openbaring 13

Vers 1,2

Het beest uit de zee

‘En ik zag uit de zee een beest opstijgen, dat tien horens en zeven koppen had en op zijn horens tien diademen en op zijn koppen namen van lastering. En het beest dat ik zag, was aan een luipaard gelijk en zijn porten waren als die van een beer en zijn muil als de muil van een leeuw.'


De volgende vragen kan men stellen naar aanleiding van dit gedeelte:

(1) Wat stelt het beest uit de zee voor?

(2) Wat wordt bedoeld met de zeven koppen?

(3) Wat wordt bedoeld met de ‘namen van lastering’?

(4) Wat wordt bedoeld met de tien horens?


(1) Wat stelt het beest uit de zee voor?

Om de betekenis te begrijpen van het beest uit de zee, moeten we ons realiseren dat het boek Openbaring teruggrijpt op het Oude Testament en vooral te zien is als een vervolg op en een nadere uitleg van het boek Daniël. De parallellen tussen Openbaring en Daniël zijn te veel om op te noemen. Eén van die parallellen betreft de vier dieren van de Daniëls droom in Daniël 7 en het beest uit de zee van Openbaring 13. Ook Daniël ziet in zijn visioen dieren uit de zee opkomen, niet één maar wel vier. Die zee is de Middellandse zee. Die vier dieren zijn de vier wereldrijken die alle vier grensden aan deze Middellandse Zee en die alle vier het land van het volk Israël hadden opgeslokt. Dat gaf de draak, die in Openbaring 12 gezien wordt als geestelijke macht achter deze wereldrijken, invloed op het volk van God, waardoor hij het kon benauwen en er de millennia oude strijd tegen kon voeren, de draak en zijn zaad tegen de vrouw en haar zaad.

Tellen we de wereldrijken vanaf de terzijdestelling van Israël, de verplaatsing van de ark als Gods troon van de aardse tempel te Jeruzalem naar de hemelse tempel (Openbaring 11:19), dan zijn dat achtereenvolgens Babel, Medië Perzië, Griekenland en ten slotte Rome. Het Romeinse rijk is het laatste door Daniël voorspelde rijk. Dat zal bij de terugkeer van de Heer Jezus volgens Daniël 7:11-14 worden vernietigd waarna het heerlijk vrederijk van God begint. Daniël ziet in het vierde dier met de tien hoorns in feite de allerlaatste fase van het Romeinse wereldrijk, dat nog toekomstig is. Het beet uit de zee is derhalve het Romeinse wereldrijk, dat zich voor de allerlaatste keer manifesteert om door de Heer Jezus te worden vernietigd.

Een tweede parallel tussen Openbaring en Daniël is gelegen in de tien horens. Daniël ziet achtereenvolgens een leeuw, een beer, een luipaard en een niet nader benoemd vierde dier uit de zee opstijgen. Dat vierde dier is zeer sterk, heeft ijzeren tanden en koperen klauwen en verslindt en vertrapt alles wat op zijn weg komt én het heeft tien horens, net als het beest uit de zee van Openbaring 13. Dat betekent dat het Romeinse rijk in haar laatste fase een samengesteld rijk zal zijn, dat bestaat uit tien deelrijken, die elk worden gedomineerd door een koning.

Maar er zijn ook verschillen. Het beest uit de zee heeft drie kenmerken die het vierde dier in Daniëls droom mist: (1) het heeft zeven koppen met namen van lastering. (2) Het heeft de muil van een leeuw, de poten van een beer en het lijf van een luipaard. (3) De tien horens dragen tien ‘diademen’. Dit keer geen (Grieks) ‘Stephanos’ (overwinnaarskronen) maar ‘Diadema’ (koningskronen).

Anderzijds zijn er ook kenmerken van het vierde dier van Daniël die ontbreken bij het beest uit de zee van Openbaring 13: (1) het opkomen van een elfde horen tussen de tien horens, met een mond vol grootspraak, die oorlog voert tegen de ‘heiligen van de Allerhoogste’. (2) het uitgerukt worden van drie van de tien horens om plaats te maken voor deze elfde horen.

Als we kijken naar de elementen die in Openbaring 13 zijn toegevoegd, dan zijn die als volgt te verklaren en daarmee komen we meteen bij de tweede vraag:


(2) Wat wordt bedoeld met de zeven koppen?

(1) De betekenis van de zeven koppen wordt uitgelegd in Openbaring 17: ‘...de zeven koppen zijn zeven bergen, waarop de vrouw zit. Ook zijn het zeven koningen: vijf zijn gevallen, de ene is er, de andere is nog niet gekomen, en wanneer hij komt, moet hij een korte tijd blijven. En het beest dat was en niet is, is ook zelf de achtste, en het is uit de zeven en gaat ten verderve.’

Openbaring duidt het beest zowel geografisch als historisch. Allereerst geografisch: het zijn zeven bergen. De wereldstad, de hoofdstad van een wereldrijk, die op zeven bergen ligt, is Rome. Het gaat derhalve om het Romeinse wereldrijk. Vervolgens historisch: rekenend vanaf het moment dat Israël niet langer het centrum is van Gods regeringswegen over de aarde vanwege de val van Jeruzalem, de vernietiging van de tempel en het zoekraken van de troon van God, de ark van het verbond, zijn er tot aan het Romeinse rijk inderdaad vijf ‘koppen’ of koninkrijken geweest die de wereld hebben geregeerd en waar het volk Israël deel van uitmaakte: (1) Babel (2) en (3) Medië -Perzië, (4) en (5) de vergriekste Seleuciden en Ptolemaeën.

Om bij de telling van de koppen alleen die rijken mee te tellen waar het volk Israël deel van uitmaakte, is van belang omdat ook Openbaring 13 terug gaat op het ‘kleine boekje’ in de hand van de engel die in Openbaring 10 neerdaalde uit de hemel. Dat kleine boekje bevat de profetieën aangaande het volk Israël. Deze profetiën zullen vanaf de laatste jaarweek van Daniël en vooral vanaf de tweede helft daarvan, in rap tempo in vervulling gaan. Het is als een steeds sneller stromende rivier van realisaties van Gods Woord, uitlopend in een enorme waterval van de korte periode na de grote verdrukking met de terugkeer van Jezus Christus en het grootse alles bezegelende optreden van God Zelf. De realisaties buitelen dan zo ongeveer over elkaar. Het is de periode na het blazen van de zevende bazuin. Daarom ‘zal in de dagen van het bazuinen van de zevende bazuin de verborgenheid (of het geheimenis) van God voleindigd worden’ (Openbaring 10:7).

Terug naar het beest uit de zee. De vijf gevallen koppen betroffen de drie voorafgaande wereldrijken, waarvan er twee tweekoppig waren, waar het de relaties met Israël betreft. De zesde kop, waarvan Johannes zegt dat die er (nu, op moment dat hij Openbaring schrijft) is, is uiteraard het Romeinse wereldrijk. De zevende kop ‘is nog niet gekomen, en wanneer hij komt, moet hij korte tijd blijven’. De zevende kop is een nu nog steeds toekomstige fase van het Romeinse rijk, die slechts een kort leven beschoren zal zijn en die voorafgaat aan het oprijzen van het beest uit de zee. Het is de fase, waarbij reeds sprake is van tien horens en waarbij de elfde hoorn reeds op het toneel is verschenen maar nog niet de centrale plaats in het rijk heeft ingenomen. Het rijk wordt namelijk nog gedomineerd door ‘het grote Babylon’, het afvallige kerkelijke systeem. De vrouw zit op een zevenkoppig, niet op een zeskoppig beest. Deze zevende vorm van het wereldrijk wordt gerealiseerd in de eerste helft van Daniëls laatste jaarweek.

Dat Daniël deze koppen niet zag, komt omdat Daniël nog aan het begin stond van de geschiedenis van deze wereldrijken. Hij zag de rijken daardoor als separate dieren. Johannes staat er grotendeels achter en kan terugkijken en wat hij ziet is dat de rijken elkaar hebben opgeslokt, zodat in het Romeinse rijk sprake is van één beest, dat in het verleden steeds in een andere verschijningsvorm is opgedoken. Op de vreemde zin dat het beest ‘zelf de achtste is’ enzovoorts komen we hier direct onder nog terug.

(2) Het tweede element van Openbaring, dat in Daniël ontbreekt, komt geheel overeen met het voorgaande element van de zeven koppen. In de kenmerken van een leeuw, een beer en een luipaard keren de verschijningsvormen van voorgaande rijken terug in het laatste rijk. Daniël zag in zijn droom het Babylonische rijk als een leeuw en de muil van de leeuw is een kenmerk van Rome. Daniël zag in zijn droom het rijk van Meden en Perzen als een beer en we zien de poten van de beer terug in Rome (twee poten – Meden en Perzen). Daniël zag in zijn droom het Griekse rijk als een luipaard en we zien het lijf van de luipaard terug in Rome (twee achterpoten – Seleuciden en Ptolemaeën). Het Romeinse rijk heeft allerlei elementen van de voorgaande drie rijken in zich opgenomen.

Als we kijken naar het derde element dat in Daniël 7 ontbrak en ten opzichte van Openbaring 13 en van de twee elementen die in Openbaring 13 ten opzichte van Daniël 7 ontbreken, dan heeft dat allemaal te maken met de tien horens. We zullen dat bespreken bij de vierde vraag over de betekenis van deze horens.


(3) Wat wordt bedoeld met de ‘namen van lastering’ op de zeven koppen.

De zeven koppen zijn de zeven rijken in de geschiedenis van het wereldrijk, dat zich sinds de val van Jeruzalem rond 500 voor Christus, telkens met een andere volken als leidende machten, heeft gemanifesteerd. In elk van die rijken was op er enig moment sprake van, dat het rijk de macht van God ontkende dan wel zich in plaats van God manifesteerde dan wel dat het volk van God werd belaagd. Het miskennen van Gods macht, het innemen van Gods plaats en het belagen van Gods volk zijn vormen van ‘Godslastering’. Als de Heer Jezus zegt dat Hij de Zoon van God is, is de conclusie van het Sanhedrin: ‘Hij heeft gelasterd’. Elke aanmatiging van een rijk met eigenschappen, die alleen God Zelf toebehoren is een lastering. We zien dat gebeuren in geval van Babel, waarbij een beeld wordt opgericht dat de gehele wereld moet aanbidden (Daniël 3), waarbij de koning zijn eigen macht prijst (Daniël 4) en waarbij de koning drinkt uit het gouden vaatwerk van Gods tempel (Daniël 5). We zien lastering in geval van de Meden, waarbij een wet wordt uitgevaardigd dat alleen een verzoek gericht mag worden aan de koning en niet aan enige God. We zien lastering in geval van de Perzen, waarbij het bestaansrecht van Israël, het volk van God, wordt ontkend (Esther). We zien lastering in geval van de Ptolemaeën in de zin van bescherming, die zij Israël zeggen te bieden in plaats van de bescherming van God Zelf (Daniël 11:14,15). We zien lastering in geval van de Seleuciden in het afgodsbeeld van Zeus dat wordt opgericht in de tempel te Jeruzalem, terwijl het dagelijks offer wordt gestaakt (Daniël 8, 11:31). We zien lastering van het Romeinse rijk in de verafgoding van keizers en de vervolging van de jonge christengemeente. Al deze vormen van lastering keren terug in de allerlaatste fase van het wereldrijk, waarbij kenmerken van de voorgaande zeven koppen worden verenigd.


(4) Wat wordt bedoeld met de tien horens?

In het boek Daniël lezen we over de tien horens het volgende, in een opklimmende openbaring:

Eerst: de droom zelf:

‘...en het had tien horens. Terwijl ik op die horens lette, zie, daartussen verhief zich een andere kleine horen, en drie van de vorige horens werden daarvoor uitgerukt; en zie, in die horen waren ogen als mensenogen en een mond vol grootspraak.’ (Daniël 7:8)

Dan: de vertolking van de droom door Daniël zelf:

‘...en van de tien horens, welke op zijn kop waren en van die andere, die zich verhief en waarvoor er drie uitvielen, terwijl deze horen met ogen en een mond vol grootspraak, er groter uitzag dan de andere.’ (Daniël 7:20)

Tot slot: de verklaring van de droom door één van de figuren in zijn droom ‘die daar stonden’:

‘En de tien horen: uit dat koninkrijk zullen tien koningen opstaan, en na hen zal een ander opstaan; die zal van de vorige verschillen en drie koningen ten val brengen….’ (Daniël 7:24)

Ook Openbaring geeft een verklaring van de tien horens, die vrijwel overeenkomt met de uitleg in Daniël:

‘En de tien horens die u hebt gezien, zijn tien koningen, die nog geen koninkrijk ontvangen hebben maar die één uur gezag als koningen ontvangen met het beest.’ (Openbaring 17:12)

Maar zoals reeds opgemerkt, zijn er enkele verschillen met Openbaring 13. We missen in Daniël de diademen of koningskronen op de horens maar in plaats daarvan wordt wel melding gemaakt van een elfde horen, die na de tien oprijst en waarvoor er drie van de oorspronkelijke tien worden uitgerukt. We zullen die verschillen nu bespreken.

