Openbaring 5

Vers 1

De boekrol

'En ik zag op de rechterhand van Hem die op de troon zat een boek, van binnen en van achteren beschreven, met zeven zegels verzegeld.'

In Openbaring 5 verandert het onderwerp. Niet de troon staat centraal maar een boek, eigenlijk een boekrol (boeken bestonden nog niet in de tijd van Johannes). Het is een boekrol die met zeven zegels is verzegeld. Met die boekrol als uitgangspunt wordt de Hoofdpersoon van het boek Openbaring geïntroduceerd: De Leeuw uit de stam van Juda, het Lam dat staat als geslacht. Een vers-voor-vers benadering is lastiger bij dit hoofdstuk omdat een later deel licht werpt op een voorgaand deel. Daarom grijpen we hier alvast vooruit naar wat later komt. De grote vraag is, wat de boekrol voorstelt, op de rechterhand van Hem die op de troon zit. Het begrijpen van de boekrol is een belangrijke sleutel voor het begrijpen van de rest van Openbaring. Wat de boekrol uitbeeldt, blijkt ook uit wat verderop in Openbaring wordt vermeld over de boekrol en de zegels. We sommen hieronder de kenmerken op van de boekrol en haar zeven zegels:

  1. De boekrol is op de rechterhand van Hem die op de troon zit (5:1)
  2. De boekrol is van binnen en van achteren beschreven (5:1)
  3. De boekrol is met zeven zegels verzegeld (5:1)
  4. Niemand in de zichtbare en onzichtbare schepping is in staat de boekrol te openen of zelfs maar te bekijken (5:3)
  5. Er was een overwinning nodig om de boekrol te openen (5:5)
  6. Iemand moest sterven om de boekrol te openen (5:9)
  7. Iemand moest mensen kopen en hen geschikt maken als koningen en priesters om de boekrol te openen (5:9, 10)
  8. Het uiteindelijke resultaat van het openen van de boekrol is dat mensen over de aarde regeren (5:10).
  9. Het openen van de eerste vier zegels van de boekrol bewerkt actie vanuit de troon. Eén van de vier levende wezens zegt tot vier keer: ‘Kom!’ Vervolgens brengen vier ruiters, aardse machten, onheil over de aarde (6:1, 3, 5, 7).
  10. Het openen van het vijfde zegel bewerkt het roepen om wraak van het bloed van hen die geslacht zijn om het woord van God en om het getuigenis van Jezus (6:9).
  11. Het openen van het zesde zegel veroorzaakt een enorme aardbeving en maakt kosmische krachten los. De bewoners van de aarde trekken de conclusie dat de toorn van het Lam is gekomen (6:12).
  12. Het openen van het zevende en laatste zegel bewerkt een stilzwijgen in de hemel van ongeveer een half uur, gevolgd door het uitdelen van zeven bazuinen aan zeven engelen en een reukoffer van gebeden van heiligen. Daarna starten de bazuin-oordelen (8:1).


Na de laatste verwijzing naar de boekrol in Openbaring 8:1, worden de boekrol en de zeven zegels nergens meer met zoveel woorden genoemd. Wel wordt nog gesproken van ‘het boek van het leven’ (17:8, 20:12, 21:27). In het laatste hoofdstuk is nog vier keer sprake van ‘dit boek’ (22:7, 9, 10, 18). Deze boeken zijn echter in geen enkel opzicht gelijk aan de boekrol in de hand van Hem die op de troon zit. Het boek van het leven is ‘van het Lam’ en bevat de namen van allen die door genade en door geloof in Hem worden gered van het eeuwige vuur. En ‘dit boek’ is het boek Openbaring, dat door Johannes is geschreven. Beide boeken werden al eerder genoemd. Het boek van het leven werd al genoemd in Openbaring 3:5 in relatie tot de gemeente in Sardis en het boek Openbaring, dat Johannes schreef, werd al genoemd in Openbaring 1:11, waar Johannes de opdracht kreeg om alles wat hij zag op te schrijven ‘in een boek’ en het te zenden aan de zeven gemeenten.

De boekrol in de hand van Hem die op de troon zit, wordt na hoofdstuk 8 niet meer genoemd. Maar er wordt nog wel naar verwezen. Dat gebeurt namelijk in Openbaring 16:17. Na het openen van het zevende zegel worden zes bazuinen geblazen met zware oordelen over de aarde en na het blazen van de zevende bazuin worden zeven schalen met Gods hevigste oordelen over de aarde uitgegoten (de hoofdstukken 12 tot en met 14 zijn intermezzo's, die de toestand op aarde tussen de oordelen door verduidelijken). Na het uitgieten van de laatste, zevende schaal. Komt er een luide stem vanaf de troon, die zegt: ‘Het is gebeurd’. Dat betekent dat hetgeen in de boekrol geschreven staat, volledig tot uitvoering is gebracht. Het lijkt er daarom op dat de boekrol de plannen omvat, waarvan we de uitvoering zien in de hoofdstukken 8 tot en met 16 (na de verbreking van alle zeven zegels in 8;1). We kijken nu naar de betekenis van bovenstaande twaalf kenmerken van de boekrol en de zeven zegels.

(1) Na alle informatie over de boekrol op een rijtje te hebben gezet, kan voorzichtig geconcludeerd worden dat het boek in de hand van Hem die op de troon zit de wilsbeschikking is van God Zelf. Het is het voornemen van God ten aanzien van zijn schepping. De wil van God met zijn schepping is geen geheim maar staat al vermeld in het eerste hoofdstuk van de Bijbel:

‘En God schiep de mens naar Zijn beeld; naar het beeld van God schiep Hij hem; mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen. En God zegende hen en God zei tegen hen: Wees vruchtbaar, word talrijk, vervul de aarde en onderwerp haar, en heers over de vissen van de zee, over de vogels in de lucht en over al de dieren die over de aarde kruipen! En God zei: Zie Ik geef u al het zaaddragende gewas dat op heel de aarde is, en alle bomen waaraan zaaddragende boomvruchten zijn; dat zal u tot voedsel dienen. Maar aan al de dieren van de aarde, aan alle vogels in de lucht en aan al wat over de aarde kruipt, waarin leven is, heb Ik al het groene gewas tot voedsel gegeven. En het was zo.’

Dat laatste zinnetje ‘en het was zo’, heeft maar heel kort geduurd. Al snel ging het mis en we weten waarom. Op het moment van het schrijven van Openbaring was de schepping al zo’n 4000 jaar aan de vruchteloosheid (of zinloosheid) onderworpen. Zij draagt geen vrucht voor God. Zij beantwoordt niet aan haar doel. Maar God laat niet varen de werken van zijn handen. Hij geeft zijn plannen met zijn schepping niet op vanwege ongehoorzaamheid van de mens of vanwege misleiding door de duivel. Nog steeds ligt er in de rechterhand van Degene op de troon de wilsbeschikking van een schepping, zoals Hij die heeft bedoeld. In die wilsbeschikking is tevens het bestek opgenomen voor de uitvoering van die wilsbeschikking, de weg waarlangs de schepping moet worden bevrijd van de vruchteloosheid. Dit alles staat beschreven in de boekrol.

(2) Het plan waarlangs de schepping bevrijd moet worden is niet eenvoudig. De mens is dermate verstrikt geraakt in de leugens van de duivel, dat de schepping steeds meer gevaar loopt te verworden tot chaos. Hij die op de troon zit, heeft de absolute chaos telkens opnieuw voorkomen. Dat deed Hij door steeds een nieuw begin te maken met de mensheid en door met zijn zegenrijke scheppershanden zijn schepping trouw te verzorgen. Denk hierbij aan de regenboog rond de troon. Maar de definitieve verlossing van de mens en de schepping uit de greep van de onvruchtbaarheid is een lange weg. Daarom is de boekrol van binnen en van achteren beschreven. Dit detail geeft aan hoe kolossaal en omvangrijk het bevrijdingsprogramma is.

(3) In zeven dagen heeft God hemel en aarde geschapen. Het lijkt erop de bevrijding van hemel en aarde meer voeten in de aarde heeft. Alleen al om de wilsbeschikking van God ten aanzien van het herstel van hemel en aarde te openen, dienen eerst zeven zegels te worden verbroken. Net als het van binnen en van achteren beschreven zijn van de boekrol, duidt ook dit op de enorme prestatie die moet worden neergezet om de wilsbeschikking van God voortgang te doen vinden. De gebeurtenissen die plaatsvinden bij de verbreking van de zegels moeten gezien worden als uitingen van de enorme weerstand vanuit de God-vijandige machten, waaraan de mens zichzelf heeft overgegeven. Die weerstand moet echter aan het licht komen en overwonnen worden.

- 5 augustus 2021 -


Vers 2 - 4

Sterke engel

En ik zag een sterke engel, die met luider stem uitriep: Wie is waard het boek te openen en zijn zegels te verbreken? En niemand in de hemel noch op de aarde noch onder de aarde kon het boek openen of het bezien. En ik weende zeer, omdat niemand waard bevonden was het boek te openen of het te bezien.

Voor het eerst sinds Johannes een blik in de hemel werd gegeven, wordt nu een engel genoemd. Een heel hoofdstuk is gepasseerd zonder dat het woord ‘engel’ ook maar één keer is gevallen. Er zijn uitleggers die de vier levende wezens in het midden van en rondom de troon gelijk schakelen aan engelen. Echter, het boek Openbaring, blijft voortdurend onderscheid maken tussen de vier levende wezens en engelen. Eerder gaven we aan dat hun plaats ‘in het midden van en rondom de troon’ eerder lijkt te wijzen op een visualisering van vier karaktereigenschappen van Gods regeringswegen. Gods regeringswegen zijn dermate concreet, consistent en levendig, dat zij als concrete dieren worden voorgesteld.

