengt.’

(5) Dan.11:36; ‘En de koning zal doen wat hem goeddunkt; hij zal zich verhovaardigen en zich verheffen tegen elke god, zelfs tegen de God der goden zal hij ongehoorde woorden spreken, en hij zal voorspoedig zijn, totdat de maat van de gramschap vol is; want wat vastbesloten is, geschiedt. Ook op de goden van zijn vaderen zal hij geen acht slaan; op de lieveling der vrouwen noch op enige andere god zal hij acht slaan, want tegen alle zal hij zich verheffen. Maar in hun plaats zal hij de god der vestingen vereren: de god die zijn vaderen niet gekend hebben, zal hij vereren met goud en zilver en edelgesteenten en kostbaarheden. En hij zal optreden tegen de versterkte vestingen met de hulp van de vreemde god; ieder die deze erkent, zal tot grote eer komen; hij zal hen tot heersers maken over velen.’

(6) Jes. 28:14 'Daarom hoort het woord des HEREN, gij spotters, heersers over dit volk in Jeruzalem. Omdat gij zegt: Wij hebben een verbond met de dood gesloten en met het dodenrijk een verdrag gemaakt…’

(7) Mat. 24:15-21 'Wanneer u de gruwel van de verwoesting, waarvan gesproken is door de profeet Daniël, zult zien staan in de heilige plaats….Want er zal dan een grote verdrukking zijn zoals er niet geweest is van het begin van de wereld af tot nu toe en er ook geenszins meer zal komen.’

(8) Luk.31:24b ‘En Jeruzalem zal door de volken worden vertrapt, totdat de tijden van de volken zijn vervuld.’

(9) 2 Thess.2:3 ‘...als de mens van de zonde geopenbaard is, de zoon van het verderf, die zich verzet en zich verheft tegen al wat God heet of een voorwerp van verering is, zodat hij in de tempel van God gaat zitten en zichzelf vertoont dat hij god is.’

Het laatste vers (9), uit 2 Thessalonicenzen, gaat rechtstreeks terug op de gedeelten uit Daniël. Merk op dat (3) Daniël 8:23 de tempel ‘de vesting’ noemt en dat (5) Daniël 11:36 en vervolgens aangeeft dat ‘de koning’ zal optreden tegen de versterkte vestingen met de hulp van de vreemde god. We hebben hier het beest uit de aarde (Israël) dat de aanbidding van het beest uit de zee (hersteld Romeins wereldrijk) organiseert in directe verbinding met de tempel van God, terwijl de keizer van het wereldrijk zelf ook in de tempel gaat zitten om te laten zien wie er de baas is. Hij of God. Dit zijn de woorden ‘tegen de Allerhoogste’ die worden gesproken door ‘de elfde hoorn’ van het vierde dier van Daniël 7 en die daarin volledig wordt gesteund door de propagandamachine in Jeruzalem, met de tempel als droevig centrum. Dit onderwerp wordt verder uitgediept in Openbaring 13.

(10) Op.13:6 ‘En hij (het beest uit de zee) opende zijn mond tot lasteringen tegen God, om zijn naam te lasteren en zijn tabernakel en hen die in de hemel wonen. En hem werd gegeven oorlog te voeren tegen de heiligen en hen te overwinnen…’

(11) Op.13:12 ‘En het (beest uit de aarde) oefent al het gezag van het eerste beest uit in diens tegenwoordigheid en maakt dat de aarde en zij die erop wonen, het eerste beest aanbidden…’

Al deze schriftgedeelten zijn vrijwel volledig met elkaar in lijn en vullen elkaar vrijwel perfect aan. Er is alleen één klein probleem. Er lijkt een tegenstrijdigheid te bestaan tussen dit gedeelte, in Openbaring 11 en 2 Thessalonicenzen 2:4. We zullen daar in het vervolg op terugkomen en de tegenstrijdigheid aangrijpen om mogelijk beter te begrijpen, wat er precies allemaal gaat gebeuren rond het toekomstige heiligdom in Jeruzalem.

- 22 januari 2022 -


Vers 1, 2

De heilige plaats

‘En mij werd een rietstok gegeven, aan een staf gelijk, en gezegd: sta op en meet de tempel van God en het altaar en hen die daarin aanbidden. En de voorhof die buiten de tempel is, verwerp die en meet die niet, want hij is aan de naties gegeven, en zij zullen de heilige stad vertreden, tweeënveertig maanden’


Er is tegenspraak tussen Openbaring 11 en 2 Thessalonicenzen 2. Deze tegenspraak betreft de vraag waar ‘de wetteloze, de mens van de zonde, de zoon van het verderf’ gaat zitten om te beweren dat hij God is, zoals Paulus schrijft in 2 Thessalonicenzen 2:4. Volgens Paulus is dat namelijk ‘het tempelhuis’. In de grondtekst staat letterlijk het volgende:

‘...de zoon van het verderf, die zich verzet en zich verheft tegen al wat God heet of een voorwerp van verering is, zodat hij in de tempel van God gaat zitten en zichzelf vertoont dat hij God is.’

Het woord voor ‘tempel’ dat Paulus hier gebruikt, is ‘naos’, dat is het binnenste van de tempelgebouwen, voor de Grieken de plaats waar de afgodsbeelden stonden, zonder omliggende hoven en gebouwen en voor de Joden het Heilige en het Heilige der heiligen, ook wel ‘het tempelhuis’ genoemd, zonder de voorhof van de priesters, van de vrouwen (samen de binnenste voorhof) en de voorhof van de heidenen (de buitenste voorhof).

Er is wat dit betreft tegenspraak met Openbaring 11, waar staat dat de tempel - ook weer hetzelfde woord ‘naos’ – moet worden gemeten, samen met het altaar en hen die daarin aanbidden, dat wil zeggen, in de tempel. De voorhof buiten de tempel – ook weer datzelfde ‘naos’ –verwerp die, want die is aan de heidenen gegeven, en zij zullen de heilige stad vertreden…’

Datgene wat door Johannes met de rietstok als een staf moet worden gemeten, wordt door God beschermd. Wanneer iets wordt gemeten wordt het waardevol gevonden. Denk ook aan de uitdrukking: ‘de haren van uw hoofd zijn alle geteld’. De staf verwijst terug naar de uitredding die God het volk Israël gaf door de bediening van Mozes. Het volk werd door God beschermd. Zo is dat hier het geval met het tempelhuis en wat zich daarbinnen van waarde bevindt, het reukofferaltaar en degenen die er aanbidden. Maar hoe is het mogelijk dat de wetteloze, de mens van de zonde, de zoon van het verderf, in de tempel (naos) gaat zitten volgens Paulus en dat diezelfde tempel (naos) volgens Johannes wordt beschermd?

Ook de Heer Jezus wijst vooruit naar het moment dat men ‘de gruwel van de verwoesting zal ziet staan in de heilige plaats’ of ‘zal zien staan waar die niet behoort’. Het woord voor ‘staan’ staat er in Mattheus 24 zelfs twee keer ‘staan staan’. Dat wil zeggen dat de gruwel er onwrikbaar staat. Wat bedoelde Hij met ‘de heilige plaats’ of met ‘waar die niet behoort’? Was dat de tempel (naos)?

We weten dat de tempelgebouwen verschillende graden van heiligheid kennen. Het minst heilig is de voorhof van de heidenen. Daarna komt de voorhof der vrouwen. Daarna de voorhof van de Israëlieten. Daarna komt de voorhof van de priesters. Daarna komt het Heilige. Daarna het Heilige der Heiligen of het Allerheiligste. Voor een niet-Jood was het zelfs al heiligschennis om de voorhof van de vrouwen te betreden. De Joden uit Asia schreeuwden moord en brand toen ze vermoedden dat Paulus Grieken mee in de tempel had genomen naar één van de kamers van voorhof der vrouwen, de zuidoostelijke, waar enkele Joden (geen Grieken) uit Asia voor een Nazireeër gelofte het haar zouden laten afscheren. Het was voor Paulus het begin van zijn gevangenschap, die jaren later leidde tot zijn executie voor Nero.

Als dus een Romeins keizer de Joodse autoriteiten in de toekomst dwingt om hem toe te laten tot – niet alleen de voorhof der vrouwen, niet alleen de voorhof der Israëlieten, maar mogelijk de voorhof der priesters, dan kun je je voorstellen hoe ernstig dat is voor iedere rechtgeaarde Jood. Alleen de afvalligen onder de Joden, die onder één hoedje spelen met het Romeins gezag, zullen daarin toestemmen. Sterker nog, ze zullen er in meegaan en het voortouw nemen in de wereldwijde aanbidding van de keizer. De Heer Jezus kan met ‘de heilige plaats’ of ‘waar die niet behoort’ derhalve heel goed de voorhof van de priesters’ hebben bedoeld of zelfs ‘de voorhof van de Israëlieten’. Maar wat moeten we dan denken van de uitspraak van Paulus? Dat ‘de wetteloze, de mens van de zonde, de zoon van het verderf’ gaat zitten in de tempel (naos)?

Er zijn twee mogelijkheden om 2 Thessalonicenzen en Openbaring 11 te verzoenen. In beide gevallen spelen de twee getuigen een zeer belangrijke rol. Daarom worden die in Openbaring ook in één adem genoemd met deze tempelproblematiek. De twee oplossingen zijn als volgt:

(1) Eerste oplossing

De mens van de zonde, de zoon van het verderf wil zich zetten in de tempel maar wordt daarin verhinderd door de twee getuigen. Hij komt het heiligdom niet binnen want zij barricaderen de toegang. Vanwege hun bovennatuurlijke vermogens is het beest uit de afgrond niet in staat hen te passeren. Hij zet zijn zetel derhalve zo dicht mogelijk bij het heiligdom, namelijk in het enorme portaal, dat nog wel bij het tempelhuis behoort of in de voorhof der priesters. Hij is echter niet in staat het heilige binnen te dringen.

Er ligt hier een belangrijke parallel met de geschiedenis van 2000 jaar terug. Waarschijnlijk kwamen de dertig zilverlingen van Judas ook niet verder dan het portaal van de tempel, aangezien Judas daar helemaal niet had mogen komen. Hij moest circa 50 meter over de voorhof van de priesters lopen, waar hij als gewone Israëliet helemaal niet mocht komen. Judas is een voorafschaduwing van het beest uit de afgrond. Net als Judas is ook het beest afkomstig uit de ‘inner circle’ dat de Messias verwacht. Daarom zijn er zovelen die hem gedurende de eerste drie en een half jaar vertrouwen. Daarom wordt hij ‘de antichrist’ genoemd, degene die in alles lijkt op de Messias maar onderhuids de meest verschrikkelijke wolf in schaapskleren is. Judas en de antichrist zijn de enigen in de Bijbel die ‘zoon van het verderf’ worden genoemd.

Er is nog een treffende overeenkomst tussen deze twee ‘zonen van het verderf’. Beide verontreinigen zij de tempel van God met geld. Zij doen daarmee het exacte tegendeel van wat de ware Messias deed. Jezus weerde juist alle handel uit de tempel. De tafels van de geldwisselaars keerde Hij om. ‘Maak niet het huis van mijn Vader tot een huis van koophandel’, zei Jezus. De ‘zonen van het verderf’ besmetten de tempel met geld. Judas deed dat door middel van de dertig zilverlingen verradersloon. Het beest uit de afgrond zal dat doen door middel van het mondiale geldsysteem dat vanuit de tempel zal worden georganiseerd. Ook dat is een soort ‘verradersloon’. Want het zet degenen die ooit optrokken met deze valse Messias onder druk hem te aanbidden. Zo niet dan moeten ze dat bekopen met hun leven, net als Jezus zijn leven ‘liet’ vanwege het verraad van Judas. Het is immers ‘de koning van Israël’, ‘het beest uit de aarde’, dat ‘het beest uit de zee’ op een voetstuk plaatst en een wereldwijde afgoderij invoert, gekoppeld aan het geldsysteem middels het ‘merkteken van het beest’, zonder hetwelk niemand kan kopen of verkopen.

