openbaring 3

Vers 1 - 6

Sardis

'En schrijf aan de engel van de gemeente in Sardis: Dit zegt Hij Die de zeven Geesten van God heeft en de zeven sterren: Ik ken uw werken, en weet dat u de naam hebt dat u leeft, maar u bent dood.
Wees waakzaam en versterk het overige dat dreigt te sterven, want Ik heb uw werken niet vol bevonden voor God.
Bedenk dan hoe u het hebt ontvangen en gehoord, en houd het vast en bekeer u. Als u dan niet waakzaam bent, zal Ik bij u komen als een dief en u zult beslist niet weten op welk uur Ik bij u zal komen.
Maar u hebt ook in Sardis enkele personen die hun kleren niet bevlekt hebben, en zij zullen met Mij wandelen in witte kleren, omdat zij het waard zijn.
Wie overwint, zal bekleed worden met witte kleren en Ik zal zijn naam beslist niet uitwissen uit het boek des levens, maar Ik zal zijn naam belijden voor Mijn Vader en voor Zijn engelen.
Wie oren heeft, laat hij horen wat de Geest tegen de gemeenten zegt.'


In Sardis maakt Jezus een nieuw begin met de kerk. Dat blijkt allereerst uit de beschrijving van Hem Zelf. Die lijkt erg op de beschrijving bij de eerste gemeente, Efeze. Tegenover beide gemeenten, Efeze en Sardis, noemt Christus Zich Degene die de zeven sterren in zijn rechterhand houdt/heeft. Maar waar in Efeze nog de zeven kandelaren werden genoemd, heeft Christus hier de zeven Geesten van God. De kandelaren zijn de zeven tijdelijke manifestaties van de gemeente als drager van Gods licht. Drie van die kandelaren waren al verdwenen, Efeze, Smyrna en Pergamus. Thyatira was verstrikt geraakt in haar eigen web van afgoderij en hoererij. God moest iets nieuws beginnen en Christus wijst op de eeuwige Bron van licht en energie die Zich door de tijd in de zeven opeenvolgende gemeenten manifesteert, de Geest van God. Aan die tijdelijke lichtdragers, de kandelaren, komt een eind.

Maar terwijl de kandelaren deels zijn verdwenen, zijn de zeven sterren nog voltallig. Het zijn de getrouwen, die door Christus konden worden aangesproken en die zijn boodschap in de gemeenten hebben neergelegd. Zij zijn het eeuwige bezit van Christus.

De zeven Geesten van God laten een totaal nieuwe wind waaien in Sardis ten opzichte van de eeuwen die eraan vooraf gingen. Het is de vernieuwing van de reformatie, die het falen van de Katholieke Kerk aan het licht bracht. Zij deed dat op grond van drie belangrijke uitgangspunten: Sola Scriptura, Sola Fide en Sola Gracia - alleen de schrift, alleen geloof en alleen genade. Alleen de schrift en geen kerkelijk of pauselijk gezag bepaalt wat de waarheid is van het Christelijk geloof. Alleen genade door geloof in Jezus Christus vormt de weg tot behoud en niet de werken voor de kerk.

Dat het gaat om een nieuw begin, blijkt ook uit het verwijt dat Sardis te horen krijgt uit de mond van Jezus: ze moest bedenken hoe ze het had ontvangen en gehoord. Deze gemeente heeft een oude boodschap als ‘nieuw’ van God teruggekregen. Het gezag van het woord, het belang van geloof en de kracht van genade waren niet nieuw en werden herontdekt. Gods Geest werkte in harten van de hervormers voor het maken van een nieuw begin in de kerk. De hervormers hadden echter hun wortels in de Thyatira en Pergamus. De leer van mensen als Augustinus (Pergamus) en Thomas van Aquino (Thyatira) en daarmee de Hellenistische traditeis van Plato en Aristoteles, bleven daardoor invloed uitoefenen. De terugkeer naar de schrift was slechts gedeeltelijk. Daarom krijgt Sardis van Jezus het verwijt dat haar werken door Hem niet ‘vol’ worden bevonden.

De schrift werd alleen in naam de enig gezaghebbende bron. De geschriften van Augustinus en Thomas van Aquino behielden eveneens gezag en bleven invloed uitoefenden. Dat gold zowel voor Luther als voor Calvijn. Daardoor bleven bepaalde dwalingen de gemeente bevuilen. Eén daarvan was de kinderdoop, die in wezen in tegenspraak is met alle drie de uitgangspunten van de reformatie: Sola scritputera - ze is niet gebaseerd op de schrift - Sola fide - het geloof kan bij zuigelingen nog niet aanwezig zijn - Sola Gracia - een menselijke handeling komt in plaats van genade. Een tweede dwaling was de blijvende heerschappij op aarde door de kerk – dit keer de protestantse kerk – die de plaats innam van een verlangend uitzien naar Christus’ komst voor zijn gemeente en naar de daaropvolgende Christusregering. Het profetisch woord bleef grotendeels gesloten. Het protestantisme was grotendeels amillianistisch. Er was in de protestantse leer geen plaats voor een toekomstige regering door Jezus Christus.

