Hoofdstuk 4

Vers 1

Een Deur in de Hemel

'Hierna zag ik, en zie, een deur was geopend in de hemel, en de eerste stem die ik gehoord had als van een bazuin, die met mij sprak, zei: Kom hier op en Ik zal u tonen wat hierna moet gebeuren.'


Met hoofdstuk 4 begint een nieuwe afdeling in het boek. Het is de derde en laatste afdeling van Openbaring. De driedeling van het boek is door Jezus Zelf al gegeven in de inleiding met zijn verschijning in heerlijkheid aan Johannes. De opdracht die Hij daar geeft aan Johannes is zeer eenvoudig en helder: ‘Openbaring 1:19 Schrijf nu op wat u hebt gezien, en wat is, en wat hierna zal geschieden.’ Het ‘wat is’ zijn de zeven gemeenten, die op dat moment bestonden maar die tevens een weergave zijn van de kerkgeschiedenis gedurende het huidige tijdvak. Dat is de periode van de gemeente uit de volken, die al was begonnen toen Johannes de profetie van het boek Openbaring ontving.

Na de afsluiting van de periode van de gemeente uit de volken, start er een nieuw tijdvak, waarin God zijn plannen met het volk Israël voortzet. Gedurende de eerste circa zeven jaar van dit tijdvak is de gemeente verplaatst naar de hemel. Het is dus een periode ‘na’ de periode van de gemeente, vandaar dat het eerste vers van hoofdstuk 4 tot twee keer het woord ‘hierna’ noemt.

We lezen in het eerste vers een symbolische verwijzing naar de manier waarop de gemeente uit de wereld zal worden weggenomen. Een deur is geopend in de hemel en een stem als een bazuin klinkt, die zegt ‘Kom hier, omhoog…’. Bij de opname van de gemeente is eveneens sprake van ‘een bazuin’, van ‘een deur in de hemel’ en een ‘omhoog komen’. Het is ‘de bazuin van God’, ‘de wolk van Gods heerlijkheid’, die de deur is naar de hemel en het ‘opgenomen worden, de Heer tegemoet in de lucht’.

De geopende deur in de hemel is resultaat van het werk van Jezus. Hij heeft alle sleutels. De sleutels van de dood en de hades, de sleutel van David, de sleutels van het koninkrijk der hemelen. Die laatste gaf Hij aan Petrus en die gebruikte ze meermalen in het kader van de uitbreiding van de gemeente, eerst richting Samaria met de uitstorting van de Geest in Handelingen 8 en later richting alle volken van de aarde met de uitstoring van de Geest in Handelingen 10.De sleutels van de dood en de hades zullen door Jezus worden gebruikt in de dodenopstanding, eerst bij de opname van de gemeente, daarna bij zijn terugkeer op aarde en ten slotte na zijn duizendjarige regering. De sleutel van David en de geopende deur die Hij gaf in Filadelfia had te maken met nieuw zicht op de positie van de gemeente en op de positie van Israël en het belangrijke onderscheid daartussen, dat helaas in de tijd van Laodicea weer volledig aan het verwateren is maar na de opname van de gemeente opnieuw overduidelijk zal worden door Gods handelen met Israël.

Typisch is dat de Bijbel nergens sleutels noemt van de hemel. De sleutels van het koninkrijk der hemelen, die Petrus van Jezus ontving, worden in Katholieke opvattingen gezien als sleutels van de hemel, alsof Petrus bij de hemelpoort staat en bepaalt wie wel of niet naar binnen gaat. Dit is een dwaalleer. Het koninkrijk der hemelen heeft niets met de hemel als woonplaats van God in de hoge te maken maar slaat op de heerschappij van God op aarde. Het is het koninkrijk op aarde, waarbij ‘de hemelen’ regeren en alles zal worden bestuurd op basis van hemelse principes. De bedoeling was dat dit door de volgelingen van Jezus zou worden vorm gegeven, waarvan Petrus de vertegenwoordiger was. Maar wat ooit goed begon is onder menselijke verantwoordelijkheid, zoals met alles wat God de mens toevertrouwd, verworden tot een grotendeels wanstaltig bouwwerk, waarin Gods principes hopeloos zijn vermengd met menselijke gedachten en opvattingen.

Dat het rijk Gods geen hemel op aarde zou worden, is door Jezus al voorspeld in de bekende gelijkenissen van Mattheüs 13, waarin hij het ‘koninkrijk der hemelen’ vergeleek met een akker, waarin goed zaad maar ook onkruid wordt gezaaid, met drie maten meel die vermengd worden met zuurdeeg (beeld van het kwaad door heel het Oude Testament) en met een mosterdzaadje, dat uitgroeit tot een enorme boom, met takken, waarin de ‘vogels van de hemel’ (op veel plaatsen in de bijbel een aanduiding voor negatieve geestelijke machten) komen nestelen. Ook Paulus sprak van een fundament dat hij had gelegd en waarop anderen zouden voortbouwen en hij waarschuwt: 'Ieder zie toe hoe hij daarop bouwt'. En dan noemt hij verschillende materialen waarvan sommige vuurbestendig zijn maar andere niet. Er kan in het Godsrijk op aarde dus gebouwd worden met zaken die het vuur van Gods oordeel niet kunnen doorstaan. In de zeven brieven van de hoofdstukken 2 en 3 hebben we ook kunnen vaststellen hoe exact Jezus de teleurstellende loop van de geschiedenis voor zijn gemeente heeft voorzien.

Met betrekking tot de hemel wordt nergens in de bijbel gesproken over sleutels. Jezus heeft in de hemel een geopende deur achtergelaten. Wel lezen we in Hebreeën over de toegang tot het heiligdom, dat een beeld is van de hemel. Wij hebben toegang ‘door het voorhangsel heen, dat is zijn vlees’. Het voorhangsel was het gordijn dat in de tabernakel en later in de tempel voor het Heilige der Heiligen hing, de woonplaats van God, een schaduw van de hemel. Op dat gordijn waren cherubs geweven, de engelen die de toegang tot de boom des levens na de zondeval moesten bewaken. Dat gordijn scheurde van boven naar beneden op het moment van Jezus’ sterven. Door zijn verbroken lichaam heen is er voor ieder die in Hem gelooft, toegang tot de hemel. Hij noemt Zichzelf de 'deur van de schapen'. Wij mogen 'door Hem 'de stal' binnengaan. Dat is in eerste instantie het geheel van alle gelovigen maar daarna de hemel waar die gelovigen uiteindelijk in de opname naar worden verplaatst. Jezus is als eerste Mens de hemelen doorgegaan en heeft zich gezet aan de rechterhand van de Majesteit in de hoge. Hij is als hogepriester naar de orde van Melchizedek (een andere dan die van Aäron, geen tijdelijke maar een eeuwige) ingegaan in het binnenste heiligdom in de hemel, achter het voorhangsel. Daar ligt onze hoop als anker van de ziel. Onze hoop is eens daar te zullen zijn waar Hij is. Daarop slaat die ‘geopende deur in de hemel’, die Johannes hier binnengaat.

Uit het verband blijkt dat de stem van een bazuin hier in Openbaring slaat op de stem van de engel, die de Openbaring aan Johannes doorspeelt. Eerder zagen we de trap met vier treden: God – Jezus – zijn engel – Johannes. In het eerste hoofdstuk verneemt Johannes twee verschillende stemmen: een stem als een bazuin, die afkomstig is van de engel (Openbaring 1:11a is waarschijnlijk niet authentiek – overigens spreekt de engel hier namens Jezus), en een stem als het geluid van vele wateren, die afkomstig is van Jezus. De eerste stem, die van de engel, klinkt aan het begin van deze derde afdeling van het boek opnieuw. Het is de engel die aan Johannes alles laat zien.

De stemmen van de engel en van Jezus zijn zelfs voor Johannes moeilijk uit elkaar te houden want aan het eind van het boek, in hoofdstuk 22, wil hij in aanbidding neervallen voor de engel die hem alles laat zien. Die wijst hem echter terecht en beveelt hem dat niet te doen, omdat hij ook een dienstknecht is, net als Johannes. Enkele verzen verderop horen we Jezus zeggen: ‘Zie Ik kom spoedig en mijn loon is bij Mij. Ik ben de Alfa en de Omega….’ En weer iets verder: ‘Ik Jezus heb mijn engel gezonden om bij u de gemeenten deze dingen te getuigen.’ Het boek maakt dus nadrukkelijk onderscheid tussen Jezus en de engel.

- 8 juli 2021 -


Vers 2

De Troon

'Terstond kwam ik in de Geest; en zie, een troon stond in de hemel...'


Letterlijk begint vers 2 met ‘ik kwam in de Geest’. Dat is exact dezelfde uitdrukking als aan het begin van het boek, waar Johannes voor het eerst de stem als van een bazuin hoort, de stem van de engel, die hem de Openbaring doorgeeft. Het verschil is dat hij aan het begin van het boek eerst in de Geest komt en daarna de stem hoort. Daar was het: eerst zien en daarna horen. Hij kwam in de Geest en daarna hoorde hij de stem van de engel. Hij zag Jezus en vervolgens ontvangt hij schrijfinstructies voor de gemeenten. In deze derde afdeling van het boek, die gaat over ‘wat hierna moet gebeuren’, hoort Johannes eerst de stem van de bazuin en direct daarna komt hij ‘in de Geest’. Het is: eerst horen, daarna zien. De nadruk ligt in dit derde deel van Openbaring op wat Johannes allemaal te zien krijgt. Telkens klinkt het 'en ik zag'.

Er staat dat Johannes ‘in de Geest komt’. Dat wil zeggen dat hij voor enige tijd ‘niet in de Geest’ was. Nadat de laatste zin uit de mond van Jezus ‘Wie een oor heeft, laat hij horen wat de Geest tot de gemeenten zegt’, geklonken heeft, kreeg Johannes eerst de gelegenheid om de brieven daadwerkelijk te schrijven of zijn schrijfwerk te ordenen. Zo luidde immers bij iedere van de zeven gemeenten de opdracht: ‘Schrijf aan de engel van de gemeente in ….’ Gezien het ‘Hierna’, waarmee hoofdstuk 4 begint, is er een korte tijd verlopen na het einde van hoofdstuk 3. Dan hoort Johannes opnieuw de stem als een bazuin van de engel en direct is hij weer in de Geest.

Die uitdrukking ‘in de Geest’ houdt in dat Johannes een onzichtbare werkelijkheid betrad, die in wezen reëler is dan de zichtbare wereld. Hij kreeg daar te zien wat er in een zeer verre toekomst – weten we nu – zou gaan plaatsvinden, een toekomst waarvan velen nu denken dat die aanstonds kan beginnen. Dat de onzichtbare werkelijkheid reëler is dan de zichtbare wereld, wordt door de Bijbel zelf aangegeven: ‘De dingen die men ziet, zijn tijdelijk maar de dingen die men niet ziet, zijn eeuwig’. De materiële wereld met de dimensies van ruimte en tijd wordt voortgebracht vanuit de onzichtbare wereld van de Geest. Om die reden stelde CS Lewis de hemel in zijn boek ‘De Grote Scheiding’ voor als veel substantiëler, harder en ondoordringbaarder dan de ‘weke’ aardse materie.

Centraal in alles wat Johannes ziet, staat een troon. Die troon is het meest centrale en daardoor het meest opvallende in de hemel en daarom is de troon het eerste dat Johannes opvalt. Het hele boek Openbaring, alles wat in hemel en op aarde staat te gebeuren, gaat uit van deze troon. De troon van God is het begin en het einde van alle dingen. Toen Pilatus tegen de reeds zwaar gegeselde Jezus zei: ‘Spreekt U niet tegen mij? Weet U niet dat ik macht heb U los te laten en macht heb U te kruisigen?’, was het antwoord van Jezus: ‘U zou geen enkele macht tegen Mij hebben als het u niet van boven was gegeven….’ Pilatus ontving zijn macht vanuit de troon van God. Hij stond tegenover Degene die hem die macht gaf, het Lam in de troon. Jezus had de Vader kunnen vragen om twaalf legioenen engelen en het was voorbij geweest met de mensheid, die op het punt stond de Schepper van hemel en aarde te kruisigen. Alle macht die mensen hebben, is hun toegestaan vanuit de troon. Dat is iets dat bij alle verschrikkingen, die in de rest van het boek nog volgen, voortdurend voor ogen moet worden gehouden: er gebeurt helemaal niets buiten de troon van God.

Wat opvalt, is dat vrijwel alles wat Johannes schrijft in de verleden tijd staat. Zo begint het hier ook: ‘Een troon stond in de hemel en er zat Iemand op de troon…’ en zo gaat het verder – tot aan vers 8, waar de werkwoordsvorm overgaat in de tegenwoordige tijd. Die werkwoordsvorm is erg belangrijk maar men leest er snel overheen. De verleden tijd duidt de volledige, 100%, zekerheid van wat nog gaat gebeuren. Het is alsof er staat: hier kun je niet omheen, accepteer het nou maar. Zo is het en niet anders. De toekomst wordt voorgesteld als een verleden, dat ‘gestold’ of ‘bevroren’ is en volledig vast ligt.

