hoofdstuk 69

(208)

In de Olijfgaard van de hartverscheurende arrestatie beleefde Vitellius in een ogenblik weer de essentie van de afgelopen dag. De angst van die ochtend bij het graf, de reactie op het bericht in de priesterwoning, de tocht met Malchus, terug naar het graf, de ontdekkingen in het graf, de ontmoeting met de priesterkinderen, de vlucht door de wijk van de Essenen, de angstige terugkeer naar de priesterwoning en de missie waar hij nu voorstond. De bewegende fakkel van de Joodse man bepaalde hem weer bij de actuele situatie. De man was druk bezig met het zoeken van het zwaard dat hij verloren was. Omdat ze ongeveer op de plek stonden waar de Rabbi was ingerekend, was de verwachting dat het daar ergens zou liggen. Nadat ze enige tijd met het de ogen op de grond gericht tussen de olijfbomen door hadden gelopen zonder iets te vinden, vroeg Vitellius:

‘Weet je nog op welk moment je het zwaard ongeveer hebt laten vallen?’

De man keek Vitellius aan en zei:

‘Ik ben niet degene die het zwaard achter heeft gelaten. Jacobus had het.’

‘Zo en weet je ook welke kant die Jacobus op gelopen is?’

‘De man dacht even na. Toen liep hij weer naar de plek van de arrestatie. Hij keek om zich heen. Vitellius merkte dat hij zich de situatie van de bewuste avond zo goed mogelijk voor de geest probeerde te halen. De man liep een paar keer heen en weer tussen de olijfbomen en bekeek de arrestatieplek van diverse kanten. Daarna ging hij weer op de aangewezen plaats staan en keek nadenkend om zich heen. Ineens liep hij in een bepaalde richting door de olijfgaard. Vitellius had moeite hem bij te houden. Plotseling bleef de man staan. Triomfantelijk hield hij het zwaard in de lucht terwijl hij enthousiast uitriep:

‘Gevonden!’

Vitellius reageerde lachend en zei:

‘Zie je dat het geheugen bepaalde zaken feilloos weet vast te houden? Het zoeken naar spullen op het geheugen werkt vaak veel beter dan dat doelloze rondkijken.’

De man zwiepte een aantal malen met het zwaard door de lucht en zei:

‘Je hebt gelijk. De Almachtige heeft ons uitgerust met fantastische capaciteiten.’

‘Dat heeft niets met de Almachtige te maken. Dat is gewoon je geheugen.’

De Joodse man keek Vitellius plotseling met een strijdlustige blik aan en zei:

‘O, is dat gewoon het geheugen? En waar komt dat gewone geheugen dan precies vandaan als de Almachtige het niet heeft verschaft?’

Vitellius keek in de vurige ogen van de man en zocht even naar een antwoord. Hij kon echter geen alternatieve verklaring geven en zweeg, waarop de man zei:

‘Zie je! Je weet het niet. Dat komt, de Almachtige heeft Zich geopenbaard aan het Joodse volk. Hij is het die hemel uitspant en de aarde grondvest en de geest van de mensen in hun binnenste formeert – inclusief het geheugen.’

Weer ging het zwaard een aantal malen door de lucht. Vitellius dacht even na en zei toen:

‘Maar kennelijk heeft de Almachtige ons, Romeinse soldaten, geleerd hoe we het geheugen moeten gebruiken als er iets zoek is.’

De vurige ogen van de man ontspanden. Er verscheen een lach op zijn gezicht en hij zei:

‘Dat is zo. We kunnen veel van elkaar leren. Ik dank je hartelijk voor je hulp bij het openen van het hek en het zoeken van het zwaard’.

Vitellius knikte en zei:

‘Ik kan je ook leren hoe je een zwaard vasthoudt want op deze manier vliegt het bij de eerst de beste weerstand uit je handen.’

Vitellius pakte zijn eigen zwaard en liet met enkele korte bewegingen zien hoe een zwaard gehanteerd moest worden. De man probeerde het na te doen maar direct lag het zwaard op de grond. Vitellius herhaalde de oefening enkele keren, waarbij de man hem imiteerde en het ging al iets beter. Samen liepen ze daarna naar de uitgang van de Olijfgaard. Bij het hek gekomen zei de man:

‘Ik ga terug naar de stad. Waar gaat jouw reis naartoe?’

‘Jericho.’