Doordat niet volledig afrekenen met alle dwaling werd afgerekend, viel de hervormingsbeweging voor nieuwe dwalingen, zoals de vrijzinnigheid. Reeds in de jaren 20 van de vorige eeuw was een kwart van de Nederlands hervormden vrijzinnig. Daarbij werd in de twintigste eeuw zelfs getornd aan de schepping in zes dagen, de zondeval, de zondvloed, de wonderen – ook die van Christus en zelfs aan de opstanding. Hoe dood de protestantse kerk is en daarmee de woorden van Jezus bevestigt, blijkt uit opmerkingen van bepaalde dominees uit vrijzinnige hoek, die durven beweren dat God dood is. In dat opzicht viel de hervormingsbeweging uiteindelijk dieper dan de Roomse kerk. Terecht zegt Jezus tot Sardis: ‘u hebt de naam dat u leeft maar u bent dood’, Dit is een zeer ernstige vermaning en dat al direct in het begin van de boodschap van Jezus aan deze gemeente. In wezen wordt geen enkele gemeente zo streng en hard toegsproken als Sardis.

Dat de protestantse kerken naast de Katholieke kerk ontstonden en dat die laatste kerk niet ophield te bestaan, blijkt niet alleen uit de geschiedenis maar ook uit deze brief. Christus spoort de gemeente te Sardis aan ‘waakzaam te worden en het overige te versterken’. Het overige zijn de gelovigen uit de Roomse Kerk. Zij konden zich optrekken aan het Sola Scriptura, Sola Fide en Sola Gracia. De invloed van de hervorming had veel sterker en groter kunnen zijn als ze consequent had vastgehouden aan de beleden uitgangspunten.

Een ander kenmerk van deze gemeente is dat satan niet wordt genoemd, net als bij Efeze. Satan werd wel genoemd bij Smyrna (als 'brullende leeuw'), bij Pergamus, dat woonde bij satan en bij Thyatira, dat de diepten van satan in zich had. De ongenoemde satan is kenmerkend voor het nieuwe begin. Het is nog pril en onbezoedeld, net als de eerste christengemeente. Satan speelt nog geen rol van betekenis. Satan is nog druk bezig in Thyatira en Christus begint plotseling iets nieuws. De reformatie gaat van start. De Geest werkt volop en er zijn geen hinderingen van satan. De enige hindering is de gesteldheid van de gemeente zelf. Ze zit te vast aan de vijftien eeuwen van kerkelijk verleden en daardoor is ze in wezen 'dood'. De potentie van Gods werk wordt daardoor niet volledig benut.

Verder vinden we in de boodschap van Christus aan deze gemeente een duidelijke verwijzing naar zijn terugkeer. Een gebrek aan waakzaamheid zou hun zicht op zijn komst zwaar belemmeren. ‘Als u dan niet waakzaam bent, zal Ik bij u komen als een dief en u zult beslist niet weten op welk uur Ik bij u zal komen.’ Helaas is het uitzien naar de komst van Christus voor zijn gemeente in de protestantse kerken volledig op de achtergrond geraakt. De ondergeschikte positie van het profetisch woord in de protestantse kerken heeft hun het zicht op de komst van Christus grotendeels ontnomen. Naar de opname van de gemeente, zoals beschreven door Paulus in 1 Thessalonisenzen 4, wordt slechts door weinig protestantste gelovigen uitgekeken. In de VS slechts door 1/3 van de protestanten en daar leeft de gedachte aan de Rapture het meest. Zij zullen door zijn komst totaal worden verrast. Hij komt voor hen als een dief in de nacht.

Zoals in iedere kerk heeft Jezus ook in de protestantse kerken zijn getrouwen. Het zijn degenen die kun kleren niet ‘bevlekt hebben’. Zij hebben zich in hun wandel als gelovigen niet laten meesleuren door de verkeerde elementen in deze kerk. Dat is voornamelijk de protestantse vrijzinnigheid, waarbij afstand wordt genomen van het gezag van de Schrift en het als Kerk willen meeregeren met de wereld. Zij die zich daarvan hebben gedistantieerd krijgen de heerlijke belofte dat zij ‘met Christus zullen wandelen in witte kleren’. Alle overwinnaars zullen met witte kleren bekleed worden. Hun namen zullen niet gewist worden uit het boek van het leven. Christus zal hun namen belijden voor zijn Vader en voor zijn heilige engelen.

De kern van deze gemeente is iets nieuws te ontvangen en dat te bewaren. Dat nieuwe is het centrale gezag van Christus, in het bewijs van genade (niet de Kerk), in de heerschappij over de wereld (niet de Kerk) en in de bepaling van de waarheid (niet de Kerk). Zij die aan Christus die plaats van gezag geven, zijn niet ‘dood’, zoals deze gemeente en hun namen blijven staan in het boek van het leven. Hun harten zijn vrij van de kerkelijke smetten en zij ontvangen als uiterlijk teken eens de witte kleren waarmee zij met Christus zullen wandelen. Zij hebben het gezag en daarmee de naam van Christus als hoogste op aarde geëerd en Christus zal hun namen belijden voor zijn Vader en zijn engelen.

