hoofdstuk 1

(1)

Met een schok werd Vitellius wakker. Flarden van een vage droom maakten plaats voor een maanverlicht landschap. Tegen de nachtelijke hemel zag hij de contouren van zijn maat, die hem had aangestoten. Terwijl die naast hem kwam zitten, drong de situatie weer tot hem door. ‘Belachelijke missie’, mopperde hij zacht. Zijn maat grinnikte en maakte het zich gemakkelijk in het lange gras. ‘De vierde wake, jouw beurt’ fluisterde hij en hij draaide zich op zijn zij. Enkele ogenblikken later was het gesnurk al hoorbaar.

Nog steeds op zijn rug liggend, liet Vitellius zijn ogen over de met sterren bezaaide lucht gaan. De heldere maan vertelde hem dat de nacht al behoorlijk ver gevorderd was en dat het zijn beurt was. Met een behoorlijke dosis tegenzin stond hij langzaam op. Zijn ledematen waren stijf en klam. Hij liep een paar keer heen en weer om ze soepel te krijgen en de slaap helemaal van zich af te schudden. Vitellius sloeg de sagum (mantel) om zich heen en maakte hem vast met een fibula (speld). Hij omgordde zich en bracht zijn wapens in orde. Daarna nam hij de omgeving in zich op. Half in de schaduw van een boom zag hij de enorme steen. In het heldere licht van de volle maan was de ronding van de steen duidelijk zichtbaar. Vlak voor de steen bewoog iets. Na even turen ontwaarde hij één van de andere soldaten van de wacht.

Vitellius liep in de richting van de steen en struikelde bijna over een van de soldaten die verspreid op de grond lagen. Die mompelde iets, draaide zich om en sliep gelukkig verder. Met zestien man waren ze in totaal. Twaalf van hen hadden de eerste drie waken van de nacht voor hun rekening genomen. Zij moesten met hun vieren het laatste deel van de nacht op wacht staan. ‘Op wacht voor wat?’ schamperde Vitellius in gedachten. De andere drie stonden hem bij de steen al op te wachten voor een kort beraad.

‘Krankzinnig, deze wacht’, mompelde Vitellius, terwijl hij aan kwam lopen.

De anderen lachten.

‘Gevaarlijker dan je denkt’, antwoordde één van hen, ‘de discipelen van die Rabbi zijn tot alles in staat.’

Vitellius lachte: ‘Ze hebben niet eens wapens.’

‘Jawel, een van die vissers uit Galilea zwaaide met een zwaard om zich heen.’

‘Ik heb gehoord dat ze er als hazen vandoor gingen.’

‘Bij zijn entree in Jeruzalem, een week geleden, waren er menigten die de Rabbi luidkeels toejuichten. Stel dat ze die allemaal mobiliseren.’

‘Geen enkele kans. Waar waren die menigten toen Hij aan het kruis hing?’

‘Ja, wie wil er een gekruisigde als koning?’, viel een van de anderen Vitellius bij.

‘Het grootste gevaar is dat ze een martelaar van hem maken.’

‘Och, die Joodse oproerkraaiers zijn na een paar maanden allemaal totaal vergeten.’

‘Je vergeet dat Hij als koning is onthaald’.

‘Ja, dat klopt, zoon van David, werd er geroepen’, zo mengde de vierde soldaat zich in het gesprek.

‘Ha, ja, een koning, gekroond met doornen en getroond op een kruis’, pareerde Vitellius. ‘Rome heeft zijn reputatie de bodem ingeslagen.’

‘Geen koning dan de keizer’, viel de ander hem weer bij

‘Ik denk dat zijn volgelingen hun lesje wel geleerd hebben.’

‘Waarom zijn wij hier dan neergezet?’

‘Dat zeg ik, het is een krankzinnige missie.’

De anderen zwegen. Het gesprek was weer waar het begon. Maar Vitellius ging verder:

‘Ze zijn ingerekend voordat ze deze joekel maar een inch van hun plaats hebben’, zei hij, en tegelijk sloeg hij met zijn vlakke hand tegen de reusachtige ronde steen voor de grafopening.

