openbaring 2

Vers 1

'Schrijf aan de engel van de gemeente in Efeze: Dit zegt Hij Die de zeven sterren in Zijn rechterhand houdt, Die te midden van de zeven gouden kandelaren wandelt.'


Vreemd lijkt de uitdrukking ‘zeven engelen’ van de zeven gemeenten, die Jezus in zijn rechterhand houdt. Het boek Openbaring biedt ons een blik in de onzichtbare werkelijkheid en het wordt duidelijk dat engelen een belangrijke rol spelen in de ontwikkelingen op aarde. De vraag is echter of dat ook geldt voor de hoofdstukken 2 en 3. Er zijn diverse argumenten om aan te nemen dat de ‘engelen van de zeven gemeenten’ geen hemelwezens maar mensen zijn.

(1) Openbaring begint in hoofdstuk 1 met de vermelding van de ‘trap’ waarlangs wij de Openbaring ontvingen. Die bestond uit vier treden: (1) God, (2) Jezus, (3) een engel en (4) Johannes. Het zou vreemd zijn als Johannes vervolgens weer schrijft aan engelen, die de boodschap weer zouden moeten doorgeven aan gemeenten. De stap van de ‘engel’ als hemelwezen in de onzichtbare wereld is immers al gezet.

(2) Nergens in de bijbel wordt door mensen aan engelen gerapporteerd. Het zijn altijd engelen die boodschappen aan mensen doorgeven. Wel is het zo dat de gemeente ‘aan de overheden en de machten in de hemelse gewesten de veelvuldige wijsheid van God bekend maakt’. Maar uit het verband blijkt dat het daar gaat om ‘de belofte in Christus’, waaraan ook niet-Joden van alle volken hebben deel gekregen. We komen dat ook tegen in Openbaring, namelijk in hoofdstuk 5, waar de verloste mensen in de hemel de lofzang aanheffen voor het Lam, dat hen kocht met zijn bloed uit elke stam, taal, volk en natie. In die lofzang lezen engelen af wat hun Schepper voor nietige mensen heeft gedaan maar het gaat daar niet om specifieke boodschappen waar engelen iets ‘mee moeten’, zoals in de hoofdstukken 2 en 3.

(3) Engelen worden dienende geesten genoemd, die worden uitgezonden ten dienste van hen die het heil beërven. Engelen kunnen een boodschap van God overbrengen, die zo belangrijk is dat mensen door naar die boodschap te luisteren, gered worden. Dat gebeurde bijvoorbeeld bij Lot en zijn twee dochters. Maar meer dan dat kunnen engelen niet doen. Nergens in de Bijbel lezen we dat engelen zich moeten ‘bekeren’ – zoals we bij vijf van de zeven gemeenten in deze hoofdstukken lezen – dat ze zich bekeren, zodanig dat het met de gemeente de goede kant op gaat. Engelen kunnen wel worden uitgezonden naar aanleiding van het geloofsleven, dat mensen naar God laten zien. Maar nergens lezen we dat engelen zelf een dergelijk geloofsleven aan de dag moeten leggen, ‘moeilijkheden moeten verdragen’, ‘volharding moeten tonen’, ‘niet moe moeten worden’, ‘zich moeten inspannen’, ‘trouw moeten zijn tot de dood’, ‘niet moeten vrezen’, ‘vast moeten houden aan Jezus’ naam’, zijn naam ‘niet moeten verloochenen’, enzovoorts. Dat zijn allemaal aansporingen aan menselijke gemeenteleden.

(4) Nergens in de Bijbel worden engelen verantwoordelijk gehouden voor het gedrag van mensen en worden mensen afgerekend op het gedrag van engelen. Hier echter wordt de geadresseerde verweten, dat er gemeenteleden zijn die ‘zich houden aan de leer van Bileam’ en aan ‘de leer van de Nicolaïeten’. Andersom wordt in geval van de gemeente te Efeze, de kandelaar weggenomen als de engel zich niet bekeert. Het ‘bedenk van welke hoogte u bent gevallen’ staat in het enkelvoud en slaat op de geadresseerde, de engel dus, en niet op het geheel van alle gemeenteleden. Die engel kan dan geen hemelwezen zijn.