(2) Tweede oplossing

Het beest uit de afgrond voert oorlog tegen de twee getuigen nadat ze na 1260 dagen hun getuigenis voltooid hebben en doodt hen. Voor drie en een halve dag (een dag voor elk jaar van hun getuigenis) liggen hun lichamen op straat. Daarna worden zij opgewekt en varen zij ten hemel. Direct daarna volgt het blazen van de zevende bazuin als startsein voor de zeven schalen van Gods toorn, die over de aarde worden uitgestort. Vanaf het moment dat de getuigen worden omgebracht, is de toegang tot het heilige vrij. In de allerlaatste dagen van zijn bewind kan het beest uit de afgrond derhalve alsnog het heiligdom verontreinigen met zijn aanwezigheid. Dat zal slechts van korte duur zijn en plaatsvinden onder de meest verschrikkelijke oordelen die vanuit de hemel over de aarde worden uitgegoten - mogelijk ook juist daaróm. Het is immers de gruwel der verwoesting. Dat is hij in wezen al vanaf de helft van de jaarweek maar de grote verwoesting komt pas aan het slot.

- 24 januari 2022 -


Vers 3-6

twee getuigen

‘En Ik zal aan mijn twee getuigen macht geven en zij zullen profeteren twaalfhonderdzestig dagen lang, met zakken bekleed. Dezen zijn de twee olijfbomen en de twee kandelaars, die vóór de Heer van de aarde staan. En als iemand hun schade wil toebrengen, komt er vuur uit hun mond en verteert hun vijanden; en als iemand hun schade wil toebrengen, dan moet hij zó gedood worden. Dezen hebben de macht de hemel te sluiten, zodat er geen regen valt in de dagen van hun profeteren; en zij hebben macht over de wateren om die in bloed te veranderen en om de aarde te slaan met allerlei plagen, zo dikwijls zij willen.’

Hierboven hebben wij geprobeerd twee belangrijke vragen te beantwoorden:

(1) Wanneer doet zich het ‘vertreden van de heilige stad’ (42 maanden) en het ‘optreden van de twee getuigen’ (1260 dagen) voor? Antwoord: In de tweede helft van Daniëls laatste jaarweek.

(2) Waar zal de antichrist, de ‘mens van de zonde’, de ‘zoon van het verderf’, de ‘wetteloze’ gaan zitten met de bewering dat hij God is? Antwoord: In het portaal van de tempel, dat nog net wel bij het tempelhuis hoort maar net niet bij het heilige, waar het reukofferaltaar staat.

Verder kunnen we over dit gedeelte nog de volgende vragen stellen:

(3) Van wie ontvangen de twee getuigen precies hun macht?

(4) Waarom worden ze ‘de twee olijfbomen en de twee kandelaars’ genoemd?

(5) Wat moeten we ons voorstellen bij de ‘schade’ die men hen wil toebrengen?

(6) Waarom beantwoorden zij de schade die men hen wil toebrengen met vuur uit hun mond?

(7) Wie zijn de twee getuigen?


We zullen de vragen (3) tot en met (7) hieronder beantwoorden.

(3) Van wie ontvangen de twee getuigen precies hun macht?

Vers drie van Openbaring 11 begint met: ‘En Ik zal aan mijn twee getuigen macht geven…’ Wie is deze Persoon die hier spreekt? Lezen we het gedeelte zonder hoofdstukonderbreking vanaf het begin van hoofdstuk 10 in de oude King James vertaling, dan wordt duidelijk dat het voortdurend de sterke engel is, die we in Openbaring 10 zien neerdalen uit de hemel, die tegen Johannes spreekt. Tussendoor zegt de engel die Johannes door het visioen loodst, iets tegen hem in 10:8 ‘En de stem die ik uit de hemel had gehoord, sprak opnieuw met mij en zei…’ Daarna gaat Johannes naar de sterke engel met het geopende boekje in zijn hand om van Hem het boekje te vragen. Die geeft hem het boekje met de opdracht het op te eten. Daarna spreekt de engel verder: ‘En Hij (niet: men) zei tegen mij: u moet opnieuw profeteren...’ Dan ontvangt Johannes een rietstok en dan staat er: En de engel stond en zei: Sta op en meet de tempel...’ Dit spreken van de engel loopt ononderbroken door tot en met een groot gedeelte van het verhaal van de twee getuigen, in ieder geval tot en met vers 10. Daarna verandert de werkwoordstijd en lijkt Johannes weer helemaal terug in zijn visioen.

Belangrijk is dat de twee profeten in één adem met de tempel worden genoemd. Er is geen enkele reden om aan te nemen dat de 42 maanden en de 1260 dagen slaan op twee verschillende delen van de laatste jaarweek. De ‘Ik’ van ‘Ik zal aan mijn twee getuigen macht geven…’ is de sterke engel die uit de hemel neerdaalde. We zagen in de bespreking van Openbaring 10 dat deze sterke engel de Heer Jezus is. Het is de Heer Jezus, God, aan Wie beide getuigen toebehoren en Die hen macht verleent.


(4) Waarom worden ze ‘de twee olijfbomen en de twee kandelaars’ genoemd?

Deze vraag maakt deel uit van een groter vraagstuk, dat we hier in zijn geheel zullen behandelen. Dat vraagstuk draait om de constatering dat in verband met deze tempel alleen gesproken wordt van het reukofferaltaar. Waarom worden de ark van het verbond, de kandelaar en de tafel van de toonbroden niet genoemd, drie attributen die wel voorkwamen in de tabernakel en in de tempel van Salomo? Om te beginnen met die laatste: de tafel met toonbroden ontbrak ook in de hemelse tempel van Openbaring 4, 5 en 6. Maar waarom ontbreekt die tafel?

De twaalf toonbroden die op de tafel lagen, werden, samen met de wierook die erop werd gelegd, een gedenkoffer genoemd. Die twaalf broden stonden voor de twaalf stammen van Israël. De tafel en de toonbroden vormden het teken dat God Israël en haar twaalf stammen gedacht. Israël werd vergeleken met een brood. Denk aan de droom die een soldaat uit het kamp van Midian kreeg en die werd afgeluisterd door Gideon. De vijandige soldaat zag het leger van Israël als een brood van de berg afrollen en hun tenten ondersteboven gooien. Maar sinds de komst van de Heer Jezus is Hij het brood, het Brood des Levens, dat uit de hemel is neergedaald. Net zoals de Heer Jezus de ware wijnstok is, in plaats van Israël, die oorspronkelijke wijnstok van God. De Heer Jezus vervangt in veel opzichten het volk Israël. Daarom is er geen tafel van toonbroden meer.

Ten tweede: de ark wordt niet genoemd want die wordt aan het einde van Openbaring 11 gezien in de tempel van God in de hemel. De ark is de troon van God en hoewel God in zijn Messias, de Heer Jezus, weer over de aarde zal regeren, blijft zijn troon in de hemel. De situatie dat God zijn troon op aarde had, zoals tot aan de ballingschap van Israël naar Babel, keert nooit weer terug.

Ten derde komen we toe aan de kandelaar. De kandelaar wordt niet genoemd, allereerst omdat de Heer Jezus, het licht van de wereld, het Lam als de Lamp van het hemelse Jeruzalem, is verschenen. In de tweede plaats zijn de twee getuigen in Openbaring 11 de kandelaar, zoals letterlijk van hen wordt vermeld in vers 4: ‘Deze zijn de twee olijfbomen en de twee kandelaars, die voor de Heer van de aarde staan’. Zij zijn de kandelaars, de verspreiders van licht maar ook de ‘olijfbomen’, de voortbrengers van de olie voor het licht. Dat betekent dat de Geest van God uitermate overvloedig op deze twee mannen rust. Olie is immers overal in de Bijbel een beeld van Gods Geest. Zij lijken op de wijze maagden, die niet alleen hun lampen in orde hadden maar ook een voorraad olie in hun kruiken. In Openbaring 11 staat het zelfs nog sterker. Niet alleen hebben zij een voorraad olie. Zij produceren zelf de olie, net als de olijfbomen.

Dat de situatie waarbij een ark en een tafel met toonbroden en een kandelaar in het aardse heiligdom staan, nooit meer zal terugkeren, blijkt ook uit de beschrijving van de tempel in Ezechiël 40-46. We vinden in die beschrijving alleen een brandofferaltaar in de voorhof en een reukofferaltaar in het tempelhuis. Dat reukofferaltaar krijgt, net als het brandofferaltaar, de naam ‘tafel’. Een ark, een kandelaar en een tafel met toonbroden komen we ook in de toekomstige tempel van het duizendjarig rijk, die door Ezechiël wordt beschreven, niet tegen. God lijkt hier in Openbaring 11 al van deze nieuwe situatie uit te gaan. Of de mens zelf wel een ark, een tafel toonbroden en een kandelaar neerzet, maakt daarbij niets uit.

Johannes refereert in dit gedeelte aan Zacharia 4, waar de profeet Zacharia een voorstelling ziet van een gouden kandelaar, die met toevoerbuizen wordt gevoed vanuit twee olijfbomen. Van de twee olijfbomen wordt daar gezegd: ‘Zij zijn de twee gezalfden die vóór de Here der ganse aarde staan’.

Zacharia krijgt van dat gezicht nog de betekenis door: ‘Niet door kracht noch geweld, maar door mijn Geest, zegt de HERE der heerscharen.’ De directe betekenis van deze profetie betreft de bouw van de tempel door Zerubbabel en de uit ballingschap teruggekeerde Joden. Echter, de finale vervulling wacht tot de dagen van de tempel in de grote verdrukking. Er zijn enkele verschillen. Allereerst zijn de twee getuigen niet alleen twee olijfbomen maar ook twee kandelaren, terwijl in het gezicht van Zacharia sprake was van slechts één enkele kandelaar. In wezen is het getuigenis van deze twee mannen zo eenduidig dat in wezen sprake is van één lichtbron. Ten tweede lijkt in Openbaring 11 juist wel sprake te zijn van geweld: het doden van tegenstanders met vuur uit hun mond en het brengen van plagen over de zee en de aarde. Echter, ook dit verschil is schijn. Het belangrijkste is namelijk niet het geweld maar de werking van Gods Geest.


(5) Wat moeten we ons voorstellen bij de ‘schade’ die men hen wil toebrengen?

Om dit te begrijpen moeten we ons eerst indenken welke geweldige taken deze twee mannen hebben. Allereerst vormen ze een barrière voor het verontreinigen van het heilige, zodat de tempel niet verontreinigd kan worden door de antichrist. Ten tweede zijn de twee getuigen 1260 dagen lang aan het profeteren. Dat betekent dat zij de hele wereldbevolking drie en een half jaar lang bekend maken met het Woord van God. Profeet zijn betekent namelijk ‘mond van God’ zijn. Zij hebben daarbij aan het begin van hun missie op een formidabele manier de aandacht van de wereld op zich gevestigd. Hun verhindering voor de ‘Romeinse keizer’ om zich in het heiligdom te laten aanbidden, betekent dat zij de aandacht van de hele wereldbevolking weten te trekken. De wereldwijde aanbidding van het beest is namelijk ‘topic’ nummer 1 gedurende die 3,5 jaar. En als de keizer daarbij een veer moet laten vanwege ‘twee getuigen van God’ dan kan het bijna niet anders of dat krijgt wereldwijde aandacht. Ook hun kleding is opvallend. In plaats van kleding, dragen zij ‘zakken’. Zij gaan dus zeer pover door het leven, zoals het profeten betaamt, terwijl zij enorme macht ontplooien. Dat is een contrast dat mondiale aandacht trekt.

Deze twee mannen zijn door hun optreden wereldwijd van een geweldige invloed op het denken van de grote massa. En zodra God beschikt over een effectief instrument, wil de duivel niets liever dan dit instrument overnemen om het in te zetten voor zijn eigen doeleinden. In dat licht moeten we het woord ‘schade’ bezien. Twee keer wordt dezelfde zin opgeschreven: ‘als iemand hen ‘schade’ wil toebrengen…’ eerst gevolgd door: ‘...komt er vuur uit hun mond, dat hun vijanden verteert.’ De tweede keer wordt die zin gevolgd door: ‘...moet hij zó worden gedood’. Het woord voor schade hier is weer hetzelfde als de drie keer in Openbaring 9. Het woord betekent niet ‘dood’ maar ‘ongerechtigheid’, ‘bederf’. Het gaat om het bederven van de mensheid met ‘het teken van het beest’, waarbij de duivel door middel van zijn elitaire handlangers al het menselijk DNA beoogt te verontreinigen, zoals ook al is gepoogd voorafgaand aan de zondvloed. Op deze pagina over Openbaring 9 is daarbij uitvoerig en met argumenten stilgestaan. Het lijkt er sterk op dat wij aan de vooravond staan van deze dingen en dat het wereldwijde experiment dat momenteel gaande is, voor dit doel dient: een optimale injectie samen te stellen, waarbij alle mensen worden gepatenteerd door farmaceutische bedrijven, die in dienst staan van de elite, de duivel. Daarbij worden zij tevens gekoppeld aan een betalingssysteem, zoals de overbekende verzen in Openbaring 13 aangeven.