De man keek verrast en vroeg:

‘Jericho? Dat is acht uur stug doorlopen. En dat bij nacht? Kan dat niet tot morgen wachten?’

‘Nee, ik ben op een zeer urgente missie gestuurd.’

De man werd nieuwsgierig en vroeg:

‘Zo, door wie dan wel? En wat is je opdracht?’

‘De missie is geheim.’

Vitellius zag dat de argwaan weer in de man terugkeerde. Hij knikte even en zei:

‘Nou, goed. Succes dan met je missie. En veilige reis. Kijk goed uit want er zijn stukken van de weg niet niet pluis zijn. Vooral enkel stadia voorbij de eerste Romeinse post.’

‘Ik weet het. Ik zal opletten.

De man wilde zich omdraaien om weg te lopen maar Vitellius vroeg:

‘En met wie had ik de eer?’

De man draaide zich weer om en zei:

‘Thomas. Maar sommigen noemen me Didymus.’

- 17 april 2022 -


(209)

Zachtjes dreunde Saraf grote stukken tekst op van de Torah, die hij vanaf de eerste dag dat hij naar schriftlezing ging, uit zijn hoofd had geleerd. Hij was nog niet slaperig. Maar hij bedacht dat het beter was om dat te voorkomen. Als hij onbedaarlijk begon te gapen, werd het memoriseren ongetwijfeld lastiger. Hij was al een aardig eind op streek in het eerste boek van de Torah, Bereshit, over de oorsprong van hun volk en van de schepping. Zachtjes prevelde Saraf de woorden:

‘Maar zie, het woord van de HEERE kwam tot hem: Deze man zal uw erfgenaam niet zijn, maar iemand die uit uw eigen lichaam voortkomt, die zal uw erfgenaam zijn….’

Saraf dacht kort na over het vervolg van de geschiedenis van Abraham, dat hij even kwijt was. Hij keek naar de donkere nachtlucht en meteen schoot het hem weer te binnen en hij fluisterde:

‘Toen leidde Hij hem naar buiten en zei: Kijk toch naar de hemel en tel de sterren, als u ze kunt tellen. En Hij zei tegen hem: Zo talrijk zal uw nageslacht zijn. En hij geloofde in de HEERE, en Die rekende hem dat tot gerechtigheid.’

Saraf bleef naar de sterren staren na het citaat over het geloof van Abraham. Even was hij zijn wacht vergeten en terwijl hij naar boven keek, vroeg hij zich af of Abraham de sterrenbeelden had gekend en de ligging van Polaris. Hij nam zich voor om die vraag de volgende dag te stellen aan zijn vader. En als die het niet wist aan zijn oom. Hij zocht Polaris op de manier die hem door Jefta was voorgedaan: De soldaat tegenover hem, drie muurhoogten naar boven… Saraf kon de ster niet langer zien. Er hing te veel sluierbewolking. Hij zocht naar de maan maar ook die was verdwenen.

Er trok een huivering door Sarafs lichaam. Die herinnerde hem aan zijn taak om zijn ogen voortdurend op het tempelplein gevestigd te hebben. Snel liep hij weer naar de ballustrade aan de Oostzijde en tuurde enige tijd in de duisternis. Hij zag niets dan donkere schaduwen en een schemerige uitgestrektheid van duizenden plavuizen. Saraf vroeg zich af hoe lang hij daar al had gestaan. De tel van het aantal malen dat hij langs de ballustrade heen en weer was gelopen, was hij kwijt. Ineens werden de schaduwen van de zuilengalerij, waar hij zijn oog op gevestigd had scherper. Saraf keek omhoog. De volle maan kwam gedeeltelijk achter de bewolking vandaan en toverde in de nachtlucht een schouwspel van mysterieuze schoonheid. Saraf zag een steeds groter deel van de maan vanachter de wolken tevoorschijn komen. Hij keek weer naar beneden en zag dat het maanlicht een schaduwspel vormde van kaarsrechte lijnen. Als hij goed keek, kon hij zelfs de motieven van de mozaïekvloeren onderscheiden.