Johannes is 'in de Geest' en ziet daarom de dingen vanuit Gods perspectief. Voor God is er geen verschil tussen verleden, heden en toekomst. Hij heeft de schepping in al haar dynamiek tot stand gebracht met alles wat nog zou gebeuren want Hij is God, verheven boven de tijd. Hij is niet zoals wij, die voortschrijden op een tijdlijn. Wij zijn beperkt en kunnen wel zien wat in het verleden ligt – maar we kunnen daar niets aan veranderen. En we kunnen wel invloed uitoefenen op de toekomst – maar we kunnen daar nog niets van zien. Wij zijn beperkte mensen, die 'gevangen' zijn in de tijd. Maar Hij is God, die de tijd heeft geschapen, de tijdelijke werkelijkheid, die wij ‘heelal’ noemen. Dat heelal bevindt zich in God. Hij brengt het voort, alle duizenden jaren dat het bestaat, vanuit zijn eeuwig Wezen – als één ongelofelijk gecompliceerd, voor mensen ondoorgrondelijk werk, met al haar eigenschappen en wetmatigheden en met een tijdlijn voor de schepselen, die in een heden voortdurend vanuit een verleden op weg zijn naar een toekomst. God Zelf echter, bevindt zich niet op een dergelijke tijdlijn, ook niet één in de hemel want alle tijd, in hemel en op aarde, bestaat in Hem.

Hij omvat alles, de zichtbare en onzichtbare werkelijkheid, met al haar bestuurslagen, de tronen, heerschappijen, overheden en machten. Daarom is alles in de werkelijkheid voor God gelijk aan het verleden, volledig bekend. Maar omdat Hij Schepper is, ligt het verleden voor Hem in het geheel niet vast, zoals voor ons. Het tijdelijke universum wordt immers voortdurend onder zijn scheppende handen gecreëerd, in wisselwerking met de triljarden menselijke beslissingen die dagelijks worden genomen. Hoe Hij – ondanks de vrije wil van de mens - tegelijkertijd alles vooraf kan bepalen en weten, is een voor ons ondoorgrondelijk mysterie en reikt over de grens van het voor ons kenbare. Het zou iets te maken kunnen hebben met het wezen van de tijd.

Omdat alles in Openbaring verband houdt met de troon, is het van belang de voorzetsels die in relatie tot de troon worden gehanteerd goed in de gaten te houden. ‘Iemand zit op de troon…’ Er wordt niet gezegd: ‘God’ maar ‘Iemand’. De reden is dat niemand ooit God heeft gezien. Tegen Mozes zei God: geen mens zal Mij zien en leven. Wel mag Mozes de HEERE van achteren zien. Dat lijkt hier ook het geval. Johannes ziet wel ‘Iemand’ op de troon maar het aangezicht kan hij niet zien.

De uitdrukking ‘op de troon' wordt uitsluitend gebruikt in verband met God Zelf. Verder is het steeds ‘voor’, ‘rondom’ en ‘in’ de troon maar nooit ‘op’, behalve waar het gaat om God. Meestal is het ‘Hem die op de troon zit’. Slechts twee keer ‘God, die op de troon zit’. Hoe de troon eruit ziet wordt nergens vermeld, behalve bij de opstanding ten oordeel, als na de duizendjarige regering van Christus, alle doden, die geen deel hadden aan de eerste opstanding, opstaan om geoordeeld te worden. Dan is sprake van een grote witte troon en Hem die erop zit. Maar steeds is het dezelfde troon, die van God.

- 9 juli 2021 -


Vers 3

‘Die daarop zat…’

‘En die daarop zat, was van aanzien als een jaspis- en sardiussteen gelijk.’


Degene, die op de troon zit, wordt vergeleken met twee verschillende stenen. We kijken eerst waar in de Bijbel deze stenen nog meer voorkomen.

Beide stenen, de jaspis en de sardius, komen voor in drie verschillende verbanden:

  1. De twaalf stenen in de borstplaat van de hogepriester van Israël, jaspis was de twaalfde steen en sardius de eerste.
  2. De negen stenen van de beschuttende cherub die schuil gaat achter de koning van Tyrus, Jaspis was de zesde steen en sardius de eerste.
  3. De beschrijving van het nieuwe Jeruzalem, dat neerdaalt van God uit de hemel, jaspis was het materiaal van het eerste en sardius van het zesde fundament. Tevens dragen deze fundamenten de namen van apostelen.

In Jesaja lezen we dat God zo groot is, dat Hij met niets of niemand kan worden vergeleken. ‘Met wie zou u God willen vergelijken, of welke vergelijking zou u op Hem willen toepassen?’ Vervolgens gaat het daar over afgoden van goud en zilver waarmee de volken hun goden afbeelden. Hier gebruikt Johannes, bij de aanblik van Degene die op de troon zit, vreemd genoeg stenen als aanduiding van God: ‘En die daarop zat, was van aanzien als een jaspis- en sardiussteen gelijk.’ Hoe moeten we dit duiden? Wat bedoelt Gods Geest hiermee?

Kenmerkend is allereerst dat de stenen, die hier een uitdrukking zijn van Degene op de troon, zowel in het Oude Testament als verderop in Openbaring, worden gebruikt als aanduiding van mensen. De stenen op de hogepriesterlijke borstplaat waren gegraveerd met de namen van de stammen van Israël. De hogepriester droeg deze namen die in deze stenen waren gegraveerd, op zijn hart. De allerlaatste steen en de allereerste steen worden hier een aanduiding van God.

In het nieuwe Jeruzalem vinden we de namen van de twaalf stammen terug op twaalf paarlen poorten. De kostbare stenen vinden we met deels dezelfde, deels andere namen ook terug maar daar met de namen van de twaalf apostelen.

De hogepriester in Israël is een beeld van Jezus als hemelse Hogepriester naar de orde van Melchizedek. De hogepriester droeg in de tabernakel de namen van de zonen van Israël, gegraveerd in twee ‘onyx’ stenen op zijn schouders. Het gaat bij ‘zonen van Israël’ om Israëlieten, die door geboorte deelgenoten waren van het volk. De namen van de stammen, die gelegerd waren in de woestijn, droeg hij in twaalf verschillende stenen op de borstplaat op zijn hart.

Zo draagt Christus de zijnen, als opnieuw geboren kinderen van God, op zijn schouders – als teken van de volledige zekerheid van hun behoudenis. Daarnaast draagt Christus de zijnen in hun dagelijkse levenspraktijk op zijn hart om ze bij te staan in de moeilijkheden en verzoekingen in de ‘woestijn’ van deze wereld.

Maar de hemelse Hogepriester naar de orde van Melchizedek is tevens God Zelf. In de voorstelling van de stenen zien we God in zijn verbondenheid met de mens. God heeft de mens geschapen naar zijn beeld maar is vervolgens Zelf Mens geworden en heeft zich daarmee onverbrekelijk met de mensheid geassocieerd. Omdat God Mens is geworden, is Hij in staat om de zijnen, die in de wereld zijn, volledig te begrijpen en de ondersteunen. Dat is de functie en de taak van Jezus als Hogepriester.

Die verbondenheid van God met de uit de wereld gekochte en verloste mensen zien we ook terug in de beschrijving van het nieuwe Jeruzalem, met de uitstraling en de muren van jaspis. God is tot in eeuwigheid de drager van zijn verlosten, wat zichtbaar is in de twaalf fundamenten, waarvan één van jaspis en één van sardius, en waarop namen van apostelen zijn geschreven.

We zien de intieme band tussen God en de mens ook terug in het visioen van Ezechiël. De profeet dringt daar steeds dieper door tot de wolk van Gods heerlijkheid en dan eindigt zijn beschrijving met:

‘Boven het uitspansel boven hun hoofden was wat er uitzag als lazuursteen, dat de vorm had van een troon; en daarboven, op hetgeen een troon geleek, een gedaante, die er uitzag als een mens.’

In Jezus Christus is God Mens geworden en alles wat tot in eeuwigheid van God zichtbaar is, is uitsluitend zichtbaar in de Mens Jezus. Wij zullen in de hemel de Vader en de Zoon niet als twee aparte gestalten ontmoeten. We zullen de Vader ontmoeten in de gestalte van de Zoon. Tegen Thomas zegt Jezus: ‘Wie Mij heeft gezien, heeft de Vader gezien … Geloof je niet dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is?’

Kennis van de heerlijkheid van God ontvangen wij alleen in het aangezicht van Jezus Christus. Want ‘in Hem woont de hele volheid van de Godheid lichamelijk’. Hij is de uitstraling van Gods heerlijkheid en de afdruk van zijn wezen.

Degene die op de troon zit is de Mens geworden Godheid, die zich als Mens innig heeft verbonden met de mensen die voor Hem kozen en hun leven aan Hem toevertrouwden.

Typerend is dat de cherub, die wordt beschreven als macht achter de koning van Tyrus, de satan, eveneens een serie stenen heeft, net als de hogepriester van Israël. Er zijn echter verschillen. Het zijn geen twaalf maar negen stenen en de volgorde verschilt. Als de Engelse vertaling van Blue Letter Bible correct is, dan zit het verschil voor de stenen, die hier in Openbaring een rol spelen in de jaspis. Deze jaspis is bij de hogepriester de twaalfde maar bij de cherub de zesde steen. Twaalf is de volmaaktheid van Gods regeringswegen met de mens. Die volmaaktheid wordt door de cherub in de mens zelf gezocht. Zes is het getal van de mens, geschapen op de zesde scheppingsdag. ‘Ga weg achter Mij, Satan, want u bedenkt niet de dingen van God maar de dingen van mensen’, zei Jezus, toen Petrus Hem wilde afhouden van het lijden, dat Hem in Jeruzalem te wachten stond.

Deze cherub heeft getracht God na te bootsen en de mens mee te nemen in een plan van handel en hoogmoed. Dat is begonnen in de hof van Eden en corrumpeerde het mensengeslacht tot aan de zondvloed, waarin God de mensheid moest wegnemen, behalve Noach, die rechtvaardig of zuiver werd gevonden. Maar na de zondvloed begon het opnieuw met de torenbouw van Babel als nieuw dieptepunt. Is deze torenbouw niet de betekenis van het 'Ik zal opstijgen tot de hemel, boven Gods sterren'? Het zijn de woorden die God richt tot 'de lichtende morgenster', de satan. Dit dieptepunt van Babel is met voortdurende misleiding door deze cherub, in alle culturen opgenomen en is vast verankerd geraakt in het collectieve geheugen van de mensheid. Tweeduizend jaar sinds het kruis is satan al bezig om met de mensheid een systeem op te zetten dat God buiten de deur moet houden. De laatste honderd jaar grijpt het om zich heen in een ongebreideld geloof in wetenschap en techniek, dat nu zover gaat dat miljarden zich onder het mom van een vaccin wereldwijd laten injecteren met experimentele nanotechnologie en genetische manipulatie. Het zal in uitmonden in het grote Babylon van de eindtijd, zoals we nog zullen zien.

In een uitleg van zoiets belangrijks als een beschrijving van Degene die op de troon zit, kan een klein onderzoek naar de betekenis van de stenen ‘jaspis’ en ‘sardius’ niet ontbreken.

Over de sardius is weinig verschil van mening. Het gaat om een bloedrode steen (carnelian of chalcedony). Deze steen staat voor iets wat pas in het volgende hoofdstuk wordt uitgewerkt: het Lam in de troon, dat staat als geslacht. Het is God, die de mensheid verlost ten koste van Zichzelf. Hij Zelf brengt het offer, niemand anders. Paulus zegt tegen de oudsten van Efeze dat God zijn gemeente verworven heeft ‘door zijn eigen bloed’.

Over de jaspis is veel verschil van mening. Er zijn er die aangeven dat het gaat om een rode steen, andere geven aan dat het een groene steen betreft en weer andere geven de voorkeur aan de uitleg van een diamant. Dat laatste wordt bestreden omdat het eerste diamantslijpersgilde dateert uit de veertiende eeuw na Christus. Echter, er zijn al bewijzen van het industriële gebruik van diamant vanaf de vierde eeuw voor Christus. Dat betekent dat de diamant aan het begin van onze jaartelling bekend was, ook al was er geen gilde. Gezien de beschrijving van de jaspis in het kader van het nieuwe Jeruzalem in hoofdstuk 21, moet daarom toch gedacht worden aan diamant. ‘Zij had de heerlijkheid van God, en haar uitstraling was als een zeer kostbare edelsteen, als een kristalheldere steen jaspis.’