(3) Het derde element dat wel in Openbaring 13 maar niet in Daniël 7 voorkomt, zijn de diademen of koningskronen op de tien horens. In dat opzicht verschilt Openbaring 13 ook van Openbaring 12 en van Openbaring 17. Ook daar vinden we geen diademen op de horens. De vraag is waarom dit verschil bestaat. In Daniël ontbreekt het omdat de nuances daar nog niet zichtbaar zijn. Het is voor Daniël nog een zeer verre toekomst. Hij schouwt 2.500 jaar vooruit met deze profetie en de horens worden in de uitleg, die hij krijgt, ‘koningen’ genoemd, ongeacht of ze al dan niet reeds koninklijk gezag hebben. Openbaring wordt geschreven ten tijde van het laatste wereldrijk, het Romeinse en hoewel we achteraf kunnen zeggen dat ook toen nog 2000 jaar te gaan waren, wordt een belangrijk relevant details gegeven over de tien horens. En dat belangrijke detail is dat er een periode is dat ze wel reeds bestaan maar nog geen koninklijk gezag hebben ontvangen en een zeer korte periode, dat ze dat gezag wel hebben ontvangen – met het beest.

Voor de nuances over het gezag van de koningen moeten we dus bij Johannes zijn, in Openbaring 12, 13 en 17 en niet bij Daniël. In In drie hoofdstukken van Openbaring ,12, 13 en 17, is sprake van een beest met zeven koppen, telkens in een andere setting. Openbaring 12 maakt melding van kronen op de zeven koppen, niet op de tien horens. Waarom? Openbaring 12 toont ons de draak, de geestelijke macht van de satan achter de wereldrijken, die in elk van deze rijken ‘de kop opstak’. Daarom zien we in Openbaring 12, in het beest als voorstelling van de doorlopende heerschappij van de draak over het steeds veranderende wereldrijk, de kronen op de koppen, niet op de horens. Het zijn immers de zeven rijken door welke de satan regeerde en door welke hij het volk Israël heeft aangevallen.

Openbaring 17 toont ons ‘een scharlakenrood beest, vol namen van laster met zeven koppen en tien horens’ met daarop een vrouw, die genoemd wordt ‘het grote Babylon’, die op de vele wateren zit en met wie de koningen van de aarde gehoereerd hebben’. Deze vrouw wordt tevens ‘de grote hoer genoemd’. Deze aanduiding, wijst op een voormalige relatie met God Zelf, waarvan zij is afgeweken in ruil voor ‘gemeenschap met de koningen der aarde’. Er is slechts één enkele instantie die gedurende de afgelopen 2000 jaar afgeweken is van God en gemene zaken heeft gedaan met de wereld. Die instantie is de kerk, met name de Rooms Katholieke kerk, met in haar kielzog alle weer in haar moederschoot teruggekeerde kerken die ontstonden sinds de reformatie.

Openbaring 17 is het droevige eindpunt van de lange historische ontwikkeling van kerk, die wordt geschetst in Openbaring 2 en 3, een situatie die in wezen al lang bestaat maar die steeds duidelijker zichtbaar wordt. Met het uitroepen van het christendom als officiële staatsgodsdienst van het rijk en de benoeming van bisschoppen op belangrijke bestuursposities, is de kerk gaan heersen in de wereld en over het rijk. Zij is verworden tot ‘de vrouw op het beest’. Tevens zit zij ‘op vele wateren’, dat zijn ‘volken, menigten, naties en talen’. Dat wil zeggen dat het beest is opgegaan in de ‘vele wateren’. Het Romeinse rijk is ondergegaan in de volken van Europa en de vrouw, de kerk, heerst erover. De zeven koppen, de rijken die deels geschiedenis zijn geworden, hebben onder haar gezag geen kronen. De tien horens, de koningslijnen, die voortkomen uit het Romeinse rijk, zijn onderworpen aan de vrouw en hebben eveneens geen koningskronen. Zij hebben, zolang de vrouw heerst, nog geen gezag als koningen. Koninklijk gezag ontvangen zij pas ‘met het beest’ en wel voor ‘één uur’.

Openbaring 13 volgt chronologisch op Openbaring 17 en toont ons de situatie direct na het omhoog komen van het beest uit de zee, dat is tevens ‘uit de vele wateren’, uit de Europese volken, nadat eerst is afgerekend met de vrouw en het oordeel over het grote Babylon is voltrokken. De tien horens hebben de hoer ‘gehaat, haar eenzaam en naak gemaakt, haar vlees gegeten en haar met vuur verbrand’. (Openbaring 17:16). Vervolgens hebben zij alle gezag overgedragen aan de ‘elfde hoorn’ van Daniël, de ‘achtste kop’ van Openbaring 17, die tevens het beest zelf is. Met hem hebben zij ‘voor één uur’ gezag als koningen ontvangen. Daarom zijn de tien horens van het beest uit de zee in Openbaring 13 voorzien van koningskronen.

Vervolgens hebben de tien horens te maken met twee elementen die Daniël 7 noemt maar die we missen in Openbaring 13.

(1) Het eerste element van Daniël 7, dat in Openbaring 13 ontbreekt, is de elfde horen. Waar is de elfde horen ineens gebleven? In dat opzicht is het belangrijk te luisteren naar de uitleg over de zeven koppen van Openbaring 17: ‘En het beest dat was en niet is, is ook zelf de achtste, en het is uit de zeven en gaat ten verderve.’

Daniël 7 heeft het over de elfde hoorn. Openbaring 17 heeft het over de achtste kop. Waarom? Wat is het verschil? We zagen hierboven reeds dat de zeven koppen ‘zeven koningen’ voorstellen, in de zin van ‘koninkrijken’ die elkaar in de geschiedenis zijn opgevolgd. (vijf zijn gevallen – één is nu – de andere is nog niet gekomen…). Ook de tien horens stellen koningen voor. Het zijn alleen geen opeenvolgende koninkrijken. Het zijn gelijktijdig heersende koningen met elk een eigen geografisch domein binnen één en hetzelfde wereldrijk. Immers, er staat dat zij gedurende één uur gezag als koningen ontvangen met het beest. Het zijn de tien grote brokstukken van het ene wereldrijk waarover het beest als keizer regeert.

Dat het beest zelf ‘de achtste’ (kop of koning) is, wil zeggen dat het beest zelf tegelijkertijd de ‘achtste kop’ en de elfde hoorn is. De 'achtste kop', dat wil zeggen de allerlaatste fase van de geschiedenis der wereldrijken, in een voorlaatste fase van de geschiedenis der wereldrijken voortgekomen uit ‘de zeven voorgaande rijken’. De ‘elfde horen’, dat wil zeggen: na de andere horens opgedoken vanuit de geschiedenis van het in Europa opgegane Romeinse rijk en klein begonnen maar uiteindelijk de andere tien horens de baas geworden en de centrale macht in zichzelf opgenomen.

Daniël ziet het beest opkomen als elfde hoorn, nadat de andere tien hoorns reeds enige tijd bestaan. Er staat:‘ daartussen verhief zich een andere kleine horen’ en ‘na hen zal een ander opstaan; die zal van de vorige verschillen…’ Daaruit kunnen we opmaken dat deze elfde horen klein begint en anders is dan de andere tien, mogelijk minder oude wortels heeft en daardoor begint als een bescheiden macht. Maar daarna wordt hij groter dan de andere tien en gaat hij de centrale plek in het rijk innemen. Ten slotte wordt zijn macht zo groot, dat hij de personificatie is van het rijk. Het beest is tegelijkertijd een wereldrijk (de achtste kop) en de laatste heerser van de wereldrijken (de elfde hoorn). Daarom staat er ook dat de tien koningen, die samen het wereldrijk vormen, één uur met het beest gezag ontvangen als koningen.

Ook hier gaat het er weer om dat Daniël aan het begin van de geschiedenis stond en in de tien horens reeds de voorlaatste fase van het vierde dier aanschouwde en daartussen een horen zag oprijzen, die in de laatste fase alles met zijn macht zou overvleugelen. Maar Johannes leefde intussen in dat enorme Romeinse rijk en hij ziet in zijn tijd hoezeer de keizers zich laten vereenzelvigen met het wereldrijk en kan zeggen dat de laatste heerser alle macht van het rijk in zich zal verenigen. Hij ziet in zijn visioen eerst de tien horens en daarna pas zeven koppen. De nadruk valt op de horens, die hun gezag als koningen geheel en al ontlenen aan het beest.

Daarom is het treffend dat de muil van het beest die van een leeuw is, overeenkomend met het Babylonische rijk, waarvoor ook het meest centralistische gezag gold. In de uitleg van een andere droom, die van Nebukadnezar, waarin de rijken als een beeld werden voorgesteld met een gouden hoofd, kon Daniël zeggen: ‘dat gouden hoofd (niet: dat is uw rijk maar…) dat bent u’.

(2) Het tweede element uit Daniël 7, wat we missen in Openbaring 13 betreft de drie horens, die plaats moeten maken voor de elfde horen, oftewel de keizer van Rome. Daar lezen we nergens van in Openbaring. Maar het zit verstopt in de tekst. Er staat namelijk dat de tien horens, die tien koningen voorstellen, één uur gezag ontvangen met het beest om als koningen te heersen. Waarom één uur? Waarom niet ‘tijd, tijden en een halve tijd’ of ‘1260 dagen’ of ‘42 maanden’? Johannes is zeer precies met zijn uitdrukkingen en had hier best nog een keer die o zo belangrijke laatste halve jaarweek kunnen aanduiden. Maar dat doet hij niet. Waarom niet? Zou het zijn omdat het ‘uur’ waarin de koningen met het beest gezag als koningen ontvangen, zeer kort zal zijn? Als we Daniël naast Openbaring leggen, dan zal het waarschijnlijk zo gaan dat de tien koningen het beest als centrale wereldleider aanstellen. Kort daarna zullen bij het minste of geringste meningsverschil drie horens of koningen worden afgezet, waarbij zij mogelijk worden geëxecuteerd omdat zij als verraders van de centrale wereldleider worden aangemerkt. Het beest, met zijn enorme door satan gegeven macht, voelt zich onoverwinnelijk. Hij doet precies het omgekeerde van Jezus Christus. Jezus nam het verraad van Judas als gelegenheid om zijn leven af te leggen. Het beest uit de zee neemt het verraad van zijn ‘ministers’ als aanleiding om zich van hen te ontdoen en meer macht naar zichzelf toe te trekken.

Hoe lang dat ‘uur’ zal zijn dat de tien horens gezag als koningen ontvangen met het beest, weten we niet. Maar we hebben in Openbaring 9 aanleiding om te denken aan vijf maanden. De macht van het beest uit de zee zal volgens Daniël 9:27 een halve jaarweek duren: ‘Op de helft van de week zal hij (de vorst die komen zou, waarvan het volk stand en heiligdom te gronde zouden richten – dat waren de Romeinse legioenen in het jaar 70), de Romeinse keizer, het dagelijks offer staken en een gruwel oprichten die verwoesting brengt…’

Ook de val van de draak uit de hemel van Openbaring 12 was halverwege die laatste jaarweek want daarna vervolgde hij de vrouw. Zij moest voor 1260 dagen of ‘tijd, tijden en een halve tijd’ vluchten naar haar plaats in de woestijn.

De val van de draak uit de hemel valt samen met Openbaring 9:1, waar staat: ‘En de vijfde engel bazuinde en ik zag een ster, uit de hemel op aarde gevallen, en haar werd de sleutel van de put van de afgrond gegeven….’ De op aarde gevallen morgenster is blijkens Jesaja 14 de duivel oftewel de draak van Openbaring 12. De duivel krijgt toegang tot demonische krachten uit de onderwereld, die vijf maanden van pijniging over de wereldbevolking brengen door ‘staarten van sprinkhanen’, die ‘schade toebrengen’. Na vijf maanden schalt de zesde bazuin en worden vier engelen bij de Eufraat losgemaakt waardoor een vreselijke oorlog wordt ontketend tegen de volledige wereldbevolking, waarbij ook weer ‘schade’ middels ‘staarten als slangen’ wordt toegebracht. De aanduiding van de duur daarvan begint ook met het woord 'uur', hetzelfde woord als het 'uur' dat de horens als koningen met het beest regeren.