‘Kennelijk zit de angst voor Hem er goed in bij de Joodse leiders’, begon een van de anderen opnieuw.

‘Ja, zelfs na zijn dood willen ze Hem nog laten bewaken.’

‘En voor wie?’

‘Als zijn volgelingen weten wat er met Hem is gebeurd, laten ze het wel uit hun hoofd,’ was het antwoord van Vitellius.

‘Was jij erbij dan?’

‘Ja.’

Even was het stil. Toen hernam Vitellius:

‘Aan alle kanten kapot gegeseld.’

Hij zweeg weer.

‘Van top tot teen.’

‘Dan is hier weinig te halen.’

‘Ja, er is weinig van Hem over. Avé, koning der Joden!’ – de stem van Vitellius verscheurde de nachtelijke stilte.

Enkele vogels vlogen verschrikt weg.

De soldaten maakten sierlijke buigingen in de richting van het graf, de een na de ander, terwijl ze lachten om hun eigen spottende gedrag.

Daarna verspreidden ze zich over de tuin.

- 7 april 2021 -


(2)

De schitterende patriciërswoning van de hogepriesterlijke top in het Noordwesten van Jeruzalem baadde in het felle maanlicht. In een van de kamers zat Annas die nacht plotseling stijf van schrik rechtop in zijn bed. Annas bevond zich in het centrum van de macht. Ooit was hij hogepriester van Israël en nu had zijn schoonzoon die positie. Met diverse zoons als potentiële hogepriesters had hij daarnaast nog meer ijzers in het vuur. Achter de schermen trok hij aan de touwtjes. Autoriteiten in zijn omgeving kon hij maken of breken.

Maar in het holst van die nacht had de geestelijk leider het te kwaad met zichzelf. Op het netvlies van zijn wijd opengesperde ogen stonden nog de laatste fragmenten van de gruwelijke nachtmerrie waaruit hij wakker was geschrokken. Hoe lang hij daarna voor zich uit zat te staren wist hijzelf niet. Hij durfde niet meer te gaan slapen. Maar hij durfde ook niet uit bed te stappen, uit angst erachter te komen dat hij nog steeds droomde. Of erger: dat de boze droom overeenkwam met de werkelijkheid.

Van zijn angstdroom herinnerde hij zich alleen nog de laatste afgrijselijke details. Het was vooral de ijzingwekkende sfeer van de droom die hem in een stalen greep hield. Hij hoopte vurig dat de eerste tekenen van de dag zich spoedig zouden aankondigen en dat het eerste morgenlicht de duistere herinneringen aan zijn droom zouden verdrijven. Maar hoe lang hij ook wachtte, het bleef donker. Hij keek om zich heen maar kon geen enkel teken over het tijdstip gewaar worden. Het enige wat hij zag was een flauwe streep maanlicht. Hij probeerde aan iets anders te denken maar steeds werd zijn geest terug gezogen naar de angstaanjagende droom.

Hij ging weer liggen en staarde in het donker voor zich uit. In het duister zag hij de vage contouren van de kamer. Hij deed zijn ogen dicht en probeerde weer te gaan slapen. Maar even later brak het zweet hem aan alle kanten uit. De verstikkende droom achtervolgde hem. Geluiden en stemmen galmden na in zijn oren. Annas schoot weer overeind, transpirerend over zijn hele lichaam.

Het was geen doen. Hij kon de slaap voor de rest van die nacht wel vergeten. Maar al was hij wakker, de nachtmerrie omsloot hem van alle kanten. Hij had de neiging te schreeuwen. Maar hij kon onmogelijk om hulp roepen. Wie zouden er afkomen op zijn hulpgeroep? Riep hij misschien nieuwe verschrikkingen over zichzelf af? Stel je voor dat hij alleen maar droomde dat hij wakker was maar in dat zijn droom hem nog steeds gevangen hield! En als hij wel wakker was en zijn bedienden kwamen aansnellen, wat moest hij zeggen? Dat hij bang was voor zijn eigen droom, hij, de grote macht achter de schermen van het Sanhedrin?