Jaspis is niet heel kostbaar (want zacht en dus gemakkelijk te bewerken) en ook niet doorzichtig als glas. Diamant is én zeer kostbaar (want het hardste materiaal dat we kennen) én doorzichtig als glas. Dat God verlost ten koste van Zichzelf vereist van Hem een enorme hardheid. We zien dat in de hof van Gethsémané, waar Jezus in diepe angst is ondergedompeld. Maar Hij volhardt als volmaakte Zoon in de volmaakte wil van de volmaakte Vader. Hij stelt zijn gezicht ‘als een keisteen’ en volvoert dwars door de grootst mogelijke verschrikkingen van het kruis het grote verlossingsplan van God. De Zoon en de Vader hebben volhard in hun plan de mensheid te verlossen. De liefde van God is niet soft maar keihard. Dat geldt ook voor zijn wegen met hardnekkige en dwaalzieke mensen. Hoeveel het ons en Hemzelf ook kost, Hij blijft ons opvoeden onder lijden, zodat we uiteindelijk leren de mensen te zijn, die Hij wil dat we zijn.

Op de troon zit Iemand met een diamanten wil en een bloedrode liefde.

- 10 juli 2021 -


Vers 3

‘een regenboog…’

‘En rondom de troon was een regenboog, van aanzien een smaragd gelijk.’


Hoe we het ‘rondom’ de troon moeten voorstellen blijkt niet duidelijk uit het gebruikte woord. Bij een regenboog denken we al snel aan een rechtopstaande boog, die zich in dat geval ook boven de troon zou bevinden. Omdat de troon echter het hoogst denkbare is, moet meer gedacht worden aan een liggende boog, die als een cirkel van 360 graden om de troon ligt. Zoals bekend is, ontstaat een regenboog door de combinatie van zonlicht en waterdruppels. Waar de regenboog zich bevindt, hangt af van de positie van waaraf tegen de waterdruppels wordt gekeken. Meestal kijkt men omhoog en dan ‘staat’ de regenboog. Maar als het gras wordt gesproeid, dan kijkt men op de waterdruppels en dan is een liggende regenboog te zien, rondom degene die het gras besproeit. Zou het gaan om fysiek water en fysiek licht, dan zou het van de positie van Johannes afhangen hoe hij hier de regenboog ziet. Maar we hebben hier te maken met een geestelijke werkelijkheid, waarvan de fysieke wereld een afschaduwing is. Bij de troon als hoogste positie in de hemel verwachten we een liggende regenboog die horizontaal om de troon heen cirkelt.

Het woord ‘rondom’ komt in het hele nieuwe testament maar vier keer voor, alle vier de keren in Openbaring: de regenboor rondom de troon, de vierentwintig tronen rondom de troon, de zes vleugels rondom elk van de vier dieren en het geluid van vele engelen rondom de troon. In alle gevallen gaat het om een horizontaal rondom, niet verticaal.

Voor de betekenis van de regenboog wordt door uitleggers meestal terecht teruggegaan naar de eerste vermelding van de regenboog in de bijbel. Na de zondvloed geeft God de regenboog als teken van zijn verbond met Noach en met al wat leeft, dat Hij de aarde niet nogmaals door een zondvloed zou treffen. Dat is hier, aan het begin van Openbaring, van belang omdat de overdracht van de heerschappij over de aarde van de duivel op Jezus Christus gepaard gaat met zeer veel geweld. Men zou kunnen zeggen dat God hier het verbond gedenkt dat Hij met al wat leeft heeft gesloten, dat in de laatste zeven jaren van verdrukking geen totale zondvloed zou plaatsvinden. Dat het water plaatselijk nochtans zeer veel schade aanricht, blijkt uit de woorden van Jezus: ‘en op aarde benauwdheid onder de volken in radeloosheid door het bruisen van zee en watergolven, terwijl mensen het besterven van bangheid en verwachting van de dingen die over het aardrijk komen; want de krachten van de hemelen zullen wankelen.’

Inderdaad lezen we nergens in Openbaring dat de aarde volledig door water wordt bedekt. Wel lezen we over water dat ondrinkbaar wordt of dat verandert in bloed.

Er is echter meer te zeggen over de regenboog rond de troon. Dat God geen zondvloed meer laat plaatsvinden is slechts één aspect. Het is iets dat God niet doet. Maar er is zoveel dat God wel doet en ook dat wordt weergegeven door de regenboog. Aan de regenboog ging iets anders vooraf, namelijk de bouw van een altaar door Noach en de brandoffers, die Noach daarop bracht van al het reine vee en van al het reine gevogelte, dat met hem in de ark was geweest. Toen de HERE de lieflijke reuk van het brandoffer rook, zei Hij bij Zichzelf: 'Ik zal de aardbodem niet weer vervloeken om de mens en niet meer slaan zoals Ik gedaan heb'. In de brandoffers zien we een verwijzing naar het offer van de Here Jezus, dat eenmaal zou worden gebracht en dat als enige aan God genoegdoening kan geven. Het offer van Jezus gaf het brandoffer van Noach voor God zijn liefelijke reuk. Na Gods voornemen iets niet meer te doen, namelijk een zondvloed brengen, staat er iets dat God wel blijft doen: ‘Voortaan zullen, zolang de aarde bestaat, zaaiing en oogst, koude en hitte, zomer en winter, dag en nacht niet ophouden.’ Hierin zien we de trouwe zorg van God voor zijn schepping, het voortdurende onderhoud dat Hij eraan verricht. Ook dat wordt uitgebeeld door de regenboog. Een regenboog ontstaat immers door zon en regen en beide zijn nodig voor de groei van gewassen en het voortbestaan van al wat leeft. De mens kan God nog zo teleurstellen, verlaten, schofferen, beledigen, negeren, wegredeneren, toch blijft God trouw aan deze belofte dat zaaiing en oogst enzovoorts niet zullen ophouden. Die belofte blijft zelfs staan in de zeven jaar verdrukking en oordelen die wordt weergegeven in het boek Openbaring. Jezus Zelf zei in de Bergrede: ‘…opdat u zonen wordt van uw Vader die in de hemelen is; want Hij laat zijn zon opgaan over bozen en goeden en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.’ Gezien de context, je vijand liefhebben, bidden voor vervolgers, gaat het hier uitsluitend om goede gaven van God. Het Israël van de eerste eeuw was geen vakantieland, waarbij zon goed en regen slecht was. Het was een landbouweconomie, waarbij zon én regen nodig waren. Zon én regen, die samen een regenboog opleveren. In Israël ging het om de zachte vroege regens van het najaar en de plenzende ‘spade’ regens van het voorjaar. Alle eeuwen sinds de zondvloed heeft God zijn zon en zijn regens gegeven aan de mensheid, hoe ver die mensheid ook van Hem was afgedwaald. De regenboog is een weergaloos teken van Gods trouw. De groene kleur van smaragd bevestigt dat het gaat om Gods trouwe zorg in alles wat groeit en bloeit in de natuur.

In zekere zin wordt zijn Wezen van jaspis- en sardiussteen weerkaatst door duizenden druppeltjes van de regenboog. Zijn perfecte wil, die door niets kan worden weerstaan, en zijn zelfopofferende liefde staan samen garant voor de eeuwen van trouw die achter ons liggen en de jaren van trouw die de mensheid door alle verdrukkingen van de laatste jaarweek zullen loodsen. Die regenboog is ook een garantie van het tijdig ophouden van de verschrikkingen die in de hoofdstukken nog zullen worden beschreven. Jezus zei: ‘Als die dagen niet werden verkort, zou geen enkel vlees behouden worden. Maar ter wille van de uitverkorenen zullen die dagen worden verkort. ‘Verkort’ betekent daar niet: ‘korter dan aanvankelijk was gepland’ maar ‘beperkt’, namelijk tot de drie en een half jaar die in zoveel profetieën is aangegeven. Het zal geen dag langer duren, al zouden Gods vijanden dat graag willen. Daarom staat er ook dat de satan, die aan het begin van die drie en een half jaar uit de hemel wordt geworpen ‘weet dat hij weinig tijd heeft’.

- 12 juli 2021 -


Vers 4

Vierentwintig tronen

'En rondom de troon waren vierentwintig tronen, en op de tronen zaten vierentwintig oudsten bekleed met witte kleren en op hun hoofden gouden kronen.'


De identiteit van de vierentwintig oudsten is beslissend voor het moment van de opname van de gemeente. Als de gemeente is inbegrepen bij de vierentwintig oudsten, dan moet de opname plaatsvinden voorafgaand aan de zeven jaren van verdrukking. Als de vierentwintig oudsten op geen enkele manier te vereenzelvigen zijn met de gelovigen van de huidige tijd, dan blijft de gemeente kennelijk gedurende de zeven jaren van verdrukking op aarde.

Met de vierentwintig oudsten worden hetzij mensen hetzij engelen bedoeld. Een andere uitleg is er niet. De vraag is dus of engelen ooit oudsten worden genoemd, zittend worden gezien op tronen, bekleed met witte kleding en met kronen op hun hoofden. Als dat zo is, zou sprake kunnen zijn van engelen. Er zijn diverse prominente gedeelten over engelen waarin zij worden beschreven. Jesaja ziet serafs staan en vliegen. Hij profeteert over satan dat hij uit de hemel is gevallen nadat hij overlegde boven de sterren Gods zijn troon op te richten en zich zo aan de Allerhoogste gelijk te stellen, in plaats van, zoals Ezechiël zegt, tevreden te zijn met zijn plaats en te wandelen te midden van vlammende stenen. En Gabriël zegt tegen Zacharias: ‘Ik ben Gabriël, die voor God sta.’ In Hebreeën worden engelen allen ‘dienende geesten’ genoemd ‘die worden uitgezonden tot dienst ‘ten dienste van hen die de behoudenis zullen beërven’. Jezus zegt tegen Nathanaël, dat Hij engelen zou zien opstijgen en neerdalen op de Zoon des mensen.

In Openbaring ziet Johannes vier engelen staan op de vier hoeken van de aarde en alle engelen staan rondom de troon. In Openbaring 8 ziet hij zeven engelen voor God staan en hij ziet een andere engel bij het gouden wierookvat staan. Dan vliegt er een engel met de roep van het drievoudig 'wee', wordt gesproken over vier engelen die gebonden zijn bij de rivier de Eufraat. In Openbaring 10 gaat een engel op de zee en op de aarde staan. In Openbaring 14 ziet Johannes engelen vliegen met diverse berichten voor de mensheid. In hoofdstuk 18 ziet Johannes een engel met grote macht uit de hemel neerdalen. In Openbaring 19 ziet hij een engel dicht bij de zon staan. In Openbaring 20 ziet hij weer een engel uit de hemel neerdalen. In Openbaring 21 ziet hij engelen bij de twaalf poorten van het nieuwe Jeruzalem. Nergens zien we een engel zitten, laat staan zitten op een troon of gekroond met een kroon of bekleed met linnen.

Nergens worden engelen ooit ‘oudsten’ genoemd. Nergens worden engelen ooit ‘zittend’ voorgesteld. Nergens worden engelen ooit op tronen gezien. Nergens worden engelen ooit met witte kleren bekleed gezien. Nergens worden engelen ooit met kronen gezien. De voorstelling van de vierentwintig oudsten kan niet anders betekenen dan dat het hier gaat om mensen.

Nu is vervolgens de vraag of het hier gaat om zielen van overleden mensen of volwaardige in hun nieuwe lichamen verrezen mensen. Sinds de dwaling dat er geen zichtbare christusregering op aarde zou komen maar dat de kerk namens Christus op aarde zou moeten regeren als vervulling van Gods beloften (zie hoofdstuk 3, de brieven aan Pergamum en Thyatira) , was het ook gedaan met het geloof in de opname van de gemeente en de daarbij behorende opstanding van allen die in Christus waren ontslapen. Dat werd ook allemaal geestelijk opgevat en op de een of andere manier kregen de overledenen in het hiernamaals een plaats met Christus in de hemel. Het christelijk geloof werd op die manier tevens vermengd met het Griekse geloof van de ziel, die uit het lichaam bevrijd moest worden en alleen na de dood tot gelukzaligheid kon komen.

De vraag is echter of ooit ergens in de bijbel over doden wordt gesproken als oudsten, zittend op tronen, bekleed met witte kleren en gekroond met kronen. Daar kan men kort over zijn. Er wordt in de bijbel heel erg weinig over de toestand van de doden vermeld. Als men 2 Korinthe 5 en Filippenzen 1 wil nemen als basis voor een bewuste toestand na het overlijden, dan valt daaruit niet op te maken of voldaan is aan de hierboven vermelde kenmerken. Er wordt alleen gesproken over ‘bij de Heer inwonen’ en ‘met Christus te zijn’. Dat eerste wordt door Paulus genoemd ‘ontkleed worden’, het lichaam, deze aardse tent wordt dan afgelegd. Er is dan juist sprake van geen enkele kleding, laat staan van kronen en tronen.