Deze schade wil men uiteraard ook heel graag toebrengen aan de beide profeten. Deze twee getuigen zijn het beest een doorn in het oog. Zij belemmeren zijn ongebreidelde machtswellust richting de tempel. Zij brengen een boodschap die totaal indruist tegen alle propaganda machinerie van het rijk. Onder de voortdurende bedreiging van ‘schade’ profeteren deze mannen. Zij lijken op de ‘Maximus’ uit de film ‘Gladiator’. En de keizer wil niets liever dan ze de schorpioen- of slangenbeet toebrengen, zoals ook in die film aan het slot gebeurde. Ze zijn waarschijnlijk het enige openlijke aardse kanaal voor de boodschap van God.

Stel dat het de machthebbers zou lukken, de schorpioensteek of slangenbeet van Openbaring 9 toe te brengen aan de twee getuigen, dan zou men hen kunnen manipuleren om een andere boodschap te brengen, De twee getuigen zouden ingezet kunnen worden in de leugenachtige machine van het beest. Het uiteindelijke doel is niet zozeer hun persoonlijke schade maar de schade aan de boodschap die zij brengen, schade aan het Woord van God. Het is wat de leugenaar van de beginnen met alles heeft gedaan: infiltreren en inzetten voor de eigen doeleinden. Dat is gebeurd met de regerende macht, de wetgevende macht, de rechterlijke macht, de journalistiek, de kerk. Alles is totaal bedorven door de leugen. En zeker deze twee succesvolle profeten van God wil de duivel bederven door ze in te spuiten met het verraderlijke elixer. Drie een half jaar staan deze mannen bloot aan die dreiging en ze moeten voortdurend op hun hoede zijn. Wat een uitputtingsslag!


(6) Waarom beantwoorden zij de schade die men hen wil toebrengen, met vuur uit hun mond?

De twee getuigen hebben van God speciale macht ontvangen vuur te spuwen. Het is hun opdracht. Zo ‘moet’ iedere belager ter dood worden gebracht. Het vuur is in die laatste 3,5 jaar een belangrijk instrument van de satan. Het beest uit de aarde, de leider van Israël, ‘doet grote tekenen en laat zelfs vuur neerdalen uit de hemel op aarde, ten aanschouwen van de mensen’. Dat vuur speelt samen met de rook en de zwavel een belangrijke rol in de oorlogvoering tegen de wereldbevolking, onder de zesde bazuin van Openbaring 9, om iedereen te onderwerpen aan de tirannie van het beest uit de zee/uit de afgrond. Hier komt God met zijn vuur. Het vuur van God is sterker dan dat van de duivel. Het vuur van God wordt hier gebruikt om de heerschappij van het beest een halt toe te roepen, waar het gaat om de tempel.

Het vuur past ook heel goed in de omgeving waar beide mannen waarschijnlijk al die tijd posten, voor het portaal van de tempel om drie en een half jaar lang de toegang tot de tempel te belemmeren voor het beest. Zij hebben uitzicht op de voorhof waar het vuur van het brandofferaltaar voortdurend zou moeten branden maar waar geen offers meer worden gebracht aan God omdat het brengen van slachtoffer en spijsoffer ‘halverwege de week’ is gestaakt door het beest, de keizer van Rome. In plaats van dat vuur, van het brandofferaltaar, komt er vuur uit de monden van deze beide profeten.

Het vuur dat uit hun mond komt, correspondeert ook met de boodschap die zij brengen. ‘Is niet mijn woord zó: als een vuur, luidt het woord des HEREN, of als een hamer, die een steenrots vermorzelt?’, zo staat het in Jeremia 23:29. Tevens wordt de menselijke tong vergeleken met een vuur, dat een groot bos in brand kan zetten. De bedoeling van Jacobus met die beeldspraak is, dat we als mensen op onze woorden moeten passen, onze tong moeten beheersen. De mens kan met zijn tong enorme schade aanrichten. En die schade is meestal onterecht en verkeerd. Maar hier gaat het om Gods Woord tegenover een totaal afgedwaalde mensheid. Hoeveel terechte schade kan het Woord van God aanrichten tegenover een ongehoorzame en vijandige mensheid? Dat lezen we in vers 6 van Openbaring 11. Zij zetten de boodschap van God kracht bij door tekenen in de vorm van plagen: droogte, wateren die in bloed veranderen en plagen waarmee de aarde wordt geslagen. Dat brengt ons bij de zevende vraag,


(7) Wie zijn de twee getuigen?

Wie zijn deze twee getuigen? Daar wordt veel over gespeculeerd. Veel verklaringen geven aan dat ze geloven dat het hier gaat om Mozes en Elia. In de staf van vers 1, het veranderen van wateren in bloed en het slaan van de aarde met allerlei plagen is inderdaad een parallel met de wonderen onder Mozes zichtbaar. En in de drie en een half jaar droogte en het vuur dat tegenstanders verteert, is een parallel met de profeet Elia zichtbaar. Echter, Mozes en Elia ‘verschenen; beiden 'in heerlijkheid’ op de berg der verheerlijking met de Heer Jezus. Hoe kan het dat deze twee mannen hier dan worden gedood? De woorden ‘verschijnen’ en ‘in heerlijkheid’ duiden erop dat zij reeds beschikten over een opstandingslichaam.

Dat brengt ons op een andere kwestie, die hiermee in nauw verband staat. En dat is de vraag hoe het kan dat Christus ‘Eersteling uit de doden’ wordt genoemd, als tijdens zijn rondwandeling op aarde reeds iemand uit de doden was opgestaan, namelijk Mozes? Eenvoudig, net zoals Hij eersteling van de hele schepping wordt genoemd. Dat betekent niet ‘als eerste geschapen’, zoals het Wachttorengenootschap beweert. Jezus Christus is niet geschapen. Hij is God de Zoon, Eeuwig. Echter sinds zijn geboorte neemt Hij onder alles in de schepping de eerste plaats in. Zo is het ook met zijn opstanding. Hij neemt onder allen die uit de doden opstaan de eerste plaats in. Het ‘eerstgeborene’ slaat niet op chronologische volgorde maar op rangorde in belangrijkheid.

Hoe Elia in heerlijkheid kan verschijnen, weten we. Hij werd in levende lijve verplaatst naar de hemel. Mozes was echter gestorven. Michaël had met satan geredetwist over het lichaam van Mozes. Het lijkt erop dat Mozes voorafgaand aan het moment van de verheerlijking op de berg reeds door God is opgewekt.

Maar als dat zo is, dan kunnen deze twee getuigen van Openbaring 11 Mozes en Elia niet zijn. Als hun lichaam reeds gelijk is aan het lichaam van Christus’ heerlijkheid, dan heeft de dood geen macht meer over hen en dan kan het beest dat, uit de afgrond opstijgt, hen onmogelijk doden. Een belangrijke vraag is hoe het dan kan, dat hun bediening zo sterk lijkt op die van Mozes en Elia.

Dat hun missie sterk lijkt op die van Mozes en Elia, betekent niet dat zij Mozes en Elia zijn maar dat zij hun macht van dezelfde God ontvangen als van Wie Mozes en Elia ooit hun macht hadden ontvangen. Het is God die de overeenkomstigheid met eerdere wonderen, tekenen en plagen uitmaakt, niet die twee sterfelijke mensen. Dat betekent dat we niet weten wat de identiteit is van deze twee mannen. Ze zullen in de (waarschijnlijk zeer) nabije toekomst door God geroepen worden en voorbereid worden voor deze enorme taak. Mogelijk zijn het twee mannen uit de honderdvierenveertigduizend verzegelden uit Israël.

Overigens wordt van zowel Mozes als van Elia gezegd dat een dergelijk persoon met een dergelijke bediening opnieuw zou optreden in Israël. Van Mozes lezen we, dat hij zegt: ‘Een Profeet, uit het midden van u, uit uw broederen, als ik, zal u de HEERE, uw God, verwekken; naar Hem zult gij horen’. En van Elia zegt Maleachi: ‘Zie, Ik zend tot u de profeet Elia, voordat de dag van de HEERE komt, die grote en ontzagwekkende dag.’ Beide profetieën hebben hun voorvervulling gehad in de dagen van de Heer Jezus. De Heer Jezus past de profetie over de komst van Elia toe op Johannes de Doper. Petrus past de profetie van de komst van een profeet als Mozes toe op de Heer Jezus. In de twee getuigen zien we echter de finale vervulling, vlak voor het blazen van de zevende bazuin en de terugkeer van de Heer Jezus.

- 25 januari 2022 -


Vers 7-10

Oorlog op aarde

‘En wanneer zijn hun getuigenis voleindigd zullen hebben, zal het beest dat uit de afgrond opstijgt oorlog met hen voeren en hen overwinnen en hen doden. En hun lijk zal liggen op de straat van de grote stad, die geestelijk genoemd wordt Sodom en Egypte, waar ook hun Heer gekruisigd is. En zij uit de volken en geslachten en talen en naties zien hun lijk drie en een halve dag, en zij laten niet toe dat hun lijken in een graf gelegd worden. En zij die op de aarde wonen, verblijden zich over hen en zijn vrolijk en zullen elkaar geschenken zenden, omdat deze twee profeten hen die op de aarde wonden gepijnigd hadden’


We zullen dit gedeelte behandelen aan de hand van drie belangrijke vragen:

(1) Wat is de betekenis van de ‘oorlog’, die het beest voert met de twee getuigen?

(2) Wat wordt verstaan onder ‘de straat van de grote stad’ en waarom zal hun lijk daar blijven liggen?

(3) Wat is de betekenis van de reactie van de wereldbevolking op de dood van de twee profeten?


(1) Wat is de betekenis van de ‘oorlog’, die het beest voert met de twee getuigen?

De diepe epische betekenis van de oorlog die hier wordt beschreven, kan nauwelijks overschat worden. We hebben al gezien dat de sterke engel Johannes heeft geplaatst aan het begin van de laatste halve jaarweek, wat blijkt uit de werkwoordsvorm ‘opstijgt’ in ‘het beest dat uit de afgrond opstijgt’. Het is of Johannes erbij staat op het moment dat het gebeurt. De rest van dit gedeelte van de vertelling van de sterke engel kijkt 3,5 jaar vooruit: ‘...getuigenis voleindigd ZULLEN hebben…’ ‘ZAL het beest…oorlog met hen voeren’ ‘...hun lijk ZAL liggen op de straat…’ ‘...en ZULLEN elkaar geschenken zenden…’.

Niets van wat er gebeurt, zelfs in deze donkerste periode van de geschiedenis, gaat buiten God om. Dat blijkt onder andere uit het moment waarop het beest oorlog zal voeren tegen de twee getuigen. Dat is niet eerder dan wanneer zij hun getuigenis voleindigd zullen hebben. Het is uiteraard gissen naar de achterliggende redenen voor het beest om deze oorlog niet eerder in te zetten. De geschiedenis is te vergelijken met een zeer gecompliceerd multidimensionaal schaakspel, waarbij God door zijn zetten de tegenstander voortdurend juist datgene laat doen, wat past in zijn hogere plannen. Zijn wegen zijn hoger dan onze wegen. Menselijkerwijs geredeneerd: het beest weet wat er in Openbaring staat en dat is dat het na drie en een half jaar afgelopen is. Mogelijk dat dit een laatste wanhopige poging is om de macht op aarde volledig naar zich toe te trekken. De twee getuigen waren 3,5 jaar lang een luis in de pels. De plagen die zij over de aarde brachten, betekenden een voortdurende ondermijning van het gezag van het beest. Door hen uit te schakelen, kan het beest laten zien wie er de baas is en zich optimaal voorbereiden op de eindstrijd, die er hoe dan ook aan zit te komen.

