24 oudsten

Wie zijn de 24 oudsten, die we in de hemel vinden vanaf hoofdstuk 4 tot en met hoofdstuk 19 van het boek Openbaring? Oftewel, wie zijn het, die we in de hemel aantreffen gedurende de periode dat op aarde sprake is van ‘grote verdrukking’ van circa zeven jaar? Als vastgesteld moet worden, dat dit de gemeente van God is, eventueel nog uitgebreid met de gelovigen van vóór Christus, dan is het ‘case closed’ in het voordeel van een opname vóór de zevenjarige verdrukking. Is het misschien daarom dat dit onderwerp angstvallig gemeden wordt door allen die een mening aanhangen die afwijkt van de ‘pretrib rapture’?

Van de kant van het ‘post-trib’ standpunt verneemt men de volgende tegenwerpingen:

(1) De 24 oudsten zingen in Openbaring 5:9, 10 niet in de eerste maar in de derde persoon meervoud. Er zou in de grondtekst geen ‘ons’ en ‘wij’ staan maar ‘hen’ en ‘zij’. In dat geval zou het kunnen gaan om slechts enkele mensen of zelfs engelen, niet om de voltallige schare van gelovigen tot op de opname.

(2) Dat de 24 oudsten kenmerken dragen van ‘overwinnaars’, die genoemd worden in Openbaring 2 en 3 wil niet zeggen dat zij daarmee te vereenzelvigen zijn. Mogelijk dat ‘anderen’ (engelen, gelovigen die bij Christus’ sterven zijn opgewekt – Mt.27:52, 53) dezelfde kenmerken vertonen.


De opvatting dat de 24 oudsten niet de gemeente van God betreffen, is in wezen een agnostisch standpunt. Men stelt dat niemand kan weten wie dat zijn en dat we er beter ook niet naar kunnen ‘gissen’ want daar komen we toch niet achter. Iedereen kan het op zijn manier invullen. Op die manier wordt getracht de 24 oudsten van Openbaring buiten de argumentatie over de opname te houden want áls de 24 oudsten wél de gemeente zouden voorstellen en we zouden dat kunnen weten, dan blijft slechts één enkel moment van de opname fier overeind staan en vallen alle alternatieven in duigen.

Om die reden wordt hier ingegaan op de 24 oudsten van Openbaring en wordt puntsgewijs beargumenteerd, dat we hier wel degelijk te maken hebben met de gemeente uit het nieuwe testament, mogelijk aangevuld met gelovigen uit het Oude Testament.

(1) De 24 oudsten vertonen kenmerken die overeenkomen met de overwinnaars van de zeven gemeenten van Openbaring 2 en 3. Deze kenmerken zijn (1) gezeten op tronen – overeenkomstig de belofte aan overwinnaars van Laodicea in Openbaring 3:21 (2) bekleed met witte kleden – overeenkomstig de belofte aan overwinnaars van Sardis in Openbaring 3:5 (3) gekroond met gouden kronen – overeenkomstig de belofte aan overwinnaars van Filadelfia in Openbaring 3:11 en van Smyrna in Openbaring 2:10 (4) zij heersen over de aarde – overeenkomstig de belofte aan overwinnaars van Thyatira in Openbaring 2:27. Deze overeenkomsten zijn veelzeggend maar uiteraard nemen tegenstanders van de pretrib rapture daar geen genoegen mee en vinden zij dit ‘onvoldoende bewijs’.

(2) De vertaling van de tekst met het gezang der oudsten door ‘hen’ en ‘zij’ maakt de tekst vrij onbegrijpelijk. De vertaling met ‘ons’ en ‘wij’ gebeurt niet door de eerste de beste vertalingen. Het zijn nota bene de gerespecteerde statenvertaling en de King James die aan deze vertaling de voorkeur geven en lezen: ‘En zij zongen een nieuw lied en zeiden: U bent het waard om de boekrol te nemen en zijn zegels te openen, want U bent geslacht en hebt ons voor God gekocht met Uw bloed, uit elke stam, taal, volk en natie. En U hebt ons voor onze God gemaakt tot koningen en priesters, en wij zullen als koningen regeren over de aarde. (Openbaring 5:9, 10). Wanneer we gaan vertalen met ‘hen’ en ‘zij’, dan kan dat alleen maar door de eerste verwijzing ‘ons voor God gekocht’ weg te laten en te lezen: ‘hebt …. voor God gekocht met uw bloed, uit elke stam, taal, volk en natie. En U hebt hen gemaakt tot koningen en priesters….’ Men moet die eerste verwijzing wel weglaten want het verwijst namelijk nergens naar. In heel hoofdstuk 4 en 5 gaat het tot op dat moment alleen over de vier levende wezens en over de 24 oudsten. Dan kom je in verlegenheid met een eerste verwijzing naar ‘hen’. Die wordt dus maar weggelaten terwijl de alternatieve vertaling wel ‘ons’ vermeldt.