Annas schraapte al zijn moed bijeen en sloeg de dekens weg. Hij liet zijn benen vanaf zijn bed naar beneden zakken. Zijn hete voeten koelden zich aan de koude tegelvloer. Na lange tijd zo gezeten te hebben waagde hij zich uit bed. Hij ging staan en voetje voor voetje schuifelde hij naar het kleine raam waardoor het maanlicht nog steeds naar binnen viel. Voor het raam bleef hij staan. De maan stond als trouwe getuige troostend aan de hemel. Annas ademde de koele nachtlucht in. Door de verstilde indrukken van de nacht zakte de herinnering aan zijn droom wat af. Hij draaide zich om en wilde weer in bed stappen. Maar toen kwamen flarden van zijn nachtmerrie weer in volle hevigheid op hem af. Het zweet stond in zijn handen. Het leek erop of zijn bed vervloekt was. Zou hij de slaap ooit weer kunnen vatten?

- 8 april 2021 -


(3)

Wie ook niet slapen kon, was Saraf. De jongen lag te woelen in zijn bed. Hoe meer Saraf zijn best deed in slaap te vallen, hoe wakkerder hij werd. Hij kreeg het steeds warmer en sloeg het linnen laken van zich af. Even dommelde hij weg maar door een geluid op straat was hij plotseling weer klaarwakker. Het waren de verwachtingen voor de volgende dag die hem uit de slaap hielden. Hij probeerde zich een voorstelling te maken van wat hij de volgende dag allemaal moest doen maar het bleef vaag. Hij zag erg uit naar de taak die hij voor het eerst in zijn leven mocht gaan vervullen maar hij wist niet precies wat hij allemaal tegen zou komen. Dat maakte hem onrustig.

Saraf was een jongen uit het geslacht van priesters, die de dienst in de tempel verrichtten. Zijn familie hoorde bij priesterafdeling van Jakim. Het feest van de ongezuurde broden was twee dagen geleden begonnen en dat betekende dat alle vierentwintig priesterklassen de priesterdienst gezamenlijk zouden verrichten. Dagelijks werd het lot geworpen onder alle jonge priesters van zijn leeftijd voor diverse minder belangrijke taken die moesten worden uitgevoerd in de tempel. Voor één van de taken was het lot op hem gevallen. De eerstvolgende nacht was het zijn beurt om op wacht te staan boven een van de tempelpoorten. Zijn standplaats zou de poort zijn, die ook wel de kamer van de vlam werd genoemd. Voor het eerst in zijn leven, als twaalfjarige jongen, zou Saraf een taak in de tempel uitvoeren. Voor het eerst in zijn leven zou hij bovendien een hele nacht wakker moeten blijven. Dat hij wakker zou blijven was erg belangrijk. De taak van wachter moest zeer serieus worden uitgevoerd. Zijn oudere broer had hem een verhaal verteld dat hem de stuipen op het lijf joeg. Allerlei vragen spookten door zijn hoofd.

Saraf zuchtte en gaf de strijd op. Hij stapte uit bed en liep op zijn tenen naar het raampje van zijn kamer. Hij schrok van een geluid achter zich. Geschrokken draaide hij zijn hoofd. Hij kon gerust zijn. Het was zijn kleine broertje, die zich omdraaide in zijn bed – gelukkig in een diepe slaap.

Saraf staarde uit het raam. Boven de woningen aan de overkant van het plein tekende het gigantische tempelgebouw zich in zilveren maanlicht af tegen de donkere nachtlucht. Hoewel hij het enorme gebouw al zijn leven lang kende, maakte het nog steeds een diepe indruk op de jongen. Deze avond was dat meer het geval dan ooit. Bij de aanblik van de stenen kolos borrelden de vragen uit zijn binnenste omhoog. Was het aan deze kant of aan de andere kant dat hij morgen op wacht zou staan? Hoe hoog boven de grond was zijn wachtpost eigenlijk? Hoe koud zou het zijn, de hele nacht buiten te staan? Zou hij veel moeite hebben wakker te blijven?