Saraf keek naar zijn handen, die op de ballustrade rustten. Ze staken wit af bij het grijs van de stenen. Ineens dacht hij weer aan de Romeinse soldaat. Sinds het vertrek van Jefta had hij hem niet meer gezien. Wel even had hij het idee gehad dat hij hem zag maar Saraf had geconcludeerd dat het waarschijnlijk zijn verbeelding was geweest vanwege de grillige schaduwen van de toortsen aan de muur van de Soregh. De angst was geweken en Saraf was ervan uitgegaan dat de soldaat al lang en breed door de priesters was ingerekend. Maar ineens begon hij daaraan te twijfelen. Als dat het geval was, dan had hij de man toch al lang weggevoerd moeten zien worden? Het fort Antonia was recht tegenover hem. Daaraan moest de deserteur worden uitgeleverd. Saraf overdacht de mogelijkheid dat de soldaat ergens in de tempelgebouwen gevangen werd gehouden. Maar dan vormde de soldaat de gehele nacht een voortdurend gevaar.

Saraf vroeg zich af of de man op zijn balkon kon komen. Hij draaide zijn hoofd om en keek naar de deur. Daarna ging hij met zijn rug tegen de ballustrade staan en hij leunde achterover. Hij overwoog of hij mocht proberen de deur te openen. Saraf probeerde zich voor te stellen wat er zou gebeuren als hij de deur opende en Jefta aan de andere kant zou staan. Hij zou dan zonder enige twijfel kennis maken met de stok. Maar de angst voor de pijl en boog van de soldaat won het van het gevaar van de stok en Jefta sloop langzaam richting de deur. Hij legde zijn hand op de handel en duwde die langzaam naar beneden. Toen die geheel naar beneden was duwde hij zachtjes tegen de deur maar hij merkte dat er geen beweging in te krijgen was. De deur ging waarschijnlijk open richting het balkon en Saraf trok heel zachtjes aan het handvat.

Langzaam kwam de deur naar hem toe en ontstond er een smalle kier. Saraf ging vlak voor de kier staan en loerde met zijn rechteroog naar binnen. Hij keek in een schaars verlichte lege ruimte. Hij zag het flakkeren van een toorts maar kon de lichtbron zelf niet zien. Die zat aan zijn kant van de muur. Van Jefta was geen spoor te bekennen. Ook andere priesters zag hij niet. Hij deed de deur nog iets verder open, zodat hij erdoor kon. Zijn missie voor die nacht was volledig op de achtergrond geraakt. Het beeld van de soldaat die de tempel in sloop werd al maar angstaanjagender en hij wist nu vrijwel zeker dat het de deserteur was. die de voorgaande middag geprobeerd had hem met pijlen om het leven te brengen. Op zijn tenen sloop Saraf langs de ene na de andere deur, waarachter hij allemaal kamers met priesters vermoedde of met voorraden voor de tempel. Hij bevond zich in een brede gang, die langer was dan hij zich herinnerde. Hij durfde echter geen haast te maken en wilde voorkomen dat hij gehoord zou worden. Ineens klonk achter hem een luide bons. Saraf schrok hevig en verwachtte dat hij elk moment betrapt kon worden.

- 21 april 2022 -


(210)

Maria keek in de angstogen van Malchus, die beide handen in haar richting omhoog hield, alsof hij zich wilde verdedigen tegen een ongenadig pak slaag. Maar Maria liet zich daar niet door vermurwen. Ze keek heel even naar haar wijn, nam nog een slok en liet het vocht keurend door haar mond gaan. Daarna richtte ze zich tot Annas, die haar nieuwgierig aankeek en zei:

‘Nu ik nog eens terugdenk waren er eigenlijk twee zaken waar Malchus grote bewondering voor uitsprak. De eerste was…’

Vanaf het hoofd van de tafel klonk gekreun. Malchus verstopte zijn gezicht in beide handen. Even was het stil en zowel Annas als Maria keken hem vanuit hun ooghoeken aan. Maar toen zei Annas:

‘Trek je van hem maar niets aan. Ja, wat was het eerste?’

Maria keek weer in de belangstellende ogen van de machtige oude priester en zei:

‘Het eerste was een opmerking over de arrestatie. Eens kijken, hoe zei hij dat ook alweer? Oh ja, het leek hem alsof de volledige macht van de hemel zich over hem en de tempelpolitie leek uit te storten. Door die macht viel iedereen achterover op de grond.’

Annas snoof verrast en liet een dikke bodem wijn ronddraaien in zijn beker. Toen zei hij, met een schuin oog naar Malchus:

‘Zo, dat is nieuw voor mij. Dat zijn belangrijke details die mij om de één of andere reden nog niet waren meegedeeld.’