De eerste engel die op het toneel verschijnt, is een sterke engel, die met luide stem roept. Deze engel is, hoewel sterk, zelf niet in staat het boek te openen. Geen enkele engel is in staat Gods regeringswegen met zijn schepping naar het door God gewilde doel te leiden. Zou God dit aan een engel overlaten, dan zou Hij Zichzelf afhankelijk maken van een schepsel. Dat is iets dat God nooit of te nimmer zou doen. Het zou strijdig zijn met zijn heiligheid. Het is zoals Jesaja zei:

‘Zo zegt de HEERE, de Koning van Israël, zijn Verlosser, de HEERE van de legermachten: Ik ben de Eerste en Ik ben de Laatste, en buiten Mij is er geen God. Wees niet angstig en wees niet bevreesd. Heb Ik het u van toen af niet doen horen en bekendgemaakt? Want u bent Mijn getuigen: is er ook een God buiten Mij? Er ís geen andere rots, Ik ken er geen.’

Maar er is nog een tweede reden waarom een engel Gods plan niet kan uitvoeren. Zou een engel dat doen, dan zou deze engel de heerschappij over de aarde ontvangen. Dat is echter niet Gods bedoeling. In Hebreeën 2 lezen we:

‘Want niet aan engelen heeft Hij onderworpen het toekomstige aardrijk, waarover wij spreken, maar iemand heeft ergens betuigd en gezegd: ‘Wat is de mens dat U hem gedenkt, of de mensenzoon, dat U acht op hem geeft? U hebt hem een weinig minder gemaakt dan de engelen; met heerlijkheid en eer hebt U hem gekroond en hem gesteld over de werken van uw handen; alles hebt U onder zijn voeten onderworpen.’

Het was Gods bedoeling dat de mens heerschappij zou hebben over de schepping, niet een engel, zelfs niet Hij Zelf maar de mens. Uiteraard bleef de aarde het bezit van God. Hij is en blijft de Schepper. In Haggaï spreekt God: 'Van Mij is het zilver en van Mij is het goud, spreekt de HEERE van de legermachten.’ En tegen Israël zegt God in Leviticus: '… het land behoort Mij toe. U bent immers vreemdelingen en bijwoners bij Mij.’ Maar de mens zou rentmeester zijn namens God en namens God regeren. Alleen een mens kan daarom het plan van God uitvoeren, door beheer over de schepping te voeren zoals Hij wil.

Er was echter een groot probleem. Dat probleem wordt hier in Openbaring niet genoemd maar wordt min of meer bekend verondersteld. Het probleem was het falen van de mens. Vierduizend jaar lang heeft God omgezien naar een mens die zijn plannen zou kunnen uitvoeren maar alle mensen schoten tekort. Vierduizend jaar dat is veertig keer honderd jaar, dus circa veertig geslachten. Veertig is het getal van beproeving. Israël werd veertig jaar op de proef gesteld in de woestijn en faalde. Na veertig geslachten van beproeving moest vastgesteld worden dat niemand in de hemel of op aarde of onder de aarde, geen enkel mens ooit Gods plannen zou kunnen uitvoeren en de schepping zou kunnen leiden naar het doel dat God met zijn schepping voor had. Jezus werd veertig dagen op de proef gesteld in de woestijn.

Het probleem wordt niet genoemd. De kiem van het probleem is gelegen in de verleiding van Eva door de slang. Dat betekende ongehoorzaamheid aan het ene verbod dat God de mens had gegeven en introduceerde de zonde. 'Door één mens kwam de zonde in de wereld...' Dat betekende gehoorzaamheid aan de verleiding van de duivel en introduceerde heerschappij van de duivel over de mensheid. Op meerdere plaatsen wordt de duivel de god van deze eeuw of de vorst van deze wereldgenoemd. Jezus betwistte de heerschappij van de duivel over de koninkrijken van de wereld niet. Dat alles betekende de uitvoering van het vonnis waarvoor God had gewaarschuwd: de dood. 'Door één mens kwam de zonde in de wereld en door de zonde de dood...' De duivel is degene die de macht over de dood had. De heerschappij van zonde, duivel en dood betekent in één woord: vruchteloosheid of zinloosheid. Voor God brengt de schepping geen vrucht voort. Zij beantwoordt niet aan zijn doel. Voor de mens is zijn bestaan hoofdzakelijk: moeite en leed. Dit is al vierduizend jaar het nieuwe normaal.

Dat de mensheid zichzelf hieruit niet kon verlossen heeft ook te maken met het feit dat alle mensen nazaten zijn van een gevallen Adam. Op elke telg uit het geslacht van Adam, rust de smet van de zonde. Toch heeft God de mens de kans gegeven zichzelf te bewijzen. Maar niemand bleek in staat het goddelijke plan met de schepping ten uitvoer te brengen.

Johannes is er hevig door ontroerd, dat niemand Gods wilsbeschikking voor zijn schepping kan uitvoeren. Het is zelfs zo dat niemand waard bevonden werd het boek te openen ‘of te bezien’. Niemand is in staat is de plannen van God naar de verlossing van zijn schepping zelfs maar in te zien. Dat zou betekenen dat ‘het nieuwe normaal’ van de heerschappij van zonde, duivel en dood voor altijd zouden blijven bestaan en dat er nooit verlossing komt, nooit een terugkeer naar het oude normaal, de schepping zoals die door God bedoeld is, waarvan Hij kon zeggen; ‘Het is zeer goed’, onder de zegenrijke heerschappij van de mens. Dat is inderdaad iets om totaal door van de kaart te zijn en onbedaarlijk over te huilen.

- 6 augustus 2021 -


Vers 5, 6

Het Lam

'En één van de oudsten zei tot mij: Ween niet, zie de leeuw uit de stam van Juda, de wortel van David, heeft overwonnen om het boek en zijn zeven zegels te openen. En ik zag in het midden van de troon en van de vier levende wezens en in het midden van de oudsten een Lam staan als geslacht; het had zeven horens en zeven ogen, welke zijn de zeven Geesten van God, uitgezonden over de hele aarde.'

Het is één van de vierentwintig oudsten die Johannes troost. Meerdere keren in Openbaring raakt Johannes in een kort gesprek met degenen die hij in zijn visioen ziet. Twee keer gebeurt dat met één van de oudsten. Het gesprek gaat uit van de oudsten. Het gaat daarbij om informatie over personen in relatie tot de troon. Hier is dat Degene in het midden van de troon. In hoofdstuk 7 over een grote menigte die niemand kan tellen vóór de troon. Nooit zien we de oudsten handelend optreden in relatie tot de schepping. We zien hen alleen bezig in relatie tot de troon. Daarheen richten ze hun aanbidding. Daarheen werpen ze hun kronen. Daarheen richten zijn hun nieuwe lied. Daarheen stijgen de reukwerken op vanuit hun gouden schalen. Het zijn de vier levende wezens en de engelen die optreden in relatie tot de schepping. In latere hoofdstukken spreken er nog engelen tegen Johannes over gebeurtenissen van het volk Israël, over de toestand van de afvallige kerk en over de toestand van de bruid van het Lam.

Johannes wordt vertroostend door één van de oudsten toegesproken. Hij is totaal van streek omdat de plannen van God met zijn schepping tot in eeuwigheid gedwarsboomd lijken. Dat er niet wordt gehuild in de hemel, lijkt weersproken te worden door dit gedeelte. Over het algemeen zal echter sprake zijn van vreugdetranen. Of tranen die opgeroepen worden door enorme contrast tussen de moeite van de oude schepping en de glorie van de hemel. God Zelf zal dan de tranen van de ogen wissen. Johannes is in een diep verdriet ondergedompeld omdat in het totale zichtbare en onzichtbare universum niemand waardig wordt bevonden om Gods plannen, vertegenwoordigd door de boekrol met de zeven zegels, zelfs maar in te zien, laat staan uit te voeren. Degene die daartoe in staat is, moet voldoen aan de volgende kenmerken:

  1. Hij moet geen engel zijn (niet aan engelen heeft Hij onderworpen het toekomstige aardrijk…)
  2. Hij kan geen zaad van Adam zijn (allen hebben gezondigd en komen tekort aan de heerlijkheid van God)
  3. Hij moet echter wel een mens zijn (… vervult de aarde, onderwerp haar, en heers over de vissen der zee en over het gevogelte des hemels en over al het gedierte dat op de aarde kruipt. En: Wat is de mens dat U hem gedenkt of de mensenzoon dat u acht op hem geeft? Alles hebt u aan zijn voeten onderworpen).
  4. Hij moet God Zelf zijn (God geeft zijn eer niet aan een ander. Buiten Hem is geen andere Verlosser of Rots)

Slechts voor Eén persoon in de geschiedenis geldt elk van deze eisen: De Leeuw uit de stam van Juda, de wortel van David. Hij die niet uit het zaad van Adam afkomstig was maar het zaad van de vrouw. Hij die tegelijkertijd het nageslacht van David en de oorsprong van David was. Zoals Jezus Zelf stelde tegenover de religieuze autoriteiten: ‘Wat denkt u over de Christus? Wiens Zoon is Hij? Zij zeiden tegen Hem: Davids Zoon. Hij zei tegen hen: Hoe kan David Hem dan, in de Geest, zijn Heere noemen, als hij zegt: “De Heere heeft gezegd tegen Mijn Heere: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden neergelegd heb als een voetbank voor Uw voeten?” Als David Hem dan zijn Heere noemt, hoe kan Hij dan zijn Zoon zijn?’