Plotseling stond zijn vader achter hem. Hij schrok.

‘Wat doe jij zo laat nog uit bed?’, klonk het streng.

Saraf zei niets maar sprong langs zijn vader snel terug in bed.

In plaats van antwoord te geven, stelde hij zijn vader een vraag:

‘Mocht jij vroeger ook de wacht houden in de tempel?’

Zijn vader aarzelde even en ging op de rand van zijn bed zitten.

‘Toen ik jouw leeftijd had, waren grote delen van de tempel nog onder constructie.’

Met een gerust hart merkte Saraf dat zijn vader meeging in zijn afleidingsmanoeuvre.

‘Er waren minder plaatsen waar de wacht werd gehouden’, ging zijn vader verder.

‘Dus jij hebt nooit op wacht gestaan?’, vroeg Saraf half teleurgesteld, half trots dat hij dat wel mocht.’

‘Toch wel’, antwoordde zijn vader.

‘O, waar stond jij dan opgesteld?’

‘De kamer van Avtinas. Die was toen net klaar.’

‘Waar is die kamer?’

‘Aan de zuidzijde van de voorhof, direct boven de waterpoort. Het is de kamer waar de familie Avtinas dagelijks het reukwerk bereidt voor het reukoffer.’

‘De zuidzijde, is dat de kant van de tempel, die we hiervandaan zien?’

‘Klopt. Maar jij zult morgen aan de andere kant van de tempel wacht houden.’

‘Ja, de kamer van de vlam. Wat gebeurt er in die kamer?’

‘In de poort van de vlam wordt het eeuwigdurende vuur brandend gehouden. Het is een vuur dat nooit uit mag gaan, net als het vuur op het altaar. Het is een soort reservevuur voor het altaar. De priesters, die in de poort dienst doen, houden het voortdurend brandend.’

‘Waarom mag het vuur niet uitgaan?’

‘Het vuur is een beeld van God en van zijn liefde voor zijn volk. Vele wateren kunnen de liefde niet uitblussen en rivieren spoelen haar niet weg. Daarom mag het vuur, als teken van Hem en zijn liefde, niet doven.’

Saraf keek zijn vader even in de ogen. Hij merkte in zijn stem dat de woorden veel voor hem betekenden. Toen schoot een volgende vraag hem te binnen.

‘Moet ik helpen met het vuur?’

‘Nee, jij staat op een soort balkon boven de poort. Dat is de kamer van het vuur.’

‘Daar is geen vuur?’

‘Nee, maar je hebt daar wel een goed uitzicht over de Noordkant van de buitenste voorhof’.

‘Hoe hoog sta ik dan?’

Zijn vader keek uit het raam en dacht even na.

‘Ik denk toch al gauw zo’n twaalf el’.

‘Is dat hoger dan mijn raam?’

Zijn vader schoot in de lach.

‘Dat is hoger dan ons huis!’

Ongelovig keek Saraf zijn vader aan.

‘Zo hoog?’

Even kreeg hij het benauwd en toen schoot ook iets anders hem te binnen.

‘Wat gebeurt er als ik in slaap val?’

‘En het wordt ontdekt?’, maakte zijn vader zijn vraag af.

‘Ja, wat gebeurt er dan?’, het woord ‘straf’ durfde hij niet te noemen.

‘Dat gaat jou vast niet gebeuren’, antwoordde zijn vader, die zijn zoon geen angst wilde aanjagen.

‘Ja, maar …. stel dat het toch gebeurt, wat dan?’

Zijn vader keek weer uit het raam en zei niets. Dat maakte Saraf ongerust.

‘Toe pap, vertel, wat gebeurt er dan?’, drong hij aan.

De ogen van zijn vader waren weer op hem gericht en keken ernstig. Dan krijg je stokslagen en wordt je kleding voor je ogen verbrand.

Saraf slikte en zei niets meer.

‘Daarom is het belangrijk dat je nu direct gaat slapen. Anders val je morgennacht tijdens de wacht in slaap.’

Saraf knikte en zei niets meer. Hij ging gehoorzaam liggen en sloeg het laken weer over zich heen.