De vier engelen van Openbaring 9 zijn de vier geestelijke machten van de wereldrijken, die één voor één door Gods hemellegers werden geketend en ten slotte door Christus Zelf door het kruis, zodat Rome ophield een wereldrijk te zijn en kwam onder de invloed van de kerk. Maar met het beest op de troon en satan als zijn inspirator worden deze vier engelmachten losgemaakt om een totale tirannie over de wereldbevolking te brengen, waar de WEF-bestuurders op dit moment alleen nog maar van kunnen dromen.

- 10 maart 2022 -


Vers 3,4

De draak en het beest

‘En de draak gaf hem zijn macht en zijn troon en groot gezag. En ik zag één van zijn koppen als tot de dood geslagen, en zijn dodelijke wond werd genezen; en de hele aarde ging met verbazing het beet achterna. En zij aanbaden de draak, omdat hij het gezag aan het beest had gegeven, en zij aanbaden het beest en zeiden: Wie is aan het beest gelijk, en wie kan er oorlog tegen voeren?’


De volgende vragen stellen we naar aanleiding van dit gedeelte:

(1) Hoe kan de draak aan het beest groot gezag geven terwijl de draak uit de hemel is geworpen?

(2) Welke kop van het beest is tot de dood geslagen? En wat houdt het ‘tot de dood geslagen’ in?

(3) Wat houdt in dat de dodelijke wond werd genezen?

(4) Wat is het karakter van de aanbidding van de draak en het beest?


(1) Hoe kan de draak aan het beest groot gezag geven terwijl de draak uit de hemel is geworpen?

In Openbaring 12:10 lezen we, na het neerwerpen van de draak vanuit de hemel op aarde: ‘Nu is de behoudenis gekomen en de kracht en het koninkrijk van onze God en het gezag van zijn Christus…’

Hoe kan tegelijkertijd sprake zijn van ‘het gezag van zijn Christus’ en van gezag dat door de draak wordt gegeven? Deze kwestie speelt in wezen al 2000 jaar. Na zijn opstanding zei Jezus tot zijn discipelen: ‘Mij is gegeven alle macht in de hemel en op aarde’. Ja, u leest het goed...in de hemel en op aarde. Waarom neemt de puinhoop op aarde dan halsoverkop toe? Het antwoord op die vraag is dat er een verschil is tussen het ontvangen hebben van macht en het uitoefenen van macht. ‘Wij zien nog niet alles aan Hem onderworpen’. Dat de Heer Jezus al 2000 jaar wacht met de uitoefening van de door Hem verworven macht, duidt op zijn onvoorstelbare geduld. Hij is de Zoon, de uitstraling van Gods Wezen, ook van Gods lankmoedigheid. De Heer Jezus wacht op de signalen die de Vader Hem geeft. Hij doet niets op eigen initiatief. ‘De Zoon kan niets doen van Zichzelf tenzij Hij de Vader iets ziet doen.’ Hij wacht op de aanwijzingen van de Vader, al 2000 jaar. Dat is het grote verschil tussen Jezus en de duivel, die voortdurend op eigen initiatief handelt en zich aan de Vader niets gelegen laat liggen.

Verder gaat de voortgang van de uitoefening van Christus’ macht in fases. Het gezag van Christus geldt al 2000 jaar lang alleen in de gemeente van God, verder nergens. Het wordt nog niet erkend in de wereld. Satan is nog de ‘vorst van deze kosmos’ en de ‘god van deze eeuw’. Maar het moment nadert met rasse schreden dat Christus zijn verworven macht zal gaan uitoefenen, eerst over de hemel. Daarna over de aarde. Het begint met het openen van de zegels in Openbaring 5. Het initiatief ligt bij de Vader. In de hand van God ligt de boekrol, die het Lam als enige bevoegd is te nemen en te openen. Het verbreken van de zegels in Openbaring 6 roept enorm verzet op van de machten van satan, die op aarde tekeergaan in de apocalyptische ruiters en het ombrengen van getuigen. Maar bij het zesde zegel wordt de enorme macht van het Lam over hemel en aarde even zichtbaar en kruipen de wereldbeheersers van de duisternis in hun holen.

Na een halfuur stilte in de hemel en de opzending van de gebeden van de heiligen tot Gods troon, in Openbaring 8, breekt de strijd in de hemel tussen Michaël en de satan los, vermeld in Openbaring 12. De eerste vier bazuingerichten, die de aardse infrastructuur lam leggen, zijn te zien als uiting van deze hemelse strijd. Het eindigt met de vijfde bazuin in Openbaring 9, de ster die uit de hemel op aarde is gevallen, de draak die met zijn engelen door Michaël uit de hemel is gegooid. Dat betekent dat het hemelse gezagsgebied van Christus van de vijandelijke macht is vrij gezet, zodat de macht van Christus daar volledig kan worden ontplooid. Maar de aarde is dan nog niet vrij gezet van satans macht. Daarom kan satan zijn macht en troon en groot gezag geven aan wie hij wil.

Eens stond satan tegenover Jezus en liet hij Hem de koninkrijken van het aardrijk zien en hun heerlijkheid. Jezus zou de macht daarover ontvangen als Hij voor satan zou neerbuigen. De enige reactie van Jezus was de uitroep: ‘Ga weg satan want er staat geschreven: De Heer uw God zult u aanbidden en Hem alleen dienen’. Later stelde Petrus voor dat de weg van lijden de Heer niet zou overkomen en opnieuw zei Jezus: ‘Ga weg achter mij, satan, want u bedenkt niet de dingen van God maar de dingen van mensen’.

Hier hebben we het beest uit de zee, dat uit de hand van satan dankbaar accepteert, wat Jezus afwees. Daaruit kan opgemaakt worden dat het beest satan aanbidt en dient en niet de dingen van God maar de dingen van mensen bedenkt, eigen populariteit, opiniepeilingen. In ruil voor zijn aanbidding en gehoorzaamheid ontvangt het beest van de draak macht, de troon en groot gezag. Dat is nog nooit eerder gebeurd in de geschiedenis. Nergens lezen dat satan aan een wereldleider rechtstreeks zijn troon en het gezag aanbiedt. Zelfs van de hoofden der wereldrijken lezen we dat ze door God werden aangesteld. Daarom schrijft Paulus in Romeinen 13: ‘Er is geen overheid dan door God en die er zijn, zijn door God ingesteld.’ Alleen aan Jezus en aan het beest werd door satan de macht over zijn wereldrijk aangeboden. Jezus sloeg het af. Het beest neemt het aan.

Dat satan zijn kop opstak in de vier wereldrijken, wil niet zeggen dat hij ook zijn troon gaf. Het was God die regeerde middels engelmachten. Deze engelmachten lieten zich echter door satan beïnvloeden, maakten zich los van God en gingen eigen wegen. Dat is de reden waarom zij de één na de ander gebonden werden aan de rivier de Eufraat, waar we ze aantreffen in het kader van de zesde bazuin. Bij het blazen daarvan worden ze alle vier losgemaakt, hetgeen een derde van de mensheid op aarde het leven kost. Zij plaatsen zich onder het gezag van de draak, dat is de mensenmoordenaar van den beginne en voeren de bevelen uit die de draak geeft door middel van het beest.

Al heel lang bestaan er op aarde geheime genootschappen, die in het geheim de satan aanbidden en dienen en alles wat in de Bijbel staat 180 graden draaien. De satan wordt door hen als God aanbeden en God wordt de vijand genoemd. Binnen hun opvattingen wordt God voorgesteld als de Macht die aan de mens zijn intellect wilde onthouden, daar in de hof. Binnen hun opvattingen is het te danken aan de duivel dat de mens zich dat intellect toch heeft eigen gemaakt. Zij zien satan als lucifer, de lichtdrager, die de wereld met zijn intellect verlicht. De verzamelnaam voor al deze genootschappen is daarom de ‘illuminati’, ooit ontstaan in 1776 als een specifiek genootschap, gesticht door Adam Weishaubt, maar later ondergronds gegaan en uitgebreid naar andere reeds bestaande genootschappen als de vrijmetselaars. De VS is gesticht door vrijmetselaars en is het bastion geworden waarlangs de satan zijn macht op aarde aan het consolideren is. Het ‘in God we trust’ op het 1 dollar-biljet is niet de God van de Bijbel maar de God van de vrijmetselaars, satan. Het is uit dit nest van geheime groeperingen, dat het beest zal voortkomen, gepokt en gemazeld in de dienst aan satan. Deze groeperingen hebben er geen idee van welke krachten zij zullen losmaken met duivelse plannen. Zij zijn als de toversnaarleerling, die toverkrachten aan het werk zette, die hij na verloop van tijd zelf niet meer de baas kon, zodat een groot drame zich afspeelde.

Uiteindelijk zal Jezus ook op aarde zijn macht vestigen, op het moment daarvoor door God bepaald. Dat moment bevindt zich exact 42 maanden na de aanvang van de macht van het beest. Dan zal wereldwijd gezien worden, Wie de jure al 2000 jaar lang de macht heeft in de hemel en op aarde en Wie deze macht vanaf het einde van de Daniëls laatste jaarweek ook de facto zal uitoefenen.


(2) Welke kop van het beest is tot de dood geslagen? En wat houdt het ‘tot de dood geslagen’ in?

Bij het beantwoorden van deze vraag komt het aan op zorgvuldig lezen van de tekst en consequent aan de betekenis daarvan vasthouden. Om deze vraag te beantwoorden herhalen we nog een keer de sleuteltekst in Openbaring 17: ‘...de zeven koppen zijn zeven bergen, waarop de vrouw zit. Ook zijn het zeven koningen: vijf zijn gevallen, de ene is er, de andere is nog niet gekomen, en wanneer hij komt, moet hij een korte tijd blijven. En het beest dat was en niet is, is ook zelf de achtste, en het is uit de zeven en gaat ten verderve.’

Het moet bij ‘de kop die tot de dood geslagen is’ gaan om de historische duiding van het beest, niet om de geografische. De geografische duiding was namelijk: zeven bergen, de stad Rome. Bergen kunnen echter niet ‘tot de dood worden geslagen’. Bij de historische rijken ging het om de uitingen van het wereldrijk in verschillende volken, Babel, Medië-Perzië, Griekenland (Seleuciden, Ptolemaeën) en Romeinen. Aangezien er vijf ‘koppen zijn gevallen', kunnen het die vijf koppen niet zijn. Het Babylonische, het Medisch-Perzische en het Griekse wereldrijk waren al opgegaan in de geschiedenis. Op moment van schrijven van Openbaring, was sprake van de zesde kop (‘de ene is er’), het Romeinse rijk. Maar ook dat is intussen geschiedenis. De enige kop waarover het ‘tot de dood geslagen’ kan gaan is derhalve de zevende kop. Het is de vorm van een wereldmacht, waarbij tien koningen over tien wereldregio’s heersen en waarbij zij gedomineerd worden door een wereldkerk, die alle wereldreligies in zich heeft verzameld, het ‘Grote Babylon’, de grote hoer die op de vele wateren zit. Deze zevende kop is evenwel niet de allerlaatste fase van de wereldrijken. Er staat: ‘het beest, dat was en niet is, is ook zelf de achtste, en het is uit de zeven en gaat ten verderve’. Deze achtste en allerlaatste ‘kop’ zien we in Openbaring 13, waarbij de grote hoer is uitgeschakeld en de macht is verschoven naar de tien horens of tien koningen (zij dragen diademen in tegenstelling tot in Openbaring 17), die gezag als koningen ontvangen, samen met het beest. Het beest ontvangt zijn macht en troon en groot gezag van satan en hij deelt deze macht met de tien koningen.

Openbaring 13:3 laat zien langs welke weg deze nieuwe en laatste situatie van de achtste kop, de totalitaire heerschappij van het beest, ontstaat. Aan de zevende kop wordt een genadeklap uitgedeeld. Men komt van dit vers vaak de verklaring tegen als zou het hier gaan om een mens van vlees en bloed. Echter, het is één van de zeven koppen, die geslagen is en daarbij gaat het om (deel-) rijken, niet om mensen. Alleen van het beest wordt gezegd dat het de achtste is. Maar het beest heeft geen acht koppen. De ‘achtste’ is het beest in zijn totaliteit, vertegenwoordigd door de mens die van satan zijn troon en groot gezag ontvangt. De kop die ‘tot de dood is geslagen’ is de nieuwe wereldorde waar de elite van de wereld nu op uit is, om onder auspiciën van de Rooms Katholieke kerk, die nog steeds enorme macht heeft in de wereld, een één-wereldregering te vormen. Dit zal uiteindelijk lukken onder het optreden van de apocalyptische ruiters, met veel misleiding en oorlogen, controle over voedsel (honger) en epidemiën, zoals blijkt uit Openbaring 6.