Hij was geen engel, geen zaad van Adam en toch volkomen Mens en volkomen God. Alleen Hij voldeed aan de eisen voor de uitvoering van Gods plannen met zijn schepping. Maar gezien de enorme problemen waarin de schepping was gehuld, de onontwarbare knoop, de volledig kapotgemaakte structuren, de onoverzichtelijke chaos, de eindeloze reeks van verkeerde beslissingen, de buitensporige ongehoorzaamheid aan God en slaafsheid aan satan, was het een verschrikkelijk werk om die schepping daaraan te ontworstelen. Er was een enorme overwinning voor nodig. Het boek Openbaring is zeer zuinig met het gebruik van de voltooid verleden tijd. Enkele van de weinige keren vinden we hier twee keer vlak na elkaar: De Leeuw heeft overwonnen. Het Lam staat als geslacht. Die laatste uitdrukking is bijzonder merkwaardig. Het is een combinatie die alleen hier voorkomt: tegenwoordige tijd (staan) met voltooid verleden tijd (als geslacht). Hoewel de overwinning éénmaal heeft plaatsgevonden ‘het is volbracht’, wordt dat ‘overwonnen hebben’, ‘volbracht zijn’, ‘geslacht zijn’, als een voortdurende tegenwoordige tijd voorgesteld.

Alleen van het Lam wordt gezegd dat het ‘in het midden van de troon’ is. De vier levende wezen waren ‘in het midden van de troon en rondom de troon’. Maar het Lam is in het midden van de troon. Het is ook in het midden van de vier levende wezens. Het Lam is het meest centrale element van Gods troon. Het Lam is de basis van waaraf God zijn schepping kan besturen. Wie anders kan het Lam zijn dan God Zelf? Alle groeperingen die anders beweren hangen een verschrikkelijke en afschuwelijke Godonterende dwaalleer aan. Alleen het Lam is waardig de boekrol te nemen en de zeven zegels te verbreken. De Man van smarten, die als Lam ter slachting werd geleid, is het van Wie wordt gezegd: ‘Het voornemen des Heren zal door zijn hand voortgang hebben’. Het voornemen des Heren, dat is de boekrol met de zeven zegels.

Het Lam is Degene die zei: ‘In slachtoffer en spijsoffer hebt Gij geen behagen – Gij hebt mij geopende oren gegeven – brandoffer en zondoffer hebt Gij niet gevraagd. Toen zei ik: Zie Ik kom, in de boekrol is over Mij geschreven; ik heb lust om uw wil te doen mijn God, uw wet is in mijn binnenste.'

De boekrol in Gods hand bevat plannen die alleen door Jezus Christus, het Lam van God, kunnen worden uitgevoerd. Om te zien waarom, hebben we hierboven deels gezien maar verderop bezingen de oudsten nog een andere reden, waarvan hier al iets wordt gezien in het ‘staan als Lam dat is geslacht’.

Slachtoffer, spijsoffer, brandoffer en zondoffer vroeg God van het volk Israël maar niet van Hem. Van Hem vroeg God niets minder dan een volmaakte gehoorzaamheid. En de Zoon geeft de Vader daarvoor de eer: ’U hebt Mij geopende oren gegeven’. Van Hem vroeg God niets minder dan zijn wil te doen, waarin de Zoon als Mens zegt ‘lust te hebben’. Hoe is dat te verenigen met het ‘Vader, als U wilt, neem deze drinkbeker van Mij weg; maar laat niet Mijn wil, maar de Uwe geschieden’? Die bede in Gethsémané laat de enorme omvang zien en de gruwelijke diepten van het werk dat Jezus Christus als Lam van God kwam uitvoeren – maar boven dat alle uit steeg voor Hem de innige wens de wil van de Vader te doen. De wet was in Christus’ binnenste. Niet alleen de tien geboden maar alles wat God maar van de mens kon vragen, heeft Hij als Mens vervuld. Zie hier ook weer Christus als ‘ark van het verbond’ (waarin de wet lag), als ‘troon van God’ of ‘Lam in het midden van de troon’.

Het Lam wordt ook gezien in het midden van de oudsten. De oudsten zijn degenen die inzicht hebben in Gods regeringswegen en die, met kronen, gezeten op kronen, worden voorgesteld als mederegenten van God. Maar hun positie is volledig en uitsluitend te danken aan het Lam in het midden van de troon. Zonder Hem hadden zij daar niet gezeten maar hadden zij voor eeuwig vastgezeten in de klauwen van zonde, duivel en dood.

Het is merkwaardig dat Johannes niet uit zichzelf heeft beseft, Wie het was die waardig zou worden bevonden om de boekrol met de zeven zegels te verbreken. Gezien zijn evangelie, heeft hij een levendige herinnering aan het moment dat hij Johannes de Doper bij de Jordaan hoorde zeggen: ‘Zie het Lam van God dat de zonde van de wereld wegneemt’, op het moment dat Jezus naar de Jordaan toe kwam. Dat Johannes temidden van zijn visioen aan dat moment totaal niet dacht, geeft wel aan hoe indrukwekkend het moment was van de uitroep van de sterke engel en het totale gebrek aan een kandidaat om de grote opdracht van God ter hand te nemen.

Het Lam heeft zeven horens en zeven ogen, welke zijn de zeven Geesten van God. Ook dat is een indicatie van het feit dat het Lam God Zelf is. De Geest van God wordt in bijvoorbeeld Handelingen ook al ‘De Geest van Jezus’ genoemd. De horens spreken van kracht. De ogen spreken van gewaarwording. Zeven is een volheid. De zeven horens en zeven ogen spreken van Gods almacht en van Gods alomtegenwoordigheid. Tegen zijn discipelen kon Jezus na zijn opstanding zeggen: ‘Mij is gegeven alle macht in de hemel en op aarde’ (zeven horens) en ‘Zie, Ik ben met u, alle dagen, tot aan de voleinding van de eeuw.’ God zelf zegt tegen Asa, koning van Juda: ‘Want de ogen van de HEERE trekken over de hele aarde, om Zich sterk te bewijzen aan hen van wie het hart volkomen is met Hem.’ Ook hier vinden we de combinatie van ogen en kracht. En in Zacharia zegt God: ‘Die zeven zijn de ogen van de HEERE, die over heel de aarde trekken.’

De zevenvoudige Geest was in Openbaring 4 ook al aanwezig als zeven vurige fakkels voor de troon, in verband met het licht van God dat nodig is in de donkerste periode van de wereldgeschiedenis, die in Openbaring wordt uiteengezet. Hier wordt het licht van Gods Geest nog aangevuld met de krachtige werking van de Geest. De Geest is hier niet voor de troon maar is uitgezonden over de hele aarde. De gemeente wordt in de vierentwintig oudsten gezien in de hemel. Na de opname van de gemeente, zijn er voor korte tijd geen gelovigen op aarde. Maar door de werking van de zevenvoudige Geest van God zal dat van zeer korte duur zijn. Vooral in het volk Israël zal Gods Geest dan zeer krachtig werken maar via Israël ook over de hele aarde. Het is vergelijkbaar met de tijd van de eerste christengemeente in Jeruzalem, waarvandaan het evangelie zich in zeer korte tijd verspreidde over de gehele toenmalige wereld. In de grote verdrukking zal dit nog veel sterker zijn. In Openbaring 7 zien we in de 144.000 verzegelden en de grote schare die niemand kan tellen uit alle volken de uitwerking van de zevenvoudige Geest.

- 7 augustus 2021 -

- aangevuld op 8 augustus 2021 met Psalm 40 -


Vers 7, 8

Aanbidding

'En het kwam en nam het boek uit de rechterhand van hem die op de troon zat. En toen het dat boek had genomen, vielen de vier levende wezens en de vierentwintig oudsten vóór het Lam neer; zij hadden elk een harp en gouden schalen vol reukwerken, welke zijn de gebeden van de heiligen.'

Dat we hier te maken hebben met overdrachtelijk spraakgebruik, blijkt uit wat er gebeurt in vers 7. Het Lam is in het midden van de troon en komt en neemt het boek uit de rechterhand van Hem die op de troon zit. Het ‘in het midden van de troon’ moet opgevat worden als de meest centrale factor in Gods regeringswegen door alle eeuwen heen. Het ‘komen’ van het Lam, drukt uit dat het initiatief volledig bij het Lam ligt. Nadat in veertig eeuwen geen mens waardig is bevonden om de plannen van God met zijn schepping uit te voeren, hoewel het volgens Gods plannen een mens móet zijn, is daar eindelijk Iemand, Die alles in het werk heeft gesteld, Zichzelf volledig heeft weggecijferd, heeft opgeofferd, in de meest diepgaande manier waarop iemand zich maar kán opofferen, om in staat te zijn toch die plannen van God uit te kunnen voeren. En Hij komt – nadat iedereen in hemel, op aarde en onder de aarde elkaar zwijgend moesten aankijken – op de vraag van de sterke engel naar voren.