Pas nadat gezongen is: ‘hebt voor God gekocht uit elke stam, taal, volk en natie’, wordt gesproken van ‘hen’. Maar feitelijk verwijst dat nog steeds nergens naar. Want wie zijn dan precies gekocht? Dat deze informatie hier ontbreekt, is zeer vreemd omdat Johannes bij alle verwijzende naamwoorden juist zeer duidelijk is. De enige keer dat er een verwijzend naamwoord staat, dat vraagtekens oproept, is in Openbaring 20:4, waar staat: ‘En ik zag tronen en ‘zij’ gingen daarop zitten en het oordeel werd ‘hen’ gegeven…’ Echter, ook in dat geval is terugzoekend in de tekst wel degelijk te vinden waarop deze verwijzing ‘zij’ en ‘hen’ slaat. In het hoofdstuk daarvoor lezen we dat hemelse legers op witte paarden, bekleed met wit, rein fijn linnen, de Berijder van het witte paard, de Heer Jezus, volgen op zijn overwinningstocht tegen de aardse machten. Het zijn deze strijders aan de zijde van Jezus die op tronen komen te zitten en het oordeel zullen uitoefenen.

(3) De uitleg dat het bij de 24 oudsten om engelen zou gaan, is zeer onwaarschijnlijk. Nergens in de Bijbel worden engelen ‘oudsten’ genoemd. Nergens in de Bijbel is sprake van ‘zang’ door engelen (Lukas 2:14, Openbaring 4:8). Nergens in de Bijbel worden engelen ‘gezeten’ gezien ‘op tronen’. Engelen ‘staan’ voor God (Lukas 1:19, Openbaring 8:2). De engel die zich ergens wilde zetelen, kwam daarmee ten val (Jesaja 14:13).

(4) De uitleg dat dit zou gaan om gelovigen uit het Oude Testament is alleen mogelijk als bij punt (2) sprake is van ‘hen’ en ‘zij’. We hebben gezien dat deze vertaling hoogst twijfelachtig is. Als er met ‘ons’ en ‘wij’ vertaald moet worden, kunnen de 24 oudsten niet beperkt zijn tot gelovigen uit het Israël van de Oude Testament omdat er staat: ‘en hebt ons gekocht uit hebt ons voor God gekocht met Uw bloed, uit elke stam, taal, volk en natie.’

(5) Er is een sterke overeenkomst tussen het gezang der oudsten en het gezang dat Johannes in Openbaring 1:6 optekent namens de gehele gemeente van God: ‘...van onze zonden heeft verlost door zijn bloed en ons gemaakt heeft tot een koninkrijk, tot priesters voor zijn God en Vader…’ Vergelijk dat eens met het gezang van de 24 oudsten: ‘...hebt ons voor God gekocht met uw bloed...en hebt ons voor onze God gemaakt tot een koninkrijk en tot priesters…’. De oudsten brengen typische gemeentezang ten gehore. Ook andere schiftplaatsen laten zien dat de gemeente als huis van God bestaat uit 'een heilig priesterdom' en 'een koninklijk priesterdom' (1 Petrus 2:5. 9).

(6) Een andere kwestie is de ‘zij’ van Openbaring 5:8: ‘zij hadden elk een harp en gouden schalen vol reukwerken, welke zijn de gebeden van de heiligen en zij zingen een nieuw lied en zeggen…’ Wil men in de 24 oudsten geen gemeente van God herkennen, dan laat men de ‘zij’ ook slaan op de vier levende wezens en dan kan men zeggen dat ook alles wat volgt in de derde persoon moet slaan omdat de vier levende wezens uiteraard niet door bloed gekocht kunnen zijn. Echter, men kan het ook omdraaien en beweren dat als de vertaling met ‘ons’ en ‘wij’ correct is, de vier levende wezens niet begrepen kúnnen zijn in de ‘zij’ met elk een harp en gouden schalen voor reukwerken. De ‘zij’ van Openbaring 5:8 slaat dan uitsluitend op de 24 oudsten.