- 28 juni 2021 -


Vers 7 - 13

Filadelfia

En schrijf aan de engel van de gemeente in Filadelfia: Dit zegt de Heilige, de Waarachtige, Die de sleutel van David heeft, Die opent en niemand sluit, en Hij sluit en niemand opent:

Ik ken uw werken. Zie, Ik heb voor uw ogen een geopende deur gegeven en niemand kan die sluiten, want u hebt weinig kracht en toch hebt u Mijn Woord in acht genomen en Mijn Naam niet verloochend.

Zie, Ik geef u enigenuit de synagoge van de satan, van hen die zeggen dat zij Joden zijn en het niet zijn, maar liegen. Zie, Ik zal maken dat zij komen en aan uw voeten aanbidden en erkennen dat Ik u liefheb.

Omdat u het woord van Mijn volharding hebt bewaard, zal Ik ook u bewaren voor het uur van de verzoeking, die over heel de wereld komen zal, om hen die op de aarde wonen te verzoeken.

Zie, Ik kom spoedig. Houd vast wat u hebt, opdat niemand uw kroon zal wegnemen.

Wie overwint, hem zal Ik tot een zuil in de tempel van Mijn God maken, en hij zal daaruit niet meer weggaan. En Ik zal de Naam van Mijn God op hem schrijven en de naam van de stad van Mijn God, het nieuwe Jeruzalem, dat neerdaalt uit de hemel, bij Mijn God vandaan, en Mijn nieuwe Naam.

Wie oren heeft, laat hij horen wat de Geest tegen de gemeenten zegt.


Tegenover de gemeente in Filadelfia stelt Jezus Zich op een geheel nieuwe manier voor. De beschrijvingen die Hij van Zichzelf geeft in de eerste vijf gemeenten zijn afgeleid van zijn presentatie van Zichzelf aan Johannes in het openingsdeel van Openbaring. Maar in Filadelfia lezen we iets nieuws. Hij is de Heilige en Waarachtige, die de sleutel, niet van de dood en het dodenrijk – zoals in hoofdstuk 1 – , maar van David heeft.

Als Heilige en Waarachtige is Jezus volstrekt uniek. Geen mens kan dat van zichzelf zeggen. Voor zijn maagdelijke ontvangenis klonk het al uit de mond van Gabriël: Daarom zal ook dat Heilige dat uit u geboren zal worden Gods Zoon genoemd worden. Als demonen Hem zagen, zeiden zij steevast: ‘Ik weet wel Wie U bent. U bent de Heilige van God’. Hij dreef demonen uit terwijl dezen getuigden: ‘U bent de Heilige van God’. Demonen zijn gevallen engelen, die bij de aanblik van Jezus, herinneringen terugkregen van hun voormalige taak om het ‘Heilig, heilig, heilig is de Here God Almachtig’ uit te roepen. Als Heilige is Hij de volledig tot God afgezonderde, die nooit of te nimmer door enig kwaad kon worden benaderd, ook al ging Hij dagelijks om met tollenaars en zondaars en al raakte Hij melaatsen en doden aan. In plaats dat de onreinheid op Hem overging, ging zijn reinheid en zijn levenskracht over op hen. Melaatsen werden gereinigd, doden opgewekt.

Net als de heiligheid deelt Jezus de eigenschap van waarheid met God, die Hij in zijn gebed van Johannes 17 ‘de waarachtige God’ noemt. Hij Zelf is het waarachtige licht, het waarachtige brood, de waarachtige wijnstok – steeds staat in de Griekse grondtekst hetzelfde woord voor ‘Waarachtige’. Hij is net als God, die niet kán liegen omdat dit totaal indruist tegen zijn Wezen. Maar dat is nog te passief. 'Niet liegen' wil alleen zeggen dat er niet nog meer leugens bij komen. Maar als Waarachtige is Hij strijder voor de waarheid en tegen de leugen. Hij ruimt alle leugens op, stelt ze aan de kaak. Alles zal door Hem eenmaal in het volle licht komen. De volledige waarheid over alles, over ieders leven, groot en klein, zal Hij ontvouwen.

Daarnaast verzamelt Hij om Zich heen een kring van mensen, die dat ook willen, die ook willen strijden voor waarheid en tegen leugen. Zij worden door Hem de ‘waarachtige’ aanbidders genoemd, die door de Vader worden gezocht, die de Vader aanbidden in Geest en in waarheid. Over die mensen gaat het in Filadelfia. Want in Filadelfia vindt Hij eindelijk een gemeente, die Hij niet hoeft te berispen maar waarvoor Hij de deur wijd open kan zetten, die Hij veel kan toevertrouwen en die Hij hun gang kan laten gaan – omdat ze, in tegenstelling tot de andere gemeenten, zijn gezag als enig bevoegd gezag erkennen en net als Hij strijden voor waarheid.

Jezus was teleurgesteld in het nieuwe dat Hij met Sardis begon. Zij waren niet waakzaam, lieten oude dwalingen bestaan, maakten hun werken niet af, niet vol. Wat Sardis liet liggen wordt afgemaakt door Filadelfia. Met alle dwaling, die Sardis liet bestaan, wordt in Filadelfia korte metten gemaakt, kinderdoop, vermenging van kerk en staat en blindheid voor de spoedige komst van Christus. In Filadelfia ontvangt Jezus weer de plaats in zijn gemeente die Hem toekomt, die van alle gezag. Er is volledige gehoorzaamheid aan Gods Woord, zonder dat nog langer te vermengen met dwaalwoorden van mensen.