De daad van ultieme gehoorzaamheid aan zijn God, ‘zie ik kom om uw wil te doen’, is tot in eeuwigheid zichtbaar in zijn ‘als geslacht staan’. Maar tegelijkertijd komt hij. Hij kwam 2000 jaar geleden in de wereld. Toen zei Hij ‘Zie Ik kom, in de boekrol is over Mij geschreven; ik heb lust om uw wil te doen mijn God’. Hier, in Openbaring 5, komt Hij, na die wil voor zijn leven op aarde, op het kruis, volledig te hebben volbracht, naar de troon om die boekrol uit de hand van God te ontvangen en Gods wil voor de aarde vanuit de hemel te gaan volbrengen. Aan het slot van Daniëls laatste jaarweek, ofewel verderop in Openbaring 19, komt Hij opnieuw met de wolken van de hemel om de heerschappij over de gehele aarde daadwerkelijk ter hand te nemen.

Het nemen van de boekrol door het Lam uit de hand van Hem die op de troon zit is het meest oorspronkelijke feit, dat de gehele rest van het boek in gang zet. Daarom moest het ook een ‘sterke engel’ zijn die de oproep deed uitgaan om het boek en zijn zeven zegels te openen. De aanzet tot alle gebeurtenissen die nog volgen, maakt eerst iets los in de hemel. De vier levende wezen en de vierentwintig oudsten vallen voor het Lam neer. Dat gaat zeer ver.

De vier levende wezens zijn de wezenskenmerken van Gods heerschappij, die vol ogen zijn op de wegen van God met zijn schepping en die onophoudelijk het ‘heilig, heilig, heilig’ laten horen. Zij vallen in aanbidding voor het Lam neer. Dat gebeurt niet in hoofdstuk 4, waar zij ‘heerlijkheid, eer en dankzegging zullen geven aan Hem die op de troon zit'. Hier vallen zij voor het Lam neer, hetgeen aanduidt dat het Lam op een volmaakte manier de basis vormt voor de uiting van Gods wezenskenmerken in zijn wegen en een volmaakte bevestiging is van Gods heiligheid. De wezens zien in alles wat het Lam op aarde volbracht, de wezenskenmerken van God volmaakt schitteren. Net als de vier levende wezens de vier aspecten van Gods karakter ten aanzien van zijn schepping uitbeelden, zo laten de vier evangeliën de vier aspecten van de Persoon van Christus en zijn werk zien. Mattheüs, de Leeuw uit de stam van Juda, Markus, de Dienstknecht die als het sterke rund zijn werk volbracht, Lukas, de volmaakte Mensenzoon, Johannes, de Zoon van God, als een arend uit de hemel neergedaald.

Van de oudsten wordt voor de tweede keer gezegd dat zij neervallen. In Openbaring 4 was het in navolging van de dankzegging door de vier dieren. Hier is het gelijktijdig met de vier levende wezens. In Openbaring 4 ging het om God als schepper. Hier gaat het om het Lam als Overwinnaar en Verlosser. Daarin gaat het inzicht van de oudsten gelijk op met dat van de vier levende wezens. In Openbaring 4 hadden de oudsten kronen, die zij voor de troon neerwierpen. Hier, in Openbaring 5, hebben zij harpen en gouden schalen vol reukwerken, welke zijn de gebeden van de heiligen. Gezien de tijdloosheid van het moment – zoals we nog zullen zien –, gaat dit om alle gebeden van alle heiligen door de eeuwen heen, niet alleen de gebeden van degenen die gedurende de periode van Openbaring 6-19 op aarde zijn, zoals bijvoorbeeld de heiligen tegen wie het beest uit de zee oorlog voert in Openbaring 13. Samen met hun rechtvaardige daden (het reine fijne linnen) zijn de gebeden het enige dat heiligen meenemen naar de hemel. De kronen en de harpen en de gouden schalen worden aldaar gegeven (weliswaar als beloning maar zij ontvangen ze daar en nemen ze dus niet van de aarde mee - zoals dat wel geldt voor de gebeden en de rechtvaardige daden).

- 8 augustus 2021 -


Vers 9,10

Gekocht met zijn bloed

‘En zij zingen een nieuw lied en zeggen: U bent waard het boek te nemen en zijn zegels te openen; want U bent geslacht en hebt ons voor God gekocht met uw bloed uit elk geslacht en taal en volk en natie, en hebt ons voor onze God gemaakt tot koningen en tot priesters; en wij zullen over de aarde regeren.’

De tijdloosheid van het moment blijkt uit de tegenwoordige tijd van het ‘En zij zingen’. Jammer genoeg zijn er vrijwel geen vertalingen, die de werkwoord tijden van Openbaring correct weergeven. De enige die dit wel deed is sinds 2012 uit de handel genomen omdat er geen digitale versie van beschikbaar kwam. Zelfs de ‘Blue Letter Bible’, geeft de werkwoord tijden niet overal juist weer, terwijl juist zij de Griekse grondtekst in één of twee klikken beschikbaar maakt. Juist die tijden, waarin de werkwoorden staan, zijn een belangrijk aspect in de uitleg van Openbaring. Het boek is hoofdzakelijk in de verleden tijd opgesteld om de volkomen zekerheid aan te duiden van de situaties en gebeurtenissen die nog toekomstig zijn. God is immers niet onderhevig aan tijd maar brengt de schepping in al haar dynamiek van seconden, minuten, uren, dagen, weken, maanden, jaren, decennia, eeuwen en millenia als één samenhangend geheel voort, daarbij rekening houdend met triljarden keer triljarden menselijk beslissingen. Daarbij is elke seconde ook nog eens verdeeld in een biljard keer een triljard ondeelbare tijdfracties. Zo groot is God – onvoorstelbaar ver boven ons piepkleine verstand verheven. In Jesaja zegt Hij ‘Denk aan de dingen van vroeger, van oude tijden af, dat Ik God ben en niemand anders. Ik ben God, en er is er geen als Ik, Die vanaf het begin verkondigt wat het einde zal zijn, van oudsher de dingen die nog niet plaatsgevonden hebben; Die zegt: Mijn raadsbesluit houdt stand en Ik zal al Mijn welbehagen doen’.

Maar niet alles in Openbaring staat in de verleden tijd. En wat in een andere tijd staat, trekt de bijzondere aandacht van de lezer (althans dat is de bedoeling). Dat gebeurde in Openbaring 4 bij het optreden van de vier levende wezens, die geen rust hebben, ‘dag en nacht’ en zeggen: heilig, heilig, heilig.’ Het Grieks openbaart overigens nog een detail, namelijk dat de werkwoordsvorm in het enkelvoud staat. Letterlijk staat er: ‘De levende wezens heeft geen rust’ en ‘de levende wezens zegt’. Dat lijkt op hetgeen geschreven staat in Genesis 1, waar staat: ‘In den beginne schiep Goden’, ‘Elohim – God in meervoud. Daarbij wordt vaak gedacht aan de drie-énige God. Maar er kan daarnaast ook gedacht worden aan de vier levende wezens, die attributen zijn van God als Schepper en Bestuurder van het heelal.

Ook het eerbewijs van de vierentwintig oudsten in Openbaring 4, dat in werking gezet wordt door de toekomstige dankzegging van de vier dieren, staat in de tegenwoordige tijd. En hier, in Openbaring 5 staat het zingen van de vierentwintig oudsten in de tegenwoordige tijd, als iets dat, net als de ononderbroken roep van Gods heiligheid door de vier dieren, tot in alle eeuwen wordt vernomen – een tijdloos gebeuren.

Het is voor het eerst dat in de hemel sprake is van zang. Bij de grondlegging van de aarde juichten (soms niet helemaal correct vertaald met ‘zongen’) de morgensterren. In Jesaja roepen de serafs, elk met zes vleugels, elkaar toe ‘heilig, heilig, heilig’. In de velden rond Bethlehem ‘zeiden’ de engelen ‘Ere zij God in de hoge en vrede op aarde, in mensen van zijn welbehagen’. In Openbaring 4 was ook nog geen sprake van zingen, alleen van spreken. Van zingen is in de Bijbel sprake na een verlossing, zoals blijkt uit het moment van de eerste lofzang, na de verlossing van Israël uit Egypte, aan de andere kant van de Rode Zee. Zo is het ook in Openbaring. Er wordt gezongen zodra sprake is van verlossing. Verderop in Openbaring zal dat steeds het geval blijken.

Hoewel één van de oudsten al heeft aangegeven Wie er als enige waardig is het boek te openen en hoewel het boek al door het Lam genomen is uit de hand van Hem die op de troon zit, is nog niet meegedeeld waarom het Lam als enige waardig is het boek te nemen en te openen. Het is het voorrecht van de oudsten om dit, samen met de vier levende wezens, kenbaar te maken.

Hun zang wordt omlijst met muziek, de harpen, en met gebed, de gouden schalen vol reukwerken. Alles wat ze in hun leven op aarde van het Lam hebben gezien, stijgt als welriekend reukwerk, samen met hun zang, op voor de troon van God. De harpen en het reukwerk laten de inwendige beweging van de harten zien van de vierentwintig oudsten, terwijl zij zingen. Kan op aarde soms gedachtelooseen lied worden gezongen, in de hemel harmonieert het geluid der stemmen met een rijke inwendige beleving.

Het lied begint met een herhaling van wat we al weten van één van de oudsten. Typerend is dat de oudsten rechtstreeks tot God en tot het Lam spreken. Dat horen we bijvoorbeeld engelen niet doen. In Openbaring 4 klonk het uit de monden van de oudsten: ‘U bent waard, onze Heer en God, te ontvangen de heerlijkheid…’ Hier klinkt het richting het Lam: ‘U bent waardig om het boek te nemen en zijn zegels te openen’. Om in de sfeer te komen, klik op dit prachtige Amerikaanse Jongerenkoor. Direct na de uitroep dat het Lam waardig is, het boek te nemen en de zegels te openen, volgt dan eindelijk de reden waarom het Lam als enige waardig is: ‘… want U bent geslacht en hebt ons gekocht voor God met uw bloed uit elk geslacht en taal en volk en natie en hebt ons voor onze God gemaakt tot koningen en priesters en zij zullen over de aarde regeren”.