De grote aardbeving onder het zesde zegel luidt het einde in van deze wereldwijde fasistoïde regeringsvorm, om plaats te maken voor iets nog veel ergers – fascisme in zijn meest extreme vorm. Het zwaard waarmee de kop tot de dood wordt geslagen is niet het zwaard van een mens. Een mens zou nooit of te nimmer de enorme macht van de zevende kop kunnen breken. Dat kan alleen God. Het is hier dan ook het zwaard van God. Reeds het allereerste zwaard in de Bijbel werd gehanteerd door God, vlak na de zondeval, om de mens de toegang tot de hof van Eden te verhinderen. Het is voortdurend het zwaard van God dat de expansiedrift van de mens onder invloed van zijn kwade genius, de satan, een halt toeroept. We vinden in het profetisch woord diverse aanduidingen voor dit zwaard: Deuteronomium 32:40 ‘Want Ik hef Mijn hand op naar de hemelen zeg: Zo waar Ik in eeuwigheid leef: Als Ik Mijn glinsterend zwaard wet, Mijn hand het grijpt voor het oordeel, zal Ik de wraak laten terugkomen op Mijn tegenstanders, en het hun die Mij haten, vergelden.’ Treffend is de volgende tekst: Jesaja 27:1 ‘Op die dag zal de HEERE vergelding doen met Zijn hard, groot en sterk zwaard aan de Leviathan, de snelle slang, ja, de Leviathan, de kronkelende slang; Hij zal het monster dat in de zee is, doden.’

Het gaat hier inderdaad om ‘het monster dat in de zee is’ (Openbaring 17) en dat ‘uit de zee opstijgt’ (Openbaring 13). Daarmee zal niet door een mens maar door de Heer afgerekend worden. We zien dat zwaard uit de mond van de Heer komen in Openbaring 19:15. Nadat het monster van Openbaring 13 door God is verslagen en Jeruzalem door God is bevrijd, zal met hetzelfde zwaard korte metten worden gemaakt met Assyrië’: Jesaja 31:8 Assyrië zal vallen door het zwaard, maar niet door dat van een man;’en het zwaard, maar niet van een mens, zal hem verslinden.’ Dit gaat over Gog en Magog van Ezechiël 38 en 39, een Bijbelgedeelte dat niet aan het begin maar na afloop van Daniëls zeventigste jaarweek moet worden geplaatst.

Hoewel pas ná Daniëls laatste jaarweek een definitief einde aan het zeemonster zal worden gemaakt, wordt halverwege die laatste jaarweek reeds een fikse tik met het zwaard uitgedeeld. Het beest is dan in zijn zevende kop zwaar gehavend. De Nieuwe Wereldorde, onder regie van het Grote Babylon, de wereldkerk, heeft een genadeklap gekregen. De zware aardbeving van het zesde zegel en de gerichten van de eerste vier bazuinen zijn een dusdanige aanslag op de infrastructuur van het rijk, dat het op sterven na dood is.

Dat heeft tevens enorme consequenties voor de machtsstructuur, die al zo’n 1500 jaar ongewijzigd was. De leiding door het Grote Babylon heeft niet kunnen voorkomen dat het noodlot wereldwijd heeft toegeslagen. Dit betekent het einde van de wereldkerk. Voor de tien horens, de tien koningen, die tot op dat moment onderdanig aan haar zijn geweest, is haar onvermogen om het onheil te bezweren het bewijs dat ze niets waard is. Het beest en de tien horens voltrekken, zonder dat dit in hun bedoeling ligt, Gods oordeel aan het Grote Babylon: ‘En de tien horens die u hebt gezien en het beest, dezen zullen de hoer haten en haar eenzaam en naakt maken en haar vlees met vuur verbranden. Want God heeft in hun harten gegeven zijn bedoeling uit te voeren...’


(3) Wat houdt het in de de dodelijke wond werd genezen?

Halverwege Daniëls laatste jaarweek hebben we te maken met een zeer belangrijk keerpunt in de geschiedenis. De kosmische rampen van het zesde zegel (Openbaring 6) en de eerste vier bazuinen (Openbaring 8) die de aarde hebben getroffen laten het wereldrijk trillen op zijn grondvesten en verwonden het, door een vrijwel totale vernietiging van de infrastructuur. Het is het zwaard van God waarmee de zevende kop van het beest tot de dood wordt geslagen. De rampen monden uit in het neerwerpen van satan uit de hemel op de aarde. De ster, satan, krijgt de sleutel van de put van de afgrond, waarin millennia lang de gevallen engelen van vóór de zondvloed opgesloten hebben gezeten. Dit maakt ongekende krachten vrij op aarde, die in Openbaring 9 wordt voorgesteld als een sprinkhanenzwerm. Dit leger sprinkhanen wordt voorgesteld als een oorlogsmachine, met gedaanten als paarden, met kronen en met koppen gelijkend op mensen (vrouwenhaar, gezichten) en tanden als leeuwentanden, gekleed met ijzeren harnassen en met vleugels, die een geweldig gedruis geven. De kern van hun activiteit is gelegen in de staarten, waarmee zij de mensen ‘schade toebrengen’. De studie van Openbaring 9 bracht aan het licht dat veel kenmerken van de ‘schorpioensteek’ die vanuit deze ‘staarten wordt aangebracht, overeenkomen met de Covid-19 injecties die nu reeds wereldwijd in de bevolking worden ingespoten. Het lijkt er sterk op dat we te maken hebben met het voorbereiden van het grote publiek op wat straks komen gaat. In de uitleg van Openbaring 9 hebben we de sprinkhanenzwerm geduid als de agenten van het wereldrijk die bekleed worden met de occulte krachten, die voortkwamen uit de put van de afgrond. De schade, waarover wordt gesproken, kan maar één ding inhouden: dat de mensheid aangesloten wordt op het systeem van het beest. Het woord ‘schade’ wordt in Openbaring voor de eerste keer genoemd in de brief van Christus aan de gemeente te Smyrna (Openbaring 2), waarin de christenheid zwaar werd vervolgd onder de keizers van Rome. Deze periode in de geschiedenis van de kerk bevat een ‘verdrukking van tien dagen’. Deze ‘tien dagen’ zijn hoogstwaarschijnlijk tien perioden van vervolging geweest onder tien verschillende Romeinse keizers. Deze verdrukking was een voorafschaduwing van ‘de grote verdrukking’, onder ‘tien koningen’, dit maal geen opeenvolgende maar gelijktijdig heersende koningen. Ook in deze ‘grote verdrukking’ zullen alle gelovigen zeer zwaar worden vervolgd, opnieuw door het Romeinse rijk, in haar laatste en definitieve vorm. Het gaat ons hier om het woord ‘schade’. De gemeente van Smyrna krijgt een tamelijk ‘schrale’ troost: ‘Wie overwint zal geenszins van de tweede dood schade lijden’. Waarom is de troost zo schraal in vergelijking met wat aan de overwinnaars van andere gemeenten wordt voorgehouden? Zou het zijn omdat het een verwijzing is naar de ‘grote verdrukking’, waar het zeer belangrijk is, gevrijwaard te blijven van deze ‘schade’ van ‘de tweede dood’. De tweede dood is niets anders dan ‘de poel die van vuur en zwavel brandt’, ook wel genoemd ‘de hel’. Het is de straf voor hen die zich één maken met her rijk van het beest (Openbaring 14:9-12).

Bekleed met occulte krachten, die zeer lang opgesloten zijn geweest de duisternis, leggen de sprinkhanen in vijf maanden tijd opnieuw een infrastructuur aan waarop de wereldwijde macht van het beest berust. Het zijn de sprinkhanen van Openbaring 9, die met hulp van engelen uit de voortijd, ‘de wond van het beest genezen’, zodat het beest zijn wereldregering kan voortzetten. Echter, niet langer onder regie van een wereldkerk en een wereldreligie maar onder directe regie van de satan.


(4) Wat is het karakter van de aanbidding van de draak en het beest?

De strategie van satan is eeuwenlang geweest om zichzelf zoveel mogelijk onzichtbaar te maken en mensen te laten geloven dat noch hij bestaat, noch een almachtig God. Openbaring 13 maakt zeer duidelijk dat satan zal overschakelen op een totaal andere strategie, een strategie waarbij satan achter de coulissen vandaan komt. Dan is het gedaan met de onzichtbaarheid van achterkamers en geheime genootschappen van waaruit hij de geschiedenis heeft gemanipuleerd en zijn machtsimperium heeft opgebouwd. Met het zeer plotselinge herstel van het wereldrijk, in enkele maanden tijd, werpt satan zijn masker af. De reactie van het grote publiek is totale verbijstering. ‘En de hele aarde ging met verbazing het beest achterna.’ In Openbaring 17 lezen we iets dergelijks: ‘en zij die op de aarde wonen, van wie de naam van de grondlegging van de wereld af niet geschreven is in het boek van het leven, zullen zich verwonderen als zij het beest zien, dat het was en niet is en zal zijn’. Het gaat om ‘het beest’, dat was en niet is en zal zijn. Dat is ‘het beest’ in zijn totaliteit, als ‘de achtste’: 'het beest is zelf de achtste en het is uit de zeven en gaat ten verderve’. Iedereen ziet in vijf maanden tijd alle kenmerken van alle voorgaande rijken hersteld worden en men is verbluft over het enorme organisatietalent, dat in ‘het beest’ aan de dag wordt gelegd. We hebben al gezien, dat het vooral de kenmerken van het vierde wereldrijk, het Romeinse imperium, zijn, die duidelijk voor de dag komen. De gehele aarde zal beseffen dat dit de herrijzenis is van dat aloude Romeinse wereldrijk, dat op haar beurt zoveel kenmerken had overgenomen van de voorgaande rijken.

Het zal in die dagen moeilijk zijn zich niet te laten meeslepen door het overdonderend succes van het beest en het wereldwijde enthousiasme dat dit veroorzaakt. Een impressie daarvan krijgt men door te kijken naar de overweldigende populariteit van Adolf Hitler, toen hij nog slechts bezig was om het oude heilige Roomse rijk weer tot een eenheid te smeden. Hoe groot zal dan de populariteit van het beest zijn, dat in staat zal blijken de gehele aarde onder zijn heerschappij te verenigen, nadat de aarde zulke klappen te verduren heeft gekregen van de almachtige God? Het beest doet zich voor als de redder van de wereld, de messias, die een duizendjarige regering gaat vestigen. Het is de geest van de antichrist, die nu al in de wereld is maar dan volledig uit de fles zal zijn. Het is deze manifestatie van macht en aanzien waarvoor Jezus waarschuwde toen Hij zei: ‘Want er zullen vele valse christussen en valse profeten opstaan en grote tekenen en wonderen geven om zo mogelijk ook de uitverkorenen te misleiden’. Wie zijn die ‘vele valse christussen en valse profeten’ in de grote verdrukking? Is er dan niet slechts één antichrist? Denk aan de sprinkhanen met de kronen, het vrouwenhaar, de leeuwentanden. Het gezag van een centrale leider straalt altijd af op de agenten waarvan hij gebruik maakt. Zij zijn de valse christussen en de valse profeten. Zij zijn enerzijds onderdanig aan het centrale gezag (vrouwenhaar) maar treden anderzijds op namens het centrale gezag op (kronen) en doen dat op een zeer agressieve manier (leeuwentanden). Van alle wereldburgers wordt niet anders dan totale onderwerping verwacht aan het gezag van het beest, wat word geëffectueerd door zijn agenten.

Dat satan in de openbaarheid treedt, blijkt uit de zin: ‘En zij aanbaden de draak, omdat hij het gezag aan het beest had gegeven…’ De gehele wereld is zich ervan bewust dat de wonderlijke herrijzenis van het beest, voortkomt uit ‘de draak’, dat is de oude slang, die genoemd wordt, de duivel en de satan’, de macht die al 2500 jaar de inspirator was achter het wereldrijk en die dat rijk met hulp van engelmachten uit de oudheid nieuw leven inblaast. En nogmaals, het is niet de éénwereldregering van de zevende kop maar de herrijzenis van het aloude rijk met al haar kenmerken. Niet eerder lezen we in de Bijbel dat ‘de draak’ of ‘de satan’ wordt aanbeden. Zoals gezegd heeft de draak 2500 jaar lang de strategie gehad zich te verbergen en vanuit de onzichtbaarheid te opereren. Ook in onze tijd wordt de satan in het geheim aanbeden door hen die hun ziel aan hem hebben verkocht in ruil voor aardse macht. De hogere graden van geheime genootschappen, zoals de vrijmetselaars, weten dat zij de duivel aanbidden. Maar dat is in het geheim, verborgen voor het grote publiek. Pas in de laatste 3,5 jaar voor Jezus’ terugkeer op aarde komt de duivel uit zijn schuilhoeken tevoorschijn en laat hij zich wereldwijd openlijk aanbidden. Hij kan niet meer in het verborgene opereren omdat hij uit de hemel is geworpen. Hij wordt gedwongen zijn oude strategie op te geven en zich openlijk te laten aanbidden. Dat geeft aan God de juridische gronden om hem na afloop van die 3,5 jaar in een gevangenis te gooien, net als de vier engelen die vóórheen onder zijn regie de wereldrijken aanstuurden en gebonden werden bij de rivier de Eufraat.