(5) De positie die een engel zou krijgen als ‘verantwoordelijke voor de gemeente’, correspondeert niet met de rest van het Nieuwe Testament. In Hebreeën lezen we: ‘Niet aan engelen heeft hij onderworpen het toekomstige aardrijk waarover wij spreken…’ en dan lezen we dat die positie is voorbehouden aan de mens. Maar zou de mens dan onderworpen zijn aan engelen? Nee, want Paulus schrijft dat we eenmaal ‘engelen zullen oordelen’. Verder lezen we dat God geen engelen aanneemt maar wel het nageslacht van Abraham, dat zijn allen die God op zijn woord geloven. Het zijn mensen, oudsten, gelovigen binnen de gemeente, die worden aangesteld als ‘verantwoordelijken’ van de gemeente. Dat zegt Jezus tegen Petrus en Petrus weer tegen de gemeente. Ook Paulus zegt dat tegen de gemeente te Efeze.

Als we concluderen dat het woord ‘engel’ in de hoofdstukken 2 en 3 van Openbaring geen hemelwezen aanduidt maar een mens, dan moet dat ondersteund worden door de schrift, bijvoorbeeld doordat het woord ‘engel’ elders ook voor een mens wordt gebruikt. Welnu, dat is ook het geval. Het gebruikelijke woord voor ‘engel’ in het Hebreeuwse Oude Testament, mal'āḵ, wordt diverse malen ook gebruikt voor mensen, die als boodschappers worden gestuurd. Ook het Griekse Woord ‘angelos’, wordt in het Nieuwe Testament hier en daar gebruikt voor menselijke boden. Om die reden en vanwege de context kunnen we aannemen dat met ‘engel’ ook hier een menselijke boodschapper worden bedoeld.

De engelen worden symbolisch voorgesteld als sterren in de rechterhand van de Zoon des mensen. Zou het dan toch niet om hemelwezens gaan? Ook hiervoor dient te worden gekeken naar het geheel van de Schrift. Engelen worden inderdaad voorgesteld als ‘sterren’. Toen God zijn grote scheppingsdaden verrichtte stonden de morgensterren te juichen – volgens het boek Job. Engelen worden in datzelfde gedeelte ‘kinderen van God’ genoemd. Dat stemt overeen met het boek Hebreeën, waar God de ‘vader van de geesten’ wordt genoemd. Satan, Gods tegenstander, was ooit ‘morgenster’. Maar is de uitdrukking ‘ster’ exclusief voor engelen? Nee, lees maar mee in Daniël 8, waar een kleine hoorn die voortkomt uit het Grieks-Macedonische wereldrijk, dat wordt voorgesteld door een geitenbok, ‘sterren’ ter aarde werpt:

‘De geitenbok maakte zich uitermate groot. Maar toen hij machtig geworden was, brak de grote hoorn af en in plaats daarvan kwamen er vier opvallende op, overeenkomstig de vier windstreken van de hemel. Uit één ervan kwam een kleine hoorn tevoorschijn, die uitzonderlijk groot werd, naar het zuiden toe, naar het oosten toe en naar het Sieraadland toe. Hij werd groot, tot aan het leger van de hemel. Van dat leger, namelijk van de sterren, liet hij er sommige ter aarde vallen en vertrapte ze. Hij maakte zich groot tot aan de Vorst van dat leger. Het steeds terugkerende offer werd aan Deze ontnomen en Zijn heilige woning neergeworpen.’

Het Griekse rijk van Alexander de Grote viel na zijn dood uiteen in vier brokstukken, waarvan er één ten Noorden (Seleuciden) en één ten Zuiden (Ptolemaeën) van Israël lag. Het volk van God werd door de strijd tussen die beide voortdurend in de tang werd genomen. Antiochus Epiphanes, een vorst uit de Seleuciden, liet de eredienst in de Joodse tempel lange tijd staken en liet in plaats daarvan een beeld van Zeus vereren. De Joodse opstand die daarna ontstond werd keihard neergeslagen, waarbij duizenden Joden de dood vonden. De ‘sterren’, die ter aarde vielen waren de Joden die opkwamen voor de eer van de God van Israël. Engelen kunnen het niet geweest zijn want die kunnen nimmer door mensen worden gedood. De sterren in de rechterhand van Jezus zijn de leden van de gemeente die zijn getuigenis en het Woord van God vasthouden.

Een belangrijke vraag, die dan overblijft is: waarom? Waarom gebruikt Jezus het woord ‘engel’ en niet bijvoorbeeld het woord ‘oudste’, zoals in Openbaring 4, waar we de 24 oudsten rond de troon van God zien? Dat kan verschillende redenen hebben.

(1) Het gaat hier niet om het werk van een oudste, die de gemeente moet hoeden en voeden maar om het overbrengen van een boodschap, die de gehele gemeente, elk lid afzonderlijk aangaat.