Denken we ons eens in wat hier gebeurt. We hebben hier te maken met het beest, de machtigste tiran uit de wereldgeschiedenis, die beschikt over de meest geavanceerde technologieën en wapensystemen. We zien het beest tekeergaan, dat beschikt over twee legers van vele miljoenen soldaten, waarvan we in Openbaring 9 lazen dat ze een derde van de wereldbevolking op een verschrikkelijke manier om het leven brachten, met vuur, rook en zwavel. Dat gebeurde wanneer mensen zich niet wilden laten ‘inenten’, zich geen (genetische) schade wilden laten toebrengen en zich niet wilden laten koppelen aan het systeem van het beest. Drie en een half jaar lang is getracht deze schade ook de twee getuigen toe te brengen. Maar het omgekeerde gebeurde . Niet zij werden gedood door vuur, rook of zwavel maar degenen die hen de schade wilden toebrengen, werden gedood door het vuur dat uit hun mond kwam.

Het beest heeft er na drie en een half jaar genoeg van en start een oorlog tegen hen. Een oorlog van het beest met zijn miljoenenlegers tegen TWEE mannen. Ziet u ze daar staan? In het tempelportaal? Schaars gekleed, in zakken? Eindeloze colonnes zwaar geüniformeerde soldaten, elk gewapend met vlammenwerpers en aanverwante chemische wapens, komen van alle kanten op hen af. Er komt bijna geen eind aan het vuur dat ze moeten spuwen om de soldaten op afstand te houden. Vele soldaten worden door hen gedood. Maar uiteindelijk is de overmacht te groot en lukt het de legers van het beest hen te overmeesteren en te doden. De voorhoven des HEREN liggen vol met lijken, net als in het jaar 70, toen de Romeinen de stad innamen en de tempel verwoestten.


(2) Wat wordt verstaan onder ‘de straat van de grote stad’ en waarom zal hun lijk daar blijven liggen?

De lijken van de twee getuigen liggen in ‘de straat van de grote stad’. Alles wat buiten het heilige viel, was aan de heidenen gegeven en zou 42 maanden lang worden vertreden. Het is één en al ‘straat’, openbare ruimte, waar het kwaad vrij spel heeft. Ook het tempelportaal hoorde daarbij, waar de twee getuigen de toegang tot de tempel blokkeerden maar waar het beest nog wel zijn zetel kon plaatsen – overeenkomstig 2 Thessalonicenzen 2:4, ‘...zodat hij in de tempel van God gaat zitten en zichzelf vertoont dat hij God is.’ Gezien de taak van de twee getuigen het heilige van de tempel af te schermen voor het beest (gezien Openbaring 11:1,2), zal hun eindstrijd zich in het portaal van de tempel afspelen en worden ze daar gedood en zullen daar hun lijken liggen. Het is natuurlijk mogelijk dat hun lijken door de stad gedragen worden in een soort triomftocht maar daar lezen we hier niet over. Het ziet ernaar uit dat men de lijken niet aanraakt en laat liggen waar ze stierven.

Het beest maakt gebruik van de situatie om zijn macht te demonstreren. De strijd, die wereldwijd te volgen was, is niets anders dan een wereldwijde propagandastunt geweest, waarmee het beest zijn macht onderstreept en waarmee satan iedereen wil laten geloven dat er grenzen zijn aan de macht van de Almachtige, zodat het wereldpubliek bereid is zich in de eindstrijd met het Lam te werpen. Satan maakt de dood van de twee getuigen onderdeel van zijn leugenachtige misleiding. Maar die leugenachtige misleiding neemt God op in zijn plan om het rijk van de Messias te vestigen en voorgoed een einde te maken aan alle militaristische wereldrijken, die daaraan vooraf gingen. Net zoals Hij het verraad van Judas op nam in zijn plan om door de dood van Jezus aan het kruis teniet te doen hem die de macht over de dood had, dat is de duivel.

Intussen is het volk dat het land Israël en vooral Jeruzalem bewoont, zo diep gezonken, dat Gods Woord de stad hier geestelijk ‘Sodom en Egypte’ noemt. Sodom is een beeld van het morele verval, wat nu al zichtbaar is in Israël. Egypte is een beeld van het religieuze verval, wat eveneens onderhuids reeds aanwezig is in de symboliek van de elite die de afgelopen 150 jaar achter de stichting van de staat Israël heeft gezeten. Niet voor niets spreekt Jesaja 28 over ‘een verbond met het dodenrijk en met de dood’. Dodenrijk en dood spelen een belangrijke rol in de Egyptische mythologie van Isis en Oriris en de oblisken en pyramiden, die wereldwijd worden opgericht.

Het ‘waar ook hun Heer gekruisigd is’ wil niet zeggen dat hun lijken op de exacte locatie komen te liggen als waar het kruis van Jezus heeft gestaan, hoewel dat mogelijk is. Het gaat erom dat zij gedood worden in dezelfde stad, Jeruzalem, waarvan Jezus ooit zei: ‘Lukas 13:33 Intussen moet Ik heden en morgen en de dag daarna reizen. Het gaat immers niet aan dat een profeet omkomt buiten Jeruzalem. Jeruzalem, Jeruzalem, u die de profeten doodt en stenigt die naar u toe gezonden zijn, hoe vaak heb Ik uw kinderen bijeen willen brengen, op de wijze waarop een hen haar kuikens bijeenbrengt onder haar vleugels, maar u hebt niet gewild!' Verder gaat het erom dat sprake is van een openbare terechtstelling, net als dat het kruis van de Heer Jezus voor iedereen zichtbaar was, die langs de weg voorbijging.

Er is echter ook een belangrijk verschil tussen de dood van deze twee getuigen en de dood van de Heer Jezus. Van de Heer Jezus wilden de Joden niet dat zijn lichaam aan het kruis zou blijven in verband met de naderende sabbat, die ook nog eens samenviel met de eerste feestdag van de ongezuurde broden (de dag van die sabbat was groot). Om die reden deden zij er alles aan Pilatus te bewegen de benen van de gekruisigden te laten breken en te laten begraven. Toen de Heer reeds gestorven bleek, besloten de soldaten zijn zijde te doorboren. God liet alle schriften met betrekking tot zijn Zoon in vervulling gaan.

Maar terwijl Jezus voor donker in het graf van de rijke werd gelegd, liggen de lichamen van deze twee getuigen 3,5 dagen lang op straat. De propagandastunt van de oorlog tegen de twee getuigen, die door het beest gewonnen is, wordt op de spits gedreven. Drie en een halve dag staan de camera’s op hun lijken gericht. De volken, geslachten en talen en naties ‘zien’ hun lijk drie en een half dag liggen. In de tijd van Johannes was het onmogelijk om te begrijpen hoe dit gerealiseerd zou moeten worden maar met de huidige communicatietechnieken, is dat geen enkel probleem meer. Iedereen die in de buurt is kan met zijn mobieltje een opname maken. Het internet, voor zover nog toegankelijk, wemelt van de video’s met de lijken van beide getuigen, naast de publieke opnamen die ervan worden uitgezonden.

En het gaat nog verder ‘zij uit de volken, geslachten, talen en naties’ laten zelfs niet toe dat hun lijken worden begraven. Hier lijkt een geschil te worden geschetst tussen de locale autoriteiten van Jeruzalem, die een verantwoordelijkheid hebben voor de openbare hygiëne, en de internationale autoriteiten, die de propagandastunt zo lang mogelijk willen rekken. Die laatsten trekken aan het langste eind. De lijken moeten blijven liggen. Locale autoriteiten krijgen geen toestemmen ze te begraven.


(3) Wat is de betekenis van de reactie van de wereldbevolking op de dood van de twee profeten?

Af en toe geeft het boek Openbaring ons inzage in de gedachten en gevoelens van de mensen die in die zeven jaar van grote verdrukking op aarde leven. Eerder zagen we angst voor God, bij de grote aardbeving van het zesde zegel (Openbaring 6:16,17). De angst voor God had echter de uitwerking zoals bij de natuurlijke mens, zoals bij Adam en Eva en bij Kaïn: zij verbergen zich voor God en vluchten weg van God. (Genesis 3:8, 4:14,16). Daarna zagen we onbekeerlijkheid, nadat onder de zesde bazuin een derde van de wereldbevolking was gedood. De overigen, die zich hadden aangepast aan het systeem van het beest, blijven vast zitten in afgoderij en kwade praktijken. Ten slotte zien we hier de reactie van ‘hen die op de aarde wonen’ op de dood van beide getuigen. Het is één en al blijdschap en vrolijkheid. Zo blij zijn de mensen ‘die op de aarde wonen’, dat ze elkaar geschenken sturen om de dood van beide getuigen ‘te vieren’. Het wordt een internationale feestdag. Er staat ook bij wat het diepste motieven voor het feest is: ‘omdat deze twee profeten hen die op de aarde wonen gepijnigd hadden.’

Wat hier staat is ronduit ontluisterend. Twee keer vlak na elkaar vinden we hier de gevleugelde uitdrukking ‘die op de aarde wonen’. De eerste keer dat we die uitdrukking tegenkomen is in Openbaring 3:10, waar de Heer Jezus tegen de gemeente in Filadelfia zegt haar te bewaren voor de ure van de verzoeking die over de hele aarde komen zal, om te verzoeken ‘hen die op de aarde wonen’. Daar hoort de gemeente van God niet bij aangezien haar burgerschap in de hemelen is. Zij wordt om die reden tijdig door de Heer uit de wereld opgenomen in de opname van de gemeente, zoals we weten uit andere Bijbelgedeelten.

‘Zij die op de aarde wonen’, dat zijn de mensen ‘wier deel in dit leven is’, die zich hier op aarde thuis voelen en die zich voortdurend aanpassen aan de eisen die vanuit de machthebbers op aarde aan hen gesteld worden. Hier lezen we hoe ver dit gaat. In Openbaring 8:13 roept de arend in het midden van de hemel met luider stem: ‘Wee, wee, wee, ‘hun die op de aarde wonen’, vanwege de overige stemmen van de bazuin van de drie engelen die gaan bazuinen.’ Dan volgen de bazuinen vijf en zes. Bazuin vijf: Vijf maanden lang lijden mensen ondraaglijke pijnen vanwege de schade van een schorpioensteek, een inenting, die met grote politieke druk op hen wordt geforceerd. Bazuin zes: Anderhalf jaar lang wordt de wereldbevolking onder grote militaire druk gedwongen zich te laten ‘schaden’ met een ‘slangenbeet’ onder dreiging van een afschuwelijke dood van vuur, rook en zwavel. Een derde van de wereldbevolking wordt daarbij gedood.

Maar twee jaar later lijken ‘zij die op de aarde wonen’ dat allemaal te zijn vergeten! Zij herinneren zich alleen nog de pijniging van het optreden van de twee getuigen, de enige twee die nog een vuist maakten tegen de wereldwijde tirannie waar de gehele wereldbevolking al drie en een half jaar lang onder gebukt gaat. Dit laat ons zien hoe snel ‘zij die op de aarde wonen’ zich aanpassen aan ‘het nieuwe normaal’, hoe flexibel ze zijn om in dit leven maar het hoofd boven water te houden en elk politiek-financieel systeem te accepteren, zonder zich te bekommeren om individuele vrijheden, laat staan om normen en waarden die door God in het geweten zijn gegeven. Dit is waar het 'vrijheid, gelijkheid en broederschap' van de Franse Revolutie uiteindelijk in uitmondt. Alle vrijheid is geofferd op het altaar van de keizer. Iedereen die nog leeft is één met het systeem, waarbij alle individualiteit is opgeheven zodat iedereen inderdaad volkomen gelijk is. De broederschap bestaat in het vieren van de continuering van de eigen slavenstatus binnen het mondiale geldsysteem.

- 26 januari 2022 -


Vers 11-14

Levensgeest

‘En na drie en een halve dag kwam de levensgeest uit God in hen en zij gingen op hun voeten staan en grote vrees viel op hen die hen aanschouwden. En zij hoorden een luide stem uit de hemel tot hen zeggen: Komt hier op! En zij stegen op naar de hemel in de wolk, en hun vijanden aanschouwden hen. En op dat uur kwam er een grote aardbeving, en het tiende deel van de stad viel en zevenduizend namen van mensen werden bij de aardbeving gedood; en de overigen werden zeer bevreesd en gaven heerlijkheid aan de God van de hemel.

Het tweede ‘Wee!’ is voorbijgegaan, zie, het derde ‘Wee!’komt spoedig.’


De vragen die we bij dit gedeelte kunnen stellen zijn de volgende:

(1) Waarom gaat Johannes in vers 11 ineens over op de verleden tijd?