Daar hebben we het: Mensen die over de aarde regeren. Dat was van meet af aan Gods plan. ‘heerst over de vissen der zee…’, ‘want niet aan engelen heeft Hij onderworpen het toekomstige aardrijk, waarover wij spreken’, ‘…wat is de mens, dat U hem gedenkt of het mensenkind dat U acht op hem geeft … alle dingen hebt U onder zijn voeten onderworpen’. Dat de mens zich door te luisteren naar de leugen van de duivel aan die duivel heeft onderworpen betekent geen definitieve streep door Gods plannen. Maar het kostte God zijn Alles om ons uit de wurggreep van zonde, duivel en dood te ontrukken, het bloed van zijn Eigen. Hij moest Mens worden en die Mens moest als Lam worden geslacht.

Met zijn bloed heeft Hij gekocht. Er staat niet ‘verlost’ maar ‘gekocht’ als ware het een transactie in het economisch verkeer. De grote vraag is dan natuurlijk aan wie de prijs moest worden betaald. Er is een dwaalleer die beweert dat de prijs aan satan moest worden betaald. Die leer stelt dat God het kruis helemaal niet wenste en Jezus ook niet. Het gebed in Gethsémané moeten we dan maar even wegdenken 'Vader Uw wil geschiede'. Deze dwaling stelt dat de duivel en de slechtheid van de mens als enige het lijden over Hem brachten en dat Hij door dit kwaad over Zich te laten komen de ultieme liefde van God en van Hemzelf heeft laten zien. Dat laatste is waar maar dat eerste niet. Je moet flink wat teksten uit je bijbel schrappen om deze leer te kunnen aanhangen, zoals 'Daarom heeft de Vader Mij lief, omdat Ik Mijn leven afleg, opdat Ik het weer neem. Niemand neemt het van Mij, maar Ik leg het uit Mijzelf af; Ik heb macht het af te leggen en heb macht het weer te nemen.' De leugen wordt zoals zo vaak vermengd met waarheid om het iets te laten lijken. Deze dwaalleer krijgt sinds kort opnieuw helaas veel belangstelling van zowat heel christelijk Nederland. Wonderlijk hoe snel mensen vallen voor elke nieuwe wind van leer. Maar de betaling van Christus’ bloed aan satan is te veel eer voor satan. Daarom zal hij wel blij zijn met deze opvatting onder christenen.

Weliswaar is satan de god en de vorst van deze eeuw, zoals we hebben gezien, maar dat betekent niet dat hij recht had op enige betaling. De Bijbel stelt de duivel voor als (1) de leugenaar van de beginne, (2) de mensenmoordenaar van de beginne – dat doet hij voornamelijk op basis van (1) – hij zet mensen tegen elkaar op en ziedaar het resultaat. Dat begon al heel snel en leidde tot de ultieme moord in de kruisiging van de Here Jezus, het Lam van God en (3) de aanklager van de broeders. In die laatste hoedanigheid is satan degene die als jurist van de hemelse zaken toeziet dat alles gaat conform Gods heilige eisen. Hij is daarin in wezen een aanvulling op de vier levende wezens, met dit verschil dat de vier levende wezens willen dat alles overeenstemt met Gods heiligheid terwijl satan juist wil dat alles in strijd is met Gods heiligheid, zodat hij flink kan aanklagen – vandaar: aanklager.

Jammer genoeg heeft hij als aanklager vaak gelijk als het gaat om mensen. Zij kunnen in die hoedanigheid niet over de aarde heersen. Er moet betaald worden voordat ze dat kunnen. Niet aan satan, hij is slechts aanklager. Net zomin als een aanklager geld ontvangt van een partij die in het op aarde ongelijk wordt gesteld. Het geld moet worden betaald aan de partij die in het gelijk wordt gesteld. Het was God die door de mens van zijn eer was beroofd, niet de duivel. God had de mens gemaakt naar zijn beeld en in zijn gelijkenis. Maar de mens was verworden tot karikatuur van God. Het was daarom God die genoegdoening moest hebben.

Het is God Zelf die als Mens het Lam werd dat die genoegdoening volledig aan God betaalde. Het Lam in de troon maakt de uitvoering van Gods plannen op de troon mogelijk. Het bloed van het Lam is daarom in het binnenst heiligdom gebracht, waar God troont, niet de duivel. Doordat de mens Jezus Christus God de eer heeft teruggeven, die de mensheid Hem had geroofd, kan de volledige mensheid delen in de heerschappij die christus uit de hand van God ontvangt – ieder die tot de vrijgekochten wil behoren door geloof in Hem en zijn volbrachte werk. Mensen worden door Jezus Christus gekocht en gemaakt tot koningen en priesters. Als koningen regeren zij met Hem over de aarde. Als priesters verschijnen zij met Hem voor het aangezicht van God, zoals hier in Openbaring 4 en 5 reeds wordt gezien.

Ook de afgelopen 6000 jaar heeft de mens in zekere zin over de aarde geheerst, maar zelf was de mens niet vrij. Jezus zei: 'Ieder die de zonde doet, is een slaaf van de zonde'. Via de zonde had de duivel vat gekregen op de mensheid en heeft hij in de menselijke cultuur structuren aangebracht, die zijn grip op de mensheid al maar hebben verstevigd. Iedere ongehoorzaamheid van mensen gaf hem meer houvast op de geest van de mens en meer invloed op de loop van de geschiedenis. Daarom noemt de Bijbel hem de god van deze eeuw, de vorst van deze eeuw en is sprake van de geestelijke machten van de boosheid in de hemelse gewesten.

Er is boosheid in de onzichtbare werkelijkheid en de mensheid wordt daardoor in al zijn facetten beheerst. Daarom spreekt de Bijbel van de slavernij van de vergankelijkheid, waaruit de schepping moet worden bevrijd tot vrijheid van de heerlijkheid van de kinderen van God. Daarover zingen de vierentwintig oudsten in Openbaring 5. Zij zingen het Lam de lof toe, die deze bevrijding heeft bewerkt door het storten van zijn bloed. Aan Gods eisen is in alle opzichten voldaan. Daarmee is de aanklager tot in eeuwigheid de mond gesnoerd en is zijn grip op de mensheid doorbroken. In plaats van te regeren onder de occulte invloed van de misleider, de leugenaar en de mensenmoordenaar van de beginne, wordt vanaf de machtsovername door de Christus, waarvan Openbaring verslag doet, in alle openheid geregeerd onder heerschappij van het Lam. Beter dan Paulus kan niemand het zeggen: ‘Want als door de overtreding van de ene de dood heeft geregeerd door die ene, veel meer zullen zij die de overvloed van de genade en van de gave van de gerechtigheid ontvangen, in het leven regeren door de Ene, Jezus Christus.’

- 10 augustus 2021 -

- Laatste 2 allinea's later toegevoegd 10 augustus 20121 -


Vers 11, 12

Engelen

'En ik zag en ik hoorde een stem van vele engelen rond de troon en de levende wezens en de oudsten, en hun getal was tienduizenden tienduizendtallen en duizenden duizendtallen, en zij zeiden met luider stem: Het Lam dat geslacht is, is waard de te ontvangen de kracht en rijkdom en wijsheid en sterkte en eer en heerlijkheid en lof.'

Nadat de vier levende wezens en in hun gevolg de oudsten God als Schepper het ‘U bent waard’ hebben toegezwaaid en nadat zij daarna het Lam als Verlosser het ‘U bent waard’ hebben toegezongen, zijn nu de engelen aan de beurt. Dat zijn er geen vier of vierentwintig. Het zijn er miljoenen (? X 1.000 x ? x 1.000) en honderden miljoenen (? x 10.000 x ? x 10.000). Zet op de plek van het vraagteken een drie en men komt al op circa 1 miljard. Het is een onovertroffen openbaring die Johannes hier ontvangt. Ook in het Oude Testament lezen we over engelen maar nergens zien we dat het er zo onnoemelijk veel zijn. Pas bij de geboorte van Christus in Bethlehem blijkt sprake te zijn van 'een menigte van een hemelse legermacht'. En bij de gevangenneming in Gethsémané spreekt Jezus over 'meer dan twaalf legioenen engelen'. Dat zouden er dan meer dan 12 x 6000 = 72.000 zijn. Maar zoveel als hier, in Openbaring sprake is, welk mens had dat ooit kunnen denken? Het laat zien hoe groot God als Schepper is, net als de enorme afmetingen van het heelal, waar de mens zich ook nauwelijks een voorstelling van kan vormen.

Het aantal engelen is dermate groot, dat Johannes 'de stem' van engelen hoort en ziet. En als één engel al kan klinken als het gedruis van een menigte of als een bazuin, dan moet dit een oorverdovend spektakel zijn. Zeker omdat ze ook nog eens een luide stem opzetten. Het is zo volumineus dat Johannes de stem niet alleen hoort maar ook ziet. De engelen worden op grotere afstand van de troon gezien dan de vier levende wezens en de oudsten. Zij staan daar rondom, een onafzienbare menigte. Er bestaat een Japans koor dat met tienduizend man het koor uit de negende van Beethoven ten gehore brengt. Kijk daar eens naar en bedenk dan dat er een spreekkoor van engelen zal opstaan, geen mensen maar engelen, tienduizend van zulke gezelschappen. Het is een onvoorstelbaar groots gebeuren, waarbij alles wat mensen op aarde kunnen organiseren totaal in het niet valt.