(2) Wanneer een specifiek ambt in de gemeente zou zijn aangeschreven, zouden de andere gemeenteleden zich aan de boodschap kunnen onttrekken. De boodschap van Jezus gaat echter elk lid van de gemeente aan. Iedereen zou de ‘engel van de gemeente’ kunnen zijn en de boodschap eerst zelf ter harte kunnen nemen en vervolgens de anderen kunnen aansporen dat eveneens te doen.

(3) Dat elk gemeentelid zich in de engel zou kunnen verplaatsen, blijkt ook uit het slot van elk van de zeven berichten: ‘Wie oren heeft om te horen, laat die horen wat de Geest tot de gemeenten zegt.’ In wezen is ieder gemeentelid verantwoordelijk om iets te doen met de aansporingen die Jezus aan zijn gemeente geeft.

- 18 mei 2021 -


De manier waarop Jezus aan elk van de zeven gemeenten wordt voorgesteld, correspondeert met het karakter van de betreffende gemeente. De beschrijvingen van de gemeenten hebben tweeërlei betekenis. Allereerst hebben ze betrekking op zeven plaatselijke gemeenten, die toen daadwerkelijk in Asia (het huidig Turkije) bestonden.

In de tweede plaats geven de beschrijvingen een historische ontwikkeling weer, in zeven fasen, van de gemeente van Jezus Christus door de loop van de geschiedenis tot aan de opname, waarmee het tijdperk van de gemeente eindigt. Die twee betekenissen lijken moeilijk verenigbaar. Als Efeze de toestand beschrijft van de eerste Christengemeente, uit de tijd van Efeze en de zes andere gemeenten, waarom waren er dan zeven aparte beschrijvingen nodig en hoe konden die zes andere gemeenten dan zo sterk van afwijken van de beschrijving die wordt gegeven van Efeze?

Uiteraard is geen enkele gemeente hetzelfde. De brieven van Paulus laten een grote verscheidenheid van gemeenten zien. Hij schrijft een brief aan een gemeente met veel verdeeldheid en praktisch kwaad, zoals Korinthe, een brief aan een gemeente met leerstellig kwaad, zoals Galaten, een brief aan een gemeente met gevaar voor gnosticisme en ascetisme, zoals Kolosse en een brief aan een gemeente in verwarring over de komst van Christus, zoals Thessaloniki. Zo zien we ook grote verscheidenheid in de gemeenten van Openbaring 2 en 3. En zo zien we dat door de hele geschiedenis. Zelfs in de tijd van de Katholieke Kerk, bestonden er ook andere kerkelijke gemeenten, zoals de Waldenzen.

Toch is er door de kerkgeschiedenis heen een historische ontwikkeling geweest, waarbij er ondanks de grote verschillen tussen plaatselijke gemeenten wel globale eigenschappen en tendensen waren die overeenkwamen en die een periode van de kerkgeschiedenis kenmerkten. Men zou kunnen stellen dat Efeze een beschrijving geeft van het globale karakter van de vroege kerk maar dat er op dat moment gemeenten waren met eigenschappen, die veel weg hadden van toekomstige fasen in de wereldwijde kerkgeschiedenis.

Dat Efeze het globale karakter weergeeft van alle zeven gemeenten in Openbaring 2 en 3, blijkt uit de manier waarop de Heer zich aan Efeze presenteert: ‘Dit zegt Hij Die de zeven sterren in Zijn rechterhand houdt, Die te midden van de zeven gouden kandelaren wandelt’. Hij is de Heer van alle zeven gemeenten van dat moment. Efeze staat derhalve voor de totale Christengemeente in de eerste eeuw of eeuwen van onze jaartelling.

- 19 mei 2021 -


Efeze

Vers 2 - 7

Ik ken uw werken, uw inspanning en uw volharding, en weet dat u slechte mensen niet kunt verdragen, en dat u hen op de proef hebt gesteld die van zichzelf zeggen dat zij apostelen zijn, maar het niet zijn, en dat u hebt ontdekt dat zij leugenaars zijn. En u hebt moeilijkheden verdragen, en volharding getoond. Om Mijn Naam hebt u zich ingespannen en u bent niet moe geworden.

Maar Ik heb tegen u dat u uw eerste liefde hebt verlaten. Bedenk dan van welke hoogte u bent gevallen en bekeer u en doe de eerste werken. Maar zo niet, dan kom Ik spoedig bij u en zal uw kandelaar van zijn plaats wegnemen, als u zich niet bekeert. Maar dit hebt u vóór, dat u de werken van de Nikolaïeten haat, die ook Ik haat.