‘Layla tov’ (goede nacht), zei hij terwijl hij zich omdraaide.

- 12 april 2021 -


(4)

De kou van de vroege ochtend greep om zich heen. Een dikke laag mist van de ochtenddauw lag over de velden van Jeruzalem. Vitellius wreef in zijn handen om ze warm te krijgen. Zijn ogen richtten zich op de lucht om de tijd te schatten. Hij had de indruk dat het lichter werd en dat de dag op het punt stond aan te breken. Discipelen, of wat ervan over was, waren in geen velden of wegen te bekennen. Hij richtte zijn blik op de massieve ronde steen voor het graf en schudde grijnzend zijn hoofd. Het was hem een raadsel waar de Joodse autoriteiten de noodzaak tot hun wacht vandaan haalden.

Toen gebeurde er iets dat Vitellius de rest van zijn leven bij zou blijven. Hij schrok hevig. Diverse lichtflitsen schoten vanachter de massieve grafsteen over de achterliggende rotswand. Het licht pulseerde in zeer korte flitsen over het onregelmatige gesteente. Nooit eerder had Vitellius een dergelijk verschijnsel gezien. De grote grafsteen hield het licht tegen maar het beetje dat door onregelmatige kieren achter de steen ontsnapte was bijna verblindend in de duistere nacht. Vitellius sloeg zijn handen voor zijn ogen en bleef enkele tellen bewegingloos staan. Met zijn handen nog voor zijn gezicht, opende hij zijn ogen, bang dat ze door het felle licht aangetast zouden worden. Maar er was geen enkel schijnsel meer te zien. Voorzichtig liet Vitellius zijn handen zakken. De ochtendduisternis was volledig teruggekeerd. Hij wreef zich in de ogen. Had hij gedroomd? Nee, dat kon niet want hij was nog zozeer verblind, dat hij niets kon onderscheiden in de ochtendschemer.

Langzaam wenden zijn ogen weer aan de teruggekeerde duisternis. Op korte afstand zag hij ook zijn drie maten staan. Hij kon niet onderscheiden welke kant ze opkeken. Het kon niet anders, of ze hadden de lichtflitsen ook gemerkt. Een van hen kwam in beweging en liep in de richting van de steen. Plotseling bleef hij staan. Vitellius schrok opnieuw. Hoog in de lucht zag hij iets bewegen. Toen hij goed keek, leek het een ster, die steeds dichterbij kwam. Met het naderen van de ster werd de omgeving zienderogen lichter. Zijn hart bonkte in zijn keel terwijl het licht groter en feller werd. Hij kon niet helder meer denken en wist niet hoe hij moest reageren. Met wijd opengesperde ogen staarde hij naar het licht. Het bleef maar dichterbij komen en steeds duidelijker zag hij in het licht een gestalte. Verstijfd van schrik onderscheidde hij in het felle licht de gestalte van een man.

De tuin baadde inmiddels in een zee van licht. Het leek een permanente bliksemflits.Intuïtief wilde Vitellius naar zijn zwaard grijpen maar hij kon zich niet bewegen en stond aan de grond genageld. De speer, die hij al die tijd krampachtig vasthield, gleed uit zijn hand. Vitellius hapte naar adem. Alles om hem heen was hij vergeten, zijn maten, zijn missie, zijn plaats in het Romeinse leger. Hij voelde alleen overlevingsangst en wilde maar één ding: vluchten, zo snel mogelijk. Maar zijn benen weigerden dienst. Als verlamd stond hij bewegingloos toe te kijken.

De lichtende gestalte uit de hemel kwam tot zeer dichtbij en raakte de grond. Direct voelde Vitellius een trilling. De grond begon te schudden. Vitellius kon niet meer op zijn benen blijven staan en zonk op zijn knieën. De aardbeving werd al maar heftiger. Een oorverdovend gerommel steeg op uit de aardkorst. Wild zwaaiden de bomen met hun takken en langs de bergwand kwamen stenen naar beneden stuiteren. Vitellius probeerde zich op handen en voeten overeind te houden en vroeg zich af of de beving ooit ophield. Vanuit zijn knielende houding zag hij de man van licht naar de grote grafsteen lopen. Het leek of hij die beving veroorzaakte met dreunende voetstappen.