Zij spreken het Lam niet rechtstreeks aan. Het is niet ‘U bent waard.’ Die eer is voorbehouden aan de vier levende wezens en de oudsten. Wij mensen beseffen te weinig welk een enorm voorrecht ons is gegeven om God en het Lam rechtstreeks aan te spreken. Elk gebed, dat rechtstreeks wordt gericht tot God, hoe simpel ook, tilt een mens al boven het niveau van de engelen. De engelen zeggen (niet: zingen): ‘Het Lam dat geslacht is, is waard … ‘ Opnieuw gaat het om de waardigheid van het Lam. De oudsten bezingen zijn waarde om het boek te nemen en zijn zegels te openen, vanwege het geslacht zijn, het gekocht hebben met zijn bloed, kortom, de enorme verlossing die Hij verschaft aan allen die op Hem vertrouwen en om op basis daarvan Gods plannen met zijn schepping te voleindigen. Maar de engelen noemen andere zaken als waarde. Het is een zevenvoudige waarde, die zij uitspreken:

‘Het Lam is waard om te ontvangen: (1) de kracht (2) en rijkdom (3) en wijsheid (4) en sterkte (5) en eer (6) en heerlijkheid (7) en lof.’

De lofzegging door de engelen gaat verder dan alles wat eerder in Openbaring naar voren kwam en dan alles wat nog volgt. In de aanhef van de brief zegt de apostel Johannes aan God (1) de kracht en (2) de heerlijkheid toe. In Openbaring 4 brengen de vier levende wezens aan God 'de (1) heerlijkheid, (2) eer en (3) dankzegging' toe. De vierentwintig oudsten zeggen dat God waardig is te ontvangen '(1) de heerlijkheid, (2) de eer en (3) de kracht'. De zang van de vierentwintig oudsten betreft de waardigheid van het Lam om 'het boek te nemen en zijn zeven zegels te openen' met als argument zijn morele heerlijkheid, die blijkt uit de enorme prijs van zijn bloed, die Hij betaalde voor de zijnen om te kunnen toewerken naar de heerschappij door de zijnen, samen met Hem, overeenkomstig Gods bedoelingen met zijn schepping.

De uitroep van waardigheid voor het Lam door de engelen sluit aan bij het laatste: dat het Lam aan de slag gaat voor de heerschappij van een door Hem verloste mensheid. Als we elk van deze elementen van waarde, die de engelen Hem toedichten, analyseren aan de hand van de betekenis van de grondwoorden, krijgen we het volgende:

  1. Dynamis: (a) kracht, die gelegen is in iemands natuur en die hij uitoefent, (b) kracht om wonderen te verrichten, (c) morele kracht van een perfect karakter, (d) financiële kracht (e) kracht die is gelegen in aantallen en hulpbronnen, (f) kracht gelegen in legermachten
  2. Ploutos: (a) overvloed aan bezittingen, (b)volheid, (c) iets waarmee men begiftigd is
  3. Sophia: (a) absolute, allerhoogste intelligentie van God en van Christus, (b) de wijsheid in het vormen en uitvoeren van raadsbesluiten bij het bestuur van de schepping
  4. Ischys: (a) mogelijkheden, macht
  5. Time: (a) Eer die gepaard gaat met de rang of positie die iemand bekleedt, (b) eerbied
  6. Doxa: (a) excellentie of majesteit van een allerhoogste heerser, (b) absolute perfectie van God, (c) de perfecte innerlijke volmaaktheid van Christus
  7. Eulogia: Prijs, eerbetoon, zegening, lof

Zetten we deze onderdelen van de waarde, die het Lam toekomen, op een rijtje, dan zien we daarin de uitrol van het koninkrijk, waarover de vierentwintig oudsten al zingen: ‘…en wij zullen over de aarde regeren.’ Hoe de vestiging van die regering plaatsvindt, blijkt uit de volgorde van de waarde betuiging door de meer dan een miljard engelen. Daarom volgt de luide stem van de engelen ook direct op de zang van de oudsten. Er zit een (chrono-)logische volgorde in.

De vestiging van het Godsrijk door en in mensen van zijn welbehagen, begint met ‘dynamis’, kracht, voortkomend uit allereerst de ultieme kracht van zijn Persoonlijkheid maar vervolgens ook kracht om wonderen te verrichten en kracht vanwege onbeperkte hulpbronnen. De uitoefening van deze kracht zien we plaatsvinden vanaf Openbaring 6, na het verbreken van het zesde zegel, nadat eerst sprake is van een snel toenemende chaos op aarde. Bij het verbreken van zegel zes, rekken alle schepselen opeens, met schrikogen om zich heen kijkend, hun halzen, terwijl ze tegen elkaar zeggen: ‘Wow, wat was dat?’ Het is een enorme aardbeving, die op de schaal van Richter niet langer meetbaar is en die gepaard gaat met het losmaken van kosmische krachten, die hun weerga in de geschiedenis niet kennen. Het is de eerste uiting van deze ‘dynamis’, de gigantische kracht van het Lam. Vanwege de wijde verspreiding van Bijbel en christendom door de eeuwen heen, dringt bij allen op aarde het diepe besef door, dat dit niemand anders kán zijn, dan het Lam, hetgeen zij met angstige stemmen ook toegeven, terwijl ze zich voor zijn aangezicht proberen te verbergen in de holen van de aarde.

Vanaf dat moment zien we in de bazuin- en de schaalgerichten een aaneenschakeling van uitoefening van pure ‘dynamis’ door de engelen, op basis van de kracht van het Lam. De verschijning op het aards toneel van het Lam Zelf, in Openbaring 19, maakt een abrupt einde aan alle Godonterende, God-vijandige en God-uitdagende tegenstand van spelers die we nog tegen zullen komen. Dat doet het Lam opnieuw door de uitoefening van onweerstaanbare dynamis.

Na de ‘dynamis’ volgt (2) de ‘Ploutos’, overvloed. Onder de zegenrijke heerschappij van het Lam en de zijnen, zal een enorme rijkdom aan de aarde ontspruiten, die daar al die duizenden jaren in aanwezig was maar die door de misleiding van de duivel en de zonde van de mens nimmer werd geëxploreerd. Het boek Openbaring legt sterk de nadruk op de ‘dynamis’ en laat de andere aspecten van Christus’ waardigheid heel kort even de revue passeren aan het slot van het boek, als het beeld van de vierentwintig oudsten is verwisseld voor het Nieuwe Jeruzalem, het geheel van allen die door het Lam zijn gekocht. De enorme omvang van de stad en haar bouwmaterialen laten iets zien van de enorme rijkdom, die is voorbehouden aan de heerschappij van het Lam.

Op de ‘Ploutos’ volgt (3) de Sofia, wijsheid in de uitvoering van al Gods raadsbesluiten. Het Lam is de lamp van het Nieuwe Jeruzalem, zodat de regering over de aarde met wijsheid zal worden uitgevoerd.

Daarop volgt (4) de Ischys, de mogelijkheden en de macht, waardoor een einde zal komen aan alle vervloeking. De bladeren van de boom van het levens, groeiend aan de rivier van water des levens, die uitgaat van de troon, die in het Nieuwe Jeruzalem staat, zullen zijn tot genezing van de volken.

Daarop volgen (5) de eer en (6) de heerlijkheid, die door de natiën van de aarde binnen het Nieuwe Jerzualem zullen worden gebracht. De natiën van de aarde zijn dan eindelijk bevrijd van de misleiding van de duivel, waarvan de organisatie van de ‘Verenigde Naties’ thans het voorlopig treurig dieptepunt vormd, dat alleen nog overtroffen zal worden door de tyrannie van het beest. De tijd zal komen dat de naties van de aarde hun eer en heerlijkheid zullen brengen naar het Nieuwe Jeruzalem.

Tot slot volgt (7) de lof, die wordt geuit door alle schepselen. Daarover lezen we niet in de laatste hoofdstukken van Openbaring met wel in het vervolg van hoofdstuk 5. Daarom lijkt dit hoofdstuk ook verder te rijken dan het slot.

Als we de lof van de engelen hier in Openbaring 5 vergelijken met die in Lukas 2, bij de geboorde van onze Heer en Heiland, dan zijn er duidelijke verschillen. Daar klonk het bekende, met kerst zo vaak ten gehore gegeven spreekkoor: 'Ere zij God in de hoge en vrede op aarde, in mensen van zijn welbehagen.' Het grote woord dat in Openbaring 5 ontbreekt is 'vrede'. Dat heeft te maken met het enorme verzet dat de mensheid in haar navolging van de duivel al 2000 jaar aan de dag legt tegen een regering door Christus. In de hoofdstukken 2 en 3 blijkt die vijandigheid uit alles, niet alleen vanuit de wereld die Hem heeft verworpen maar zelfs vanuit een Kerk, die belijdt Hem te dienen. Die Kerk glijdt - zo zagen we in Openbaring 2 en 3 - ondanks alle vernieuwing die Gods Geest een aantal keren geeft, volledig af naar een toestand van Laodicea, zo lauw dat Jezus het uit zijn mond moet spuwen, en uiteindelijk zinkt zij nog dieper richting het afvallige Babylon van Openbaring 17 en 18.