(2) Wat is de betekenis van de opstanding en de hemelvaart van de twee getuigen?

(3) Wat is de betekenis van het ‘kom hier op’ en wat wordt bedoeld met ‘de wolk’?

(4) Wat wordt bedoeld met de 'zevenduizend namen van mensen', die gedood worden bij de aardbeving?

(5) Wat is de betekenis van de grote aardbeving?

(6) Welke groepen mensen reageren op deze gebeurtenissen en hoe zijn hun reacties te duiden?

(7) Hoe verhoudt het optreden van de twee getuigen zich tot de zeven bazuinen en de drie weeën?


(1) Waarom gaat Johannes in vers 11 ineens over op de verleden tijd?

Tot en met vers 10 hebben we deels te maken met toekomstige tijd, deels met tegenwoordige tijd.

Van het optreden van beide getuigen staat het volgende in de tegenwoordige tijd:


‘...KOMT er vuur uit hun mond en VERTEERT hun vijanden...’

‘Dezen HEBBEN de macht de hemel te sluiten…’

‘Zij HEBBEN de macht over de wateren…’


De reactie van de mensheid op de dood van de twee getuigen staat eveneens deels in de tegenwoordige tijd:

‘...ZIEN hun lijk drie en een halve dag…’

‘...LATEN niet toe dat hun lijken in een graf gelegd worden’

‘...VERBLIJDEN zich over hen en ZIJN vrolijk’


Er lijkt enige symmetrie aanwezig. Tegenover het vuur uit de mond van de getuigen, staat de blijdschap uit de monden van de mensen. Tegenover de macht van de getuigen de hemel te sluiten staat de macht van de aardbewoners om de aarde te sluiten (voor hun lichamen). Tegenover de macht van de getuigen over de wateren staat de macht van de ‘wateren der natiën’ om wereldwijd hun lijken te zien liggen. De tijd komt eveneens overeen. De macht der profeten duurt 3,5 jaar. De macht van de natiën van de wereld duurt 3,5 dagen. Daarna is het afgelopen.

Johannes gaat vanaf vers 11 over in de gebruikelijke verteltrant van verleden tijd omdat hij weer op de chronologische lijn uitkomt. De chronologie van het verhaal werd onderbroken nadat ‘de stem die hij eerder uit de hemel had gehoord, opnieuw met hem sprak’ en hij uitvoerende opdrachten kreeg, namelijk het geopende boekje uit de hand van de sterke engel te nemen en te eten en ‘opnieuw’ te profeteren en metingen te verrichten aan de tempel. Hij werd daarmee teruggeplaatst in de tijd en kijkt vanaf het begin van de laatste helft van Daniëls jaarweek vooruit.

Kijken we naar de loop van het verhaal daarvoor, dan eindigt dat met ‘Openbaring 10:7 Maar in de dagen van de stem van de zevende engel, wanneer die op de bazuin zal blazen, zal ook het geheimenis van God volbracht worden, zoals Hij aan Zijn dienstknechten, de profeten, verkondigd heeft.’ De afdaling van de sterke engel uit de hemel zorgt ervoor dat niets meer toegevoegd hoeft te worden aan de verschrikkingen van de eerste anderhalf jaar van de heerschappij van het beest, de bazuinen vijf en zes. De sterke engel kan verwijzen naar het einde van die vreselijke halve jaarweek.

Het moment van de opstanding van de twee getuigen is het moment waarop ‘de dagen van de stem van de zevende engel, wanneer die op de bazuin zal blazen’, is aangebroken. Johannes is weer terug op de chronologische verhaallijn en zet alles weer in de gebruikelijke verleden tijd.


(2) Wat is de betekenis van de opstanding en de hemelvaart van de twee getuigen?

De dood, de opstanding en de hemelvaart van de twee getuigen lijkt sterk op wat met onze Heer Jezus Christus gebeurde. Toch zijn er belangrijke verschillen. (1) De internationale autoriteiten verhinderen locale autoriteiten hun lichamen in een graf te leggen, terwijl in geval van de Heer de locale autoriteiten Pilatus, de ‘internationale autoriteit’ dwongen de lichamen juist zo snel mogelijk te begraven. Dat laat ons zien dat internationale autoriteiten in de laatste dagen de suprematie hebben, in tegenstelling tot 2000 jaar terug. (2) De opstanding van de Heer Jezus vond plaats binnen circa 36 uur. Van zonsondergang vrijdagmiddag tot middernacht (ca 6 uur). De gehele zaterdag (24 uur). Voor zonsopgang zondagmorgen (ca 6 uur). De dood van deze mannen duurt echter 3,5 x 24 uur = 84 uur. Dat heeft aanmerkelijke consequenties voor de staat van ontbinding. Van de Heer werd gezegd ‘U laat niet toe dat uw Heilige ontbinding ziet’. Maar van deze mannen moet zeer waarschijnlijk worden gezegd ‘dat zij reeds ruiken’, net zoals het lichaam van Lazarus, toen dat al vier dagen in het graf had gelegen.

Prachtig is in dit verband de uitdrukking dat ‘de levensgeest van God’ in hen kwam. Het is God, die ooit de levensadem in Adam blies, zodat hij tot een levende ziel werd. Het is God die voortdurend de adem van alle mensen in zijn hand heeft. Hij is niet de God van doden maar van levenden want voor Hem leven zij allen. Hij kan zijn levensadem in de gestorvenen blazen en alle aftakeling en bederf is in toverslag verdwenen. Sterker nog, zij ontvangen in een oogwenk hun opstandingslichamen, die geschikt zijn voor de onvergankelijkheid van de hemel. (3) De opstanding van de Heer Jezus werd alleen gezien door gelovigen, niet door de autoriteiten en de wereld. De opstanding van de twee getuigen wordt juist wel aanschouwd door de wereld. (4) Voor de hemelvaart geldt hetzelfde. De Heer Jezus is alleen voor de ogen van gelovigen ten hemel gevaren. De twee getuigen varen op ten aanschouwen van de hele wereld.

Het ironische van alles is telkens dat de autoriteiten juist datgene bewerkstelligen wat ze niet willen. De aandrang op een spoedig levenseinde van de gekruisigden, 2000 jaar geleden, bewerkte dat de benen van de Heer niet werden gebroken maar dat zijn zijde werd doorstoken en dat Hij in het graf van een rijke werd gelegd, wat een vervulling van de Schriften was. De verzegeling van het graf en de beveiliging met een wacht, maakte diefstal van discipelen tot een onmogelijkheid, zodat zij zelf het bewijs van de opstanding leverden. Met de twee getuigen gebeurt hetzelfde. Juist de verhindering van hun begrafenis en het voortdurende oog van de camera’s dat op hen gericht is, maakt dat de hele wereld getuige is van het wonder van hun opstanding en hemelvaart.

De opstanding en hemelvaart van de twee getuigen laat zien dat er geen enkele grens is aan de almacht van de Almachtige en dat iedere poging die macht in te dammen verkeert in het bewijs van het tegendeel. God kapselt de 'wijsheid van de wereld' in binnen zijn eigen wijsheid, zoals geschreven staat: Jesaja 44:25 ‘Die de tekenen van hen die leugens verzinnen verbreekt; Die de waarzeggers waanzinnig maakt; Die de wijzen doet terugdeinzen, Die hun kennis tot dwaasheid maakt.’

en:

1 Korinthe 3:19 ‘Want de wijsheid van deze wereld is dwaasheid bij God, want er staat geschreven: Hij vangt de wijzen in hun sluwheid. En opnieuw: De Heere kent de overwegingen van de wijzen, dat zij zinloos zijn.’


(3) Wat is de betekenis van het ‘kom hier op’ en wat wordt bedoeld met ‘de wolk’?

Het ‘kom hier op’, wat hier ‘met een luide stem uit de hemel’ klinkt, komt exact overeen met het eerdere ‘kom hier op’, dat tegen Johannes werd gezegd door de engel aan wie het gegeven was hem de openbaring te geven. Daar was het ‘kom hier op’ een beeld van de opname van de gemeente, voorafgaand aan de zevende jaarweek. Dat is de reden waarom we van meet af aan de 24 oudsten, representanten van alle gelovigen uit oude en nieuwe bedeling in de hemel zien. Hier hebben we opnieuw een ‘opname’ alleen dit keer slechts van twee getuigen. Het is voor de wereld dus minimaal de tweede keer dat ze iets dergelijks meemaken. Net als bij de opname van de gemeente in 1 Thessalonicenze 4:13-17 is sprake van een ‘bevelend roepen’: ‘Kom hier op’.

Net als 2000 jaar gelden is bij de hemelopname van de twee getuigen sprake van ‘een wolk’. In geval van de Heer werd gezegd: ‘een wolk onttrok Hem aan hun ogen’. Die wolk is, zo nemen wij hier aan, de wolk van Gods heerlijkheid, de poort naar de onzichtbare werkelijkheid. Bij de opname van de gemeente volgens 1 Thessalonicenzen 4:13-17 gaat het om een wereldwijd verschijnsel zodat sprake zal zijn van ‘wolken’: ‘En wij, die overblijven tot de komst van de Heer zullen samen met hen in wolken worden opgenomen, de Heer tegemoet in de lucht’. Het gaat steeds om diezelfde heerlijkheid van God, de toegangspoort tot zijn zichtbare tegenwoordigheid, de hemel.


(4) Wat wordt bedoeld met de zevenduizend namen van mensen, die gedood worden bij de aardbeving?

Kort na de opname in de hemel van de twee getuigen vindt een grote aardbeving plaats, waarbij een tiende van ‘de stad’ viel. Die stad is Jeruzalem omdat alles zich daar afspeelt, vanaf het begin van het hoofdstuk tot aan het vers voor de aardbeving. Jeruzalem ligt qua aardbevingen in de gevarenzone. Seismologen voorspellen al vele jaren een grote aardbeving. Meer over de risico’s van aardbevingen in de omgeving van Jeruzalem leest u op deze pagina. Hier leest u de meest recente bevingen in de regio. Hier is een overzicht van alle aardbevingen in Israël die in de geschiedenis zijn geregistreerd. Kijken we naar de impact van aardbevingen, dan zien we dat die enorm kan zijn. Bij de negen aardbevingen met de grootste gevolgen varieerde het aantal dodelijke slachtoffers van 200.000 tot 800.000. Belangrijke factoren daarbij zijn de bevolkingsdichtheid en de behuizing. In geval van povere behuizing zijn de gevolgen veel groter. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de zorgen van Beit Shean in geval van een aardbeving (de helft van de bevolking zou omkomen). Bij de aardbeving van San Francisco van 1906 kwamen 3.000 mensen om. Bij die van 1989 slechts 61. Jeruzalem is een moderne stad. Als daar 7000 mensen zouden omkomen bij een aardbeving, waarbij een tiende van de stad zou instorten, dan zou dat een ramp van enorme proporties zijn. Het inwoneraantal van Jeruzalem gaat richting de miljoen. Als een tiende van de stad ‘valt’, dat wil zeggen, instort, dan zou je veel meer dan 7.000 doden verwachten. Het zou kunnen dat ‘namen van mensen’ betekent dat hele families met dezelfde achternaam worden getroffen. In dat geval zou het gaan om veel meer dan 7.000 mensen. Misschien wel om het tienvoudige, wat ons dichter brengt bij een tiende van de bevolking van Jeruzalem. Dat zou een enorm menselijk drama betekenen!


(5) Wat is de betekenis van de grote aardbeving?

Er worden in Openbaring vijf aardbevingen genoemd. De opbouw daarvan is symmetrisch.

(1) De grote aardbeving van Openbaring 6 onder het zesde zegel, waarbij elke berg en elk eiland van hun plaats worden gerukt. Dit werpt de mensheid enkele eeuwen terug in de tijd. Alle infrastructuur is volledig vernield. Die infrastructuur was erop gericht de mensheid volledig op te sluiten in een wereldwijde matrix. Aan dat plan komt een eind. Hoewel de schade enorm is, ontstaat er plotseling enorm veel vrijheid voor degenen die dit hebben overleefd. Kort daarna spreekt Openbaring van de 144.000 en de grote ontelbare schare, die beide door de laatste jaarweek heen in het heerlijke vrederijk van de Messias komen. Om hen die de natuur in gevlucht zijn de gelegenheid te geven zich te enigszins te organiseren en met name de 144.000 te verzegelen dienen de oordelen van de bazuinen nog even te wachten, zo blijkt uit Openbaring 7:1-3.

