hoofdstuk 26

(79)

Veel pelgrims die zich ophielden langs de rand van de slangenvijver schrokken van de plotseling dreunende grond. Toen ze achter zich keken, zagen ze een forse man van achter in de twintig in een smoezelig kleed, dat veel te strak om zijn lijf zat, langs het water draven. Hadden ze goed gekeken, dan hadden ze aan de onderkant van het kleed af en toe de rand van een rode tuniek gezien.

Vitellius wist ondanks de te strakke kleding een aanzienlijke snelheid te bereiken en al snel had hij twee meisjes, die voor hem wegrenden ingehaald. Hij ging voor hen staan en vroeg, terwijl hij nauwelijks buiten adem was:

‘Waar gaan jullie ineens naartoe? Ik dacht dat jullie hier iets wilden eten?’

Maria keek hem met een mengeling van wrevel en ondeugd aan en antwoordde:

‘Natuurlijk. Maar we wilden even uitproberen of je ons nog in de gaten hield.’

‘Je ziet het. Er wordt goed op jullie gelet. Maar jij wist hier toch marktkooplieden, die ons aan een lekkere lunch kunnen helpen?’

‘We zullen eens even goed rond kijken om te zien wat we kunnen vinden’, antwoordde ze. ‘Loop je mee, Matilda?’

‘Zal ik dan ook maar even meelopen? Voor ik het weet ben ik jullie in de drukte uit het oog verloren.’

Terwijl ze terug liepen langs de slangenvijver, zocht Maria met haar ogen de omgeving af naar een marktkoopman met iets lekkers voor hun late lunch. Het was niet moeilijk die te vinden want aan de rand van het veld met de slangenvijver steeg een damp op van het bakken van allerlei spijzen. Maria en Malilda liepen er hand in hand naartoe. Vitellius liep direct achter hen, terwijl hij om zich heen keek op zoek naar de plek waar hij Malchus zo plotseling had achtergelaten. Direct zag hij hem zitten, met de hand omhoog. Vitellius zwaaide terug en gebaarde richting de opstijgende damp en richting zijn mond. Aan de lach op het gezicht van Malchus zag hij dat die het had begrepen.

Bij de bakkerij aangekomen was het nog tamelijk druk met pelgrims, die iets kochten voor hun terugweg. Het duurde even voor ze aan de beurt waren. Vitellius liet de bestelling aan Maria en Matilda over en hij werd niet teleurgesteld want toen ze zich omdraaiden hadden ze voor ieder een heerlijke portie latkes, gemaakt van meel en kaas en gebakken in olijfolie.

‘Wil jij afrekenen, Vitellius?’, vroeg Maria.

Met enige tegenzin betaalde Vitellius de verkoper 4 penningen met in zijn achterhoofd het voornemen dit later weer terug te vorderen van Malchus. Daarna legden de meisjes de vijgenbladeren met daarop twee porties latkes in zijn grote handen en samen liepen ze weer naar de vijver, waar ze naast Malchus plaatsnamen om van de verrukkelijke lunch te genieten.

‘Jammer dat Saraf er niet bij is. Ik denk dat hij een portie latkes ook wel had gewaardeerd’, zei Maria opgeruimd. Het was duidelijk dat ze zich op haar gemak begon te voelen.

‘Maar waarom moest hij dan ook weglopen?’, vroeg Malchus.

‘Ik kan beter vragen waarom U dat plotselinge vreemde bevel gaf ons te grijpen’, kaatste Maria terug. ‘Het kwam behoorlijk bedreigend op ons over, zes grote mannen, waarvan vijf soldaten, tegenover drie kinderen.’

‘Ja, waarom gaf je ons dat bevel eigenlijk, Malchus. Dat zou ik ook wel willen weten’, viel Vitellius Maria bij.

Malchus keek even voor zich uit over de vijver. Toen draaide hij zich naar Maria en vroeg:

‘Jullie logen tegen ons. Ik had het direct door. Jullie waren helemaal niet op weg naar zijn vader in de tempel via een rustige weg. Want die pelgrims verstoppen altijd alle toegangswegen.’

‘Maar is dat een reden om ons te grijpen?’

‘Dus je geeft toe dat het niet waar was wat hij zei?’

Even was het stil. Maria dacht na. Toen zei ze:

‘Ik heb het daar net met Vitellius uitgebreid over gehad. Vraag hem maar.’

Malchus keek Vitellius aan. Die moest even één van latkes doorslikken en zei toen:

‘Ja, het klopt allemaal. Ze logen en waren op weg naar het graf van de Rabbi.’

Malchus nam lachend een hap van een latke, omdat hij de situatie juist had ingeschat.

‘Maar hoe kon jij dat weten?’, vroeg Vitellius.

‘Dat vertel ik je later nog wel eens’, antwoordde hij.

‘Waren het de volgelingen in het graf?’, wilde Vitellius weten.

‘Jij mag nooit meer raden’, reageerde Malchus.

‘Maar wat deden jullie dan bij het graf? En hoe kwam U aan het opperkleed van Saraf?’, vroeg Maria.