(7) Er ligt een belangrijke verbinding tussen Openbaring en de brief aan de Hebreeën, die ook handelt over de zaken in de hemel, waarvan de tabernakel van Israël een beeld was. In die brief wordt op allerlei manieren duidelijk gemaakt dat de gelovige door Jezus Christus en zijn volbrachte werk rechtstreeks tot God nadert en dat verder geen enkele middelaar meer nodig is. Er is geen hogepriesterlijke dienst en geen levietendienst. Er is alleen Jezus Christus, de enige weg tot God. Het veronderstellen van enige andere bemiddeling tussen de gelovige en God, naast Christus, gaat in tegen de volledige leer van de Schriften van het Nieuwe Testament en moet met klem worden afgewezen. Wat bepaalde kerken hebben geïntroduceerd is te gruwelijk om zelfs maar een woord aan vuil te maken.

Enkele teksten die dit duidelijk maken: ‘Daarom kan Hij ook volledig behouden wie door Hem tot God naderen, daar Hij altijd leeft om voor hen tussen beide te treden’ (Heb.7:25) ‘Daar wij dus, broeders, vrijmoedigheid hebben om in te gaan in het heiligdom, door het bloed van Jezus, langs de nieuwe en levende weg die Hij ons heeft ingewijd, door het voorhangsel heen, dat is zijn vlees…’ (Heb.10:19, 20). ‘Laten wij dan door Hem voortdurend een lofoffer brengen aan God, dat is de vrucht van de lippen die zijn naam belijden’. (Heb.13:15). Maar ook andere geschriften maken deze waarheid duidelijk: ‘Ik ben de weg, de waarheid en het leven, niemand komt tot de Vader dan door Mij’ (Joh.14:6). ‘Er is één God en één middelaar tussen God en mensen, de mens Christus Jezus’ (1 Tim.2:5).

De gedachte als zouden de vier levende wezens en de 24 oudsten namens anderen met gebeden voor Gods troon komen, gaat lijnrecht in tegen deze leer van het Nieuwe Testament. Het zou een middelaarschap betekenen dat totaal vreemd is aan het Nieuwe Testament. Het kan daarom niet anders of de ‘gouden schalen vol reukwerken’ zijn de gebeden van de 24 oudsten zelf, een beeld van de complete gemeente van God, opgenomen in de hemel, die rechtstreeks met hun gebeden tot God naderen. De enige keer dat we verder nog reukwerken voor God gebracht zien worden, is in Openbaring 8, door de ‘andere engel’. Uit de beschrijving van deze engel blijkt dat het gaat om Jezus Christus. Uit zijn hand stijgen de reukwerken en de gebeden van de heiligen op vóór God. Hij is ‘de Middelaar tussen God en mensen’ door wie wij ‘voortdurend een lofoffer brengen aan God’.

(8) De positie van de 24 oudsten is dichter bij de troon dan de positie van de engelen. We lezen in Openbaring 4 en 5 achtereenvolgens van de troon en Hem die daarop zit, van de vier dieren, van de 24 oudsten en daarna pas van de vele engelen rond de troon en de levende wezens en de oudsten (Openbaring 5:11). De positie van de 24 oudsten correspondeert met die van de gemeente van God volgens Hebreeën 12:22: ‘...maar u bent genaderd tot de berg Sion en tot de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem en tot tienduizenden van engelen, de algemene vergadering en tot de gemeente van eerstgeborenen, die in de hemelen staan opgeschreven en tot God, de Rechter van allen…’. De uitdrukking ‘gemeente van eerstgeborenen’ raakt aan de benaming ‘eerstelingen van de Geest’ die Paulus ons geeft in Romeinen 8:23 ‘En dat niet alleen, maar ook wijzelf, die de eerstelingen van de Geest hebben, ook wijzelf zuchten in onszelf, in de verwachting van de aanneming tot kinderen, namelijk de verlossing van ons lichaam.’

(9) Dat de oudsten geen engelen maar mensen zijn, blijkt ook uit hun inlevingsvermogen in Johannes. Op het moment dat hij huilt, is het één van de oudsten die hem troost (Openbaring 5:5). Op het moment dat hij de ontelbaar grote menigte ziet, is het één van de oudsten die hem een vraag stelt om te zien of hij het begrijpt, zoals mensen dat onderling doen. Johannes spreekt ook met engelen maar nergens zien we die op een dergelijke manier reageren.