Typerend is de reden waarom satan wordt aanbeden: ‘omdat hij het gezag aan het beest had gegeven’. Dat is een enorm verschil met de reden waarom het Lam wordt aanbeden, in Openbaring 5. Die aanbidding eindigt met ‘en wij zullen over de aarde regeren’. De natuurlijke mens neemt niet aan wat van God is, erkent God niet als macht. Maar zodra zich in de wereld een macht voordoet in plaats van God, wordt die macht door mensen aanbeden. Mensen zijn niet afkerig van macht. Zij aanbidden macht. Als die macht maar naar hun smaak is. De almacht van God is niet in tel. Dat God het complete heelal in stand houdt en bestuurt, van de grootste ster tot de kleinste atoom laat de mensen koud. Maar als het gaat om de macht van een groot wereldrijk, dat zich met occulte krachten uit de as omhoog hijst, dan lopen mensen daar massaal achteraan. Mensen willen graag ‘een sterke man’, zeker als er grote problemen zijn, zoals halverwege Daniëls laatste jaarweek. Daaraan onderwerpen mensen zich graag en en ze zijn bereid onderdeel te worden in de hiërarchie om op hun beurt het staatsgezag naar hun omgeving te laten gelden. Maar uiteindelijk gaat het om de bewieroking van de staat. Dit totalitarisme staat onder verschillende namen bekend als 'marxisme', ‘communisme’, ‘fascisme’ en ‘nazisme’. De enig juiste term is ‘fascisme’. Het komt voort uit de aloude fasces, de roede en de hakbijl voor kastijding en doodstraf als teken van de absolute macht van de staat.

Hoe anders is de heerschappij van het Lam. ‘...en wij zullen over de aarde regeren…’ zingen de oudsten. Het Lam regeert in de oudsten en door de oudsten. ‘...hetzij wereld, hetzij leven, hetzij dood, hetzij tegenwoordige, hetzij toekomstige dingen, alles is van u; en u bent van Christus; en Christus is van God. Dat is het verschil tussen het beest en het Lam. De draak geeft alle gezag aan het beest. Zijn agenten hebben macht omdat hij hen satans macht doorgeeft. God geeft alle gezag aan de oudsten en Christus heeft macht omdat de oudsten Hem toebehoren. Het idee van een machtspiramide komt van satan, niet van God.

Naast satan aanbidden de mensen van de wereld ook het beest, waarvan al was gezegd, dat zij het met verbazing achterna gingen. De verbazing slaat om in aanbidding. En waarom aanbidden zij het beest? De reden is weer veelzeggend: ‘Wie is aan het beest gelijk en wie kan er oorlog tegen voeren?’ Het gaat hier om politieke macht en om militaire macht. Dat is waar de wereld naar opkijkt en wat de wereld zelfs bereid is te aanbidden. Het lijkt er hier op dat we sinds de troonsbestijging van het beest alweer een halfjaar verder zijn in de tijd (na de vijf maanden van de vijfde bazuin) en dat het beest begonnen is zijn militaire macht te ontplooien, waarvan we lezen in Openbaring 9, onder de zesde bazuin. De vier engelen van de vier wereldrijken worden losgemaakt en daarmee komt een gigantische militaire kracht vrij van tweehonderd miljoen ruiters, die gewapend zijn met iets wat lijkt op chemische oorlogsvoering, vuur, rook en zwavel. De oorlog wordt gevoerd tegen de gehele wereldbevolking wat een derde van de mensheid het leven kost. Vandaar: 'Wie is aan het beest gelijk en wie kan er oorlog tegen voeren'. Wij weten Wie veel groter is dan het beest en het uiteindelijk, met al zijn militaire macht, zal verpletteren. De reden waarom aan het beest zoveel macht wordt gegeven, is om de enorme macht van Jezus Christus aan de volledige schepping te demonstreren. Daarom is ook Openbaring 13 een onderdeel van 'de Openbaring van Jezus Christus'.

- 13 maart 2022 –


Vers 5-6

Lasteringen

‘En hem werd een mond gegeven die grote dingen en lasteringen sprak; en hem werd gezag gegeven om te handelen, tweeënveertig maanden. En hij opende zijn mond tot lasteringen tegen God om zijn naam te lasteren en zijn tabernakel en hen die in de hemel wonen.’


(1) Wie geeft het beest uit de zee een mond die grote dingen en lasteringen sprak?

(2) Wat wordt bedoeld met ‘handelen’?

(3) Wanneer voltrekken zich de tweeënveertig maanden?

(4) Wat wordt bedoeld met ‘grote dingen’ en het lasteren van God, van zijn naam, van zijn tabernakel en van hen die in de hemel wonen?


(1) Wie geeft het beest uit de zee een mond die grote dingen en lasteringen sprak?

Om deze vraag te beantwoorden moeten we naar een eerder vers, 13:2, waar staat: ‘en de draak gaf hem zijn macht en zijn troon en groot gezag.’ Daarbij hoort ook de mond met grote lasteringen. Echter, niets gaat buiten God om. Het is God die het speelveld bepaalt. Het is het Lam dat de zegels verbrak en dat het altaarvuur op aarde wierp, als start van de bazuingerichten. Het zijn de vier horens van het altaar waaruit het bevel komt om de vier engelen bij de Eufraat los te laten. Het is het Kind, de mannelijke Zoon, die werd weggerukt naar God en zijn troon en die aan Michaël de autoriteit geeft oorlog te voeren tegen de draak en hem met zijn engelen uit de hemel te werpen op aarde. Het is de draak, de gevallen ster, die van God de sleutel van de put van de afgrond ontvangt, wat een belangrijke machtsbasis wordt voor het beest uit de zee.

Als Jezus voor Pilatus staat, dan is Hij al gegeseld door de Romeinse soldaten en dan zegt Hij: ‘U zou geen macht tegen Mij hebben als die u niet van boven gegeven was’. De behandeling van Jezus onder het vierde rijk was satanisch. Maar satan kreeg deze speelruimte van God. Daarom kon Jezus zeggen: ‘Mattheüs 11:27 ‘Alle dingen zijn Mij overgegeven door Mijn Vader…’ En: Johannes 3:35 ‘De Vader heeft de Zoon lief en heeft alle dingen in Zijn hand gegeven.’ En tijdens het laatste avondmaal: Johannes 13:3 ‘Toen stond Jezus, Die wist dat de Vader Hem alle dingen in handen gegeven had en dat Hij van God uitgegaan was en tot God heen ging…’ Ver boven de macht van satan, die zijn macht geeft aan het beest, gaat de macht van de Vader, die alle dingen gaf in de hand van Jezus. Hij is het Lam. Hij zit op de troon. Hij heeft de volledige regie. Zie voor de macht van Jezus in het kruiswerk ook deze video.

De satan geeft aan het beest uit de zee de woorden om te spreken, een mond vol grootspraak. Net zo geeft God aan zijn discipelen in die zeer moeilijke tijdsperiode de woorden die zij moeten spreken. Mattheüs 10:19 'Maar wanneer zij u overleveren, moet u niet bezorgd zijn hoe of wat u spreken moet, want het zal u op dat moment gegeven worden wat u spreken moet. Want u bent het niet die spreekt, maar de Geest van uw Vader, Die in u spreekt.’ Dit gedeelte uit Mattheus heeft een profetische betekenis. Dat blijkt onder andere uit Mattheüs 10:23 ‘Wanneer ze u in de ene stad vervolgen, vlucht dan naar de andere, want voorwaar, Ik zeg u: U zult uw rondgang door de steden van Israël niet geëindigd hebben, voordat de Zoon des mensen gekomen is.’

De mond die grote dingen en lasteringen spreekt van Openbaring 13 kan zo gelegd worden naast de mond vol grootspraak van de elfde horen van het vierde dier uit Daniël 7. Daarvan zegt de uitleg: Daniël 7:25 ‘Woorden tegen de Allerhoogste zal hij spreken…’ Daaruit blijkt dat het beest uit de zee identiek is aan de elfde horen van het vierde dier, het Romeinse wereldrijk, van Daniël 7.


(2) Wat wordt bedoeld met ‘handelen’?

Als we Daniël 7 erbij pakken en we lezen het vervolg van de uitleg over de elfde horen van het vierde dier, dan staat er: Daniël 7:25 ‘Woorden tegen de Allerhoogste zal hij spreken, de heiligen van de Allerhoogste zal hij te gronde richten. Hij zal erop uit zijn bepaalde tijden en de wet te veranderen, en zij zullen in zijn hand worden overgegeven voor een tijd, tijden en een halve tijd.’

Het handelen wordt hier ingevuld met (1) heiligen van de Allerhoogste te gronde richten, (2) tijden en wet veranderen. Dat laatste zou kunnen slaan op het staken van het dagelijks offer en het instellen van een afgodscultus met zichzelf als afgod. Dat ‘veranderen van tijden en wet’ levert het beest in 2 Thessalonicenzen 2:8 de naam ‘wetteloze’ op. Het uitvaardigen van wetten die indruisen tegen Gods wetten is de meest ernstige vorm van wetteloosheid. Niet alleen leef je zelf niet naar Gods wetten, je staat ook anderen niet toe Gods wetten toe te passen. Deze ‘verborgenheid van wetteloosheid’ was al in de wereld in de dagen van Paulus en wij zien deze steeds meer om zich heen grijpen. Het is wat we lezen in Jesaja 5:20 ‘Wee hun die het kwade goed noemen en het goede kwaad; die duisternis voorstellen als licht, en licht als duisternis; die bitter voorstellen als zoet en zoet als bitter.’ Het ‘handelen’ van het beest bestaat derhalve uit drie zaken (1) het lasteren van God, (2) het uitvaardigen van wetten der wetteloosheid en (3) het vervolgen van het volk van God.


(3) Wanneer voltrekken zich de tweeënveertig maanden?

De term 'tweeënveertig maanden' wordt in Openbaring (en in de hele Bijbel) twee keer genoemd. De eerste keer: Openbaring 11:2 ‘Maar laat de buitenste voorhof van de tempel erbuiten en meet die niet, want die is aan de heidenen gegeven. En zij zullen de heilige stad vertrappen, tweeënveertig maanden lang.’ Het gaat hier over de stad Jeruzalem, van waaruit de aanbidding van 'het beest uit de zee' wereldwijd zal worden gecoördineerd. Het beest, de mens van de zonde, de zoon van het verderf, zal in de tempel gaan zitten en proclameren dat hij God is (2 Thessalonicenzen 2:4). Het is ‘het staken van het dagelijks offer en het oprichten van een gruwel die verwoesting brengt’ volgens Daniël 9:27. Dat gebeurt ‘op de helft van de week’. Het handelen gedurende tweeënveertig maanden betreft derhalve exact hetzelfde als ‘het vertrappen van de heilige stad’. In zijn handelen vertrapt het beest Gods heilige stad door die te misbruiken voor de meest smerige propaganda die de wereld ooit heeft gezien. De tweeënveertig maanden komen overeen met de tweede helft van Daniëls zeventigste en laatste jaarweek. Kort daarna komt de Heer Jezus in grote kracht en heerlijkheid op aarde om voorgoed een einde te maken aan alle wereldrijken.


(4) Wat wordt bedoeld met het lasteren van God, van zijn naam, van zijn tabernakel en van hen die in de hemel wonen?

Drie typen lastering worden genoemd: (1) God en zijn naam, (2) zijn tabernakel en (3) hen die in de hemel wonen. De lastering gebeurt hier met de mond. Op de zeven koppen zagen we reeds namen van lastering geschreven. Als ergens een naam op staat, dan vereist het een actie om die lastering te vernemen. Je moet ernaar kijken en lezen. Maar hier gaat de lastering nog een stuk verder. Zij wordt openlijk uitgesproken. Er is niet aan te ontkomen. Iedereen verneemt deze lastering. Het wordt dagelijks geventileerd via alle hoorbare media. Want zo gaat dat in deze wereld. Politici met macht krijgen een podium op alle media. De media vechten onderling om spreektijd van politici. En hier is een politicus die meer macht heeft dan ooit iemand heeft gehad. De stem van die man is 24/7 op alle zenders te horen – nog meer dan de stem van Adolf Hitler in Nazi Duitsland. We kijken nu naar de drie typen lastering.