Nee, in plaats van ‘ontkleed te worden’ (te sterven) wil Paulus veel liever ‘overkleed worden’, dat het sterfelijke door het leven wordt verslonden. Dat is wat er met de gelovigen gebeurt die de opname van de gemeente in levende lijve meemaken. Het is wat Paulus elders noemt, dat wij niet allen zullen ontslapen maar allen veranderd zullen worden. Allen, want ook de in Christus ontslapenen zullen opstaan met hun nieuwe, verheerlijkte lichamen. Dat is het eeuwige huis in de hemelen, een gebouw van God, niet met handen gemaakt. Dat gebouw van God in de hemel komt overeen met de tronen, de kronen en de witte kleding van de vierentwintig oudsten in Openbaring 4. Het gaat hier om opgestane heiligen. Dat betekent dat de opstanding en de opname van de gemeente al vóór Openbaring 4 hebben plaatsgevonden. We zagen dat het eerste vers een type is van die opname.

Terwijl geen enkel kenmerk van de vierentwintig oudsten wijst op engelen, wijzen alle kenmerken op mensen. Drie van de beloningen, die Jezus de overwinnaars in zijn gemeenten beloofde, vinden we terug in de beschrijving van de vierentwintig oudsten: de kronen werden beloofd aan overwinnaars van Smyrna en van Filadelfia, de witte kleren aan de overwinnaars van Sardis en de tronen aan de overwinnaars van Laodicea. Bovendien slaat de uitdrukking ‘oudsten’ altijd op mensen, de vertegenwoordigers van de stammen van Israël of van de vertegenwoordigers van de verschillende gemeenten van Jezus. De vraag is natuurlijk waarom in de brieven aan de gemeenten steeds over ‘engel’ en ‘wie overwint’ werd gesproken en hier sprake is van 'oudsten'. De reden kan tweeledig zijn. De eerste is dat het aantal van vierentwintig een symbolisch getal is, dat niet de gehele gemeente aanduidt maar alleen de vertegenwoordigers of oudsten, in wie de hele gemeente wordt gezien. De tweede reden hangt samen met de taak die de gemeente hier vervult, namelijk inzicht in de wegen van God met zijn schepping. Daarvoor is levenswijsheid nodig, vandaar ‘oudsten’.

Het aantal van vierentwintig is belangrijk. Het gaat hier om twee twaalftallen. Twaalf is de volheid van bestuur, drie keer vier. Drie is het getal van de godheid, vier het getal van de schepping. De godheid die zijn schepping geheel doordringt. Tot twee keer toe heeft God een dergelijk bestuur gehad, namelijk in zijn wegen met het volk Israël, twaalf aartsvaders en stammen, en in zijn wegen met de gemeente, twaalf apostelen. Allen die in christus ontslapen zijn, worden opgewekt bij de opname. De gelovigen van het Oude Testament zagen vooruit naar Christus – ook die van voor de twaalf aartsvaders, zoals Abraham. De gelovigen van het Nieuwe Testament zagen terug op Christus. En allemaal, de Oud- en de Nieuwtestamentische gelovigen zagen zij in geloof vooruit naar de komst van Christus in heerlijkheid. Allen zijn zij ‘in Christus’ ontslapen. De twee twaalftallen vinden we ook terug in het nieuwe Jeruzalem, met de twaalf paarlen poorten, waarop de namen van de twaalf stammen van Israël geschreven staan en de twaalf fundamenten met daarop de namen van de twaalf apostelen.

De tabernakel, die Israël bouwde en met zich meevoerde door de woestijn, was een model van de dingen in de hemel. Bijna alles wat zich in de tabernakel bevond, zien we terug in Openbaring, het meeste in hoofdstuk 4 maar sommige dingen in andere hoofdstukken. De ark van het verbond is een beeld van Gods troon van waaraf God genade bewijst en gerechtigheid toedeelt aan iedereen die gelooft in het bloed, het verlossingswerk van Jezus Christus, zowel in vooruitzien naar als in terugblik op zijn verlossingswerk. De uitdrukking ‘middel tot verzoening’ is hetzelfde woord dat in Hebreeën wordt gebruikt voor ‘verzoendeksel’, het deksel dat op de ark lag. De ark was een met goud overtrokken houten kist die als enige in het heilige der heiligen van de tabernakel en later van de tempel stond. In de ark lagen de twee stenen tafelen met de tien geboden. Bovenop de ark bevond zich een deksel van puur goud, met daarop twee engelenfiguren, cherubs, gebeeldhouwd, van één en hetzelfde goud, één met het deksel. De cherubs keken neerwaarts, op de tien geboden van de wet. Eens per jaar werd het bloed van het offer van de ‘grote verzoendag’ op en voor het deksel gesprengd door de hogepriester tot verzoening van de zonden van het volk. Zowel het verzoendeksel als de hogepriester als het offer zijn alle drie een type van Christus in zijn verzoeningswerk.

De tabernakel waarin de ark stond, was opgetrokken uit 48 houten planken, die met goud waren overtrokken en die rechtop tegen elkaar aan stonden, twintig aan de Noordkant, twintig aan de Oostkant en acht aan de Westkant. Die 48 planken zijn, net als de 24 tronen, een beeld van de gelovigen. Merkwaardig is het dubbele aantal. Mogelijk heeft het iets te maken met de uitbeelding van hemelse dingen op aarde, waar rekening wordt gehouden met aardse omstandigheden. God heeft de mens als ‘man en vrouw’ geschapen. Vandaar een dubbel aantal planken. Op aarde is een ‘oudste’ altijd een twee-eenheid. Vaak wordt gesproken van oudsten-echtparen. Achter iedere man staat een vrouw. Na de opstanding is het onderscheid man-vrouw opgeheven. De nieuwe lichamen die mensen in de opstanding ontvangen, kennen niet langer het onderscheid van het geslacht. Jezus zegt dat zei die eraan deel hebben, ‘als de engelen’ zijn. Als deze uitleg juist is, dan betekent dit dat God reeds door het volk Israël zijn voornemen van een toekomstige gemeente uit de volken heeft laten uitbeelden. We komen dat echter vaker tegen in het Oude Testament.

- 14 juli 2021 -


Vers 5

Stemmen

‘En van de troon gingen bliksemstralen, stemmen en donderslagen uit…’

We hebben hier een uniek voorzetsel in verbinding met de troon: ‘vanuit’: ‘vanuit de troon’. Het gaat hier om het spreken van God Zelf of van de vier dieren, die innig zijn verbonden met zijn troon. Gods stem is als de donder. Dit gedeelte van openbaring is rechtstreeks verbonden met Psalm 29:

'De stem van de HEERE klinkt over de wateren, de God der ere dondert; de HEERE is op de grote wateren. De stem van de HEERE is vol kracht, de stem van de HEERE is vol glorie…. De stem van de HEERE hakt vurige vlammen uit de wolken…. maar in Zijn tempel zegt eenieder: Hem zij de eer!'

Dat laatste lezen we hier ook, een onstuimige lofzeggning en lofzang weergalmt in dit en het volgende hoofdstuk door de hemel.

Dat God spreekt in de donder, weten we ook uit het boek Job, waar Elihu, de vriend van Job, hem onderwijst en zegt:

'Luister aandachtig naar het daveren van Zijn stem, en naar het geluid dat uit Zijn mond komt! Hij laat het los onder heel de hemel, en Zijn licht tot over de einden van de aarde. Daarna brult Hij met Zijn stem; Hij dondert met de stem van Zijn majesteit. Hij houdt die dingen niet terug, als Zijn stem gehoord wordt. God dondert wonderbaar met Zijn stem; Hij doet grote dingen en wij begrijpen ze niet.'

Direct daarna begint God inderdaad tot Job te spreken:

‘Daarna antwoordde de HEERE Job uit een storm en zei:…’

De allereerste keer dat sprake is van donder uit de hemel, is bij de zevende plaag van Egypte:

‘Toen strekte Mozes zijn staf naar de hemel, en de HEERE gaf donder en hagel. Vuur schoot naar de aarde, en de HEERE liet hagel neerkomen op het land Egypte.’

In het boek Openbaring is de hagel de zeer zware plaag van de zevende schaal, waarmee de oordelen van God eindigen. Die laatste plaag wordt ook weer ingeleid met ‘stemmen, donderslagen en bliksemstralen:

'En er kwamen stemmen, donderslagen en bliksemstralen. En er kwam een grote aardbeving, zo een als er niet is geweest sinds er mensen op de aarde geweest zijn: zo'n aardbeving, zo groot! En grote hagelstenen, elk ongeveer een talentpond zwaar, vielen uit de hemel op de mensen neer. Maar de mensen lasterden God vanwege de plaag van de hagel, want de plaag van de hagel was zeer groot.'

Nadat het volk Israël is verlost uit Egypte, lezen we weer van donder aan het begin van de woestijnreis, bij het geven van de tien geboden aan het volk:

'En het gebeurde op de derde dag, toen het morgen werd, dat er op de berg donderslagen, bliksemflitsen en een zware wolk waren, en zeer sterk bazuingeschal, zodat al het volk dat in het kamp was, beefde.'

Het was een zeer angstwekkend verschijnsel want het volk werd zeer bang, terwijl ze al het een en ander hadden meegemaakt. De tien geboden werden met donderend gebulder aan het volk Israël te kennen gegeven. Direct na het tiende gebod volgt namelijk nogmaals de beschrijving van het donderend geweld:

'U zult niet begeren het huis van uw naaste. U zult niet begeren de vrouw van uw naaste, noch zijn dienaar, noch zijn dienares, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets wat van uw naaste is.'

En dan volgt direct daarna de beschrijving van donderslagen, bliksems en bazuingeschal.

'En heel het volk was getuige van de donderslagen, de bliksems, het bazuingeschal en de rokende berg. Toen het volk dit zag, sidderden zij en bleven op een afstand staan. Zij zeiden tegen Mozes: Spreekt ú met ons, dan zullen wij luisteren, maar laat God niet met ons spreken, anders sterven wij.'

Ook in het Nieuwe Testament lezen we dat de stem van God klinkt als de donder. Behalve in Openbaring lezen we dit ook in het evangelie naar Johannes. We zien Jezus in gesprek met zijn discipelen over zijn enorme populariteit, die volledig vergeefs is als Hij niet de weg van verwerping en lijden zou gaan. Dan is Jezus ontroerd en gebeurt het volgende:

'Nu is Mijn ziel in beroering en wat zal Ik zeggen? Vader, verlos Mij uit dit uur. Maar hierom ben Ik in dit uur gekomen. Vader, verheerlijk Uw Naam! Er kwam dan een stem uit de hemel: En Ik heb hem verheerlijkt en Ik zal hem opnieuw verheerlijken. De menigte dan die daar stond en dit hoorde, zei dat er een donderslag geweest was. Anderen zeiden: Een engel heeft tot Hem gesproken.'

Het feit dat mensen in de menigte een donderslag hoorden, terwijl de Vader tot Jezus sprak, geeft wel aan hoe die stem van de Vader klinkt.

Ook de vier dieren, die nog zullen worden besproken en die innig met de troon verbonden zijn, hebben een stem als de donder.

Wat opvallend is in Openbaring, is dat we vrijwel nergens lezen dat God spreekt. In Genesis lezen we vaak dat God spreekt: ‘En God zei …’. Dit ontbreekt vrijwel volledig in Openbaring. Het zijn alleen 'donderslagen, stemmen en bliksemstralen', die worden genoemd. Maar het zou best kunnen zijn dat het de vier dieren zijn die dit voortbrengen, aangezien zij innig verbonden zijn met de troon. Van één van hen wordt gezegd wordt dat hij sprak met de stem als een donderslag. Zij spreken dan namens God. Verder zijn het vooral de engelen die de dienst uitmaken. Zij roepen vaak met luide stem, zij zeggen, zij geven luide kreten, enzovoorts. Maar waar de dieren, de oudsten, de engelen spreken of roepen, geven zij ‘Hem die op de troon zit’ alle eer. Het lijkt alsof 'Hij die op de troon zit' alles zwijgend gade slaat. Het boek Openbaring is het boek van de 'grote schoonmaak', waarbij alles wat in 6000 jaar door de mens verontreinigd is door het Godsgericht wordt gezuiverd. Dat de oordelen van God vergeleken kunnen worden met een schoonmaakactie, lezen we ook in het boek Jesaja:

'...wanneer de Here het vuil der dochters van Sion zal hebben afgewassen en de bloedvlekken van Jeruzalem daaruit zal hebben weggespoeld door de Geest van gericht en van uitdelging...'