Wie oren heeft, laat hij horen wat de Geest tegen de gemeenten zegt.

Wie overwint, hem zal Ik te eten geven van de Boom des levens, die midden in het paradijs van God staat.


Wie op Internet zoekt naar ondersteuning voor hetzij de interpretatie als plaatselijke gemeenten in de eerste eeuw dan wel als perioden in de kerkgeschiedenis, kom beide visies tegen. Zij die de uitleg willen beperken tot uitsluitend de eerste eeuw van onze jaartelling, hebben bijzonder veel woorden nodig om de andere uitleg onderuit te halen. De argumenten die worden aangevoerd snijden geen hout en zijn soms lachwekkend. Uitleggers die wel een parallel trekken met de kerkgeschiedenis, hebben bijna geen argument nodig, zo overduidelijk zijn de overeenkomsten. De kerkgeschiedenis kan op onderstaande manier naast de zeven brieven worden gelegd:

(1) Efeze: Apostolische periode Pinksteren – AD 100 , de definiëring van het Christelijk geloof

(2) Smyrna: Vervolging onder Romeinse keizers – AD 100 – 313, de verdediging van het Christelijk geloof

(3) Pergamus: De vroege Katholieke kerk vanaf Constantijn – AD 313 – 590, de ter discussie stelling van het Christelijk geloof

(4) Thyatira: De Rooms Katholieke Middeleeuwen – AD 590 – 1517, de verontreiniging van het Christelijk geloof

(5) Sardis: Het protestantisme – 1517 – 1795, de herontdekking van het Christelijk geloof

(6) Philadelphia: De missionaire gemeenten – 1795 – 1870, de onderscheiding van het Christelijk geloof

(7) Laodicea: Modernisme en oecumenische kerken – 1870 – Opname, de ontkenning van het Christelijk geloof


Er is een zekere overeenkomst tussen de zeven gemeenten van Openbaring 2 en 3 en de zeven gelijkenissen van Jezus in Mattheüs 13. Deze gelijkenissen zijn:

(1) De Zaaier en het zaad, de ‘definiëring’ van het Christelijk geloof – komt overeen met Efeze

(2) Het graan en het onkruid, de valse leer, die zelfs al aanwezig was in de periode van de apostelen – komt dus NIET overeen met Smyrna, waar het ging om aanvallen van buiten

(3) Het mosterdzaad, de onnatuurlijke groei, die begon toen christenen onder Constantijn belangrijke plaatsen kregen in het Romeinse rijk – komt overeen met Pergamus

(4) Het zuurdeeg, dat in drie maten meel wordt verborgen – het offer dat aan God wordt gebracht wordt volledig verontreinigd – komt overeen met Thyatira

(5) De verborgen schat in de akker – de herontdekte waarheid van behoudenis door geloof en genade – komt overeen met Sardis

(6) De parel van grote waarde – de heerlijkheid van Christus in het spectrum van de profetieën – komt overeen met Philadelphia

(7) Het sleepnet – de scheiding tussen echte en valse leer en christenen – komt overeen met Laodicea


Er is ook een zekere overeenkomst tussen de zeven gemeenten van Openbaring 2 en 3 en de zeven stukken van de wapenrusting die Paulus noemt in Efeze 6. Deze stukken wapenrusting zijn:

(1) De gordel van de waarheid, de definitie van het Christelijk geloof, overeenkomend met Efeze

(2) Het borstharnas van de gerechtigheid, de verdediging van het Christelijk geloof tegen krachten die het hart ervan willen doorboren door vervolging, overeenkomend met Smyrna

(3) De schoenen van de bereidheid van het evangelie van de vrede, de sterke verbreiding van het christelijk geloof – denk aan Bonifatius, overeenkomend met Pergamus

(4) Het schild van het geloof, de verdediging tegen aanvallen van binnenuit onder de Katholieke Pausen, die het kerkelijk instituut misbruikten als machtsinstrument, overeenkomend met Thyatira

(5) De helm van de behoudenis, de herontdekking van de behoudenis door genade alleen, onder het protestantisme, overeenkomend met Sardis

(6) Het zwaard van de Geest, de kracht van het profetisch woord werd weer gebruikt in de tijd van de missionaire gemeenten, overeenkomend met Philadelphia

(7) Het gebed, de persoonlijke relatie met God, die van levensbelang is in tijden van verval als het christendom haar geestelijke kracht grotendeels verloren heeft, overeenkomend met Laodicea

Uiteraard gaat het in deze parallellen om verschillende accenten. In elk van de fasen van Gods gemeente zijn alle zeven uitrustingsstukken nodig om stand te houden.