Plotseling hield de aardbeving op. De man van licht was bij de steen gekomen. De hele rotswand stond in het oogverblindende licht. Met het grootste gemak rolde de man de steen opzij, de enorme steen die met tien man nauwelijks in beweging te krijgen was. Dat gebeurde met zoveel kracht dat de steen zich losmaakte van de rotswand en even bleef rollen. Vitellius schrok hevig want de steen rolde zijn kant uit. Niet al te ver bij hem vandaan viel de steen om, op haar kant. Opnieuw voelde hij de grond beven. De bliksemende gestalte draaide zich om, liep naar de steen en ging erop zitten. Vitellus, die de man op zich af zag komen, liet zich verstijfd van angst plat op de grond vallen, in de hoop niet door die angstwekkende gestalte gezien te worden. Al zijn kracht was uit hem weggevloeid. Als een dode lag hij verscholen in het halfhoge gras. Het feit dat hij daar was om het graf te bewaken, kwam geen moment meer in hem op.

Na enige tijd zo gelegen te hebben, zonder dat er verder iets gebeurde, zakte de angst langzaam weg. Vitellius durfde zijn hoofd iets op te heffen en rond te kijken om te zien of hij, liggend in het veld, iets van zijn maten gewaar kon worden. Hij zag niemand. Net als hij lagen die waarschijnlijk allemaal plat op de grond, alsof zij de doden waren, die in het graf hoorden te liggen.

- 14 april 2021 -


(5)

Een koel ochtendbriesje blies door het raam van het hogepriesterlijk paleis naar binnen en nam het ritselende geluid mee van voorjaarsgroen, dat als een fraai kleed de tuinen rond de gebouwen bedekte. Malchus was ineens wakker. Maar het was niet het ruisende briesje dat hem had gewekt. Het was iets anders. Opnieuw klonk het geluid! Het was een naargeestig gejammer waardoor hij wakker was geworden. Nog nooit eerder had hij dit gehoord. Malchus dacht de stem van een man te kunnen onderscheiden. Hij vroeg zich af waar het geluid vandaan kwam.

Malchus was de belangrijkste slaaf van de hogepriester. Hij had het oppertoezicht over het paleis en stond in dienst van Kajafas, de hogepriester. Ook van Annas, de schoonvader van Kajafas, en enkele andere overpriesters nam hij opdrachten aan. De meeste van zijn verantwoordelijkheden behoorden tot zijn standaard takenpakket, dat hij al jarenlang plichtsgetrouw uitvoerde. De volledige paleishuishouding was door hem tot in de puntjes georganiseerd. Sporadisch werd hij ingeschakeld voor een speciale opdracht en dat was maar goed ook, want aan het draaiende houden van de volledige hogepriesterlijke paleisvoering had hij een ruime dagtaak.

Malchus ging rechtop zitten om goed te kunnen luisteren. Maar behalve het rustgevende gesuis van de ochtendwind in de struiken was er niets meer te horen. Terwijl hij zo intens zat te luisteren naar het vreemde geluid, dat hem had gewekt en dat weer was verdwenen, gingen zijn gedachten onwillekeurig naar wat er kort geleden was gebeurd. Hij kon nog horen en daar mocht hij blij om zijn. Drie nachten eerder had het er op dat vlak slecht voor hem uitgezien. De beelden van die nacht flitsten weer door zijn herinnering. Een lint van fakkels door de Olijfbergtuin – Flakkerend licht dat weerkaatste tegen de zwaarden, speren en stokken van tempeldienaars en legioensoldaten – Grillige vlammen die hun licht wierpen op het gezicht en de statige kleding van de populaire Joodse Rabbi – De onverwachte actie van de Rabbi, die naar voren stapte in plaats van te vluchten – De schok die door hen heen ging toen Hij zijn identiteit kenbaar maakte – De totale chaos, toen ze allemaal naar achteren vielen. De Rabbi, die, toen ze allemaal weer opgekrabbeld waren, zijn armen uitspreidde met het verzoek om een vrijgeleide voor zijn discipelen.