De sleutel van David heeft in de eerste plaats te maken met de Geest van waarachtige aanbidding, zoals David dat, geleid door Gods Geest, deed in de Psalmen. Er ontstonden nieuwe inzichten in de beeldende taal van het Oude Testament en net als na zijn opstanding ging de reikwijdte van het profetische woord open. De diepere betekenis van de beschrijvingen van de aartsvaders, de betekenis van de tabernakel, de offers, de woestijnreis, enzovoorts. Dat alles gaf een enorme verrijking in de aanbidding met als gevolg een stroom van aanbiddingsliederen.

Daarnaast was de sleutel van David nodig voor het ontsluiten van het profetisch Woord, met een toekomst voor het volk Israël en een herstel van de troon van David. Ook de opname van de gemeente kreeg een plaats in de toekomstverwachting. Al die waarheden uit Gods Woord, die volledig uit het zicht van de kerk waren verdwenen, werden herontdekt rond het jaar 1800, nadat was gebleken dat de reformatie van Sardis geen volle werken zou opleveren.

Dat Jezus Zich hier voorstelt als Degene die de sleutel van David heeft is, gezien de passage daarover in Jesaja, zeer treffend. Daar vinden we namelijk een situatie die sterk doet denken aan die van Sardis en Filadelfia. Het gaat over twee opeenvolgende hofmaarschalken, die over het huis van David gaan. De eerste, een zekere Sebna, heeft voor zichzelf in de hoogte een graf uitgehouwen. In plaats van zorg te dragen voor het huis van David, was hij bezig met zijn eigen dood. Dat lijkt sterk op het verwijt dat Sardis krijgt van Jezus: dat het de naam heeft te leven maar feitelijk dood is. De waarheid van opname en opstanding is grotendeels vervangen door een leer van het hiernamaals. Binnen de protestantse kerken wordt het woord van Jezus over zijn terugkeer voor de zijnen toegepast op het overlijden. In de hoogte was een 'graf uitgehouwen'.

Sebna zou door God ver worden weggeworpen – voor Sardis zou Jezus terugkomen als een dief, als ze niet waakzaam zou zijn. Sebna zou vervangen worden door Eljakim. Op hem zou God de sleutel van David leggen en dan volgen dezelfde woorden over 'sluiten en niemand zal openen' en 'openen en niemand zal sluiten' als Jezus in zijn boodschap tot Filadelfia op Zichzelf toepast. Het is dus niet Filadelfia die opent of sluit. Het is Jezus. Het lijkt erop dat de deur voor Sardis intussen was gesloten maar voor Filadelfia gaat er een deur open. En alleen Jezus bepaalt wanneer deuren openen en sluiten. De onvolledigheid van de werken van Sardis hebben voor de wereld de deur tot de kerk open gezet en Jezus laat dat toe. Het is een oordeel van God over een dwalende kerk. Hoewel het protestantisme in de begindagen een zeer positieve invloed had in de wereld, sloeg dat in de 19e eeuw om en begon het humanisme en het materialisme om zich heen te grijpen. Halverwege de 19e eeuw kreeg de leugen van het evolutionisme een platform en sindsdien ging de samenleving hollend achteruit. Tegen het eind van de 19e eeuw schreef Nietzsche als boodschapper van zijn tijd: God is dood. In de twintigste eeuw beweren dominees van de hervormde kerk dat.

Maar te midden van een zich van God afkerende maatschappij was daar die gemeente met kleine kracht, aan wie Jezus de grootst mogelijke vergezichten toonde door hen een deur te openen met de sleutel van David. De beweging van het Reveil, die vanaf het begin van de 19e eeuw opbloeide, heeft een wereldwijde invloed gehad op bescheiden schaal. Kerken als de ‘vergadering van gelovigen’ en de baptisten ontstonden naast de Rooms Katholieke en de Protestantse Kerken. Kenmerken van deze geloofsgroepen, die samen Filadelfia vormen, is vooral het feitelijke en volkomen consequent doorgevoerde 'Sola Scriptura' – zonder ook maar enige gezaghebbende plaats voor een product van de menselijke geest. Daaruit voort kwamen de reeds genoemde volwassenendoop, de centrale plaats van het avondmaal, de diepe geestelijke betekenis van het Oude Testament, de opname van de gemeente, de toekomst voor Israël en voor het Davidische koningshuis en de terugkeer van Jezus met de wolken van de hemel volgens het profetisch woord.