Bij zo'n diep gezonken mensheid hoort geen 'vrede' maar een grondige reinigiging door een enorme manifestatie van kracht. In wezen luidt de zang van de engelen in Openbaring: 'kracht in de Mens van Gods welbehagen en eer op aarde aan de Mens van Gods welbehagen.' Want ten diepste is er Eén Mens van Gods welbehagen, Jezus Christus en 'wij zijn aangenaam gemaakt in Hem'.  

- 11 augustus 2021 -


Vers 13, 14

Elk schepsel

'En elk schepsel dat in de hemel en op de aarde en onder de aarde en op de zee is, en alles wat daarin is, hoorde ik zeggen: Hem die op de troon zit, en het Lam, zij de lof en de eer en de heerlijkheid en de macht tot in alle eeuwigheid. En de vier levende wezens zeiden: Amen. En de oudsten vielen neer en aanbaden Hem die leeft tot in alle eeuwigheid.'



Deze twee verzen van Openbaring behoren tot de moeilijkste van de gehele Bijbel. Het boek is namelijk hoofdzakelijk chronologisch opgebouwd. Maar het kan bijna niet anders of de chronologie wordt hier losgelaten. De lof van ‘elk schepsel in de hemel, op de aarde en onder de aarde, op en in de zee’ staat namelijk in zeer schril contrast met wat volgt in de hoofdstukken 6 tot 19. Daar lezen we van getuigen die omwille van hun getuigenis en omwille van het woord van God wreed gedood worden, van mensen die zich ondanks alle oordelen van God over de aarde niet bekeren van de werken van hun handen, van aardbewoners die zich verblijden over de dood van twee getuigen, over een beest dat God en alles wat met Hem te maken heeft lastert, over een beest dat de gehele aarde misleidt en de hele wereld dwingt dat eerste beest te aanbidden, over mensen die meegaan in die aanbidding en om die reden gepijnigd worden, waarvan de rook tot in eeuwigheid opstijgt, over mensen die de Naam van God lasteren vanwege de plagen, en die zich niet bekeren om Hem eer te geven. En zowel aan het begin als aan het eind van de duizendjarige regering van Christus is er strijd. Weliswaar is die strijd van korte duur maar ze is er en duidt op heftig verzet tegen ‘Hem die op de troon zit en het Lam.’

De sleutel tot het begrijpen van deze verzen is gelegen in wat eraan vooraf gaat: de weergaloze aanbidding van de miljarden engelen. Deze aanbidding, die haar oorsprong vindt in de hemel, sleept vervolgens allen in de hemel mee en daarna ook allen op aarde en zo verder. Maar de aanbidding van de engelen grijpt vooruit naar de overwinningen van het Lam. Het begint met zijn kracht. Die kracht manifesteert zich in de oordelen, die aan het Godsrijk vooraf gaan. In verband daarmee wordt het heftige verzet van de mensheid tegen God beschreven, waarover we lezen in de hoofdstukken 6 tot en met 19 van Openbaring – tot lasteringen aan toe. Maar daarna volgen rijkdom, wijsheid, sterkte, heerlijkheid en eer en ten slotte lof. Die lof wordt losgemaakt door alles wat het Lam gaat bewerken en dan kan geen schepsel meer heen om het feit dat God ‘waard is te ontvangen’.

Dat de chronologie hier wordt losgelaten kan afgeleid worden uit het feit dat Johannes, na de weergave van het ontzaglijke engelenkoor, niet begint met ‘en ik zag’ of ‘en ik hoorde’. In plaats daarvan begint hij de reikwijdte aan te duiden van wat er volgt: ‘En elk schepsel in de hemel…’ en pas daarna volgt: ‘hoorde ik zeggen’. Johannes is als het ware overdonderd door de enorme bijval die het engelenkoor vanuit de hele schepping ontvangt, een enorm allesomvattend geluid dat vanuit een verre toekomst zijn gehoor bereikt en wat in gang is gezet door de engelen en ten diepste door het verbreken van de zegels, waarmee alles begon.

Twee belangrijke vragen die opkomen bij het lezen van deze twee laatste verzen van Openbaring vijf zijn:

(1) Hoe groot is de reikwijdte van de toegebrachte lof?

(2) Wanneer wordt de lof toegebracht?

De lof waartoe de honderden miljoenen engelen oproepen, wordt beantwoord door een lof zegging door een onvoorstelbaar grote menigte. ‘Al wat adem heeft, love de Heer’, luidt Psalm 150. Maar hier is het niet alleen ‘alles wat adem heeft’ maar ‘alles’. Alles wat geschapen is. Elk schepsel. Het woord voor ‘schepsel’, dat hier wordt gebruikt, komt in deze vorm nog slechts één keer voor: ‘Want elk schepsel van God, is goed en niets is verwerpelijk, wanneer het onder dankzegging aanvaard wordt.’ Het gaat daar over het eten van voedsel. Als zelfs de levenloze natuur God begint te loven, dan is sprake van gebeurtenis van enorme proporties. Mogelijk verwees Jezus hiernaar, toen Hij tijdens de intocht in Jeruzalem tegen de Farizeeën zei: Lukas 19:40 ‘ Ik zeg u dat de stenen zouden roepen, als dezen zouden zwijgen.’ Deze aanbidding is ook uitgestrekter dan waar Paulus op doelt als hij schrijft dat ‘in de naam van Jezus zich elke knie buigt, van hen die in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn en elke tong belijdt dat Jezus Christus Heer is tot heerlijkheid van God de Vader.’ Niet alleen wat knieën en een tong heeft maar elk schepsel – alles doet mee in de aanbidding van het slot van Openbaring 5. Bovendien worden door Openbaring ook nog 'op en in de zee' genoemd. De aanbidding waar het slot van Openbaring 5 op doelt, is niet alleen veelomvattend in de typen schepselen die eraan deel hebben maar ook in de ruimtelijke uitgebreidheid.

  • In de hemel
  • Op de aarde
  • Onder de aarde
  • Op de zee
  • In de zee

In de hemel en op de aarde en onder de aarde kon niemand gevonden worden die waard was het boek en zijn zegels te openen. Dat kon alleen het Lam. Nadat het Lam dit heeft gedaan en eerst oudsten en daarna de engelen hebben laten zien wat de grondslag en het doeleinde is van de waardigheid van het Lam, komt opnieuw alles in de hemel, op de aarde en onder de aarde in beeld. Voor alles wat zich daar bevindt, blijft er niets anders over dan Degene die Gods plannen als Enige tot voltooiing kon brengen, de lof toe te zwaaien.

Het woord voor ‘hemel’ is hier hetzelfde als in heel Openbaring 4 en 5. Het betreft de woonplaats van God en de engelen. Hoewel al is gezegd dat miljarden engelen ‘waardig is het Lam’ roepen, wordt hier nogmaals elk schepsel ‘in de hemel’ genoemd. De miljarden engelen werden gezien rond de troon. Zij bevinden zich in de ondenkbaar grote troonzaal van God. Maar de hemel heeft mogelijk meer zalen en vertrekken en afdelingen. Wij hebben geen idee van de enorme uitgestrektheid van de onzichtbare werkelijkheid. Hier wordt heel even een tipje van de sluier opgelicht. De engelen, oudsten en al wat verder nog meer de hemel bevolkt, nemen deel aan de laatste algemene lof zegging. Maar ook alles op aarde, dat is begrijpelijk en dan ‘onder de aarde’. Dit duidt op zaken als de afgrond, een zeer lage plaats in de onzichtbare werkelijkheid, waar gevallen engelen gevangen worden gehouden en waar satan gevangen zal worden gezet. De demonen smeekten Jezus hen niet ‘in de afgrond te sturen’. Zelfs de demonen mengen zich in deze universele lof. Het is de voortzetting van waar de discipelen het eerste begin van zagen, toen ze zeiden: ‘Heer, zelfs de demonen zijn ond onderworpen in uw naam.’ Het doet denken aan wat de demonen roepen als ze door Jezus worden uitgedreven: 'U bent de heilige van God' en 'U bent de Christus, de Zoon van God'. Het zijn gevallen engelen die ooit God het 'heilig, heilig, heilig' toe riepen. Bij het zien van Jezus en zijn overwinningen, komt er iets van die oude glorie in hen terug.

De vraag is waar het heelal, de onmetelijke ruimte met de miljarden sterrenstelsels, elk weer met miljarden sterren toe behoort. Het wordt hier niet eens genoemd maar zou begrepen kunnen zijn in het ‘in de hemel’, omdat engelen meer dan eens in de bijbel worden gekoppeld aan sterren. Het zou kunnen, maar dat is speculeren, dat het zichtbare heelal niets anders is dan een schaduw van de tronen, heerschappijen, overheden en machten in de onzichtbare hemelse werkelijkheid. Dat zon, maan en sterren begrepen zijn in deze kosmische aanbidding, is ook op te maken uit Psalm 148. ‘Halleluja! Loof de HEERE vanuit de hemel, loof Hem in de hoogste plaatsen. Loof Hem, al Zijn engelen, loof Hem, al Zijn legermachten. Loof Hem, zon en maan, loof Hem, alle lichtende sterren. Loof Hem, allerhoogste hemel, en water dat boven de hemel is.’

Verder worden in deze Psalm ook opgeroepen tot lof zegging; de zeemonsters, alle diepe wateren, vuur en hagel, sneeuw en damp, stormwind, bergen, heuvels, vruchtbomen, ceders, wilde dieren en vee, kruipende dieren en gevleugelde vogels, koningen, vorsten, rechters, man en vrouw, jong en oud.