Malchus en Vitellius keken elkaar een ogenblik aan. Toen antwoordde Malchus:

'Dat van het opperkleed, dat vertelt Saraf je zelf nog wel een keer. En wat wij bij het graf deden gaat je niets aan. De vraag is waarom jullie op weg waren naar het graf.’

Maria had geen enkel antwoord gekregen op haar vragen en weigerde op haar beurt informatie te verschaffen. Ze zei:

‘Vraag maar aan Vitellius. Ik heb het hem verteld.’

Weer keek Malchus Vitellius vragend aan. Maar die zei:

‘Wie betaalt eigenlijk de lunch van vanmiddag?’

Met een zucht haalde Malchus zijn buidel tevoorschijn, terwijl hij vroeg:

‘Hoeveel?’

Toen Vitellius er te lang over deed om antwoord te geven, antwoordde Maria:

‘Vier penningen.’

Vitellius wierp een verontwaardigde blik op Maria en hield toen zijn hand op om het geld van Malchus te ontvangen.

‘En? Wat heeft ze je verteld, Vitellius?’, vroeg Malchus.

- 24 augustus 2021 -


(80)

Ze liepen naast elkaar tussen de wijnranken, de jonge priester en de Gekruisigde en Opgestane Rabbi van Nazareth. De tengere schouder van de jongen ging schuil achter de grote werkmanhand. De wijnranken waar ze tussendoor liepen, maakten in de jongen pijnlijke herinneringen wakker.

‘Heer, waarom liep U niet met ons mee langs het wijnrankenpad?’

In de stem klonk een licht verwijt maar dat leek de Rabbi niet te deren. Met een stem vol rotsvaste genegenheid, antwoordde Hij:

‘Ik was bij jullie, Saraf. Alleen konden jullie Mij niet zien. Maar als het goed is, heb je wel gemerkt dat Ik er was.’

Saraf dacht even na en toen schoten hem een aantal dingen te binnen.

‘De waarschuwing van Maria, voor die pijl?’

De Rabbi keek veelzeggend in de ogen van Saraf, die verder dacht.

‘De geit, die ontsnapt was en daar zomaar ergens rond liep?'

Nog steeds hield de Rabbi zich stil, wat Saraf verder aan het denken zette.

‘De arend, waar de Romeinse soldaten het over hadden, waardoor ze mij zagen en mij konden helpen?’

De Rabbi kikte langzaam en keek weer voor zich uit. Toen wist Saraf nog iets:

‘De arm van de soldaat, die hij naar mij uitstak toen ik overeind wilde komen!’

Ineens zag Saraf een plan in een aaneenrijging van schijnbare toevalligheden. En nieuwe vragen kwamen naar boven:

‘Hoe is het afgelopen met de geit?’

‘Wil je dat echt weten?’

Saraf knikte en de Rabbi antwoordde:

‘Uit frustratie over hun eigen domheid hebben ze het beest gedood.’

Saraf schrok en was even stil. Toen zei hij:

‘De gebeurtenis met de geit doet me nu ergens aan denken.’

‘O, ja? Waaraan dan?’, vroeg de Rabbi.                                       

‘Aan Abraham, die een ram vond met zijn horens verward in het struikgewas en hem offerde in plaats van zijn zoon Izaäk.’

‘Leg Mij de overeenkomst eens uit’, vroeg de Rabbi.

‘De geit is voor mij opgeofferd, zoals de ram voor Izaäk werd opgeofferd.’

‘Saraf, begrijp je wat er afgelopen Pascha op Golgotha is gebeurd?’

Saraf keek in de ogen van de Rabbi, die hem veelbetekenend aankeken. En hij zag in die ogen iets zo onuitsprekelijk heerlijks, dat hij wilde dat ze eeuwig zo tussen de wijnranken zouden blijven lopen. Plotseling voelde hij zich doorstroomd door een onbeschrijfelijke en onberedeneerbare blijdschap, hoewel Golgotha de meest vreselijke plaats was die hij kende. Het was een blijdschap van het opgenomen zijn in een onvoorstelbaar groots en heerlijk avontuur dat steeds mooier en verhevener wordt en nooit meer zal eindigen. En terwijl hij bleef kijken in de ogen van de Rabbi, schudde hij langzaam zijn hoofd om aan te geven dat hij het niet begreep.

‘Vlak voordat jullie de soldaten tegenkwamen, was je iets belangrijks te binnen geschoten, dat je met Maria wilde delen. Weet je nog wat dat was?’

Door de ogen vol rust van de Rabbi, schoot het volledige gesprek met Maria over Johannes de Doper weer door hem heen en ineens wist hij het weer en verrast over zijn eigen herinnering, stamelde hij:

‘Zie, het Lam van God.’

De ogen van de Rabbi, bleven hem bemoedigend aankijken en toen herhaalde Saraf de overbekende tweespraak van aartsvaders Abraham en Izaäk:

‘Vader, hier is het vuur en het hout, maar waar is het lam ten brandoffer? En Abraham zei: God zal Zichzelf voorzien van een lam ten brandoffer, mijn zoon. Zo gingen die beiden tezamen.’