(10) Het aantal van 24 oudsten komt overeen met de twee twaalftallen in verband met het hemelse Jeruzalem, de twaalf paarlen poorten met de namen van de stammen van Israël en de twaalf fundamenten met de namen van de twaalf apostelen. Het nieuwe Jeruzalem is ‘de bruid van het Lam’, wat haar typeert als de gemeente uit het Nieuwe Testament. Immers, ook zij wordt de vrouw van Christus genoemd (Ef.5:32, Gal.4:11). Ook van de gemeente wordt gezegd dat de apostelen haar fundament zijn (Ef.2:20). De gelovigen uit het Oude Testament krijgen een poortwachtersfunctie in relatie tot de gemeente. Er is derhalve verschil in positie tussen de gemeente van het Nieuwe Testament en het gelovig Israël van het Oude Testament. Samen vormen zij de 24 oudsten en samen vormen zij het nieuwe Jeruzalem. Immers, ook van Abraham wordt gezegd dat hij in tenten woonde omdat hij de stad verwachtte die fundamenten heeft, waarvan God ontwerper en bouwmeester is. Welke stad moet dat anders zijn dan het nieuwe Jeruzalem?

Het lijkt er daarom sterk op dat – in tegenstelling tot wat wel wordt beweerd – de doden van het Oude Testament gelijk met die van de gemeente worden opgewekt bij de opname van de gemeente. Er staat immers: ‘de doden in Christus’ (1 Thessalonicenzen 4:16). En ook de gelovigen van het Oude Testament zijn in gelovig uitzien naar de komende Christus ontslapen. Zij verwachtten allen het zaad van de belofte, het zaad van de vrouw, dat de slang de kop zou vermorzelen, zoals Jezus van bijvoorbeeld Abraham zegt dat hij zich erop verheugde de dag van Christus te zien (Johannes 8:56).

Er is nog een tweede reden om aan te nemen dat de gelovigen van de Oude en de Nieuwe bedeling tegelijk opstaan. En dat is, dat er ná de zichtbare komst van Christus in heerlijkheid op aarde alleen gesproken wordt van een opstanding uit de doden van heiligen, die gedood zijn in de zeven jaren van verdrukking. Er wordt geen enkele melding gemaakt van een opstanding van doden uit vroeger tijden. (Openbaring 20:4). Het lijkt erop dat die al zijn opgewekt bij de opname van de gemeente. Overigens zijn daar ook alle gelovigen van voor Abraham bij inbegrepen, zoals Noach en zijn gezin.

(11) Het verschil in positie tussen gelovigen van de oude en van de nieuwe bedeling lijkt zich ook af te tekenen in Openbaring 19, waar we de ‘vrouw van het Lam’ zien en ‘de genodigden tot het bruiloftsmaal’. Dit lijkt te corresponderen met Johannes 3:29, waar Johannes de Doper zegt: ‘Hij die de bruid heeft, is de bruidegom; maar de vriend van de bruidegom die daarbij staat en hem hoort, verblijdt zich met blijdschap over de stem van de bruidegom’ en met Mattheus 11:11: ‘Voorwaar, Ik zeg u: onder hen die uit vrouwen geboren zijn, is geen grotere opgestaan dan Johannes de doper, maar de geringste in het koninkrijk der hemelen is groter dan hij.’

Overigens is het onderscheid weer weg bij het afdalen van de hemelse legers naar de aarde want daar lezen we van allen die de Heer volgen op witte paarden dat ze zonder onderscheid zijn bekleed met wit, rein, fijn linnen (Openbaring 19:14 – fijn linnen = byssos, dezelfde term als in Openbaring 19:8, het fijne linnen van de vrouw van het Lam).

(12) Het zijn de 24 oudsten die bij het blazen van de zevende bazuin in Openbaring 11:17,18 getuigen van inzicht in de situatie op aarde, omdat zij op aarde geleefd hebben en – in tegenstelling tot engelen – weten wat er speelt en wat er nodig is om aan de ellende op aarde een einde te maken. Zij zijn de ‘zonen van God’ naar het verschijnen van wie de schepping reikhalzend uitkijkt.

- 6 juni 2022 -

opname

Ik kom weer en zal u tot Mij nemen