(2) De aardbeving van Openbaring 8 in verband met de start van de bazuingerichten, nadat ‘de engel bij het reukofferaltaar in de hemel’, naar alle waarschijnlijkheid de Heer Jezus Zelf, het vuur van het altaar met een wierookvat op aarde heeft geworpen. De aardbeving wordt genoemd in combinatie met ‘stemmen, donderslagen en bliksemstralen’.

(3) De (centrale) aardbeving in Jeruzalem van Openbaring 11, waarbij een tiende van de stad valt en 7.000 namen van mensen omkomen.

(4) De aardbeving van Openbaring 11:19: ‘En de tempel van God in de hemel werd geopend en de ark van Zijn verbond werd zichtbaar in Zijn tempel. Daarna komt een zin die veel lijkt op die onder (2): En er kwamen bliksemstralen, stemmen, donderslagen, een aardbeving en grote hagel.’

Het is weer een beving in relatie tot iets in de hemel. In Openbaring 8 in relatie tot het reukofferaltaar. In Openbaring 11 in relatie tot de ark van het verbond. Het verschil is de volgorde (bliksemstralen voorop) en de toevoeging van ‘grote hagel’.

(5) De grote aardbeving van Openbaring 16 onder de zevende bazuin, waarbij opnieuw (net als bij de aardbeving onder (1) elke berg en elk eiland van hun plaats worden gerukt. Van de opnieuw opgebouwde infrastructuur van het rijk van het beest blijft derhalve niets over.

Zoals Jeruzalem centraal staat in de wereldgeschiedenis, zo staat de aardbeving in Jeruzalem centraal in de gebeurtenissen van Openbaring. Het is het begin van het einde. Het is de aankondiging door God aan de wereld van een totale afbraak van alles waarop de mens 3,5 jaar lang zijn vertrouwen gevestigd heeft.


(6) Welke groepen mensen reageren op deze gebeurtenissen en hoe zijn hun reacties te duiden?

We zien in dit gedeelte verschillende groepen mensen reageren. Allereerst ‘degenen die hen aanschouwden’. Dat kan wereldwijd zijn omdat eerder werd gesteld dat ‘de mensen uit de volken, stammen, talen en naties zullen hun dode lichamen drieënhalve dag zien’. De camera’s draaien al 3,5 dag. De aandacht zal wel wat weggeëbd zijn want wie gaat er dagenlang naar lijken zitten staren? Maar terwijl men heen en weer ‘zappt’ en af en toe weer langs het kanaal komt met de lijken van de profeten in Jeruzalem, dan ineens, in een fractie van een seconde, ziet men iets bewegen. Men ‘appt’ elkaar dat er in Jeruzalem ineens vreemde zaken aan de hand zijn. En al snel zit de gehele wereldbevolking weer aan de buis of aan het internet gekluisterd.

Wat de mensen wereldwijd zien heeft grote gevolgen voor hun gemoedsrust. De wereld dacht nu eindelijk af te zijn van alles wat met God te maken heeft, door de uitschakeling van deze twee getuigen. 'Gelukkig. God bestaat niet. We kunnen weer terugkeren naar het ‘nieuwe normaal’ van onze dagen.' Maar dan blijken die twee getuigen tot leven te komen, hetgeen onmiskenbaar bewijst dat God wél bestaat. En dat heeft onzaglijke consequenties. Er is wat dat betreft sinds 2000 jaar geleden niets verandert. Is Christus niet opgewekt, dan is er geen almachtige God en dan houdt bij de dood alles voor iedereen op. Is Christus wel opgewekt, dan is er een God waarmee rekening moet worden gehouden, een God die na de dood nog macht heeft over hen die gestorven zijn. Dat is iets dat ieder mens op de één of andere manier aanvoelt.

Ondanks alle feiten van de opstanding van Christus, kunnen mensen ervoor kiezen zich daarvoor af te sluiten omdat zijn opstanding zich lang geleden buiten hun belevingswereld voltrok. En de wereldbeheersers van de duisternis, die overheid, wetenschap en media in hun macht hebben, brengen de mensheid massaal op het comfortabele dwaalspoor, dat er geen reden is bezorgd te zijn over een God die het laatste woord heeft over leven en dood.

Maar, hier kunnen mensen zich door hun eigen toedoen niet langer afsluiten van de werkelijkheid van Gods enorme almacht over leven en dood omdat ze op hun eigen ‘devices’ de actualiteit van die almacht aanschouwen. En dat brengt onder de gehele wereldbevolking een enorme onrust teweeg. Allemaal komen de mensen die meegingen met het systeem erachter dat ze ‘op het verkeerde paard hebben gewed’. We kunnen de impact die de opwekking van deze twee getuigen op de wereldbevolking heeft, nauwelijks overschatten.

Eén groep mensen wordt nog heel specifiek genoemd: ‘hun vijanden’. ‘Hun vijanden aanschouwden hen’. Er staat niet bij dat die vijanden ook bevreesd werden. Van sommige mensen zijn de harten dermate verhard dat zij geen angst of welk gevoel dan ook maar meer lijken te kennen. Zij worden voortgedreven door hun ‘hogere doeleinden’, wat in wezen de doeleinden van de satan zijn. Net als het hart van Farao, dat hermetisch was afgesloten van elke vorm van inkeer. En juist daardoor gaf hij aan God de gelegenheid zijn macht te tonen. Zo zal het ook gaan met de vijanden van de twee getuigen, blijkens de latere hoofdstukken van Openbaring.

Dan worden ook nog ‘de overigen’ genoemd. Die worden zeer bevreesd. En het gaat nog een stapje verder dan alleen vrees. Hun vrees heeft de goede uitwerking, zoals bedoeld door de engel in Openbaring 14:7, wat chronologisch vooraf gaat aan dit gedeelte, zoals we nog zullen zien. De engel roept daar met luide stem het eeuwig evangelie: ‘vrees God en geef Hem heerlijkheid’. Dat is precies wat ‘de overigen’ hier doen.

De wereldbevolking bestaat, zo lijkt het uit drie groepen. De grote massa, die erachter komt dat ze de volkomen verkeerde keuze hebben gemaakt, door zich te laten integreren in het systeem van het beest. Zij kunnen alleen maar heel erg bang worden. De vijanden, het beest en zijn handlangers, die de wereld in hun macht hebben en zelf in de macht van satan zijn. Zij kunnan alleen hun hart verharden en doorgaan op de ingeslagen weg. En ten slotte ‘de overigen’, die zich kennelijk nog tot God kunnen bekeren. Zij lijken op de vrouwen die erachter kwamen dat het lichaam van de Heer weg was en die van de engelen de boodschap kregen dat Hij was opgestaan. Dan staat er: ‘En zij gingen naar buiten en vluchtten weg van het graf, want ontzetting en beving hadden hen bevangen,; en niemand zeiden zij iets, want zij waren bang.’ De ‘overigen’ die hier worden genoemd hebben het teken van het beest niet in hun lichaam geaccepteerd en horen waarschijnlijk bij ‘de overigen van haar geslacht’ uit Openbaring 12:17 met wie het beest oorlog voert.


(7) Hoe verhoudt het optreden van de twee getuigen zich tot de zeven bazuinen en de drie weeën?

We hebben gezien dat het optreden van de twee getuigen start met het begin van de laatste jaarweek van Daniël. Dat is ook het moment dat de draak uit de hemel wordt geworpen en waarop derhalve 'de ster uit de hemel op aarde is gevallen', waar de vijfde bazuin mee begint. De put van de afgrond gaat open en het beest 'dat uit de afgrond opstijgt' kan gedurende de tweede helft van Daniëls jaarweek drie en een half jaar zijn tirannie over de wereld uitoefenen. We hebben gezien dat de vijfde en de zesde bazuin de eerste anderhalf jaar van die tirannie bestrijken en dat de macht vanaf dat moment wordt ingedamd door de sterke engel. Gelijktijdig met de vijfde en de zesde bazuin, dat zijn de eerste twee weeën, treden de twee getuigen op. De twee getuigen horen bij de twee weeën. De twee weeën worden gebracht door de tirannie van het beest. De twee getuigen brengen door hun optreden plagen van God. Aan het slot van hun optreden, dat passend wordt afgesloten met een grote aardbeving in Jeruzalem, de onbekeerlijke stad, centrum van wereldwijde afgoderij, wordt daarom gesteld: 'het tweede 'Wee!' is voorbijgegaan, zie het derde 'Wee!' komt spoedig.'

- 27 januari 2022 -


Vers 15-18

De zevende bazuin

En de zevende engel bazuinde, en er kwamen luide stemmen in de hemel die zeiden: Het koninkrijk van de wereld van onze Heer en van zijn Christus is gekomen, en Hij zal regeren tot in alle eeuwigheid. En de vierentwintig oudsten die vóór God zitten op hun tronen, vielen op hun gezichten en aanbaden God en zeiden: Wij danken U, Heer, God de Almachtige, Die is en Die was, dat U uw grote kracht hebt aangenomen en uw koningschap hebt aanvaard. En de naties zijn toornig geworden, en uw toorn is gekomen en de tijd van de doden om geoordeeld te worden en om het loon te geven aan uw slaven de profeten, en aan de heiligen en aan hen die uw naam vrezen, de kleinen en de groten, en om te verderven hen die de aarde verderven.’


We formuleren weer enkele vragen om die vervolgens te bespreken:

(1) Wat is het moment in de laatste jaarweek van Daniël dat de zevende bazuin wordt geblazen?

(2) Welke gebeurtenissen worden door de vierentwintig oudsten aangekondigd en wanneer gaan zij plaatsvinden?


(1) Wat is het moment in de laatste jaarweek van Daniël dat de zevende bazuin wordt geblazen?

We zagen dat de twee getuigen hoorden bij de beide eerste weeën. Na hun hemelvaart en de aardbeving die daarop volgde, is ook het tweede ‘Wee!’ voorbij. Het derde ‘Wee!’ bestaat uit de korte maar zeer hevige schaalgerichten van de zevende en laatste bazuin. Aansluitend aan de gebeurtenissen met de twee getuigen, wordt de zevende bazuin geblazen. De twee getuigen hebben 1260 dagen geprofeteerd vanaf de helft van de laatste halve jaarweek. Daarna zijn nog drie en een halve dag gepasseerd. De grote verdrukking zit erop.

Met de zevende bazuin start de periode van ‘na de verdrukking van die dagen’, die de Heer noemt in de Olijfbergrede van Mattheüs 24. Dat is een zeer korte periode van onvoorstelbaar grote tekenen en oordelen. Omdat de Olijfbergrede gericht is aan gelovigen wordt daar alleen gerefereerd aan de grootsheid van die dagen. Voor degenen die bij het rijk van het beest horen, zij die op de aarde wonen, zijn het echter dagen van de grootst mogelijke verschrikkingen. In het licht van Daniël 12 hebben we het over de 30 extra dagen van: ‘en van de tijd af dat het dagelijks offer wordt gestaakt en een gruwel wordt opgericht, die verwoesting brengt, zijn het duizend tweehonderd en negentig (1290) dagen. Van deze 1290 dagen zijn 1264 dagen voorbij. Nog 26 dagen te gaan. Daarna volgen nog eens 45 extra dagen van: ‘welzalig hij die blijft verwachten en duizend driehonderd vijfendertig (1.335) dagen bereikt (1.335 - 1.290 = 45).’

De nuances die gelden voor die korte periode vlak voor de komt van de Heer Jezus kunnen niet nauwkeurig genoeg in acht worden genomen. Toch worden die door uitleggers massaal over het hoofd gezien. Alles wordt dan toch weer in één enkele dag gepropt. Velen laten gelukkig de opname van de gemeente daar wel buiten omdat ze door hebben dat de Bijbel zeer duidelijk is over een pre-trib rapture (voor hem die oren heeft om te horen). Maar al het andere zou dan zo ongeveer gelijk vallen met de afloop van de 1260 dagen van de tweede halve jaarweek.