Na die reiniging van de aarde is zij voldoende gereed gemaakt voor de machtsoverdracht op Christus, het Lam in de troon. Hem is gegeven alle macht in de hemel en op de aarde en in de Openbaring van Jezus Christus, lezen we hoe Hij die macht uiteindelijk opeist. Maar het oordelen door God is niet iets waar Hij plezier in schept. Het is voor Hem een ongewoon werk, zoals geschreven staat in Jesaja:

'Want de HEERE zal opstaan zoals op de berg Perazim. Hij zal woeden, zoals in het dal van Gibeon, om Zijn werk te doen – vreemd zal Zijn werk zijn – en om Zijn daad te verrichten – ongewoon zal Zijn daad zijn.'

Hoe vreemd het oordelen voor God is, blijkt ook uit de evangeliën. Op weg naar Jeruzalem komen Jezus en zijn discipelen door Samaria. In één van de dorpen willen de mensen Hem niet ontvangen. Dan vragen de discipelen Johannes en Jacobus, de 'zonen van de donder' aan Jezus:

'Heere, wilt U dat wij zeggen dat er vuur van de hemel moet neerdalen en hen verteren, zoals ook Elia gedaan heeft?'

Dan geeft Lukas van Jezus de volgende reactie weer:

'Maar Hij keerde Zich om, bestrafte hen en zei: U beseft niet wat voor Geest u hebt, want de Zoon des mensen is niet gekomen om zielen van mensen te gronde te richten, maar om ze te behouden. En zij gingen naar een ander dorp.'

We lezen over donder en bliksem na eerst te hebben gelezen over een regenboog. In de natuur is het meestal omgekeerd. De regenboog verschijnt na de donderbui. Ook dit laat Gods karakter zien. Het oordelen is voor Hem een vreemd werk. Hij is veel meer de God van de regenboog. In Nazareth las Jezus Jesaja 61 voor, waar staat:

'De Geest van de Heere HEERE is op Mij, omdat de HEERE Mij gezalfd heeft om een blijde boodschap te brengen aan de zachtmoedigen. Hij heeft Mij gezonden om te verbinden de gebrokenen van hart, om voor de gevangenen vrijlating uit te roepenen voor wie gebonden zaten, opening van de gevangenis; om uit te roepen het jaar van het welbehagen van de HEERE...'

En daar stopte hij. Maar de tekst gaat verder met: '...en de dag van de wraak van onze God.' Met andere woorden: het jaar van welbehagen begon toen Hij daar sprak, circa 2000 jaar geleden maar de dag van wraak is nog toekomstig. Die begint pas na Openbaring 4 en 5, als de gemeente van God in de hemel is opgenomen en die duurt ook veel korter - geen 2000 jaar maar slechts zeven jaar - het is een werk dat God met grote haast volvoert.

De uitdrukking met ‘donderslagen, stemmen en bliksemstralen’, komt in Openbaring vier keer voor en is een van de aanduidingen voor de indeling. De gebeurtenissen op aarde, die worden beschreven, bestrijken een periode van 7 jaar. Die zijn gesplitst in een eerste 3,5 jaar en een laatste 3,5 jaar. Gedurende de eerste 3,5 jaar vinden we eerst de oordelen in verband met zeven zegels en daarna de oordelen in verband met zeven bazuinen. Daarna krijgt de tegenstander van God de laatste 3,5 jaar de tijd om zijn plannen uit te werken, de periode van 'grote verdrukking'. Die laatste 3,5 jaar eindigen met de oordelen van de zeven schalen. We vinden de uitdrukking ‘donderslagen, stemmen en bliksemstralen’ op de volgende plaatsen:

(1) Een keer helemaal aan het begin van alle oordelen (hier, in hoofdstuk 4), dus voorafgaand aan de zeven zegels,

(2) één keer aan het begin van de oordelen van de zeven bazuinen,

(3) één keer precies halverwege de laatste jaarweek, dus na drie en een half jaar, als de troon ineens 'ark van het verbond' wordt genoemd en God zijn volk Israël zeer speciale bescherming gaat geven in de laatste drie en een half jaar, een periode die eindigt met de oordelen van de zeven schalen en met de komst van Jezus Christus met kracht en grote heerlijkheid.

(4) en ten slotte één keer, vlak voor het allerlaatste oordeel van de laatste, de zevende schaal, de plaag van de zeer zware hagel. Kort daarna komt Christus terug met de wolken van de hemel.

Die laatste keer wordt vooraf gegaan door een duidelijke uitspraak vanuit de troon: ‘Het is geschied’. Slechts twee keer lezen we in Openbaring wat de 'stemmen' vanuit de troon zeggen, 'Het is geschied' en 'Loof onze God, al Zijn dienstknechten, en die Hem vrezen, kleinen en groten!' Bij 'het is geschied' komt de luide stem ‘uit de tempel, vanaf de troon’, waaruit blijkt dat de troon zich in de hemelse tempel bevindt, dat is het Heilige der Heiligen in de hemel. De troon is identiek met de ark, die eveneens de zetel van God was in de tabernakel en later in de tempel.

Slechts één enkele keer horen we in Openbaring Hem die op de troon zit iets zeggen, helemaal aan het eind, als alle oordelen voorbij zijn. Dan klinkt het uit de mond van Hem die op de troon zit:

'Zie, ik maak alle dingen nieuw.'

Dit is het einde van alle gebeurtenissen in het boek, het einde van de huidige schepping waarin wij leven. Daarna volgt de schrijfopdracht aan Johannes, met de betrouwbaarheid van de woorden. De profetie die uitgaat van God is zo betrouwbaar, dat zij gezien kan worden als ware zij al verleden tijd. Daarom volgt er: 'Zij zijn geschied'. Daarna stelt Jezus zich, heel toepasselijk aan het eind van het boek en van de huidige schepping, net als aan het begin van het boek, voor als de Alfa en de Omega, het begin en het einde.  

- 17 juli 2021 -

- aangepast op 18 juli 2021 -


Vers 5

Fakkels

‘…en zeven vurige fakkels brandden vóór de troon; dit zijn de zeven Geesten van God.’


De fakkel wordt gebruikt in de duisternis. De fakkel komt voor het eerst in de Bijbel voor in verbinding met Abraham, die aan God een teken vroeg, waaraan hij kon zien dat God de belofte van zijn nageslacht en zijn erfdeel in het land zou waarmaken. Toen moest hij vijf offerdieren brengen en overviel hem een diepe slaap en een angstwekkende diepe duisternis. Terwijl hij sliep, vertelde God hem dat zijn nakomelingen in een vreemd land gedwongen zouden worden tot slavenarbeid maar dat God hen zou bevrijden en zou brengen in het beloofde land. Na zonsondergang ziet Abraham, nog steeds in diepe slaap en in dikke duisternis, een rokende oven en een vurige fakkel. De rokende oven staat voor de verdrukking van het volk in Egypte. De vurige fakkel staat voor het schijnsel van Gods Geest in de duisternis.

Dat we hier in Openbaring zeven vurige fakkels zien, betekent dat we in Openbaring te maken hebben met een volheid van verlichting door Gods Geest te midden van een volheid van duisternis. De duisternis van de verdrukking die in Openbaring wordt geschetst is veel groter dan die van de slavernij in Egypte. Hij is namelijk wereldwijd. Maar dat geldt ook voor het schijnsel van Gods Geest. Dat is veel sterker en omvattender dan tijdens de slavernij in Egypte.

Er is nog een tweede overeenkomst met het verhaal van Abraham. De vurige fakkel kwam tussen de stukken van het offer dat Abraham bracht door. Het slachten en splitsen van een offer alvorens ertussendoor te lopen was in oude tijden een teken van verbond sluiting. De twee delen van de offers lieten in geval van serieuze verbonden zien wat er zou gebeuren met degene die het verbond brak. In Abrahams geval gaat alleen God tussen de delen van het offer door, als vurige fakkel. Het is een eenzijdig verbond, een belofte van God. God bekrachtigde met de vurige fakkel tussen de offerstukken zijn verbond met Abraham. In Openbaring zoekt God zijn verbond met Israël weer op en juist in deze duistere tijden zal dat verbond meer kracht voor Israël uitstralen dan ooit tevoren.

Dat de fakkel wordt gezien voor de troon (niet op, in of vanuit de troon) wil zeggen dat het niet gaat om de regering van God zelf of om de uitwerking van die regering in Gods spreken (donder en bliksem) maar om licht over en kracht vanwege Gods regeringswegen voor de gelovigen, die in een periode van complete duisternis zijn gehuld. Dat de zevenvoudige Geest van God nodig is om voor gelovigen licht te geven in deze duisternis zegt iets over de enorme omvang van de duisternis. De wereldbeheersers van de duisternis, de machten van het kwaad in de hemelse gewesten zullen alle invloed op aarde naar zich toe hebben getrokken en Gods Geest stelt gelovigen in staat te midden daarvan stand te houden.

Het is de duivel die bovenaan deze piramide van duisternis staat. Hij die eens lucifer was, de morgenster, de vorst van het licht is door zijn hoogmoed verworden tot een dwaallicht en daarmee tot duisternis. Hij gebruikt de kwaliteiten die hij als voorname cherub van God ontving om zich voor te doen als god dan wel God en de werkelijkheid op een manier voor te stellen die hem in zijn plannen te pas komt. Hij doet niet anders dan misleiden door de mensheid een leugen voor te houden die lijkt op waarheid. Deze gedragslijn vindt zijn ultieme hoogtepunt in de periode van zeven jaar die wordt bestreken door het boek Openbaring en die daarom de meest duistere periode is in de wereldgeschiedenis.

Het is de tijd waarvan de Heer Jezus lang geleden zei: ‘Ik moet werken terwijl het dag is, de nacht komt dat niemand werken kan'.

Sommigen stellen de zeven fakkels voor de troon gelijk aan de zeven kandelaren van de hoofdstukken 2 en 3. Dat is onjuist. Van de zeven fakkels voor de troon wordt gezegd dat het de zeven Geesten van God zijn. In de inleiding tot het boek worden de zeven Geesten 'die voor zijn troon zijn' genoemd als afzender. Van de zeven kandelaren wordt in hoofdstuk 1 gezegd dat het de zeven gemeenten van God zijn. Maar er is een overeenkomst, namelijk in het verpreiden van licht. In het huidige tijdperk van de kerk of de gemeente, is het de gemeente, die het licht op aarde verspreidt. Op meerdere plaatsen in de Bijbel wordt dat beeld bevestigd. 'Gij zijt het licht der wereld', zegt Jezus tegen zijn discipelen. Bij de opname wordt de gemeente van de aarde weggenomen met als gevolg een invallende duisternis. Vanaf dat moment worden de zeven Geesten voor de troon voorgesteld als vurige fakkels, die, in verbinding met het volk Israël, de duisternis weer verdrijven.

Sommigen stellen de zeven fakkels gelijk aan de kandelaar in de tabernakel. Hoewel de zeven fakkels overeenkomen met dit attribuut in de tabernakel, is er een verschil. De kandelaar in de tabernakel is namelijk een beeld van de Heer Jezus in zijn heerlijkheid als Licht van de wereld, Lichtdrager, Morgenster. De Heilige Geest is in dat beeld vergelijkbaar met de olie in de lampen van de kandelaar. Op Jezus rustte, toen Hij op aarde was, de Geest van God, de zevenvoudige Geest, die we vinden in Jesaja 11:

'Op Hem zal de Geest van de HEERE rusten:
de Geest van wijsheid en inzicht,
de Geest van raad en sterkte,
de Geest van de kennis en de vreze des HEEREN.'

Nu is de gemeente op aarde en is de Heilige Geest gekomen in de gelovigen. De gelovigen zijn de lontjes in de lampen, die brandend worden gehouden door de olie van Gods Geest. De gelovigen worden gedragen door de kandelaar, de Heer Jezus. Het licht valt op de kandelaar. Het gaat om Hem, zijn Persoon, zijn heerlijkheid, zijn verlossingswerk. Zodra de gemeente is opgenomen, de Heer tegemoet in de lucht, zal het licht op aarde schijnen door de zeven vurige fakkels, die voor de troon zijn en die een flakkerend licht verspreiden in de catacomben van de duisternis die over de wereld valt.

- 24 juli 2021 -


Vers 6

De glazen zee

‘En vóór de troon was als een glazen zee, kristal gelijk’

Het voorzetsel ‘vóór’ wordt vlak na elkaar gebruikt voor de zeven fakkels en voor de glazen zee. Beide staan voor de uitwerking van de regeringswegen die vanaf de troon worden ingezet voor de aarde. De fakkels verspreiden licht waar duisternis heerst. De zee reinigt waar verdorvenheid heerst. De zee is zout. Zout is bederfwerend. Tegen zijn discipelen zegt Jezus: ‘Gij zijt het zout der aarde’. De zee staat voor de reiniging vanuit Gods troon. De eerste keer dat de aarde volledig gereinigd moest worden, gebeurde door middel van de zondvloed. De zee kreeg voor 150 dagen de volledige heerschappij over de aarde om alle verdorvenheid uit te wissen en een schoon, nieuw begin te maken met Noach en zijn nageslacht. Ongeveer negenhonderd jaar later werd het volk Israël in de Rode Zee gedoopt en aldus gereinigd van hun verleden in het afgodische Egypte.