Kenmerkend is dat de 19e eeuw tevens de opmars liet zien van de grote Joodse bankiersfamilies en van de geheime genootschappen, die met hun groeiende kapitaal alles financierden dat paste in hun agenda van een toekomstige goddeloze wereldregering. Ook het zionisme was onderdeel van deze beweging. Dat komt treffend overeen met wat Jezus in dit schrijven aan Filadelfia 'de synagoge van satan' noemt en 'Joden, die geen Joden zijn'. In dat kader geeft Jezus deze gemeente met kleine kracht een belofte. De geschiedenis zal erop uitlopen dat deze machtige elite, die onder leiding van satan zoveel voor elkaar krijgt, en die onder Gods toelating voor korte tijd de totale macht in de wereld naar zich toe trekt, zich eens zal moeten neerwerpen voor de trouwe getuigen van Jezus uit Filadelfia. En zij worden gedwongen iets te erkennen. We zouden denken: te erkennen dat Jezus Heer is. Dat zullen ze inderdaad ook erkennen. Alle knie zal voor Hem buigen en elke tong zal belijden dat Jezus Heer is. Maar van deze mensen vraagt Jezus nog een speciale bekentenis, namelijk dat Hij de gelovigen van Filadelfia heeft liefgehad. Jezus stelt het kennelijk op prijs, dat de groten der aarde, die dachten dat alles voor geld te koop was, die voor het uitrollen van hun wereldregering niet kijken op een miljoen doden of tien miljoen zwaargewonden extra, dat deze minachters voor het kleine en geringe op aarde, zijn liefde voor deze gemeente met kleine kracht erkennen. Uiteraard gebeurt dat niet eerder dan na de terugkeer van Jezus in kracht en grote heerlijkheid.

Jezus geeft nog een tweede belofte. De macht van deze synagoge van satan, van Joden die geen Joden zijn, zal uitlopen op het uur van de verzoeking dat over de hele aarde zal komen. Daarvoor zal Jezus de gelovigen van deze gemeente bewaren. Let op, er staat niet dat hij haar zal bewaren voor verzoeking. Allen die godvruchtig willen leven zullen vervolgd worden. Nee, er staat dat Jezus deze gemeente bewaart voor (niet: in) het uur van de verzoeking dat over de hele aarde zal komen. Verderop in Openbaring lezen we over dat uur. Het is de periode van verdrukking, die wordt beschreven in de hoofdstukken 6 tot en met 16. Daar hoeft deze gemeente dus niet doorheen. Zij wordt ervoor bewaard. Dit kan niet anders betekenen dan dat de opname van de gemeente plaatsvindt voorafgaand aan die hele speciale periode van verdrukking. Deze belofte ontvangt de gemeente omdat ze ‘het woord van zijn volharding’ heeft bewaard. Juist deze gemeente kreeg met het open gaan van het Woord steeds meer zicht op de diepte van het lijden van Christus.

Een derde belofte betreft de kroon, die deze gemeente ontvangt als ze vasthoudt aan wat ze ontving.

Een vierde belofte is er voor de overwinnaars. Ze worden gemaakt tot een zuil in de tempel van God. Merk op het steeds herhaalde ‘mijn God’, in de beschrijving van de beloning. Tempel van mijn God – de naam van mijn God – de stad van mijn God – de hemel, bij mijn God vandaan. Deze gemeente heeft door erkenning van het gezag van Jezus (dat was de sleutel, de sleutel van David) de waarheid van Gods woord volledig van God terug ontvangen, in al haar rijkdom. Het is alleen door genade dat gelovigen in deze gemeente die waarheid kunnen vasthouden - gezien de geopende deur die Jezus gaf en de kleine kracht die zij zelf hebben. Zij die deze waarheid door genade weten vast te houden worden, zeer toepasselijk, een zuil van die waarheid in Gods tempel. De gemeente is immers ‘de pilaar en de grondslag van de waarheid’.

- 1 juli 2021 -


Vers 14-22

Laodicea

En schrijf aan de engel van de gemeente in Laodicea: Dit zegt de Amen, de getrouwe en waarachtige Getuige, het begin van Gods schepping:

Ik ken uw werken, en weet dat u niet koud en niet heet bent. Was u maar koud of heet!. Maar omdat u lauw bent en niet koud en ook niet heet, zal Ik u uit Mijn mond spuwen. Want u zegt: Ik ben rijk en steeds rijker geworden en heb aan niets gebrek, maar u weet niet dat juist u ellendig, beklagenswaardig, arm, blind en naakt bent.

Ik raad u aan dat u van Mij goud koopt, gelouterd door het vuur, opdat u rijk wordt, en witte kleren, opdat u bekleed bent en de schande van uw naaktheid niet openbaar wordt. En zalf uw ogen met ogenzalf, opdat u zult kunnen zien. Ieder die Ik liefheb, wijs Ik terecht en bestraf Ik. Wees dan ijverig en bekeer u.

Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop. Als iemand Mijn stem hoort en de deur opent, zal Ik bij hem binnenkomen en de maaltijd met hem gebruiken, en hij met Mij.

Wie overwint, zal Ik geven met Mij te zitten op Mijn troon, zoals ook Ik overwonnen heb, en Mij met Mijn Vader op Zijn troon gezet heb.

Wie oren heeft, laat hij horen wat de Geest tegen de gemeenten zegt.