Malchus zuchtte en keek uit het raam, waar de koelte nog steeds doorheen ademde. De rest van die bewuste nacht had hij liever uit zijn geheugen gewist. Maar dat kon hij niet. Sterker nog, juist die herinneringen bleven het scherpst in zijn geheugen steken – Plotseling die enorme klap tegen de rechterkant van zijn hoofd. Hij had geen idee waar die vandaan kwam – Toen dat dove gevoel – Daarna die daverende, kloppende pijn – De paniek waarmee hij naar zijn oor greep - Het zoeken naar zijn oor, de leegte die hij voelde en het bloed dat over zijn handen gutste.

Een gevoel van misselijkheid overviel hem opnieuw bij de levendige herinnering. Hij wilde er niet meer aan denken. Onwillekeurig voelde hij nog eens aan zijn rechteroor. Alsof hij wilde checken of het er nog aan zat. Nog steeds kon hij eigenlijk niet geloven wat er was gebeurd. Het was namelijk onmogelijk. Nog nooit was zoiets voorgekomen. Maar de hevige pijn en het bloed dat over zijn handen vloeide en dat vreselijke gevoel van doofheid waren heel reëel geweest.

Het hele voorval bezorgde hem een uiterst ontevreden gevoel. Het zat hem dwars dat de zaak hem uit de handen was gelopen. Zijn onoplettendheid had de missie danig in gevaar gebracht. Het was maar goed dat de Romeinse legionairs mee waren. Anders hadden ze de Rabbi uit erkentelijkheid voor het wonder aan zijn oor misschien nog laten gaan. Hoe dan ook, hij was als opperslaaf van de hogepriester alle controle op dat moment volledig kwijt.

Malchus besloot weer te gaan liggen. Hij wilde er niet meer aan denken en zou proberen zo snel mogelijk de slaap weer te vatten. Net toen hij begon weg te dommelen, klonk opnieuw hetzelfde kermende geluid. Malchus was direct weer klaar wakker en besloot uit bed te stappen en op onderzoek uit te gaan. Hij opende de deur van zijn kamer en liep de hal in. Daar bleef hij staan om te luisteren waar het geluid vandaan kwam. Even hoorde hij niets meer. Toen begon het weer. Het kwam van het gedeelte van de priesters. Om daar te komen moest hij een verdieping omlaag en de voorhof oversteken naar de andere kant van het paleis. Het klaaglijke gejammer bleef aanhouden en Malchus snelde een trap af en de voorhof over.

Voor een van de deuren bleef hij staan. Even hoorde hij niets meer. Toen het weer begon, bleek het van twee deuren verder te komen. Het was de deur van de grote frescokamer van Annas. Terwijl hij voor de deur stond, twijfelde hij. Kon hij het privé-vertrek van de belangrijkste religieuze man in het land zomaar betreden? Het gekerm hield aan. Een van de andere deuren ging open. Het was Johathan, een van Annas’ zonen, die ook wakker was geworden van de klaaglijke geluiden. Even bleef ook Jonathan luisterend bij de deur van zijn vader staan. Toen opende hij de deur. Malchus liep achter hem aan. Samen staarden ze naar de man die badend in het zweet en met een van angst vertrokken gezicht in de greep was van een angstdroom. Hij schudde wild met zijn hoofd en maakte krampachtige bewegingen met zijn armen. Vader! Riep Jonathan. Hij probeerde hem wakker te krijgen. Dat lukte eindelijk met een paar korte klopjes in het gezicht. Met verwilderde ogen keek Annas naar zijn zoon. Toen gaf hij een schreeuw van angst en sloeg het laken over zich heen. De nachtmerrie had volledig bezit van hem genomen.