De attributen van de tabernakel komen grotendeels terug in de hemel van Openbaring 4. In de glazen zee van Openbaring 4 vinden we het koperen wasvat uit de tabernakel, waarin de priesters hun handen en voeten moesten wassen voordat zij dienst deden in het heiligdom of bij het altaar. Een enorm wasvat dat voor de tempel was gemaakt, werd ook letterlijk ‘de zee’ genoemd. Van het wasvat bij de tabernakel zijn geen afmetingen gegeven. Voor de tempel werden tien koperen spoelbekkens gemaakt van vier el (twee meter) doorsnee, geplaatst op verrijdbare onderstellen. Daarnaast werd ‘de zee’ gemaakt, een enorm koperen ‘bad’ in de vorm van een cirkel met een diameter van tien el (vijf meter) en met een hoogte van vijf el (2,5 meter).

Verder is er een beschrijving van de verschijning van God aan de oudsten van het volk in Exodus, die ook doet denken aan de ‘zee’ voor de troon van Openbaring:

‘En zij zagen de God van Israël. Onder Zijn voeten was er iets als plaveisel van saffier, zo helder als de hemel zelf.’ De NBG heeft in plaats van ‘saffier’ de vertaling ‘lazuur’. In beide gevallen is de betekenis een helderblauwe kleur.

Het tafereel van de oudsten in aanwezigheid van de troon, doet denken aan Openbaring 4. Daarom staat er: 'En God strekte zijn hand niet uit tot de aanzienlijken van de Israëlieten'. Tot slot komt de beschrijving die Ezechiël geeft van Gods troon, sterk overeen met ‘de zee’ van Openbaring 4:

‘En boven de hoofden van de levende wezens was iets wat leek op een gewelf, als de schittering van ontzagwekkend ijskristal, vanboven over hun hoofden uitgespannen … En boven het gewelf dat boven hun hoofden was, was iets met het uiterlijk van een saffiersteen, iets wat leek op een troon. En daarboven, op wat op een troon leek, was iets wat leek op een mens.’

Ook hier is sprake van iets dat zich onder de troon uitstrekt, wat lijkt op kristal en een kleur heeft van saffier, helder blauw.

Het wasvat van de tabernakel, de spoelbakken in de tempel en de ‘zee’ in de tempel en in Openbaring en het water in het algemeen, staat voor Gods woord, waarin mensen worden ondergedompeld bij hun bekering en waarmee ze daarna doorlopend moeten worden gereinigd op hun levenswandel. We vinden die betekenis meermalen in het Nieuwe Testament, de eerste keer bij de voetwassing door Jezus Zelf in de bovenzaal, vlak voor zijn lijden:

Jezus zei tegen hem: Wie gebaad heeft, heeft slechts nodig dat zijn voeten worden gewassen, want hij is al geheel rein.

En iets verderop zegt Hij:

U bent al rein vanwege het woord dat Ik tot u gesproken heb.’

Christus reinigt volgens Paulus zijn gemeente ‘met het waterbad door het Woord’

Kort gezegd komt de beschrijving in Openbaring erop neer, dat voor de troon zowel vuur als water aanwezig zijn. Het vuur verlicht de wereld in een uiterst donkere tijd en het water reinigt de wereld in een tijd dat de wereld vol is van corruptie.

De betekenis van water en vuur komen bij elkaar in het verwoestende eindoordeel aan het slot van Daniëls laatste jaarweek, dat wordt beschreven door Daniël. Als de mensenzoon, die Ezechiël reeds op de troon zag, uit de hand van Hem die op de troon zit alle heerschappij en gezag zal ontvangen, dan bestaat de troon uit vuurvlammen en de wielen ervan zijn laaiend vuur en een rivier van vuur stroomt en gaat uit voor het aangezicht van Hem die op de troon zit. Het totaal corrupte wereldrijk van het moment wordt aan dat laaiende vuur prijsgegeven. Het oordeel middels het vuur is de reiniging van God die zich aan een zondige, God-vijandige wereld voltrekt. Het is de laatste mogelijkheid die God nog rest voor mensen die zich niet door de Geest willen laten voorlichten en door Gods woord willen laten reinigen: een vuur dat alles verteert dat niet met God in overeenstemming is. Het is iets dat God elk mens wil besparen maar waar mensen zelf voor kiezen wanneer ze blijven weigeren zich aan Hem toe te vertrouwen.

- 28 juli 2021 -


Vers 6-8

De vier dieren

‘En in het midden van de troon en rond de troon vier levende wezens, vol ogen van voren en van achteren. En het eerste levende wezen was een leeuw gelijk, en het tweede levende wezen een kalf gelijk, en het derde levende wezen had het gezicht als van een mens, en het vierde levende wezen was een vliegende arend gelijk. En de vier levende wezens hadden elk afzonderlijk zes vleugels, rondom en van binnen waren zij vol ogen en zij hebben geen rust, dag en nacht, en zeggen: Heilig, heilig, heilig, Heer, God, de Almachtige, die was en die is en die komt.’


Om het hemelse tafereel goed te begrijpen is het van groot belang op de voorzetsels te letten. Die zijn in belangrijke mate medebepalend voor de betekenis van wat er staat. Dat geldt zeker voor de vier dieren. Die worden niet ‘rondom’ de troon gezien, zoals de regenboog, de oudsten en de engelen, ook komen ze niet ‘vanuit’ de troon, zoals de bliksemstralen, donderslagen en stemmen en ook zijn ze niet ‘voor’ de troon, zoals de zeven vurige fakkels en de glazen zee. Nee, de vier dieren zijn tegelijkertijd ‘in het midden’ van de troon en ‘rondom’ de troon. Het verkeren ‘in het midden’ van de troon, hebben de vier dieren gemeen met het Lam uit Openbaring vijf, de Here Jezus Zelf.

We moeten de vier dieren dan ook niet zien als ‘engelen’ of gewone ‘cherubim’ maar als attributen die zeer nauw verbonden zijn met God Zelf. Het gaat om eigenschappen van God in zijn regeringswegen met zijn schepping. Het zijn ‘vier’ dieren of levende wezens. ‘Vier’ is het getal van de schepping: vier windrichtingen, vier jaargetijden, enzovoorts. Deze eigenschappen zijn hier gepersonifieerd als vier wezens of vier dieren. Deze kenmerken van God zijn zo overduidelijk en nadrukkelijk dat ze ‘van binnen naar buiten’ komen en vaste vormen aannemen. Het zijn bovendien eigenschappen waaraan de schepping haar kenmerken ontleent.

De schepping laat iets zien van de Schepper en zijn karaktereigenschappen in zijn wereldbestuur. Daarom zien we hier ‘vier wezens’. Dit zijn de wezens die ten diepste prototypen zijn voor alle door God geschapen wezens. Eén van de wezens is gerelateerd aan de vijfde scheppingsdag, de vliegende arend. Drie van de wezens zijn verbonden aan de zesde scheppingsdag, de leeuw, het kalf en die met het gezicht als van een mens. Typisch is dat we hier geen ‘vis’ tegen komen, het dier dat in de zee thuishoort. Het is alsof vissen verder van Gods wezen af staan. Verderop lezen we in Openbaring: ‘de zee was niet meer’. Maar dat slaat meer op de zee als noodzaak van reiniging. Zie daarvoor de uitleg bij het voorgaande vers.

Maar welke eigenschappen van Gods handelen met zijn schepping worden hier dan weergegeven? Het eerste dier is de leeuw. De leeuw is een teken van enorme kracht. Gods optreden is weergaloos krachtig. Wie kan Gods wil weerstaan? God is almachtig. Zijn almacht garandeert dat alles uiteindelijk zal buigen voor Hem en voor zijn perfecte wil. De eerste keer dat de leeuw in de Bijbel wordt genoemd, is in verband met de beschrijving die de oude Jacob op zijn sterfbed geeft van zijn twaalf zoons. Juda vergelijkt hij met een onoverwinnelijke leeuw. Dit thema van de onoverwinnelijke leeuw komt heel de bijbel door terug vindt zijn ontknoping middenin de troon, niet alleen in de leeuw als één van de vier dieren maar in ‘de leeuw uit de stam van Juda’, die heeft overwonnen en die waardig is ‘om de boekrol te openen en zijn zeven zegels te verbreken’, de Here Jezus Christus, die voortkwam uit Juda en het besluit van God tot in detail voortang zal doen vinden. Hij is tevens het ‘Lam van God’. Het kruis, het zwakke van God, dat sterker is dan de mensen. Christus, de kracht van God en de wijsheid van God. Niets kon Hem tegenhouden om hier op aarde het verzoeningswerk tot stand te brengen. Vanaf de troon zien we van Hem in diezelfde wezenskenmerken van onweerstaanbare kracht.

Het tweede dier is een kalf. Het kalf doet denken aan het gouden kalf waarmee het volk Israël ooit voor het eerst van God afweek. Dat kalf maakte voor het eerst de noodzaak tot vergeving en verzoening duidelijk. Het kalf is ook het meest typische dier voor het zondoffer. Het kalf staat voor Gods vergevingsgezindheid en goedertierenheid en weergaloze volharding in zijn weg met de mensheid ondanks het wispelturige, menselijke falen. Het kalf, als rund, dat geschikt is voor het ploegen, staat voor gestage, onvermoeibare arbeid. Ook dat is kenmerkend voor Gods bestuur vanaf de troon. Eeuwen kunnen voorbijgaan zonder dat er iets lijkt te gebeuren maar God werkt gestaag en doelbewust zijn plannen uit ondanks alle menselijke ongehoorzaamheid en hardnekkigheid. Hij trekt rechte voren door de geschiedenis op weg naar zijn uiteindelijke doel. Die gestage gang naar het einddoel was kenmerkend voor het werk van Christus op aarde. Hij was door niets van dat werk af te houden en bleef ondanks alle weerstand en verleiding om Hem heen en alle verschrikkingen vóór Hem in het spoor van de Vader. Het rund is daarom het hoogste offer dat een Israëliet kon brengen. Het rund liet als geen ander dier de weergaloze bereidheid zien om het zware verlossingswerk tot op de laatste triomfantelijke uitroep aan het kruis te volbrengen.

Het derde dier heeft het gezicht als van een mens. Dat laat zien dat God met kennis en overleg te werk gaat. Zijn weg met zijn schepping is er een van ondoorgrondelijke wijsheid, waarbij hij ook rekening houdt met alles wat de mens doet. Het is niet zo dat God dwars door alles heen zijn gang gaat, met niets of niemand rekening houdend, vanwege zijn grote kracht en volharding. Nee, die eigenschappen blijven te allen tijde in evenwicht met een gevoeligheid voor alles wat mensen denken, spreken en doen. We zien dat bijvoorbeeld als God ergens ‘spijt’ van heeft of ‘terugkomt’ op een eerder genomen uitspraak. Zo bijvoorbeeld in zijn overleg met Abraham over het aantal rechtvaardigen in Sodom, waar God zich uitdrukkelijk afhankelijk opstelt van de houding van de mens – tien of meer rechtvaardigen en de stad zou niet worden verwoest. Zo bijvoorbeeld in zijn woordenstrijd met Mozes, waar God Zich door Mozes laat ‘overhalen’ het volk na hun afgoderij met het gouden kalf niet te vernietigen. Zo bijvoorbeeld over de aanstelling van Saul als koning, waarvan God later zegt ‘berouw’ te hebben omdat Saul voortdurend ongehoorzaam is aan God. Zo bijvoorbeeld in het oordeel over Ninevé, wat uiteindelijk wordt afgewend doordat de inwoners van de stad zich in zak en as bekeren. Zo bijvoorbeeld in het geval van koning Hizkia, die op zijn ziekbed zijn doodsbericht te horen krijgt maar zich in groot verdriet tot God wend, waarna God vijftien jaar aan zijn leven toevoegt. Voor ons zijn deze aspecten van God niet te rijmen. Dat God aan de ene kant alles vooraf weet en in eindeloze kracht en met tomeloze energie zijn plannen zo uitvoert zoals Hij wil en tegelijkertijd toch veel zaken laat afhangen van het handelen van de mens. Dat laatste wordt uitgebeeld in het ‘gezicht als van een mens’, alsof God als mens reageert op medemensen. Dat alles is binnen God op een voor ons ondoorgrondelijke manier in evenwicht.