De laatste brief van Openbaring, die aan Laodicea, laat als geen andere zien: de nietigheid van de gelovige en de grootheid van Christus. Terwijl de gemeente een absoluut dieptepunt beleeft, laat Christus de overweldigende kracht van zijn liefde zien. De nietigheid van het gezelschap gelovigen blijkt het duidelijkst uit de ‘werken’, die Jezus weergeeft als koud noch heet maar lauw, zodanig dat Hij de gemeente op basis daarvan uit zijn mond zal spuwen.

De lauwe geest van Laodicea is het afgekoelde ‘heet’ van Filadelfia. In die zin lijkt de situatie enigszins op de gemeente van Efeze, waarvan Christus moet zeggen dat ze haar eerste liefde heeft verlaten. Maar in het geval van Efeze zijn er nog vele eigenschappen en werken die de Heer kan prijzen. Bij Laodicea ontbreekt dat volkomen. Er is niets waarvoor de Heer Laodicea kan prijzen. Niets. Bovendien wordt deze gemeente gekenmerkt door een ontstellend gebrek aan zelfkennis. Deze gemeente denkt heel wat van zichzelf. Zij heeft van zichzelf het lijnrecht tegenovergestelde beeld als wat Christus van haar heeft. Zij denkt dat ze rijk en verrijkt is en aan geen ding gebrek heeft. Maar Christus ziet haar als de ellendige – jammerlijke – arme – blinde – naakte. Hoe kan het zelfbeeld van een gemeente zo totaal verschillend zijn van het beeld dat Jezus van haar heeft?

Het komt doordat Christus en gemeente, Hoofd en lichaam een totaal verschillende opvatting hebben van wat rijkdom is. De gemeente voelt zich rijk omdat twee millennia aan cultuurgeschiedenis haar in de schoot is gevallen en zij beschikt over een enorme rijkdom aan christelijke liederen, christelijke beschouwingen, christelijke denkbeelden, christelijke leerstellingen, christelijke methoden, christelijke gebouwen, christelijke - vult u maar aan. Bovendien leeft deze gemeente in een tijd dat wetenschap en techniek een enorme vlucht nemen, met alle welvaart, media en instrumenten, die haar daardoor ter beschikking staan. Vele verschillende liederenbundels met wel honderden christelijke liederen in tal van verschillende muziekstijlen. Er is kortom veel uiterlijk vertoon van rijkdom.

Christus heeft een heel andere opvatting van rijkdom, namelijk de innerlijke rijkdom van een eeuwig leven in gemeenschap met Hem. De culturele rijkdom die de gemeente meent te hebben, verhindert haar te putten uit de schatten die werkelijk rijk kunnen maken, de schatten in Christus. Onwetendheid over het wezen van christelijke rijkdom en over haar eigen toestand is de kern. De enige reden dat deze situatie niet volledig hopeloos is, is de enorme liefde van Christus, die ook in deze laatste, zeer teleurstellende fase van zijn gemeente, gelovigen blijft aansporen hun werkelijke christelijke schatten in Hem te delven. Hij stelt zijn gemeente voor van Hem te ‘kopen’.

Gezien de toestand van de gemeente (arm, blind en naakt – verder alleen schijnbare rijkdom) kan dat 'kopen' niet anders dan overdrachtelijk worden opgevat. Hooguit wordt ermee bedoeld dat zij haar schijnbare schatten opgeeft en erkent wat haar toestand is, namelijk armoede – dat er niets is wat zij God zou kunnen aanbieden. De mens komt bij God altijd met lege handen. Zoals David zegt: 1 Kronieken 29:16 'HEERE, onze God, heel deze overvloed die wij gereedgemaakt hebben om voor U een huis te bouwen, voor Uw heilige Naam, dat is van Uw hand; het is alles van U.’ Om die reden begint Jezus deze brief met Zich voor te stellen als ‘het begin van de schepping van God’.

Dat wil absoluut niet zeggen dat Hij ook door God zou zijn geschapen. Christus is absoluut niet een soort geschapen eerste werktuig dat God zou hebben gebruikt voor de schepping van de rest. Dat zou God afhankelijk maken van een schepsel, zowel in de schepping als in de verlossing. Nee, Christus is God. En als God staat Hij aan het begin van de hele schepping. Zonder Hem bestaat er niets. Of, zoals Johannes 1 zegt: 'Door Hem zijn alle dingen geworden en zonder Hem is geen ding geworden dat geworden is.' Daarom is alles wat een mens is, doet en heeft volledig afkomstig van God. Een mens of een gemeente kan Christus niets aanbieden in ruil voor wat Christus wil geven. Alleen lege handen. Erkenning van eigen nietigheid. David formuleert het zo: Psalm 51:19 ‘De offers voor God zijn een gebroken geest; een verbrijzeld en verslagen hart zult U, o God, niet verachten.’ En Jesaja zegt: ‘Jesaja 55:1 O, alle dorstigen, kom tot de wateren, en u die geen geld hebt, kom, koop en eet, ja, kom, koop zonder geld, zonder prijs, wijn en melk.