- 15 april 2021 -


(6)

Saraf bevond zich op een reusachtig vierkant plateau. Aan alle kanten om hem heen steeg rook op. Door de rookslierten heen kon hij de vage contouren waarnemen van het reusachtige tempelgebouw. De lucht was verstikkend en hij had moeite te ademen. De vuren waren langzaam aan het uitdoven. Ineens wist Saraf waar hij was. Een golf van vreugde sloeg door hem heen. Hij bevond zich bovenop het grote altaar in de voorhof van de tempel, waar voortdurend offers werden gebracht.

Saraf liep naar de rand van het altaar, waar hij een stapel hout had gezien. Toen hij het waagde even over de rand te kijken zag hij een duizelingwekkende diepte. Snel trok hij zijn hoofd terug. Hij pakte een blok hout van de stapel en liep dwars door de verstikkende rook naar het kleinste van de vuren, dat bijna uitging. Hij legde het blok op de smeulende vonken. Het begon te sissen. Het hout was vochtig.

‘Wat doe jij zo laat nog uit bed?’, klonk het streng achter hem.

Saraf draaide zich om. Daar stond zijn vader in zijn witte priesterkleed.

‘Dit vuur mag niet uitgaan’, antwoordde Saraf, ‘het is vroeger door God Zelf aangestoken en moet altijd blijven branden’.

‘Daar hoef jij je niet mee te bemoeien!’, antwoordde zijn vader.

‘Het hout is nat. Ik moet droog hout hebben.’ Saraf negeerde zijn vader.

‘Dat doen wij wel, jij moet slapen’, maande zijn vader.

‘Droog hout ligt toch in de houtkamer?’ Saraf bleef zijn vader negeren.

‘Ik waarschuw nog één keer, ga slapen!’, dreigde zijn vader.

Zijn vader liep naar hem toe en wilde hem bij zijn arm vastgrijpen. Saraf dook onder de arm van zijn vader door en rende langs de helling van het altaar naar beneden. Aan de voet van het altaar keek hij even om zich heen. Zijn vader was plotseling weer verdwenen. Slechts rook steeg op van het altaar. Een gevoel van haast doorstroomde hem. De vuren gingen allemaal uit. Hij moest voortmaken. De houtkamer was ergens in de vrouwenvoorhof. Hij vloog de treden van het levietenkoor op en rende door de poort van Nicanor. Met grote sprongen suisde hij de halfronde trap af en bereikte de vrouwenvoorhof.

In een van de vier grote hoekkamers moest hij zijn, maar welke? Er was niemand te zien. Hij hoorde luid gelach. Het kwam van boven. Toen hij opkeek zag hij de balustrade rondom de voorhof volgepakt staan met vrouwen, die hem allemaal uitlachten. Het ging mis. Hij voelde het. De offervuren gingen uit en het was zijn schuld. Het koude zweet brak hem uit. Wild keek hij rond. De vrouwen bleven maar lachen. Waar moest hij zijn? Welke kamer was het?

In zijn ooghoek zag hij een deur open en weer dicht gaan. Een man strompelde naar buiten. Hij liep mank, had maar één oog en een door brand verschrompeld gezicht. Saraf durfde bijna niet naar hem te kijken toen hij hem vroeg naar het hout. Meteen begon de man vreselijk hard te lachen. Zijn hysterische gelach mengde zich met dat van de vrouwen. Het was oorverdovend. Saraf vluchtte weg en vloog terug door de poort van Nicanor, naar het veilige altaar. Onderweg schoot hem de kamer van de vlam te binnen. Daar was het eeuwige vuur. Daar was vast hout.

Ineens was hij er. Hij stond er recht boven, op het balkon. Hier zou hij wacht houden. En ergens onder hem was de eeuwige vlam. Hij boog zich ver over de balustrade om te zien of hij het vuur ergens kon ontdekken. Plotseling verloor hij zijn evenwicht. Hij viel. Dieper en dieper daalde hij. Het was alsof er geen einde zou komen aan zijn val. Met een schok schrok hij wakker. Hij lag naast zijn bed op de grond.

- 16 april 2021 -

paasroman

De Heer is werkelijk opgestaan

Hoofdstuk 2

Hoofdstuk 3

Hoofdstuk 4

Hoofdstuk 5

Hoofdstuk 6

Hoofdstuk 7