Het vierde dier is de arend, die staat voor de zorg van God voor zijn volk en tevens voor de ontzaglijke snelheid waarmee God kan optreden. De geschiedenis kan eeuwenlang lijken stil te staan en ineens betreedt God het toneel met een cascade aan wonderen en weergaloze gebeurtenissen, vaak om zijn volk te redden van een verkeerde weg of van een naderend noodlot. De reden waarom God eeuwenlang niets lijkt te doen en dan in korte tijd zijn plannen met spoed uitvoert, is dat het Hem te doen is om geloof. Hij wil niet dat mensen voortdurend in huivering voor Hem neerknielen vanwege kolossale wonderen maar dat ze uit vrije wil in Hem geloven. Daarvoor is nodig dat God zeer kort optreedt en dan lange tijd aan de mensen die daarna leren te geloven in datgene wat Hij over zijn korte optreden in zijn Woord heeft laten opschrijven. Zo zit de hele geschiedenis in elkaar.

De snelheid van de arend in combinatie met de gestage maar doelgerichte tred van het rund geeft iets aan van het ‘horten en stoten’ waarmee de geschiedenis verloopt. Het ‘hollen en stilstaan’. Allereerst is de schepping natuurlijk iets waarin God enorm snel handelde. In zes dagen heeft Hij de hemel, de aarde en haar volheid geschapen. Vervolgens gebeurt er 1600 jaar bijna niks en dan ineens wordt de aarde overweldigd door een enorme vloed, die alles onder water zet en slechts acht mensen in een ark doet overleven. Vervolgens staat het weer een paar eeuwen stil en als mensen het dan in hun hoofd krijgen om een toren tot in de hemel te bouwen, verdeelt God hun talen. Weer gebeurt er eeuwenlang weinig tot niets bijzonders en dan breekt God opnieuw zijn stilzwijgen in een hele reeks van wonderlijke gebeurtenissen, die plaatsvinden bij de uittocht van het volk Israël uit Egypte. Dan blijft het weer meer dan vijfhonderd jaar stil en plotseling verschijnen Elia en Elisa op het toneel met een scala aan wonderen. Dan duurt het nog weer circa negenhonderd jaar voordat Jezus optreedt met meer wonderen dan ooit op aarde zijn verricht. Sindsdien is het al zo’n 2000 jaar stil. Het volgende snelle optreden is zijn komst. ‘Spoedig’ of ‘met haast’ zal die komst zijn. De snelheid van Gods optreden met de opname van de gemeente wordt waarschijnlijk alleen nog overtroffen tot zijn schepping van hemel en aarde in zes dagen. Miljoenen gestorvenen zullen lichamelijk worden opgewekt in nieuwe, eeuwige lichamen en samen met de veranderde miljoenen gelovigen die dan leven in wolken worden opgenomen, Hem tegemoet in de lucht.

De vier wezens hebben elk zes vleugels. Dit aantal vleugels verschilt ten opzichte van wat we eerder in de Bijbel leren over deze wezens. De eerst keer dat we lezen over wezens ‘in het midden van de troon’ is in verband met de ark, die het volk in de woestijn vervaardigde op grond van het model dat aan Mozes op de berg was getoond en die in het Heilige der heiligen stond. De ark was een voorstelling van Gods troon te midden van zijn volk Israël. We zien dat in een opmerking van Paulus in de Romeinenbrief, waar hij Christus de ‘genadetroon’ noemt en daarvoor hetzelfde woord gebruikt als voor ‘verzoendeksel’, de deksel die bovenop de ark lag. De term verzoendeksel is ontleend aan het bloed dat eens in het jaar op dit deksel werd gesprengd in verband met de zonden van het volk. Dat gebeurde door de hogepriester, op de enige dag in het jaar dat hij in het Heilige der heiligen mocht komen, de grote verzoendag. In de ark lagen de twee stenen tafelen met daarop de tien geboden. Het deksel was geheel van goud gemaakt en er waren twee engelenfiguren op gebeeldhouwd, uit één stuk met het deksel, die elk twee vleugels hadden en met de aangezichten naar elkaar en naar beneden keken, op het deksel en daaronder de wet van God zagen, die door het volk werd gebroken. Daarom moest het bloed van het offer op het deksel worden gesprengd, zodat de engelfiguren op het bloed keken, dat had gediend als verzoening voor de overtredingen. Deze engelwezens waren, net als de dieren in Openbaring, ‘in het midden’ van de troon, net als het bloed van het offer, het Lam, dat in Openbaring eveneens ‘in het midden’ van de troon is. Echter, het waren slechts twee ‘cherubs’ met twee vleugels, geen vier dieren met elk zes vleugels. We hebben hier te maken met een voortgaande Openbaring van Wie God is.

Een volgende stap in deze Openbaring zien we bij de profeet Ezechiël. Hij beschrijft in zijn boek de wolk van Gods heerlijkheid. In het midden daarvan ziet hij een gedaante van vier levende wezens, die elk de gedaante hebben van een mens. Elk hebben zij vier gezichten en vier vleugels. Hun gezicht is als het gezicht van een mens. Van rechts lijkt hun gezicht op de kop van een leeuw en van links op de kop van een rund. Tevens ziet hun kop eruit als die van een arend. Twee vleugels zijn naar boven uitgestrekt en twee bedekken hun lichaam. Verder zien we dat de vier levende wezens, die Ezechiël ziet, er identiek uit zien. Elk wezen heeft in zijn visioen alle vier de kenmerken: mens, leeuw, rund en arend.

Behalve vier vleugels, ziet Ezechiël ook ‘wielen’ of ‘raderen’ naast de levende wezens, aan de voorkant. De wielen hebben een turquoise schittering en zijn tweeledig, alsof er een wiel in een wiel zit. De wielen kunnen alle kanten op en zitten vol ogen.

Verder ziet Ezechiël een aantal elementen van Openbaring in nauwe samenhang met de wezens, namelijk dat zij eruit zien als brandende kolen in het vuur, als fakkels. Tussen hen in gaat het vuur heen en weer en er schiet een bliksem uit. De wezens zelf schieten als bliksemschichten heen en weer. Boven de hoofden van de wezens ziet Ezechiël iets dat eruit ziet als een gewelf van ijskristal. De fakkels worden in Openbaring gezien voor de troon. De bliksemstralen gaan in Openbaring uit van de troon. Het gewelf van ijskristal komt sterk overeen met de glazen zee, voor de troon.

Vanwege de overeenkomsten in de beschrijvingen, moeten we ervan uitgaan dat Ezechiël een blik kreeg in dezelfde onzichtbare werkelijkheid als Johannes: de troon van God en zijn heerlijkheid. De vraag is waar de verschillen vandaan komen. Die hangen ongetwijfeld samen met het niveau van de Openbaring. Door de geschiedenis heen is sprake van een voortgaande Godsopenbaring, die culmineert in de komst van Jezus Christus en de Openbaring over zijn tweede komst. Johannes zag meer dan Ezechiël. Dat blijkt ook uit de beschrijving. Ezechiël geeft een beschrijving van buiten naar binnen. Als laatste noemt hij Degene op de troon en de regenboog rondom de troon. Dat zijn elementen waar Johannes in Openbaring mee begint. Johannes ziet de troon ‘van binnen naar buiten’ .De verschillen hangen daar grotendeels mee samen.

Ezechiël benadert de heerlijkheid van Gods troon van buiten naar binnen en dat verklaart waarom de beschrijving die hij geeft, wat chaotischer aan doet dan de overzichtelijke beschrijving van Johannes, die van binnenuit een duidelijker beeld krijgt. Maar de vraag is of dit ook een verklaring is voor enkele opmerkelijke verschillen in de beschrijvingen van de wezens:

(1) Johannes noemt vier verschillende wezens met elk één kenmerk (leeuw, kalf, mens en arend) terwijl de wezens bij Ezechiël elk alle vier deze kenmerken hebben, waarbij de nadruk ligt op het kenmerk ‘mens’, dat wordt door Ezechiël als eerste genoemd.

(2) Johannes ziet zes vleugels, Ezechiël slechts vier.

(3) Ezechiël ziet onder hun vier vleugels mensenhanden, Johannes maakt daar geen melding van.

(4) Van de vleugels, die Ezechiël ziet, zijn er twee naar boven gericht en worden twee gebruikt om het lichaam te bedekken. Johannes ziet de zes vleugels ‘rondom’ elk van de wezens.

(5) Johannes ziet geen wielen, Ezechiël ziet wielen naast de wezens en ziet ze vol met ogen. Ook Daniël spreekt in verband met Gods toorn over ‘wielen van laaiend vuur’.

Voorzichtigheid is geboden in de uitleg van deze verschillen omdat er geen rechtstreekse aanwijzingen zijn van elders uit de Bijbel. Als we toch proberen de verschillen te duiden, dan zou dat als volgt kunnen.

(1) Omdat Johannes de troon van binnenuit waarneemt, ziet hij duidelijk vier aparte kenmerken van Gods handelen door de geschiedenis met zijn volk en met de wereld. Ezechiël kijkt van buiten naar binnen en ziet dat de karaktertrekken van de vier wezens elkaar in Gods concrete handelen in evenwicht houden. De onweerstaanbare kracht van Gods handelen (leeuw) paart zich aan de evenwichtige uitwerking van Gods raadsbesluiten (rund) en de enorme snelheid waarmee God plotseling optreedt (arend), hetzij ten behoeve van zijn volk, hetzij om zijn volk te kastijden, gaat vergezeld van wijsheid, kennis en overleg (mens). De wezens nemen in de praktische uitwerking van Gods optreden, als het ware eigenschappen van elkaar over.

(2) Het aantal vleugels van de wezens in de troon stijgt eerst van twee (cherubim op het verzoendeksel van de ark) naar vier (Ezechiël) en in de latere Openbaring naar zes. De vleugel is een beeld van ‘bescherming’, ‘bekommering’, ‘verzorging’. ‘U hebt zelf gezien wat Ik met de Egyptenaren gedaan heb en hoe Ik u op arendsvleugels gedragen en u bij Mij gebracht heb’, zegt God tegen het volk Israël. Psalm 17, Psalm 36, Psalm 57, Psalm 61, Psalm 63 en Psalm 91 noemen ook de vleugels van God als schuilplaats of bescherming. De toename in het aantal vleugels van wezens in de troon kan te maken hebben met de uitbreiding van Gods optreden. Zijn ‘verzorgingsgebied’ wordt al maar groter. Aanvankelijk was dat beperkt tot Israël in de woestijn en later in het land. Maar sinds het aanbreken van de tijden der volken gaat het ook over de grote wereldrijken, waarvan er vier zouden opstaan. Het boek Openbaring bestrijkt Gods wereldwijde optreden. Het betreft de volledige mensheid (zes vleugels, zes is het getal van de mens, geschapen op dag zes, zie ook Openbaring 13). Verder komt het aantal vleugels in Openbaring precies overeen met het aantal van vierentwintig oudsten. Vier levende wezens met elk zes vleugels geven een totaal van vierentwintig vleugels. Ook de oudsten zijn – vanwege de vorming van de gemeente uit de volken – afkomstig uit alle volken van de wereld.

(3) De mensenhanden die Ezechiël onder de vleugels uit ziet komen hebben te maken met punt (1) van het concrete handelen van God op aarde, waar hij als profeet, die zich te midden van het volk ophoudt, getuige van is. Johannes bevindt zich niet op aarde in de periode van het boek Openbaring en hij ziet alles alleen vanuit het perspectief van de troon in de hemel.

(4) De twee vleugels die volgens Ezechiël het lichaam bedekken, lijken iets te maken te hebben met de (plaatsvervangende) schaamte over de toestand van het volk, dat op het punt staat door God geoordeeld te worden en prijsgegeven te worden aan de macht van Nebukadnezar, de koning van Babel. We zien dat ook bij de Serafim in het visioen van Jesaja, die de Heer ziet op zijn hoge en verheven troon. De serafs hebben elk zes vleugels en met twee bedekken zij hun voeten en met twee hun gezicht en met twee vliegen zij. Jesaja roept zelf ook uit: ‘Wee mij, want ik verga! Ik ben immers een man met onreine lippen en woon te midden van een volk met onreine lippen. Mijn ogen hebben namelijk de Koning, de HEERE van de legermachten, gezien’. Ook dit heeft weer te maken met het feit dat de troon in Jesaja en in Ezechiël nog te midden van het volk Israël staat terwijl de troon in Openbaring wordt gezien in de hemel.

(5) De wielen, die Ezechiël ziet, hebben te maken met de spoedige verplaatsing van de troon van God vanuit de tempel in Jeruzalem naar de Olijfberg en uiteindelijk naar de hemel. Johannes ziet de troon in stabiele toestand in de hemel. Wielen zijn daar niet van toepassing.