(1) De lastering van God en zijn naam

Om deze lastering goed te begrijpen, zoeken we naar het woord 'lasteren' in de Bijbel:

Nehemia 9:18 Zelfs toen ze voor zichzelf een gegoten kalf gemaakt hadden en zeiden: Dit is uw God Die u heeft doen optrekken uit Egypte, en grote godslasteringen hadden gepleegd,

Psalm 10:3 Want de goddeloze beroemt zich over zijn hartenwens; ... hij lastert de HEERE….Al zijn gedachten zijn: Er is geen God!... (vs.13) Waarom lastert de goddeloze God? Waarom zegt hij in zijn hart: U zult geen rekenschap eisen?’

Mattheüs 9:2 ‘En Jezus, Die hun geloof zag, zei tegen de verlamde: Zoon, heb goede moed, uw zonden zijn u vergeven. En zie, sommigen van de schriftgeleerden zeiden bij zichzelf: Deze lastert God.’

De lastering van God kan volgens deze verzen drie zaken inhouden:

(1) Het toedichten aan God van eigenschappen die Hem vreemd zijn, door Hem verkeerd voor te stellen, zoals door het beeld van het gouden kalf. Het beest uit de zee doet dit door zelf als God in de tempel te gaan zitten.

(2) Het jezelf toe-eigenen van zaken die alleen God toekomen, zoals de schiftgeleerden die Heer Jezus verweten toen Hij de verlamde zijn zonden vergaf. Hun fout was dat zij de Heer Jezus niet herkenden als God, die temidden van zijn volk gekomen was. Het beest uit de zee doet dit door tijden en wetten te veranderen alsof hij God is.

(3) Het onthouden aan God van eigenschappen die Hem toekomen – Het ontekennen dat Hij bestaat en dat Hij alles ziet en kent en als Rechter de wereld zal oordelen. (Er is geen God...U zult geen rekenschap eisen).

Deze laster komen we, in combinatie met ‘grote dingen’, al tegen in de mond van satan in de hof van Eden. Het is immers satan die aan het beest zijn mond geeft, die grote dingen en lasteringen spreekt. De cultus van de laatste 3,5 jaar voor Jezus’ terugkeer op aarde is de apotheose van de verleiding door satan in de hof.

(1) 'God heeft zeker wel gezegd: u zult niet eten van enige boom in de hof' – God wordt voorgesteld als een benepen God, die zijn schepselen niets gunt - een totaal verkeerde voorstelling van God.

(2) 'U zult als God zijn, kennende goed en kwaad' – Het jezelf toemeten van zaken die alleen God toekomen

(3) 'U zult niet sterven' – Het onthouden aan God van zijn recht om te oordelen, naar dat Hij gezegd heeft.

We komen nu op een belangrijk punt, dat van ‘de grote dingen’, die door het beest worden gesproken. Wat zijn dat voor dingen? Het zoeken door een online Bijbel op ‘grote dingen’ geeft voor negen van de tien hits dingen die God doet en slechts in enkele gevallen wat een mens doet. De allereerste vermelding van ‘grote dingen’ komt uit de mond van Sanuël, kort na het zalven van Saul tot allereerste koning van het volk: 1 Samuel 12:24 ‘Vrees alleen de HEERE, en dien Hem trouw met uw hele hart, want zie welke grote dingen Hij bij u gedaan heeft.’ Nog enkele voorbeelden: Job 37:5 ‘God dondert wonderbaar met Zijn stem; Hij doet grote dingen en wij begrijpen ze niet.’ Psalm 106:21 ‘Zij vergaten God, hun Heiland, Die grote dingen gedaan had in Egypte…’ Jesaja 12:5 ‘Zing psalmen voor de HEERE, want Hij heeft zeer grote dingen gedaan.’ Het gaat hier om wonderen van de schepping en wonderen in de verlossing van het volk. De mond van het beest, die grote dingen spreekt, heeft betrekking op de aanmatigende taal. Het zijn dingen die alleen God als Schepper toekomen, die het beest op zichzelf van toepassing verklaart. In wezen gaat het om de lastering hierboven onder (2) – Het jezelf toemeten van zaken die alleen God toekomen.

Het spreken van grote dingen gaat niet van de ene op de andere dag maar is de resultante van een lange historische ontwikkeling waarvan wij in onze dagen zo ongeveer het einde meemaken. De mens heeft in 200 jaar tijd veel geheimen van de schepping in technische zin ontrafeld. In technische zin want wetenschapstheoretisch zijn er meer vragen dan ooit. Er is geen enkele wetenschappelijke theorie die de verschijnselen in het heelal of de verschijnselen in de allerkleinste deeltjes of de complexiteit in alle levensvormen kan verklaren. Maar in technische zin heeft de mens ontdekt hoe bepaalde zaken ‘werken’ en ‘in elkaar steken’ en door middel van experimenten heeft hij ontdekt hoe hij de dingen naar zijn hand kan zetten. We hebben het dan onder andere over genmanipulatie, het manipuleren van het erfelijk materiaal van de levensvormen, zelfs toegepast op de mens. Dat laatste gebeurt thans al langer dan een jaar door middel van een injectie die onder het mom van een van de grootste leugens die ooit op de aarde is rondgebazuind wereldwijd bij miljarden wordt ingebracht. De moderne wetenschap en techniek zijn te zien als de bouw van een toren van Babel, waarmee de mens God naar de troon steekt. De ultieme uiting daarvan is de grootspraak van het beest. Die grootspraak gaat hand in hand met het optreden van de politieke agenten van het beest, de sprinkhanen van de vijfde bazuin uit Openbaring 9. Zij brengen de ‘grote dingen’ waarvan het beest spreekt op het niveau van het individu. Hun ‘vrouwenhaar’ spreekt van de onderwerping aan het gezag van het beest (zij zijn slechts agenten). Hun ‘kronen’ spreken van de autoriteit van het beest dat zij uitstralen. Hun ‘tanden als leeuwen’, hun ‘harnassen als ijzeren harnassen’ spreken van hun agressieve optreden. Hun ‘vleugelgegons’ is een indicatie van de snelheid waarmee zij werken. Het venijn zit in hun ‘staarten’, waarmee zij de mensen een ‘schorpioensteek’ kunnen toebrengen, die genetische veranderingen teweegbrengt. Dat is waarschijnlijk de reden waarom de dood van mensen wegvlucht, ook al willen zij sterven vanwege de hevige pijnen. Het is in wezen ‘de boom van kennis van goed en kwaad’ waarop de mens teert. Hij bepaalt zelf wat goed en kwaad is, tot op het niveau van het menselijk gen. Hij maakt zelf een ‘betere mens’, die opklimt langs de ladder van evolutie, dat gedrocht van een theorie, dat nog steeds alle wetenschap beheerst en op dwaalwegen stuurt. De mens die God geformeerd heeft, is niet goed genoeg. Wij maken onszelf wel even wat beter. Er is geen Pottenbakker. Wij, de klei, vormen onszelf tot de potten, die wij zijn willen. Wat in onze dagen wereldwijd in wetenschap en techniek wordt beleden en gepraktiseerd, is een voortvloeisel de slangentaal in de hof. Het is van godslasterlijke proporties en plaveit de weg naar ‘de grote dingen’ die het beest in de mond zal nemen.

(2) De tabernakel is de woonplaats van God, zowel die temidden van zijn volk, zoals die welke werd opgericht tijdens de doortocht door de woestijn, als die in de onzichtbare werkelijkheid, waarvan de tabernakel op aarde een beeld was: ‘de grotere en volmaaktere tabernakel, niet met handen gemaakt, dat is niet van deze schepping’ (Hebreeën 9:11). Uiteindelijk zal het moment komen dat ‘die grotere en volmaaktere tabernakel’ van God zal neerdalen, zodat gezegd wordt: ‘Zie de tabernakel van God is bij de mensen en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen zijn volk zijn en God Zelf zal bij hen zijn, hun God’ (Openbaring 21:3). In 2 Petrus 2:10, 12 en Judas 1:8,10 lezen we van mensen ‘die de heerlijkheden lasteren...en de dingen die zij niet begrijpen’. Dat geldt ook voor het beest. Hij weet met zijn lastering, van de woonplaats van God, niet waar hij over praat. Echter degene die hem de lasteringen ingeeft, de satan, weet het wel. Aan satan is de toegang tot Gods heilige woning voor eeuwig ontzegd (Openbaring 12) terwijl verlosten daar wonen en God Zelf eenmaal bij de mensen zal wonen. Dat wekt een alles verterende jaloezie op in de draak en die jaloezie zoekt een uitweg in de lasteringen van Gods woonplaats bij monde van het beest. Waarschijnlijk gaat het hier om denigrerende opmerkingen ten aanzien van de heerlijkheden van de hemel, die ontzagwekkend groot zijn maar die door het beest worden gekleineerd. Zoals een Russische ruimtevaarder volgens de Russiche propagandamachine ooit zei over de ruimte, dat hij God daar niet was tegengekomen. Alsof God zijn woonplaats ergens in ons zonnestelsel zou hebben.

(3) Hen die in de hemel wonen worden eveneens gelasterd. Dat heeft uiteraard te maken met de laaiende jaloezie van de draak tegen de mensen die – in tegenstelling tot hijzelf – wel in de hemel mogen komen, sterker nog, die daar hun woonplaats hebben. Maar mogelijk ook tegen de engelen die er wonen, terwijl satan uit de hemel is geworpen en beperkt is in zijn beweging tot de aarde. Satan kan de broeders op aarde niet langer in de hemel aanklagen en kwaad van hen spreken voor de troon. In plaats daarvan verlaagt hij zich ertoe de broeders in de hemel op aarde te belasteren en op aarde kwaad van hen te spreken.

Het kan ook gaan om de militaire mogelijkheden van de hemelbewoners. De lastering zou kunnen inhouden dat het beest de slagkracht van Gods hemelse legers tart. Dat is in lijn met wat de mensen zeggen van het beest in vers 5: ‘Wie is aan het beet gelijk en wie kan er oorlog tegen voeren?’ Ook is het in lijn met de acties in vers 7: ‘En hem werd gegeven oorlog te voeren tegen de heiligen’. Hij kan geen oorlog voeren tegen de hemelse heiligen. Daarom bespot hij ze in plaats daarvan. Het zou van de soort bespotting kunnen zijn als Goliath tegenover David ‘Kom maar eens hier, dan zal ik uw vlees aan het gevogelte des hemels en aan het gedierte des velds geven’. Of zoals Sanherib, de koning van Assur, tegen Hizkia: ‘Ik zal u tweeduizend paarden geven, indien u van uw kant de ruiters daarop geven kunt. Hoe zou u ooit één enkele aanval kunnen afslaan van één enkele landvoogd, één van mijn geringste dienaren?’ Zo zou het beest de hemelse heiligen kunnen uitdagen om met hem te strijden en te laten zien wat ze waard zijn. Zover is het echter nog niet. In Openbaring 19 lezen we dat, wanneer het wel zover is, er dan van het beest niets zal overblijven.

- 20 maart 2022 -


Vers 7-10

Oorlog tegen de heiligen

'En hem werd gegeven oorlog te voeren tegen de heiligen en hen te overwinnen; en hem werd gezag gegeven over elk geslacht en volk en taal en natie. En allen die op de aarde wonen, zullen hem aanbidden, ieder wiens naam, van de grondlegging van de wereld af, niet geschreven staat in het boek van het leven van het Lam dat geslacht is. Als iemand een oor heeft, laat hij horen. Als iemand in gevangenschap leidt, dan gaat hij in gevangenschap; als iemand met het zwaard zal doden, dan moet hij met het zwaard gedood worden. Hier is de volharding en het geloof van de heiligen.'


(1) Wie zijn de heiligen tegen wie het beest uit de zee oorlog voert en wat is dat voor oorlog?

(2) Wie zullen het beest uit de zee aanbidden?

(3) Wat is de betekenis van ‘de volharding en het geloof van de heiligen’?


(1) Wie zijn de heiligen tegen wie het beest uit de zee oorlog voert en wat is dat voor oorlog?