Malchus verschool zijn gezicht nog steeds achter zijn beide handen en maakte met zijn hoofd een langzaam schuddende beweging. Daarom zei Annas:

‘Maar er waren twee zaken. Wat was er nog meer?’

‘Nou, het tweede waar Malchus bewondering voor uitsprak was de genezing van zijn oor. Dat oor was zwaar gewond door een klap van een zwaard. Maar het werd direct genezen door de Rabbi. En terwijl dat gebeurde keek hij in de ogen van de Rabbi en dat bracht Malchus zeer onder de indruk van de blik die hij daarin zag. Hij omschreef die blik net als Vitellius had gedaan over de gezichtsuitdrukking op de grafdoek. Een blik van eindeloze rust, macht, wijsheid en ontferming.’

Dit keer klonk er zacht en onverstaanbaar gemompel vanaf de plek waar Malchus zat. Het leek erop dat de slaaf zich volledig in zichzelf had gekeerd en tegen zichzelf was beginnen te praten. Annas negeerde zijn slaaf en richtte zich op Maria met de woorden:

‘Ja, ga door. Zijn er nog meer bijzonderheden die hij heeft losgelaten over de arrestatie?’

‘Geen bijzonderheden over de arrestatie, behalve dat de Rabbi er niet vandoor ging, zoals Malchus eigenlijk had verwacht maar zich gewillig gevangen liet nemen.’

‘Maar wel andere bijzonderheden?’

‘Ja, Malchus was vrij duidelijk in zijn waardering voor het optreden van de Rabbi. Volgens Malchus betoonde Hij meer moed dan menig soldaat. En hij noemde Hem de Meester van zijn volgelingen, de Rechter van het arrestatieteam, de Profeet van Israël en eh… oh ja, de Heer van de hemelse machten… en natuurlijk de Geneesheer van zijn oor.’

‘Zo, zo, toe maar. Al te veel eer voor een Galilese Rabbi. Profeet van Israël? Heer van de hemelse machten?’

Evan was alleen het zachte in zichzelf gekeerde geprevel van Malchus te horen. Annas keek naar hem alsof hij op het punt stond om een doodvonnis over hem uit te spreken. Tegenover Maria zat nog altijd Mattanja, die zich geen houding wist te geven en die zijn ogen had gefixeerd op de beker die hij al die tijd zenuwachtig door zijn handen liet draaien. Annas draaide zich naar hem toe en vroeg:

‘Kom, Mattanja, zeg jij eens wat. Wat moet ik met zo’n knecht, die het in zijn hoofd haalt een misleider uit Galilea ‘Profeet’ te noemen en ‘Here der heerscharen’?

De enige reactie van Mattanja was dat hij begon zijn beker nog twee keer zo snel in zijn handen rond te draaien en dat hij vanuit zijn ooghoeken beurtelings naar de knecht en naar Maria keek. Na een korte stilte zei Maria:

‘Ja, en ik kan daar nog aan toevoegen…’

Even stopte ze met spreken want direct draaide Annas zich weer naar haar toe en vroeg:

‘Nog meer? Is er nog meer te melden over die gedenkwaardige nacht?’

Maria knikte en ging verder:

‘Ja, Malchus zei ook dat de Rabbi op dat moment alle regie had over de situatie en dat Hij gewoon tussen iedereen door de tuin uit had kunnen lopen en dat niemand het dan had aangedurfd Hem gevangen te nemen. Volgens Malchus heeft Jezus van Nazareth Zichzelf min of meer vrijwillig aan het arrestatieteam uitgeleverd.’

Weer gingen alle ogen richting Malchus, die intussen met een bons het hoofd tot op de tafel had laten zakken en met de handen op het achterhoofd naar de grond tussen zijn voeten staarde. Annas keer zich weer naar Maria en vroeg:

‘Nou, dat is fraai. En dat is de Essenen allemaal ter ore gekomen?’

‘Ja, die hingen aan zijn lippen. En tot slot vertelde Malchus ook nog dat Hij triomf zag in de houding van de Rabbi, alsof Hij op het punt stond de grootste overwinning in de geschiedenis te behalen en alle corruptie de wereld uit te bannen.’

De snerpende stem van Annas onderbrak plotseling het relaas van Maria:

‘Zo, Malchus? Alle corruptie van de wereld? Wat bedoelde je daarmee?’

- 26 april 2022 –

Paasroman

De Heer is werkelijk opgestaan

Hoofdstuk 70