Een kenmerk dat de wezens bij Ezechiël en bij Johannes gemeen hebben, hoewel Ezechiël het pas noemt bij een latere beschrijving, is dat de wezens vol ogen zijn. In Openbaring wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds ogen op de wezens zelf, van voren en van achteren, en anderzijds ogen op de vleugels, van binnen. Ogen staan uiteraard voor het ‘zien’ door deze wezens van alles wat er gebeurt. Niets is voor deze wezens verborgen. Maar omdat zij staan voor specifieke kenmerken van het handelen van God, gaat het niet alleen om het waarnemen van wat er gebeurt maar vooral om erop toe te zien dat alles wat er gebeurt, overeenkomt met de eigenschappen, die de dieren vertegenwoordigen. De volledige bedekking met ogen staat voor een compleet toezicht op alles wat God doet. Het is een ‘controle’ die uitwijst, of alles klopt met de betreffende eigenschap. Alles wat God doet, moet volledig met de grootheid van zijn Wezen en met al zijn voortreffelijke eigenschappen overeenstemmen. Dat de ogen van voren en van achteren zitten, houdt in dat zowel vooruit als achteruit wordt gekeken. In de eeuwigheid van de Godheid bestaan geen verleden, heden en toekomst maar de wezens vertegenwoordigen de uitwerking van Gods raadsbesluiten in de tijd en zij kijken zowel terug op het verleden als vooruit in de toekomst. Het moet allemaal met elkaar kloppen en samen moet het harmoniëren met Gods eigenschappen.

De vleugels zijn vol ogen ‘van binnen’. Hier gaat het om toezicht op de zorg vanuit de wezens voor Gods schepping, voor de mensheid wereldwijd, en daarbij is ook sprake van een voortdurende controle, een eindeloos toezicht. Alle zorg, alle bescherming, maar ook het opheffen daarvan en het uitbarsten van oordelen in verband met een dolende, afgeweken, afgodische en zelfs vijandige mensheid, zoals in de hoofdstukken die volgen nog zal worden getoond, dat alles moet afgestemd zijn op elk van de wezenskenmerken van God.

Dat alle actie vanuit de troon in overeenstemming moet zijn met Gods wezenskenmerken wordt door de dieren uitgeroepen in het ‘Heilig, heilig, heilig’. De heiligheid van God houdt in dat God altijd handelt in overeenstemming met al zijn eigenschappen. Dat is exact hetgeen waarvoor de wezens staan. Zij zien toe op de heiligheid van God. Hun uitroep is enerzijds eenvoudig maar anderzijds is daarmee ook alles gezegd. Alles moet in overeenstemming gebracht worden met Gods Wezen, zijn kracht, wijsheid, lankmoedigheid, goedertierenheid. Zij noemen Hem ‘de Almachtige, die was en die is en die komt’. Het ‘Almachtige’ houdt in dat waar zij voor staan, en waar zij met alles wat in hen is toezicht op houden, ook mogelijk is. Hij is almachtig. Voor God is het mogelijk dat Hij tegelijkertijd met kracht, met volhardende lankmoedigheid, met overleg en met grote snelheid handelt. Het ‘die was en die is en die komt’ is een andere volgorde dan in het eerste hoofdstuk en verderop in hoofdstuk 11 en hoofdstuk 16. Daar staat: ‘die is, die was en die komt’. De levende wezens noemen de chronologische volgorde want de geschiedenis beweegt zich vanuit het verleden naar het heden en vandaar naar de toekomst. Het gaat hier om de wezenskenmerken van God, voorgesteld als dieren, die zijn raadsbesluiten door de geschiedenis heen uitwerken.

- 30 juli 2021 -


Vers 9-12

Aanbidding

‘En (telkens) wanneer de levende wezens heerlijkheid en eer en dankzegging zullen geven aan Hem die op de troon zit, die leeft tot in alle eeuwigheid, dan zullen de vierentwintig oudsten neervallen voor Hem die op de troon zit en Hem aanbidden en die leeft tot in alle eeuwigheid, en hun kronen neerwerpen voor de troon en zeggen: U bent waard, onze Heer en God, te ontvangen de heerlijkheid en de eer en de kracht, want U hebt alle dingen geschapen, en door uw wil bestonden zij en zijn zij geschapen.’


Om dit slotgedeelte van het hoofdstuk goed te begrijpen, moet gelet worden op de werkwoord tijden. Het hoofdstuk staat tot op halverwege het achtste vers geheel in de verleden tijd, behalve de toezegging van de engel: ‘Ik zal u tonen wat hierna moet gebeuren’. Verder is het verleden tijd: ‘Hierna 'zag' ik – Hem die op de troon 'zat', wat rondom de troon 'was', wat vanuit de troon 'ging', wat voor de troon 'was', de vier dieren … en van binnen 'waren' zij vol ogen.’ Dat is alles verleden tijd. Dan gaat het over in de tegenwoordige tijd: ‘en zij 'hebben' geen rust, dag en nacht en 'zeggen': Heilig, heilig, heilig, Heer, God de Almachtige, die was en die is en die komt.’ Daarna gaat Johannes over op de toekomstige tijd: En wanneer de levende wezens heerlijkheid en eer en dankzegging 'zullen' geven…, dan 'zullen' de vierentwintig oudsten neervallen, aanbidden, hun kronen neerwerpen en zeggen…’.

De verleden tijd duidt op de werkelijkheid van de hemel als een volkomen voldongen feit. Dit is de hemel en niet anders. De tegenwoordige tijd duidt op het ‘eeuwige heden’. Immers, het is altijd heden. Alles wat gebeurt, speelt zich af in het heden. Het ‘heden’ van het ‘geen rust hebben’, en het zeggen: ‘Heilig, heilig, heilig’, houdt in dat de vier levende wezens voortdurend toezien op de volkomen en gedetailleerde uitwerking van al Gods wezenskenmerken in alle gebeurtenissen in hemel en op aarde. Het is de voortdurende waakzaamheid binnen de troon, zolang hemel en aarde bestaan. Dit geeft ons troost, dat, wat er ook gebeurt, alles tot in eeuwigheid in overeenstemming zal blijken te zijn met Wie God is. We zien hier de hemelse werkelijkheid achter bijvoorbeeld Spreuken 16:4 ‘De HEERE heeft alles gemaakt omwille van Zichzelf, ja, zelfs de goddeloze voor de dag van het onheil.’ Zeker in de roerige tijden van de laatste jaarweek van Daniël, die in Openbaring wordt uiteengezet en waarvan we vandaag de dag het voorspel meemaken, is deze waakzaamheid vanuit de allesbepalende troon op Gods heiligheid voor de gelovigen een grote troost. Het geloof dat er niets is dat buiten God omgaat en dat God door alles heen toewerkt naar de eeuwige bevestiging van zijn heiligheid, helpt hen volharden in hun aardse strijd.

Hier op aarde zal door het beest een wereldwijd controlesysteem worden uitgerold (zoals we nog zullen zien in hoofdstuk 13 – als de opname het niet verhindert). De combinatie van ‘artificial intelligence’, nanotechnologie en militaristische dwang wordt nu al steeds meer zichtbaar. De duivel wil namelijk over Gods eigenschap van ‘alwetendheid’ kunnen beschikken. Maar de mensheid zal onder de ontzielende leiding van de duivel slechts een heel klein stapje in de richting kunnen zetten op de eindeloze weg richting de alwetendheid, die bestaat in en rondom de troon, uitgebeeld door de vier levende wezens, vol ogen van voren en van achteren en voortdurend zeggend: ‘heilig, heilig, heilig’. Sterker nog: de duivel en zijn controlesysteem spelen een rol in de plannen van God, ook al wordt wereldwijd in een totale vijandigheid een niets ontziende opstand tegen God en tegen zijn Christus ten uitvoer gebracht, die de apotheose zal blijken van Babylon met de toren waarvan de top tot in de hemel zou rijken. ‘De HEERE heeft alles gemaakt omwille van Zichzelf, ja, zelfs de goddeloze voor de dag van het onheil.’ Het is zoals Psalm 2 zegt: ‘De koningen van de aarde stellen zich op en de vorsten spannen samen tegen de HEERE en tegen Zijn Gezalfde: Laten wij Hun banden verscheuren en Hun touwen van ons werpen! Die in de hemel woont, zal lachen, de Heere zal hen bespotten.’ Zelfs toen alles verloren leek en Christus gegeseld, klaar om gekruisigd te worden, voor Pilatus stond, kon Hij in alle rust zeggen: ‘U zou geen enkele macht tegen Mij hebben, als die niet van boven gegeven was.’ Christus wist, zelfs in dat onmetelijk zware lijden, als Zoon, van de troon, van de ‘heilig, heilig, heilig’ roepende vier dieren en van de plannen van de Vader in zijn kruisdood, zijn opstanding, zijn glorieuze intocht in de hemelen en zijn (nu nog toekomstige) glorieuze overwinning op alle beesten van de wereldrijken.

Typerend is dat na de vermelding van het eeuwige heden van ‘heilig, heilig, heilig’, sprake is van de toekomende tijd. De vier levende wezens ‘zullen’ heerlijkheid, eer en dankzegging geven en vervolgens ‘zullen’ de oudsten in aanbidding neervallen en hun kronen voor de troon werpen. De toekomst is iets dat er nu niet is maar dat er straks wel zal zijn. Het is iets om naar uit te kijken. De gebeurtenissen die in de toekomst liggen, brengen dynamiek in een statische toestand. Het gebruik van de toekomstige tijd, laat zien dat de hemel geen statische toestand is, eeuwig en altijd hetzelfde, maar dat er van alles gebeurt. Dat er voortdurend verandering is. Dat ergens naar uitgekeken kan worden. Datgene waar de hele hemel naar uitkijkt is het moment, dat telkens opnieuw zal aanbreken, dat de vier dieren niet alleen meer ‘heilig, heilig, heilig’ roepen maar daarnaast heerlijkheid, eer en dankzegging geven. Dat is iets anders, iets extra’s. Het is een hemelsbrede demonstratie van de heerlijkheid van God, die als vanzelf een hemelsbreed eerbetoon oproept en een dankzegging voor de tentoonspreiding van die heerlijkheid. En daarin hebben de oudsten ook hun aandeel. Zij doen niet mee in het ‘heilig, heilig, heilig’. Daarvoor zijn alleen de vier levende wezens met hun volledige bedekking door ogen en met hun vleugels vol ogen geschikt. Maar de oudsten doen wel mee met de heerlijkheid, eer en dankzegging en zij vullen dat aan met iets, wat voor de hemel tot op dat moment onbekend was: aanbidding. Aanbidding zien we nergens door engelen gebeuren maar alleen door mensen. Jezus sprak daarover met de Samaritaanse vrouw: ‘Maar de tijd komt en is er nu, dat de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden in geest en waarheid, want de Vader zoekt wie Hem zo aanbidden.’ Het zijn de vier dieren die de aanleiding geven voor de aanbidding door de oudsten. Zij staan voor de uitoefening vanaf de troon van Gods regeringswegen met zijn schepping. Daarom is de aanbidding van de oudsten hier gericht op God als Schepper. Een markant verschil is dat de vier levende wezens ‘heerlijkheid, eer en dankzegging’ geven terwijl de oudsten ‘heerlijkheid, eer en kracht’ noemen als iets dat God ‘waard’ is te ontvangen. God ontvangt van de vier levende wezens, datgene waarvan de oudsten zeggen: Hij is het waard dat te ontvangen en ook nog ‘kracht’. En daarna noemen de oudsten de reden waarom God waard is dat alles te ontvangen: Hij is Schepper van alles wat bestaat. Maar dat zeggen ze nog op een heel bijzondere, drievoudige manier:

  • God heeft alles geschapen
  • Door Gods wil bestonden zij
  • Door Gods wil zijn zij geschapen

Dat laat drie aspecten zien van Gods schepping. Allereerst het enorme vermogen van God om alles te scheppen. Ten tweede dat de dingen reeds in zijn wil als ‘concepten’ bestonden. En ten derde dat hij de wijsheid bezat om alles overeenkomstig zijn wil voort te brengen. Vergelijk het met een kunstenaar, die een idee in zijn hoofd heeft (punt 2) en die beschikt over de technieken om dat idee tot in detail uit te werken (punt 1) en die tevens beschikt over de moed, de volharding en de planning om het idee en de technieken daadwerkelijk te laten samenkomen in het kunstwerk (punt 3).

De oudsten gooien letterlijk alles wat zij hebben in deze glorieuze aanbiddingsdienst: hun kronen. Zij laten daarmee zien dat alle wat zij ontvingen als beloning, uiteindelijk door Gods genade in hen werd bewerkt. Omdat het gaat om een herhaaldelijk terugkomen van deze hemelse eredienst, zullen de kronen steeds opnieuw op de hoofden verschijnen. Hoe dat gebeurt, zullen we moeten afwachten tot we boven zijn.

- 1 augustus 2021 -

openbaring

Van Jezus Christus

Openbaring 5