We lezen hier voor de derde keer dat iets aan het beest ‘wordt gegeven’. In vers 2 geeft de draak hem zijn macht en zijn troon en groot gezag. Satan zet hem aan het roer van zijn aardrijk, dat hij in 6000 jaar door list en bedrog heeft opgebouwd, met als misleiding alle schoonheid die God heeft gegeven (net als de boom in hof, die een lust was voor het oog, goed om van te eten, begeerlijk om daardoor verstandig te worden). Het is het gezag over het aardrijk dat bestaat uit alle koninkrijken van de wereld ‘en hun heerlijkheid’. Het is ‘de begeerte van de ogen, de begeerte van het vlees en de hoogmoed van het leven’ (1 Johannes 1:2:16). Er is aan satans strategie wezenlijk niets veranderd sinds de hof. Het is een eindeloze herhaling met steeds grotere mensenmassa’s en steeds complexere technieken.

In vers 5 wordt voor de tweede keer iets aan het beest gegeven , namelijk een mond, die grote dingen en lasteringen sprak. Met zijn grote mond neemt het beest het op tegen God Zelf. Hij meet zichzelf Gods eigenschappen en Gods autoriteit toe, door in de tempel te gaan zitten en te verklaren dat hij God is en door het pochen over grote dingen. Het zijn de kunsten der wetenschap en techniek waarmee de mens tracht om God na te bootsen en onsterfelijkheid te krijgen. ‘Gij zult niet sterven...Gij zult als God zijn’.

Vers 5 loopt parallel aan de vijfde bazuin van Openbaring 9. Het gaat om de sleutel van de put van de afgrond, die de gevallen ster (satan) heeft ontvangen. De macht over de onderwereld, die reeds voor de zondvloed het menselijk zaad bedierf (waaruit Hij zou voortkomen, die satan de kop zou vermorzelen), werd aan satan gegeven. En satan geeft die door aan het beest. Daarom wordt gesteld dat het beest uit de afgrond opstijgt. Daarom wordt het beest ‘de engel van de afgrond’ genoemd – engel in de zin van boodschapper. Hij vertolkt met zijn mond alle demonische principes van de afgrond, die ingaan tegen Gods principes en die het menselijk gen bederven. Hij is daarom ‘de wetteloze’ (zijn wetten staan lijnrecht tegenover Gods wetten) en ‘de zoon van het verderf’ (hij verderft de schepping zoals God die heeft gemaakt). Daarom zal bij de terugkeer van Jezus de tijd gekomen zijn ‘om te verderven die de aarde verderven’. (Openbaring 11:18). Daarom is zijn naam in het Hebreeuws ‘Abaddon’ (=verderf) en in het Grieks Apollyon (=verderver).

De verandering van het menselijk gen levert inderdaad een vreemd soort onsterfelijkheid op, een onsterfelijkheid die de mensen helemaal niet blijken te willen. Na de ‘schade’ die zal worden toegebracht door de ‘schorpioensteek’, ‘zullen de mensen de dood zoeken en hem geenszins vinden; en zij zullen begeren te sterven en de dood vlucht van hen weg’.

Hier, in vers 7, wordt voor de derde keer iets aan het beest gegeven, namelijk ‘oorlog te voeren tegen de heiligen en hen te overwinnen’. Dit gedeelte is parallel aan de zesde bazuin van Openbaring 9. Ook daar gaat het om oorlogsvoering en wel tegen de burgers van de wereld. Een derde van de mensheid wordt gedood. Het beest krijgt met de zesde bazuin de beschikking over enorme militaire kracht. De vier engelen, die gebonden waren aan de Eufraat, dat zijn de engelen van de vier wereldrijken, die één voor één door Christus verslagen zijn, worden voor korte tijd losgemaakt. Dat ontplooit een enorme militaire slagkracht, die mogelijk in het geheim al lang en breed was voorbereid. Satan doet alles in het geheim – de geheime genootschappen zijn een belangrijk instrument. Maar met militaire middelen alleen ben je er niet. De geest over de manschappen moet vaardig worden en daar zijn de vier engelen voor nodig. Die hebben als ‘leiders van de wereldrijken’ al menige oorlog aangestuurd. Ongetwijfeld is er een schitterende militaristische piramidestructuur opgezet. Mogelijk wordt gebruik gemaakt van AI, kunstmatige intelligentie, zodat de beslissingen over dood en leven worden genomen door computersystemen, afkomstig uit het rijk der duisternis.

De mensen tegen wie het beest oorlog voert, worden hier ‘heiligen’ genoemd. Het zijn de mensen die met hun persoonlijke leven weerstand bieden aan het beest door zich niet te onderwerpen aan zijn systeem. Let wel: er staat niet: ‘broeders’ (dat zijn in Openbaring de ‘overigen van haar geslacht’, Joodse gelovigen, die in de grote verdrukking het zwaarst van allemaal worden vervolgd). Er staat ook niet ‘die het woord van God en het getuigenis van Jezus hebben’, dat zijn de getuigen, met name de 144.000, die het zegel van God ontvingen. Het gaat om ‘heiligen’. Het woord ‘heilig’ betekent letterlijk ‘afgezonderd’. In in de grote verdrukking is iedereen ‘heilig’ die zich niet onderwerpt aan het systeem van het beest en zich er daarmee van ‘afzondert’. Want die beslissing brengt enorme kosten met zich mee: buitensluiting uit de samenleving en uiteindelijk de dood. Het is een tijd waarin het woord van Jezus geldt: ‘wie niet tegen ons is, is voor ons’ (Lukas 9:50). Wanneer Jezus wordt gelasterd en voor ‘overste van de demonen’ wordt uitgemaakt, kan men niet zwijgen en geldt: ‘wie niet met Mij is, is tegen Mij’ (Mattheus 12:30). Wanneer de demonen in de wereld de baas zijn en mensen besluiten daar niet aan mee te doen, dan geldt: ‘wie niet tegen Mij is, is met Mij’.

De heiligen, die zich in de grote verdrukking afzonderen van het systeem van het beest, werden ook al genoemd in Openbaring 5 en in Openbaring 8. In Openbaring 5 ging het om ‘de gebeden van de heiligen’ die door de oudsten werden bediend in schalen met reukwerken. Waarschijnlijk zijn dat de heiligen, de mensen die bij God horen, van alle tijden, maar zeker ook de heiligen op aarde in de laatste jaarweek. In Openbaring 8, vlak voor het begin van de oorlog in de hemel en de grote verdrukking van 3,5 jaar die daarop volgt, zijn deze gebeden in de hand van ‘de engel’, een voorstelling van de Heer Jezus, de grote hogepriester over het huis van God. In de hemel wordt ‘kracht verleend’ aan de gebeden van de heiligen door ‘reukwerken’. Reukwerken in Gods huis spreken van het welriekende leven van de Heer Jezus. De gevolgen van deze gebeden zijn tweeërlei:

(1) De heiligen krijgen kracht hun leven niet lief te hebben tot de dood maar trouw te blijven aan hun Schepper God. Dat kost een derde van hen het leven. Enerzijds is dat verschrikkelijk. Anderzijds is het een overwinning van het Lam. Net als de ‘broeders’ van Openbaring 12 hebben zij ‘hun leven niet liefgehad tot de dood’ (Openbaring 12:11) en daarmee het beest en de draak overwonnen.

(2) Zij krijgen hulp in hun vlucht voor de macht van het systeem. Die hulp kwam onder andere in de vorm van de wereldwijde aardbeving onder het zesde zegel en de bazuingerichten, wat de infrastructuur, die de machthebbers de eeuwen daarvoor hadden opgebouwd, in enkele maanden grotendeels verpletterde. Dat gaf de mensen, die gevangen zaten in het systeem, de mogelijkheid om te ontsnappen. Denk aan Paulus in Filippi, waar een aardbeving ervoor zorgde dat Hij en Silas vrij kwamen en de gevangenbewaarder tot bekering kwam (Handelingen 16:26-34). Iets dergelijks zal veel grootschaliger gebeuren vanaf het zesde zegel. Maar overleven in de natuur is niet gemakkelijk. De heiligen, die trouw zijn aan de Schepper, krijgen op grond van hun gebeden en het werk van Christus de middelen om in leven te blijven. Dit is ‘de ontelbaar grote schare’ van Openbaring 7, die levend het vrederijk binnengaat. Mogelijk is dat ook een derde van de wereldbevolking. In dat geval wordt een derde gedood, een derde vlucht en een derde onderwerpt zich. Alleen dat laatste derde deel gaat verloren.


(2) Wie zullen het beest uit de zee aanbidden?

Daarmee komen we bij de tweede vraag, wie het beest uit de zee zullen aanbidden. Reeds in vers 3, 4 werd van aanbidding van het beest gesproken: ‘...en de hele aarde ging met verbazing het beest achterna. En zij aanbaden de draak, omdat hij het gezag aan het beest had gegeven en zij aanbaden het beest…’ Het is ‘de hele aarde’. En hier: ‘En allen die op de aarde wonen zullen hem aanbidden…’ Het gaat om mensen die deel uitmaken van het aardrijk, dat onderworpen is aan het beest en waarvan satan de vorst is. En deze mensen vinden het prima. Ze hebben vrede met de tirannie. Het is verbazingwekkend hoe snel mensen dictaturen omarmen in tijden van onzekerheid. Ze hebben niet door dat de onzekerheid en de chaos door de machthebbers werden gecreëerd om de grote massa te kunnen beheersen met een dictator (Ordo Ab Chao). Dat zagen we gebeuren onder de eerste vier zegels. Echter, door Gods optreden wordt de matrix van de macht doorbroken en kunnen mensen wegvluchten. Maar er zijn altijd mensen die niet willen vluchten en die zich slaafs onderwerpen, ook al is het systeem nog zo verkeerd. Hun opvatting is dat de machthebbers de regels bepalen en dat iedereen daaraan moet gehoorzamen. Zij ontkennen daarmee dat er een Allerhoogste Wetgever en Rechter is, die boven alle overheid en gezag staat en waar ook overheden aan moeten gehoorzamen. De vorst heeft in hun ogen absolute macht en hoeft daarbij geen rekening te houden met God. ‘Zij die op de aarde wonen' zijn mensen die zelf ook een plek hebben verworven in het systeem en die hun macht, hun invloed en hun bezit ontlenen aan hun positie. Zij willen om die reden dat de status quo van het systeem wordt gehandhaafd en dragen daar hun steentje aan bij.

Met uitdrukkingen als ‘de gehele aarde’ en ‘hen die op de aarde wonen’ lijkt het alsof alle mensen die in de grote verdrukking leven, verloren zijn. In Openbaring 9:20, het parallelgedeelte met de zesde bazuin, lezen we: ‘En de overigen van de mensen, die niet gedood waren door deze plagen, bekeerden zich zelfs niet van de werken van hun handen…’ Bij ‘de overigen van de mensen’ moeten we ook weer denken aan degenen die zich hebben onderworpen aan het systeem. Doe je dat niet, dan wordt je namelijk gedood. Het is de oorlogvoering tegen de eigen burgers, gericht op totale onderwerping. ‘Dat de overigen van de mensen’ zich niet bekeerden, wekt de schijn dat er dan helemaal geen mensen meer overblijven die de grote verdrukking als getrouwen aan God overleven. Je wordt óf gedood óf je onderwerpt je. In beide gevallen is er geen toekomst. Zo lijkt het hier.

Echter, voordat de oorlog van het beest tegen de wereldbevolking losbarst, zijn er al velen gevlucht na de enorme aardbeving. Direct daarna vermeldt Openbaring 7 de 144.000 en de ontelbaar grote schare, die uit de verdrukking komen. Dat de grote schare bestaat uit mensen die 'uit de grote verdrukking komen’, betekent dat ze die overleven en als levende mensen het vrederijk binnengaan. Zij behoren uiteraard niet tot de ‘overige mensen’ van Openbaring 9:20 die zich niet bekeerden of tot ‘hen die op de aarde wonen’ van Openbaring 13:8. Immers, zij doorzien hoe slecht het systeem is en hebben voor God gekozen. Daarom zien we ze in Openbaring 7 met palmtakken voor de troon en het Lam, terwijl ze roepen: ‘Het heil aan onze God…’ (Openbaring 7:10). Dus geen ‘heil Hitler’ of ‘heil voor het beest’. Zij erkennen God als Allerhoogste en zijn Hem gehoorzaam.

Dan wijzen we nog op de verandering in werkwoordsvorm. Ineens stapt Johannes over op de toekomstige tijd: ‘En allen die op de aarde wonen ZULLEN hem aanbidden…’. Ook hier is weer sprake van een doorbreking van de chronologie. In wezen keert vers 8 weer terug naar het begin van de laatste helft van de jaarweek, het begin van de tirannie van het beest. Daarmee wordt aangeduid dat ‘het beest uit de aarde’, waarvan de omschrijving volgt vanaf vers 11 tegelijkertijd optreedt met het beest uit de zee. Zij stijgen tegelijk omhoog en ontvangen tegelijk hun macht.