Het zijn drie zaken die Christus zijn aan lager wal geraakte gemeente aanbiedt: Allereerst goud door vuur gelouterd. Dat is niets minder dan de goddelijke natuur, goddelijke gerechtigheid. Christus is door het vuur gegaan om dat zijn gemeente te kunnen aanbieden. Typerend voor Loadicea is dat de liefde van de gemeente voor de Heer, die in het allerdiepste lijden van het kruis is ondergedompeld geweest om haar te kunnen rechtvaardigen, is vervlakt. Steeds minder wordt er gesproken, gebeden en gezongen over het kruis van Christus. Dat weten we nu immers wel. Men wil een ‘praktisch geloof’, waar ‘we doordeweeks wat mee kunnen’ of ‘waar de wereld mee kan worden verrijkt’. Politiek en maatschappelijke vraagstukken krijgen een steeds grotere plaats in de gemeente. Christus en zijn rijkdom en zijn werk raken op de achtergrond. Christus biedt aan een dergelijke gemeente opnieuw zijn goud aan, de heerlijke massieve schittering van zijn grote werk en van zijn Persoon, die deel is geworden van gelovigen.

Ten tweede biedt Jezus zijn lauwe en naakte kerk witte kleren aan, opdat haar naaktheid bedekt wordt. Wat de witte kleren zijn, weten we dankzij de brief aan Sardis. Daar worden gelovigen bekleed met witte kleding ‘omdat ze het waard zijn’. Het is de kleding waarmee de ‘overwinnaars’ van Sardis worden bekleed. Verderop in Openbaring lezen we dat het witte linnen, waarmee de hemelse legers bij Christus terugkeer naar de aarde bekleed zijn, 'de rechtvaardige daden' zijn van de heiligen. Bij witte kleding gaat het om de reine, god-gewijde levenswandel van de gelovige, waarvoor hij uiteindelijk wordt beloond. Ook dit is gegrond in de genade van God. Het zijn 'goede werken die God tevoren bereid heeft, opdat we daarin zouden wandelen'. Maar Christus schrijft het voor zijn rechterstoel toch toe aan de gelovige. Maar dan moet de gelovige wel weten wat Christus belangrijk vindt voor zijn leven en wat niet. Anders zal blijken dat alleen gebouwd is met ‘stro en stoppelen’ in plaats van met ‘goud, zilver en kostbare stenen’ en dat zal zijn werk vergaan, dat wil zeggen als waardeloos worden beoordeeld. De gelovige zelf zal echter behouden worden ‘als door vuur’. Christus gunt zijn lauw geworden gemeente, dat ze er meer uit sleept dan alleen het eigen lijfsbehoud.

Ten derde biedt Christus zijn blinde gemeente ogenzalf aan, opdat ze weer zal kunnen zien. Het gebrek aan zelfkennis en aan waar het om draait in de gemeente van God, is deze gemeente fataal aan het worden. Het is de hoogste tijd dat ze opnieuw zich door Christus de ogen laat openen voor de schatten die in Hem Zelf te vinden zijn en die Hij in de levens van de zijnen wil uitwerken.

Elementen van Laodicea vinden we terug in de totaal afvallige kerk in Openbaring 18, het grote Babylon. We lezen daar van Babylon: Openbaring 18:7 'Overeenkomstig de maat waarin zij zichzelf heeft verheerlijkt en losbandig heeft geleefd, geef haar naar die maat pijniging en rouw. Want in haar hart zegt zij: Ik zit als een koningin en ben geen weduwe en ik zal zeker geen rouw zien.’ Babylon wordt, net als Laodicea, verweten dat ze op zichzelf gericht is en dat ze veel te hoog van zichzelf denkt. Het verschil is dat voor Laodicea nog bekering mogelijk is maar voor het grote Babylon niet meer. Zij valt volledig, met alles wat in haar is, onder het finale oordeel van God.

Een persoon die we missen in deze laatste brief is satan. De tegenstander werd wel genoemd in Filadelfia (personen uit de synagoge van satan) maar hier niet. Een gemeente die zo lauw is geworden als Laodicea en nochtans zo over zichzelf opgeeft heeft geen 'satan' nodig. Die is haar eigen 'satan'. Zij moet van haar eigenwaan worden verlost. Met een lauwheid als die in Laodicea, heeft satan geen omkijken naar de gemeente en kan hij al zijn inspanning richten op de wereld. Die wereld dringt, gezien de houding van Laodicea, die een verkeerd beeld heeft van rijkdom, vanzelf de gemeente binnen.

Het is genade van God en liefde van Christus dat Hij bestraffing zendt in het midden van de gemeente die van Hem is afgeweken. Het doel is dat de gemeente of gelovigen daarbinnen tot zelfinzicht komen en zich bekeren. Het doel is weer deel te krijgen aan de grote rijkdommen die Christus aanbiedt en die in Hem te vinden zijn, goud, witte kleding en ogenzalf.