Dat alle profetieën zich in één enkele dag allemaal zouden ontrafelen, is onjuist. Na de 1260 dagen van de tweede halve jaarweek, volgen nog eens 75 zeer belangrijke dagen van grote oordelen. Het is de finale afrekening met de wereldrijken. Dat gaat niet in één enkele dag. Daarom is het exacte tijdstip van de openbare terugkeer van de Heer Jezus in grote kracht en heerlijkheid niet bekend. Het ‘niemand weet de dag of het uur’ wordt ten onrechte op de opname van de gemeente toegepast. Van de opname van de gemeente weten we zelfs de maand en het jaar niet. Natuurlijk kunnen we aan de tekenen der tijden zien, dat het niet lang meer op zich zal laten wachten. Maar hoe konden de discipelen van 2000 jaar geleden dat weten? Zouden die ooit hebben verwacht dat de Heer Jezus 2000 jaar lang zou wegblijven? Misschien moet in verband met de opname gesteld worden: ‘u weet de eeuw noch het jaar’. De juiste uitleg van ‘u weet de dag noch het uur’, betreft de terugkeer van de Heer Jezus op de wolken van de hemel. Dat is op basis van de gegevens in Daniël vrij nauwkeurig te bepalen, zodra er een verbond door iemand is bekrachtigd die zich later opwerpt als Romeins keizer. Maar het is niet tot op de dag nauwkeurig te bepalen.

Er zijn diverse aanwijzingen dat we met Openbaring 11:15 en de zevende bazuin vlak voor de terugkeer van de Heer Jezus staan:

(1) 1.260 + 3,5 dagen sinds de start van de tweede helft van Daniëls jaarweek zijn voorbij.

(2) Luide stemmen in de hemel zeggen: ‘Het koninkrijk van de wereld van onze Heer en van zijn Christus is gekomen…’ Het woord voor wereld hier is ‘kosmos’, de volledige geschapen werkelijkheid, waarvan de duivel in Mattheus 4 alle koninkrijken liet zien, waarna Jezus het aanbod afsloeg. Hier is het moment gekomen dat Hij alle dingen alsnog beërft, tot in alle eeuwigheid.

(3) De vierentwintig oudsten zeggen: ‘Wij danken U, Heer, God de Almachtige, die is en die was…’ In een enkele vertaling wordt hier ook nog aan toegevoegd ‘en die komt’ maar in de meeste ontbreekt dat. Dit lijkt te impliceren dat het ‘komen’ intussen ‘gekomen is’. De zevende bazuin is het allereerste begin van ‘zijn komst’ en kondigt aan dat het ‘komen’ van God begonnen is. Het ‘komen’ van God strekt zich uit over een langere tijdsperiode van veel meer dan 24 uur.

(4) Vervolgens zeggen de vierentwintig oudsten: ‘...dat U uw grote kracht hebt aangenomen en uw koningschap hebt aanvaard’. Ook dit zegt zonneklaar dat het moment gekomen is dat de transitie van alle macht op aarde voor de deur staat. In Mattheus 28:18 zegt de Heer Jezus: ‘Mij is gegeven alle macht in de hemel en op aarde’. Die macht oefent Hij echter al 2000 lang niet uit. Hij wacht daarmee zeer geduldig op de aanwijzingen van de Vader. ‘Wij zien nog niet alle dingen aan Hem onderworpen...’ zegt Hebreeën 2:8,9 ‘...maar wij zien Jezus, mee eer en heerlijkheid gekroond…’ Als het goed is, wacht de gemeente geduldig met Hem op het moment dat zijn heerschappij gekomen is.

Een voorbeeld, dat we niet moeten navolgen, zieen we in de gemeente te Korinthe, die door Paulus als volgt wordt berispt: ‘Reeds bent u verzadigd, reeds bent u rijk geworden, zonder ons hebt u geregeerd…’ Met andere woorden: zij waren niet geduldig en waren alvast begonnen politiek te bedrijven en Christus’ heerschappij in eigen kracht te vestigen. En dan zegt Paulus, die zelf ook uitziet naar de komst van Christus en zijn koninkrijk: ‘...en ik zou wel willen dat u regeerde, opdat ook wij met u regeerden.’ Vervolgens somt hij op wat hij allemaal in deze wereld moet verdragen ten teken dat de tijd van ‘regeren’ absoluut nog niet is gekomen. Als wij vandaag om ons heen kijken dan weten we: de tijd van de heerschappij van Christus is nog niet aangebroken. Er is te veel loos in deze wereld.

Maar...bij het blazen van de zevende bazuin dan begint het. Dat is het allereerste signaal van zijn daadwerkelijke komen in de wereld en de totale en finale oplossing van alle wereldproblemen. Tot die tijd zullen de problemen alleen maar groter en erger worden en wij moeten ons door niets in niemand laten misleiden die ‘tussendoor’ met oplossingen komt. Dat kan alleen gaan om een valse Christus en die moet als zodanig aan de kaak worden gesteld. 'Zie toe dat niemand u misleidt...'.

De vierentwintig oudsten, alle gelovigen tot op de opname van de gemeente, hebben inzicht in al Gods raadsbesluiten en zij weten: dat blazen van die zevende bazuin is het teken. Ze kennen het boek Openbaring. Zij hebben de bazuinen geteld. Zij hebben intens gebeden voor allen op aarde, die in de verdrukkingen zijn. Want waar aanbeden kan worden, kan ook gebeden worden. De schalen met reukwerken bevatten de gebeden van de heiligen (Op.5:8). En de gebeden van de heiligen op het gouden altaar bevatten waarschijnlijk ook de gebeden van de hemelse heiligen. En dan klinkt eindelijk de zevende bazuin. En dan werpen ze zich in aanbidding neer, want ze weten: het moment van zijn komst is eindelijk gekomen.

Tweeduizend jaar heeft de Zoon gewacht op dit moment, dat door de Vader is bepaald. Wat een geweldig moment om te aanbidden! Wat een heerlijk uur om met intens verlangen naar uit te kijken. Het is het woord van zijn volharding, dat wij in onze harten koesteren. Het is het moment waarnaar we hier op aarde uitkijken, samen met Hem, die als hemelse Hogepriester, al zo lang voor de zijnen in gebed verzonken is. Het is het moment waarnaar we vanuit de hemel uitzien omdat we zijn onvergelijkelijk grote waardigheid daar nog beter kennen en zien hoe onwaardig op aarde met de schepping en de schepselen wordt omgegaan.


(2) Welke gebeurtenissen worden door de vierentwintig oudsten aangekondigd en wanneer gaan zij plaatsvinden?

Met de komst van God Zelf in de wereld, worden door de vierentwintig oudsten vier zaken aangekondigd die dan zullen plaatsvinden omdat ‘de tijd daarvoor gekomen is’.

(1) Uw toorn is gekomen. Hoe traag is de toorn van God. Zijn schepselen roept Hij op: Jakobus 1:19 'Zo dan, mijn geliefde broeders, ieder mens moet haastig zijn om te horen, maar traag om te spreken en traag tot toorn.’ Als God mensen daartoe oproept, kan dat alleen maar een kenmerk van Hemzelf zijn: traag tot toorn. Voor Mozes roept God uit Exodus 34:6: ‘HEERE, HEERE, God, barmhartig en genadig, geduldig en rijk aan goedertierenheid en trouw’. Paulus schrijft: Romeinen 1:18 'Want de toorn van God wordt geopenbaard vanuit de hemel over alle goddeloosheid en ongerechtigheid van de mensen, die de waarheid in ongerechtigheid onderdrukken.’

De openbaring van Gods toorn staat in zijn Woord. Daarin laat Hij de mensheid weten hoe Hij over hun daden denkt. Maar die toorn wordt nog niet uitgeoefend. Die toorn wordt al 2000 jaar lang niet uitgeoefend. Daarom schrijft Paulus iets verderop in dezelfde brief: Romeinden 2:4-10 ‘Of veracht u de rijkdom van Zijn goedertierenheid, verdraagzaamheid en geduld, zonder te weten dat de goedertierenheid van God u tot bekering leidt? Maar in overeenstemming met uw hardheid en uw onbekeerlijke hart hoopt u voor uzelf toorn op tegen de dag van de toorn en van de openbaring van het rechtvaardig oordeel van God, Die ieder vergelden zal naar zijn werken, namelijk hun die met volharding het goede doen en heerlijkheid, eer en onvergankelijkheid zoeken: het eeuwige leven. Hun echter die twistziek zijn en ongehoorzaam aan de waarheid, maar gehoorzaam aan de ongerechtigheid, zal gramschap en toorn vergolden worden.’

Hier is de dag van toorn gekomen. Echter, God is niet eens de eerste die begint met toorn. Het zijn ‘de natiën’ die beginnen toornig te zijn. ‘En de naties zijn toornig geworden’, zo bidden de vierentwintig oudsten. Het lijkt erop dat de oudsten alles meekrijgen van wat er op aarde gebeurt in Daniëls laatste jaarweek. Het laatste wat er gebeurde was de oorlog van het beest uit de afgrond tegen de twee getuigen. Dat eindigde in hun dood en in de drie en een halve dag dat ‘de naties’ niet toelieten dat hun lijken in een graf gelegd werden. En op het moment van hun opstanding en hemelvaart staat er: ‘en hun vijanden aanschouwden hen’. Die vijanden, dat zijn de naties, die niet wilden dat Gods getuigen een nette begrafenis kregen maar die hun lijken als trofeeën wilden laten liggen voor het oog van de hele wereld. Hun opstanding en hemelvaart was een streep door de rekening en de vijanden moesten met lede ogen toezien.

Wat ze daarbij dachten, stond er niet bij in vers 11. Dat staat hier: de vijanden, de naties zijn ‘toornig geworden’. Voor toorn is echter een argument nodig. Waarom boos worden? Gods toorn is gerechtvaardigd. Gods toorn heeft een geldige reden, na 2000 jaar ongehoorzaamheid en een steeds dieper zinkende mensheid, waarbij ‘alles wat God verboden heeft', ongebreideld wordt gepraktiseerd. Maar de naties, waarom worden zij toornig? Dat kan alleen maar te maken hebben met leugens, waarbij het beest en de naties die zich aan hem onderwerpen, zichzelf voorstellen als de enige rechtmatige eigenaren van de planeet en dat er ‘Iets’ is dat hen, de rechtmatige bezitters, van de planeet wil wegvagen. Daartegen moet uiteraard worden opgetreden. Dat vijandige ‘Element’ moet met alle macht bestreden worden.

De duivel is al 6000 jaar lang bezig goed en kwaad om te draaien, waarbij hij ‘de goede macht is’ en God ‘de kwade Macht’. ‘God heeft zeker wel gezegd: ‘gij zult niet eten van enige boom in de hof’? ‘God weet dat ten dage dat gij daarvan eet, uw ogen geopend zullen worden, en gij als god zult zijn, kennende goed en kwaad.’ De duivel schildert God af als ‘onbetrouwbaar’, terwijl hij het zelf is. Dat is een kenmerk van de leugenaar vanaf het begin en van de leugenaars van deze wereld: de tegenpartij beschuldigen van je eigen misdaden, en streken, die je zelf met anderen uithaalt.

Met het omdraaien van God en de duivel zijn organisaties als de vrijmetselaars en de jezuïeten al eeuwenlang bezig, waar alle vorstenhuizen en andere machthebbers in de wereld bij aangesloten zijn. De god van het ‘in God we trust’ heeft weinig met de God van de Bijbel te maken, maar alles met de god van de vrijmetselaars, Lucifer. De Jezus van de ‘society of Jesus’ heeft niets te maken met Jezus van Nazareth maar alles met een antichrist. Niet voor niets staat de meditatieruimte van de VN vol met oude Egyptische en Babylonische symboliek, van de wereldrijken, die alle vier vertegenwoordigd zijn in het laatste beest.

Gods toorn gaat tekeer tegen de wereldrijken, die al 2.500 jaar de mensheid in hun sluwheid gevangen houden en die sinds 2.000 jaar samen met het volk Israël in opstand zijn tegen zijn Zoon, Jezus Christus. Gods toorn gaat over het versplinteren van het beeld, waar Nebukadnezar ooit van droomde en waarin hij het toekomstig verloop van de geschiedenis voor zich zag. Dat versplinteren gebeurt door een steen, die zonder mensenhanden werd losgemaakt en die werd tot een grote berg (Daniël 2). Gods toorn gaat over het laaiende vuur, dat uitgaat van zijn troon, en waaraan het vierde dier uit de droom van Daniël wordt wordt prijsgegeven, waarna het koninkrijk over de aarde overgaat op 'een zoon des mensen die kwam met de wolken van de hemel' (Daniël 7). Het is waar Paulus over sprak in Athene, en wel 'dat Hij een dag vastgesteld heeft, waarop Hij het aardrijk rechtvaardig zal oordelen door een Man Die Hij daartoe aangesteld heeft. Daarvan heeft Hij aan allen het bewijs geleverd door Hem uit de doden te doen opstaan.' (Handelingen 17:31)

De zaken die hierna nog worden genoemd staan in omgekeerde chronologie. De vierentwintig oudsten noemen eerst de dingen die als laatste zullen geschieden.