Dan is er nog de belangrijke kwestie van het al dan niet geschreven zijn 'in het boek van het leven dat geslacht is'. Het 'boek van het leven' wordt voor het eerst genoemd door Pauls in Filippenzen 4:3, waar hij enkele gelovigen noemt, die in dat boek geschreven staan. Verder wordt het alleen vermeld in Openbaring, meestal alleen als 'boek van het leven' (3:5, 17:8, 20:12, 15, 22:19), eenmaal als 'boek van het leven van het Lam' (21:27) en hier, in Openbaring 13:8 als 'boek van het leven van het lam dat geslacht is'.

Letterlijk staar er in het Grieks: ‘...waarvan de namen niet geschreven staan in het boek van het leven van het Lam dat geslacht is vanaf de grondlegging van de wereld.’ De vraag is dan waarop ‘vanaf de grondlegging van de wereld’ terug verwijst. Naar het ‘niet geschreven staan van de namen’ of naar ‘het Lam dat geslacht is’? Er is geen reden aan te nemen dat helemaal terug wordt verwezen naar het ‘niet geschreven staan van de namen’ en de meest voor de hand liggende lezing is dat het slaat op ‘het Lam dat geslacht is’. We lezen iets wat hierop lijkt in 1 Petrus 1:18 ‘... in de wetenschap dat u niet met vergankelijke dingen, zilver of goud, vrijgekocht bent van uw zinloze levenswandel, die u door de vaderen overgeleverd is, maar met het kostbaar bloed van Christus, als van een smetteloos en onbevlekt Lam. Hij is wel van tevoren gekend, vóór de grondlegging van de wereld, maar in de laatste tijden geopenbaard omwille van u.’

Maar wat betekent dat? De schepping was al 4000 jaar oud toen Christus werd gekruisigd. Het betekent dat het werk van Christus van meet af aan een volkomen zekerheid was en dat het voor de verlossing niet uitmaakt of iemand vóór of na het kruis heeft geleefd. Het offer van Jezus Christus geldt vanaf het allereerste begin van de schepping. Zelfs voordat God de schepping tot aanzijn riep, stond al vast hoe alles zou lopen en dat de Zoon als Mens op aarde zou komen om als Lam aan een kruis te sterven. Direct na de zondeval droop het eerste bloed van het dier waarvan God de vellen gebruikte om Adam en Eva te bekleden. Daarna kwamen de offers die Abel bracht en vervolgens eindeloos veel dierenoffers, die allemaal vooruitwezen naar het Ene Offer dat eenmaal zou worden gebracht. In type is Christus derhalve vanaf de grondlegging der wereld als Lam ‘geslacht’.

Het is overigens goed mogelijk dat het ‘vanaf de grondlegging der wereld’ tevens slaat op het ‘niet in het boek van het leven geschreven staan van de namen’. Zo wordt het wel gesteld in Openbaring 17:8. Daar staat: '...zij die op de aarde wonen, van wie de naam van de grondlegging van de wereld af niet gechreven is in het boek van het leven...' Daar ontbreekt 'van het Lam dat geslacht is'. Daar kan het 'van de grondlegging van de wereld af alleen slaan op 'de naam niet geschreven'. De keuze die mensen in de grote verdrukking maken voor God of voor het beest ligt namelijk al vast vanaf de grondlegging van de wereld. God wist vanaf het moment dat Hij de aarde grondvestte al Wie vóór Hem zouden kiezen in de slotfase van de eindtijd. Voor ons mensen is dit onbegrijpelijk. Hoe kunnen mensen dan nog een eigen verantwoordelijkheid hebben als vanaf zo lang geleden toch alles al vaststaat en bepaald is? Is dan nog wel sprake van keuzevrijheid? Wij kunnen ons met ons beperkte verstand geen Wezen voorstellen, dat boven de tijd staat en dat als Schepper van alle werelden (opeenvolgende eeuwen - Hebreeën 1:2) de gehele geschiedenis tot in de kleinste details in één keer overziet. Gods kennis vanaf het begin over details van het eind neemt de verantwoordelijkheid van de mens echter niet weg.

Ook op andere plaatsen spreekt de Bijbel van voorkennis, ja zelfs van voorbestemming door God: Romeinen 8:29 ‘Want hen die Hij van tevoren gekend heeft, heeft Hij er ook van tevoren toe bestemd om aan het beeld van Zijn Zoon gelijkvormig te zijn, opdat Hij de Eerstgeborene zou zijn onder vele broeders.’

2 Timotheüs 1:9 ‘Hij heeft ons zalig gemaakt en geroepen met een heilige roeping, niet overeenkomstig onze werken, maar overeenkomstig Zijn eigen voornemen en genade, die ons gegeven is in Christus Jezus vóór de tijden der eeuwen…’

Efeze 1:4 ‘...omdat Hij ons vóór de grondlegging van de wereld in Hem uitverkoren heeft, opdat wij heilig en smetteloos voor Hem zouden zijn in de liefde.’

God wijst hier zelfs terug naar ‘vóór’ de grondlegging van de wereld. Vóór de scheppingsdaad voorzag God reeds degenen die voor Hem zouden kiezen en Hij bewerkte in zijn scheppingsdaad alles zodanig, dat dit ook zou gebeuren. Die wonderlijke manier van Gods scheppend en voorbestemmend handelen is voor ons, beperkte schepselen ondoorgrondelijk. Zij wordt echter op diverse plaatsen bevestigd in Gods Woord en wij die geloven mogen dit gelovig in het hart sluiten.


(3) Wat is de betekenis van ‘de volharding en het geloof van de heiligen’?

In de ‘ure van verzoeking die over het hele aardrijk zal komen om te verzoeken die op de aarde wonen’ is de zesde bazuin wel de allermoeilijkste fase. Voor de mensen die nog enige verwachting hadden van de goedaardigheid van ‘het systeem’ is het ‘de dood’ of ‘de aanbidding van het beest’. We zien dat laatste in de staarten van de paarden, die de militaire macht vormen van het beest onder de zesde bazuin. De vier engelen bij de Eufraat worden losgemaakt (de Eufraat was de bepalende rivier van alle vier de wereldrijken) en een ruiterij van 200 miljoen wordt losgelaten op de wereldbevolking. Van de staarten wordt gesteld: ‘hun staarten zijn als slangen gelijk en daarmee brengen zij schade toe’ (Openbaring 9:19). Dat is hetzelfde woord ‘schade’ dat wordt gebruikt in verband met de ‘staarten van de sprinkhanen’ van de vijfde bazuin (Openbaring 9:10). In hun staarten is een ‘schorpioensteek’ de de schade toebrengt. De schade veroorzaakt een pijniging ontstaat, die dermate heftig is dat mensen de dood zoeken en de dood vlucht van hen weg. Voorts wordt het Griekse grondwoord ‘schade’ nergens in de Bijbel gebuikt voor ‘de dood’ maar altijd voor ‘bederf’ of ‘ongerechtigheid’. Het lijkt hier derhalve te gaan om het verderven van het genetisch materiaal van mensen. Wij maken de dagen mee van een wereldwijd genetisch experiment onder de vlag van een ‘Covid-19 vaccin’. De resultaten van dit experiment zullen ongetwijfeld worden gebruikt voor het ‘fine-tunen’ van het elixer dat mensen in de grote verdrukking toegediende zullen krijgen, gecombineerd met nanotechnologie om ze te koppelen aan een wereldwijd betalingssysteem. Op een crypto-betaalmiddel in de vorm van een chip op grond van lichaamsactiviteiten is reeds patent aangevraagd onder nummer 060606.

Hoe dichtbij is de toekomst, waarbij wereldwijd van alle burgers wordt geëist, om gen- en nanotechnolgie bij zichzelf te laten inbrengen of te sterven? Dit is de oorlog die het beest voert tegen de heiligen en de verzoeking om er maar aan toe te geven was nog nooit zo groot. Om die reden geeft Openbaring deze heiligen een ‘hart onder de riem’ om niet toe te geven aan de verzoeking. ‘Als iemand een oor heeft, laat hij horen’. Dat is een zin die we ook zeven maal lezen in de Openbaring 2 en 3, als slot van de brieven aan de zeven gemeenten. Echter, er is één belangrijk verschil. In de brieven aan de zeven gemeenten volgt: ‘...wat de Geest tot de gemeenten zegt’. Dat ontbreekt hier. Waarom? Heel eenvoudig: ‘de gemeenten’ zijn niet langer op aarde maar in de hemel. Het gaat nu om ‘heiligen’ in de grote verdrukking, die niet behoren tot de gemeente van God, het lichaam van Christus, dat gevormd is in de ‘bedeling’ van de genade. Die bedeling is afgesloten in de opname van de gemeente. Sindsdien begon een nieuwe ‘eeuw’, het tijdperk van de behoudenis van Israël en de zegen door Israël heen voor alle volkeren van de wereld, waarover vrijwel alle profeten hebben gesproken.

Het geloof en de volharding van de heiligen worden in deze allermoeilijkste tijd versterkt door de wetenschap dat God Zelf eenmaal zal afrekenen met alle verdrukkers. Zij hoeven niet voor zichzelf op te komen. Zij hoeven niet zelf hun verdrukkers te bestrijden. Dat is onmogelijk want de verdrukkers vormen een wereldwijde oorlogsmachine met moderne technologie, die wordt aangedreven door satan via het beest en de engelen van de vier wereldrijken. Alleen God kan daar een eind aan maken. En God zal dat ook doen. En daarop is het vertrouwen van de heiligen gevestigd. Degenen die hen dit aandoen, komen hier niet mee weg maar worden uiteindelijk door God aangepakt. De gerechtigheid zal zegevieren. Iets daarvan lezen we in 2 Thessalonicenzen 1:6 ‘Het is immers rechtvaardig van God verdrukking te vergelden aan hen die u verdrukken, en aan u die verdrukt wordt, samen met ons verlichting te geven bij de openbaring van de Heere Jezus vanuit de hemel met de engelen van Zijn kracht,’

Een andere tekst, die als troost geldt in die tijd: Jesaja 51:12 ‘Ik, Ik ben het Die u troost. Wie bent u dat u bevreesd bent voor een sterveling, die sterven moet, voor een mensenkind, gras, dat vergaat, en dat u de HEERE vergeet, Die u gemaakt heeft, Die de hemel uitgespannen heeften de aarde gegrondvest,en dat u voortdurend, de hele dag, angstig bent vanwege de woede van de onderdrukker,wanneer hij zich gereedmaakt om u te gronde te richten? Waar is dan de woede van de onderdrukker?…’

De woorden van de Heer Jezus in Mattheus 10 zullen dan bijzonder actueel zijn: Mattheüs 10:28 ‘En wees niet bevreesd voor hen die het lichaam doden en de ziel niet kunnen doden, maar wees veeleer bevreesd voor Hem Die zowel ziel als lichaam te gronde kan richten in de hel.’

De troost spreekt van reciprociteit in vergelding, het principe ‘oog om oog, tand om tand’. Maar dat is iets, wat aan God moet worden overgelaten. Romeinen 12:19 ‘Wreek uzelf niet, geliefden, maar laat ruimte voor de toorn, want er staat geschreven: Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden, zegt de Heere.’

Het gaat om ‘in gevangenschap leiden’ en ‘met het zwaard doden’. Zo begint het namelijk in de eerste helft van de laatste jaarweek. Degenen die gedood worden onder het zesde zegel zijn eerst gevangen genomen en daarna onthoofd (Openbaring 20:4). Dat gaat door tot op de zesde bazuin. Daarna begint een grote slachting, waarbij mensen die zich niet onderwerpen en zich niet met de ‘staarten als slangen’ laten ‘beschadigen’ worden gedood met vuur, rook en zwavel (Openbaring 9:18,19). Dat kost een derde van de mensheid het leven (Openbaring 9:18). Degenen die dit op hun geweten hebben, het beest uit de zee en het beest uit de aarde, zullen uiteindelijk hetzelfde lot ondergaan, in de poel van vuur en zwavel (Openbaring 19:20). De legers in de vlakte van Harmagedon wacht een ander lot. Zij worden gedood met het zwaard dat uit de mond van Christus komt (Openbaring 19:21). Dat is een draaglijker lot omdat zij slechts de uitvoerenden waren van orders, die bij het beest vandaan kwamen.

- 26 maart 2022 -

openbaring

van Jezus Christus

Openbaring 13

Openbaring 13B

Openbaring 14