De tweede vraag betreft het moment waarop deze schepping-brede aanbidding zal aanvangen. We zagen al dat de lof die gebracht wordt door de engelen een hele korte beschrijving is van de duizendjarige regering van Christus. Die begint met een enorme explosie van kracht in de oordelen over het systeem dat satan in Gods schepping heeft ingebouwd. Tevens worden daarbij alle instrumenten, die zich door satan hebben laten gebruiken, uitgeschakeld. De heerschappij van Christus eindigt na duizend jaar met het teniet doen van de laatste vijand, de dood. Daarna zal Christus de heerschappij terug geven aan God en onderworpen zijn aan God. God zal, met de mensen die door Hem zijn gered, alle dingen nieuw maken en dan zal God zijn alles en in allen, tot in alle eeuwigheid.

Er zijn twee zaken in de lof van Openbaring 5, die erop wijzen dat, de universele lof van de laatste twee verzen nog de oude schepping betreft, nadat die door God is onderworpen aan de Zoon en nadat de Zoon – op de dood na – alle vijanden teniet heeft gedaan. Die twee zaken, die duiden op een oude en niet op de nieuwe schepping, zijn de schepselen op en in de zee en de schepselen onder de aarde. Allereerst kijken we naar schepselen op en in de zee. Aan het slot van de geschiedenis van hemel en aarde, ziet Johannes een grote witte troon. Voor Degene die daarop zit vluchten de aarde en de hemel weg en er wordt geen plaats voor hen gevonden. Alles wat vijandschap was tegen God wordt vernietigd in de poel van vuur. Kort daarna ziet Johannes een nieuwe hemel en een nieuwe aarde ‘want de eerste hemel en de eerste aarde zijn voorbijgegaan'. 'En de zee was niet meer.’ In de nieuwe hemel en aarde is geen zee meer. Als er geen zee meer is, kan ook geen sprake meer zijn van schepselen op en in de zee.

Dan wordt in de lof van Openbaring 5 nog gesproken over schepselen onder de aarde, wat zou kunnen slaan op de afgrond, waar demonen worden opgesloten. Ook voor satan komt het moment, dat hij in deze afgrond word geworpen, aan het begin van de duizendjarige regering van het Lam. We weten niet wanneer het moment komt dat ook satan de lof van Openbaring 5 in de mond zal nemen. Maar dat het zal gebeuren is zeker. Het staat hier: ‘elk schepsel onder de aarde.’ Maar dan kan het niet gaan om de nieuwe hemel en de nieuwe aarde want bij de oprichting daarvan is de satan in de poel van vuur. Niet alleen zal er geen zee meer zijn maar al helemaal geen plaats ‘onder de aarde’. Er is geen ‘afgrond’ meer. De afgrond, de plek onder de aarde hangt overigens samen met de zee. De eerste paar keer dat we de uitdrukking ‘onder de aarde’ tegenkomen is in verband met het gebod geen beelden te maken van schepselen, ook niet van wat ‘in het water onder de aarde is’. Van het ‘beest uit de zee’, in Openbaring 13, wordt in Openbaring 11 en Openbaring 17 gezegd dat het ‘uit de afgrond’ opkomt. In de nieuwe schepping hebben satan en zijn demonen geen enkele plaats, ook niet ‘onder de aarde’.

De toon van de lof is vlak en zakelijk. In Openbaring 4 noemde de vier levende wezens God: ‘Heer, God, de Almachtige, die was en die is en die komt’. In Openbaring 5 noemden de engelen het Lam: ‘het Lam dat geslacht is’. Maar in de laatste twee verzen van Openbaring 5 wordt alleen gezegd: ‘Hem die op de troon zit en het Lam’. Het zijn zeer officiële aanduidingen. Het lijkt erg op de uitspraken, met name van de grote invloedrijke personen op aarde, die schrikken van de enorme aardbeving bij het verbreken van het zesde zegel. Dan zegt men: ‘…verberg ons voor het aangezicht van Hem die op de troon zit en voor de toorn van het Lam….’ Hier in Openbaring 5 klinkt in Johannes' oren de lof die aan deze zelfde schepselen zal ontspruiten nadat alle toorn van het Lam heeft gewoed en het Lam ontegenzeggelijk heeft getriomfeerd. Geen enkel schepsel kan meer ‘om God heen’ en ook niet ‘om het Lam’, zo volkomen is de overwinning die het Lam uit naam van God heeft behaald. Aan schepselen die zich tot dan toe niet vrijwillig hebben willen onderwerpen aan God, wordt aanbidding afgedwongen. Het is als na een tenniswedstijd, waarbij de verliezer meerdere tennisrackets tegen de grond heeft gesmeten en verwensingen naar het hoofd van de scheidsrechter heeft geroepen maar er uiteindelijk toch niet omheen kan om de winnaar over het net even kort de hand te schudden en dan snel te verdwijnen naar de kleedkamer.

Psalm 66 is hier van toepassing:

Juich voor God, heel de aarde!
Zing psalmen voor Zijn heerlijke Naam,
geef Hem lof en eer. Geef Hem lof en eer
Zeg tegen God: Hoe ontzagwekkend bent U in Uw werken!
Om de grootheid van Uw macht veinzen Uw vijanden dat zij zich aan U onderwerpen.
Laat heel de aarde zich voor U neerbuigen en voor U psalmen zingen,
laat zij voor Uw Naam psalmen zingen. Sela

De lof zegging door de gehele schepping begint waar die van de engelen eindigde, met lof. Het is bijna de omgekeerde volgorde. Lof, eer, heerlijkheid en macht. Wat ontbreekt ten opzichte van de lof door de engelen zijn ‘rijkdom’ en ‘wijsheid’. Dat heeft er mogelijk mee te maken dat die rijkdom en wijsheid reeds alom zichtbaar zijn – in de duizendjarige heerschappij van het Lam. Eer en heerlijkheid zijn aspecten van de lof, die – althans gedeeltelijk – door mensen uit vrije wil aan God kunnen worden gegeven en deze worden in het duizendjarig rijk door de volken aan God en het Lam gebracht. De lof eindigt met ‘macht’, wat sterk overeenkomt met ‘kracht’, waarmee de lofzang door de engelen begon. Het woord kan echter ook vertaald worden met ‘heerschappij’.

Eindelijk is het moment gekomen dat, door het werk van het Lam, de gehele bestaande schepping onder de zegenrijke heerschappij van God Zelf is gekomen. Het koninkrijk van God, waarom Jezus zijn discipelen reeds leerde bidden, is eindelijk aangebroken. Allen die zich tot het einde toe tegen God hebben verzet, zijn overwonnen en moeten toegeven dat alle macht toebehoort aan God en het Lam. Alle aardse stervelingen die ooit macht bezaten zijn in mindere of meerdere mate door die macht gecorrumpeerd. Het effect van macht op de mens is dermate sterk, dat sprake is van een wetmatigheid: ‘macht corrumpeert’. Eindelijk behoort de macht toe aan God en het Lam, die op geen enkele manier ooit zullen toestaan dat macht ook maar de geringste invloed zou hebben op hun heilig karakter. De lof eindigt met ‘tot in alle eeuwigheid’. Letterlijk staat er eeuwen eeuwen. Deze uitdrukking komt in totaal twintig keer voor in het Nieuwe Testament. De term lijkt te duiden op een eindeloze reeks opeenvolgende tijdperken. Net zoals de duizenden duizenden en tienduizenden tienduizenden duidde op ontelbare groepen engelen. Nooit, in geen enkel toekomstig tijdperk, zullen lof, eer, heerlijkheid en macht ontbreken aan Hem die op de troon zit en het Lam.

Na de lof die door alle schepselen wordt gebracht aan God, horen we de vier levende wezens ‘amen’ zeggen. De vier levende wezens, die in Openbaring 4 ‘dag en nacht geen rust hadden en zeggen ‘heilig, heilig, heilig, Heer, God, de Almachtige, die was, die is en die komt’, zien de heiligheid van Hem die op de troon zit volkomen bevestigd en in plaats van ‘heilig, heilig, heilig’, kunnen ze zeggen: ‘amen’ op de lof vanuit de hele schepping. Door het werk van Christus en de heerlijke gevolgen daarvan in de verlossing van de schepping, is aan alle eisen van Gods heiligheid voldaan. Tot slot worden de oudsten genoemd. Door de genade van God hebben zij inzage in Gods raadsbesluiten en zij aanbidden Hem.

Mogelijk moet Openbaring 5 gezien worden als intermezzo in Openbaring 4. Daar staat namelijk een gedeelte in de toekomende tijd: ‘wanneer de levende wezens heerlijkheid en eer en dankzegging zullen geven aan Hem die op de troon zit…’. De vraag is wanneer dit het geval zal zijn. Die aanbidding is nog niet gekomen in de aanbidding van de oudsten van 5:9, 10, want de levende wezens zijn niet, zoals daar wordt gezongen, gekocht met het bloed van het Lam. Ook behoren ze niet tot de engelen en hun lofzang van 5:12 – de levende wezen zijn geen engelen. Maar het moment van lof door de levende wezens is mogelijk wel gekomen in het ‘amen’ op de lofzang van de schepping. De levende wezens ‘beamen’ op dat moment de lof, eer, heerlijkheid en macht, die de schepping aan de Schepper toedicht. De aanbidding van de oudsten bestaat dan uit het werpen van hun kronen en de verheerlijking van God als Schepper. Maar er is door Openbaring 5 nog een element aan toegevoegd, namelijk de verlossing door het Lam.

- 16 augustus 2021 -

openbaring

van Jezus Christus

Openbaring 6