(2) Het oordeel over de doden. Dit laat zien dat het taalgebruik van de Bijbel zeer flexibel is en dat het niet gaat om de duiding van exacte momenten in de tijd. Het oordeel over de doden vindt immers niet eerder plaats dan ná de duizendjarige regering van Jezus Christus. De dood is de laatste vijand die teniet gedaan zal worden. Pas daarna zullen alle doden voor de grote witte troon staan. We hebben hier echter te maken met de aanvang van ‘de komst’ des HEEREN. Dan is het passend dat alle grote gevolgen, die dat zal hebben, in één adem worden genoemd. Het laatste grote gevolg, het oordeel over ‘de doden’ wordt aansluitend genoemd aan het ‘uw toorn is gekomen’.

De komst van Gods toorn en het oordeel over de doden zijn de twee grote gebeurtenissen die de duizendjarige regering van de Christus insluiten. De toorn van God over de vijanden, de naties, aan het begin. Het oordeel over de doden, na vernietiging van de dood, aan het eind. Dit laat tevens zien dat we niet alle profetieën die in het Oude Testament zijn gegeven, in één enkele dag van 24 uur aan het einde van de tweede halve jaarweek van Daniël van 1260 dagen hoeven te proppen. Dat wordt vaak gedaan op grond van Daniël 9:24 – ‘Zeventig weken zijn bepaald...om gezicht en profeet te bezegelen…’. Men maakt daaruit op dat alles voor het einde van de laatste jaarweek vervuld moet zijn.

Maar dat is niet zo. Net zomin als dat bij het blazen van de zevende bazuin meteen ‘doden worden geoordeeld’, net zomin worden, na het aflopen 70 jaarweken, meteen alle profeten bezegeld. Degenen die dat beweren, argumenteren dat we weliswaar de opname van de gemeente niet precies weten maar wel de terugkeer van Jezus op aarde. Ook dat is niet waar. De opname van de gemeente, daarvan weten we de eeuw noch het jaar. Van de terugkeer van Jezus naar de aarde weten we de dag noch het uur. Ook de engelen van de hemel, zelfs de Zoon, weten niet het exacte moment, dat door de Vader is bepaald.

Dat dit niet exact kan worden bepaald, heeft te maken met een niet geheel zekere tijdperiode die nog verloopt tussen de tweede helft van de laatste jaarweek en de terugkeer van Jezus in heerlijkheid, een tijd van ongeveer twee en een halve maand of 75 dagen. Maar ook dan is nog niet alles wat in de profetieën staat, volledig vervuld. De grootste gevaren zijn dan voorbij. Maar het verzamelen van alle volken voor de troon van zijn heerlijkheid en het oordelen van al die volken, zal zeker nog een aanzienlijke tijd vergen. Ook de bouw van de tempel van Ezechiël 40-46 heeft tijd nodig. Het zal wereldwijd een tijd van wederopbouw worden, volgens de principes van de Zoon van God. De zeventig jaarweken raken aan die heerlijke periode, dat God eindelijk orde op zaken gaat stellen en alles wat in de schriften van de profeten geschreven staat, gaat vervullen. Maar dat kan nooit en te nimmer door die zeventigste jaarweek worden omspannen.

(3) Aan het begin van het duizendjarig rijk vindt de beloning plaats van (a) de slaven, de profeten (b) de heiligen en (c) hen die Gods naam vrezen, de kleinen en de groten. Er zal een overstelpende beloning zijn voor allen die trouw aan God zijn geweest, ieder op zijn eigen plaats, die God hem of haar gegeven heeft. Typerend is dat het de slaven, de profeten zijn, die als eerste worden genoemd. Het is de wetmatigheid van Gods koninkrijk. Degenen die de anderen hebben gediend als slaven, worden als eersten beloond. Het is zoals Jezus zei tot zijn discipelen: Mattheüs 20:26 'Maar zo zal het onder u niet zijn; maar wie onder u groot wil worden, die moet uw dienaar zijn; en wie onder u de eerste wil zijn, die moet uw dienaar zijn,’

Daarna worden de heiligen genoemd, de aanduiding voor allen die behoren tot de gelovigen van het Oude Testament (zo genoemd in Mattheus 27:52) en allen die behoren tot de gemeente van Jezus Christus (zo genoemd in veel van de brieven). Verder wordt ook in Openbaring gesproken van ‘gebeden van de heiligen’ (5:8, 8:3,4), wat betrekking kan hebben op zowel de heiligen in de hemel als op aarde, van ‘heiligen in de hemel’ (19:8) en van ‘heiligen in de grote verdrukking' (13:7,10, 14:12, 16:6, 17:6, 18:24). Onder die laatste groep vallen in ieder geval de 144.000 uit de twaalf stammen van Israël, die in Openbaring 7 het zegel van God ontvingen. Zij prediken over de gehele wereld ‘het evangelie van het koninkrijk’.

Beiden, heiligen in de hemel en op aarde in de grote verdrukking hebben deel aan de ‘eerste opstanding’ en zijn om die reden ‘gezegend’ en ‘heilig’ (20:6). De heiligen in de hemel hebben hun beloning reeds ontvangen. De Bijbel spreekt over de rechterstoel van Christus, waarvoor zij geopenbaard moeten worden. Beloningen die in de brieven worden genoemd zijn de kroon van het leven (Jacobus 1:12, Openbaring 2:10), de kroon van de gerechtigheid (2 Timotheus 4:8) en de kroon van de heerlijkheid (1 Petrus 5:4).

Tot slot worden degenen genoemd die Gods naam vrezen, de kleinen en de groten. Aan het slot van de geschiedenis met de twee getuigen kwamen we mensen tegen ‘die zeer bevreesd werden en heerlijkheid aan God gaven. Het zijn de mensen die behoren tot de ontelbaar grote schare. Zij worden beloond op basis van hun houding ten opzichte van ‘de broeders’ van de Heer, de 144.000 uit de twaalf stammen. Zij krijgen te horen: ‘Beërf het koninkrijk dat u bereid is vanaf de grondlegging van de wereld’ en: ‘voor zoveel u het hebt gedaan voor één van de geringsten van dezen, mijn broeders, hebt u het aan Mij gedaan’.

De beloningen die de Heer geeft zijn gebaseerd op verschillende zaken:

(1) De smaad die in zijn naam werd verdragen: ‘Mattheüs 5:11 Zalig bent u als men u smaadt en vervolgt, en door te liegen allerlei kwaad tegen u spreekt, omwille van Mij. Verblijd en verheug u, want uw loon is groot in de hemelen, want zo hebben ze de profeten vervolgd die er vóór u geweest zijn.’

(2) Zaken doen, die tegen de menselijke natuur van deze wereld ingaan: Lukas 6:35 ‘Maar heb uw vijanden lief en doe goed, en leen zonder te hopen iets terug te krijgen. Dan zal uw loon groot zijn en zult u kinderen van de Allerhoogste zijn, want Hij is goedertieren over de ondankbaren en slechten.’

(3) Datgene werd gedaan voor andere discipelen van de Heer: Mattheüs 10:41 'Wie een profeet ontvangt omdat hij een profeet is, zal het loon van een profeet ontvangen; en wie een rechtvaardige ontvangt omdat hij een rechtvaardige is, zal het loon van een rechtvaardige ontvangen. En wie een van deze kleinen slechts een beker koud water te drinken geeft omdat hij een discipel is, voorwaar, Ik zeg u: hij zal zijn loon beslist niet verliezen.'

(4) De werken die voor Hem werden verricht: 1 Korinthe 3:12 ‘Of nu iemand op dit fundament bouwt met goud, zilver, edelstenen, hout, hooi of stro, ieders werk zal openbaar worden. De dag zal het namelijk duidelijk maken, omdat die in vuur verschijnt. En hoe ieders werk is, zal het vuur beproeven. Als iemands werk dat hij op het fundament gebouwd heeft, standhoudt, zal hij loon ontvangen. Als iemands werk verbrandt, zal hij schade lijden. Hijzelf echter zal behouden worden, maar wel zo: als door vuur heen.’

Er zijn ook redenen waarom loon verloren kan gaan:

(1) Wanneer dingen gedaan worden om door de mensen gezien te worden, dan heeft men zijn loon al (Mattheus 6:1,2,5,16).

(2) Wanneer men zich verbindt aan dwaalleraars:2 Johannes 1:7 ‘Want er zijn veel misleiders in de wereld gekomen, die niet belijden dat Jezus Christus in het vlees gekomen is. Dat is de misleider en de antichrist. Let op uzelf, opdat wij niet verliezen waarvoor wij gewerkt hebben, maar een vol loon mogen ontvangen.’

(4) Het laatste programmapunt van de komst van God, dat door 24 oudsten wordt genoemd, is het allereerste dat, voorafgaand aan de vestiging van het duizendjarig rijk, zal gebeuren. Het is: ‘Te verderven die de aarde verderven’. Dit slaat op ‘de verderver’, die reeds werd genoemd in Openbaring 9:11 en allen die bij hem horen en mee hielpen in de uitvoering van zijn agenda. Wel staat hier een ander woord. Niet apollyōn maar: diaphtheirō, dat zoveel betekent als corrumperen, verteren, zoals door wormen. Het verderf is al eeuwenlang aan de gang en wordt geleid door een kleine elite die, met het idee van ‘ordo ab chao’ (orde vanuit chaos), overal in de wereld veel chaos en ellende veroorzaakt. De bedoeling is dat zij daaruit de door hen gewenste wereldorde kunnen doen oprijzen.

De laatste twee jaren is dit proces in een stroomversnelling geraakt en horen we voortdurend de termen ‘great reset’ en ‘build back better’, uit de monden van alle vooraanstaande personen. Een andere gevleugelde uitspraak sinds de 'financiële crisis' onder de regering Obama is ‘never let a good crisis go to waste’ (verspil nooit een goede crisis). Het zijn kunstmatig gecreëerde crises die in het nadeel zijn van de wereldbevolking en in het voordeel van een zeer kleine bovenlaag van puissant rijke dienaren van satan. Het zijn deze aardse machten, die in de eerste halve jaarweek van Daniël onder de eerste vier zegels de gelegenheid krijgen om als apocalyptische ruiters hun destructieve werk te doen en die onder de vijfde en de zesde bazuin uiteindelijk het laatste wereldrijk realiseren met de hulp van satan (de ster/draak, die uit de hemel is gevallen) en de koning van de afgrond, appolyon, het beest uit de afgrond, de ‘elfde hoorn van Daniël 7’.

De verdervers moeten worden verdorven. Voordat begonnen kan worden met het eeuwige rijk van God moet eerst de rommel van de vier wereldrijken volledig worden opgeruimd en vooral met hen die deze rommel hebben veroorzaakt. Zou God dat nalaten, dan zou binnen de kortste keren opnieuw ‘verderf’ ontstaan, omdat deze mensen en vooral de geestelijke machten daarachter, onverbeterlijk zijn, zoals verderp in Openbaring nog zal blijken.

Tweeduizend jaar is God lankmoedig geweest en heeft Hij met veel geduld toegezien hoe een kleine club mensen de aarde en de mensheid daarop steeds meer bedierf en corrumpeerde, door middel van een vals geldsysteem, op basis waarvan deze lieden de overheid, de rechtspraak, de wetenschap, de techniek en de media volledig konden infiltreren. Het niet opruimen daarvan, zou dweilen zijn met de kraan open. In Psalm 2 kregen koningen lang geleden reeds het advies: ‘Kus de Zoon opdat Hij niet toorne want zeer licht ontbrandt zijn toorn’. Het zal met de koningen der aarde vergaan als met Farao. Er komt een moment dat een mens te ver heen is om zich nog te bekeren. Het enige dat dan nog resteert is een totale vernietiging door de Allerhoogste. In hoofdstukken van Openbaring die nog volgen, zien we dat dan ook gebeuren.

- 29 januari 2022 -

Openbaring

van Jezus Christus

Openbaring 12

Openbaring 13

Openbaring 13B