En dan sluit Christus af met een prachtige liefdevolle oproep, die tegelijkertijd de ernst van de situatie in de gemeente laat zien en de weergaloze liefde die zijn hart beweegt. Dit is geen oproep tot bekering aan ongelovigen. Dit is een oproep tot bekering aan gelovigen. Hij staat aan de deur en Hij klopt. De gemeente is zover gezonken dat Christus buiten staat. Zijn gezag, zijn werk, zijn Persoon zijn van ondergeschikt belang geworden. Maar Hij roept ieder in Laodicea op om heel individueel de deur voor Hem te openen. En dan wil Hij – ondanks de grote treurigheid van de kerkgeschiedenis, waarbij Christus opnieuw en opnieuw en opnieuw een begin moest maken en Hij uiteindelijk toch buiten kwam te staan – ondanks het falen – voor de zoveelste keer – van de mens, toch gemeenschap hebben met die mens, zozeer dat Hij met degene die voor Hem de deur opent, maaltijd wil houden en degene die open doet met Hem. Daar zit wederkerigheid in. Hij wil betrokken worden bij dat wat de gelovige bezig houdt. De gelovige mag betrokken zijn bij dat wat Hem bezig houdt. Dat laatste is een bruggetje naar de heerlijkheid die volgt in de beloning voor de overwinnaars en de heerlijkheid van de hemel in Openbaring 4 en 5.

In de volharding van zijn eeuwige liefde laat Christus Zich zien als de ‘Amen’, de ‘trouwe en waarachtige getuige’, die, hoe slecht de mensheid het er ook van afbrengt, blijft bij datgene wat in de eeuwigheid door God is besloten en daar geen duimbreed van afwijkt. ‘2 Korinthe 1:20 'Immers, zovele beloften van God als er zijn, die zijn in Hem ja en in Hem amen, tot verheerlijking van God door ons.’ Hij is de Enige mens wiens trouw en waarachtigheid door alles heen standhouden. 2 Timotheüs 2:13 ‘Als wij ontrouw zijn, blijft Hij getrouw. Hij kan Zichzelf niet verloochenen.’

Het individuele karakter van de uitnodiging zegt ook iets over de tijdgeest van Laodicea. Christus verwacht niet dat het ooit met de gemeente als geheel nog goed zal komen. Maar dat ontneemt Hem niet van de uitdrukkelijke wens om met de individuele gelovige een intense gemeenschap van liefde en verlangen te onderhouden. Het lijkt op de coronatijd die nu actueel is, waarin kerkdiensten lijken te zijn afgeschaft en gelovigen volledig op zichzelf zijn komen te staan. In die verlorenheid blijft deze uitnodiging van Christus als een baken van hoop glansrijk overeind staan voor iedereen die in Hem gelooft.

Er zit in deze brief een enorme opklimming. Daarom getuigt deze brief zo van de kracht van Christus liefde. Een brief die begon met een dermate lauwheid in een gemeente dat Christus haar uit zijn mond moest spugen, eindigt met een maaltijd van Christus met de gelovige en van de gelovige met Christus. En dat laatste loopt uit op de weergaloze beloning voor overwinnaars van Laodicea: Met Hem zich te mogen zetten op zijn troon, zoals Hij Zich met zijn Vader gezet heeft op Diens troon. In welke van de zeven brieven vinden we een dergelijke beloning? Terwijl de gemeente steeds verder wegzakt, klimmen de beloningen die Christus zijn overwinnaars geeft, steeds verder op. Daarnaast is er verband met opeenvolgende momenten in de geschiedenis van de mensheid:

Efeze - Te eten van de boom des levens – Hof van Eden, voor de zondeval (Genesis 2)

Smyrna - Geenszins schade van de tweede dood – Loon van de zonde, zondeval (Genesis 3)

Pergamus – Verborgen manna en een steen met een nieuwe naam – Ark in de woestijn (Exodus)

Thyarira – Heerschappij over de voken met een ijzeren staf – Verovering van Kanaän (Jozua)

Sardis – Bekleed worden met witte kleren en naam beleden voor de Vader en de engelen – Priesterschap in het land (Richteren – 2 Samuël)

Filadelfia – Pilaar in de tempel van zijn God – Tempelbouw onder Salomo (1 Koningen 6)

Laodicea – Met Hem gezet worden op zijn troon – Zegenrijke heerschappij onder de Zoon van David (1 Koningen 9, 10)

In de brief aan Laodicea vinden we geen verwijzing naar de komst van Christus. De komst van Christus zit echter begrepen in de belofte van het ‘eten met Hem’ en ‘met Hem op zijn troon zetelen’. Zo gaan de brieven aan de zeven gemeenten via deze Laodicea-beloften naadloos over in de hemel van Openbaring 4, waar we inderdaad de gemeente vertegenwoordigd zien in de vierentwintig oudsten die gezeten zijn op gouden tronen (belofte aan Laodicea), bekleed met witte kleren (belofte aan Sardis) en gekroond met gouden kronen (belofte aan Smyrna en belofte aan Filadelfia).

Wat we in deze zeven brieven ook vinden is een weerslag van de rechterstoel van Christus. Twee keer schrijft Paulus in zijn brieven over het feit dat wij als gelovigen voor de rechterstoel van God of van Christus zullen verschijnen. Nergens in de brieven lezen we echter wat voor die rechterstoel te berde wordt gebracht. Mogelijk vinden we in deze twee hoofdstukken met zeven brieven aanwijzingen van wat Christus belangrijk vindt, wat Hij wil zien in de levens van gelovigen en wat Hij voor de rechterstoel uit de levens van gelovigen naar voren haalt.

- 5 juli 2021 -

openbaring

Van Jezus Christus

Openbaring 4