Even was het weer stil tussen de jongen en de Rabbi.

De jongen bleef staan en pakte de grote hand van zijn schouder. Hij keek in het teken van de verschrikkingen waaraan de pols blootgesteld was geweest. En hij kon niet anders uitbrengen dan:

‘Zie het Lam van God.’

Er welde een snik op uit de borst van de jongen en met ogen vol tranen keek hij weer in het gezicht van de Rabbi en hij stamelde:

‘Waren het daarom de priesters…?’

Hij was niet in staat om de zin af te maken want hij begon onbedaarlijk te huilen. De realisatie dat hij tot de klasse behoorde, die de Hoogst Denkbare als een lam ter slachting had geleid, waar hij op dat moment voor stond, was meer dan zijn hart kon bevatten.

- 25 augustus 2021 –


(81)

De tempelgebouwen gonsden van zacht geroezemoes. Het waren de geloofsleuzen over de eeuwenoude verlossing van Israël, die al de gehele dag uit talloze pelgrimskelen werden gepreveld. De blik van Annas ging rond over het tempelplein. Hij zag Kajafas achter de helling van het enorme altaar verdwijnen in de richting van de Noordelijke poortgebouwen. In het verlengde van de zuilengalerij waar hij zelf stond, stapten zijn beide zoons via de bronpoort uit zijn gezichtsveld. Toen de jongere priestergeneratie was verdwenen om aan hun plichten voor die avond te voldoen, keerde hij zich weer tot Nicodemus. Die stond nog steeds verwachtingsvol tegenover hem. Met een achteloos opgetrokken wenkbrauw, antwoordde Annas hem langs zijn neus weg:

‘Och, ja. Er is weer een bijeenkomst in kleine kring over allerhande priesterlijke aangelegenheden.’

Nicodemus reageerde opnieuw verrast en zei:

‘Zo, en wat voor zaken staan er dan voor vanavond op het programma?’

Het intellect van Annas draaide op volle toeren en daarbij kwamen de recente problemen in de tempel goed van pas:

‘Er waren wat onregelmatigheden ten aanzien van de Westelijke lamp en we moeten een oplossing zoeken voor de ingestorte raadskamer. Ik wil eerst de alternatieven van de priesters horen, voordat we het in de grote groep gooien.’

‘De Westelijke lamp? Die brandt toch altijd een heel etmaal achter elkaar door?’

‘Ja, maar vanmorgen was hij onverwachts uitgedoofd. Ik moest er zelf aan te pas komen om hem weer te ontsteken.’

Nicodemus zweeg even met een nadenkende blik. Toen zei hij:

‘Vind je ook niet, dat er sinds afgelopen Pascha erg veel vreemde zaken plaatsvinden? Invallende duisternis tijdens zijn kruisiging. Een enorme aardbeving bij zijn dood, zodanig dat het gordijn in de tempel middendoor scheurt en de raadskamer waar hij werd veroordeeld instort. En nu weer het uitdoven van de Westelijke lamp, van het teken van de aanwezigheid van de Allerhoogste.’

Annas' blik verstarde en hij reageerde ontstemd:

‘Denk jij nu werkelijk dat dit allemaal meer is dan een samenloop van omstandigheden? Vind jij soms dat we als Sanhedrin een verkeerde beslissing hebben genomen?

‘Door alles wat Hij deed en door de gebeurtenissen van de laatste dagen, begin ik wel steeds meer te twijfelen, ja.’

‘Dan stel ik jou dezelfde vraag als mijn zoon eerder vandaag. Hadden we in aanbidding voor Hem moeten neervallen, toen Hij dat zei van de rechterhand van de kracht en de wolken van de hemel?’

‘Nou, nee. Dat niet direct. Maar Hem te laten kruisigen, ging dat niet al te ver? Waren er geen alternatieven tussen aanbidden en kruisigen?’

‘Als je de laatste tijd goed hebt opgelet, weet je dat er nog veel meer is, dat Hij heeft gezegd, dat niet door de beugel kan. Het gaat niet alleen om wat Hij zei tijdens het proces.’

‘Zoals?’

‘Wat dacht je van de volgende: Eer Abraham was … en toen noemde Hij de naam. De naam, waarvan wij als volk al eeuwenlang de stilzwijgende afspraak hebben dat we die uit eerbied niet uitspreken.’

Nicodemus zweeg. Het was één van de uitspraken van de Rabbi die velen in Israël veel te ver ging en waar hij moeilijk iets tegenin kon brengen. Annas merkte dat hij zijn tegenstander in een hoek had en probeerde hem nog verder klem te zetten.

‘En wat dacht je van zijn uitspraak: Ik en de Vader zijn Eén? Nou, Nicodemus, wat dacht je. Hoe noemen we dergelijke uitspraken?’

Met grote tegenzin proefde Nicodemus het woord ‘godslastering’ op het puntje van zijn tong. En voor korte tijd was hij met stomheid geslagen. Maar toen schoot hem een recente gebeurtenis met de Rabbi op het tempelplein te binnen.

- 26 augustus 2021 -

paasroman

De Heer is werkelijk opgestaan

Hoofdstuk 27