Hierboven is al aangegeven dat de betekenis van de brieven tweevoudig is en geldt voor zowel de zeven gemeenten in Asia in de eerste eeuw als voor fasen in de geschiedenis van de Christengemeente in haar totaliteit. Er is nog een derde betekenis en dat is de toepassing op het persoonlijke leven van de gelovige. In principe kan elke bemoediging en vermaning uit de brieven op de situatie van een gelovige worden toegepast, afhankelijk van diens leven en omstandigheden.

Jezus wandelt temidden van de zeven kandelaren. Het beeld van een zevenvoudig licht is niet nieuw. Het bestond ook al in de tabernakel, de tent van God, die door het volk Israël werd geconstrueerd en meegedragen op hun woestijnreis. Het ontwerp van de tabernakel werd door God aan Mozes getoond in de veertig dagen dat hij op de berg was. Daarna werd het ontwerp onder toezicht van Mozes uitgevoerd en opgesteld in de woestijn. Van elk afzonderlijk voorwerp werd door God een ontwerp getoond, waarvan we de beschrijving terugvinden in het boek Exodus. Zo ook de zevenarmige kandelaar, die van een talent goud als één gedreven werk moest worden gemaakt met een middelste schacht waaruit links en rechts in totaal zes armen voortkwamen. Elk voorwerp in de tabernakel is een beeld van Jezus Christus, zo ook de gouden kandelaar. De olie, de brandstof voor de lampen is een beeld van Gods Geest. De lampen op de kandelaar zijn beeld van gelovigen, waarvan het licht aan de voorkant tegen de kandelaar zelf moest schijnen. Het gaat niet om de gelovigen zelf maar om Christus in het licht te stellen.

Zoals het was in de tabernakel, zo is het ook in Openbaring 2 en 3. De zeven kandelaars, beeld van de zeven gemeenten, zijn er om Christus te verheerlijken en zijn getuigenis voort te zetten. Hij wandelt tussen de kandelaren. Het licht van de zeven gemeenten valt op Hem. Een verschil is dat het nu niet gaat om één kandelaar met zeven armen, die Christus vertegenwoordigt maar om zeven aparte kandelaren, die elk een gemeente vertegenwoordigen. De kandelaar kan door Christus worden weggenomen. Dat is ook gebeurd in het geval van de eerste kerk, Efeze, die deze waarschuwing te horen kreeg. Het gebied van Turkije, waar Paulus ooit zijn zendingsreizen maakte en waar een aantal plaatsen lagen waar hij zijn brieven naartoe stuurde, zijn nu grotendeels onderworpen aan de Islam. Gelukkig wordt het getuigenis daarna voortgezet met een nieuwe fase in het christendom, weergegeven door een nieuwe kandelaar.

De opbouw van elk van de zeven brieven in Openbaring 2 en 3 is vrijwel identiek.

(1) Schrijfopdracht

(2) Beschrijving van Christus

(3) Ik ken uw werken: positieve punten

(4) Maar Ik heb tegen u: negatieve punten (als die er zijn)

(5) Advies voor herstel

(6) Wie oren heeft om te horen

(7) Wie overwint


De punten (6) en (7) zijn omgedraaid bij de laatste vier gemeenten. Uit alles blijkt dat de gemeente van Christus voortdurend in de verdediging is. De ontwikkelingen waar de gemeenten mee te maken hebben zijn erop gericht de gemeente van binnenuit of van buitenaf te ontwrichten. De duivel komt als brullende leeuw maar vaker nog als engel van het licht. De wapens, waarover Paulus in Efeze 6 spreekt zijn dan ook allemaal verdedigingswapens. Door de zeven brieven heen zien we hoe het kwaad langzaam in de gemeente voortwoekert. Het begint in Efeze, met het verlaten van de eerste liefde. Dat is het wat Jezus tegen deze gemeente heeft. Als Hij niet meer het Een en het Al is, het grote Voorwerp van aanbidding, dan kunnen er nog werken, inspanning en volharding zijn, maar die hebben voor Hem (en voor de gelovige) niet meer diezelfde waarde als de werken vanuit het prille eerste geloof.

Kenmerkend is het verschil met 1 Thessaloniki 1:3, waar sprake is van: ‘het werk van uw geloof, de inspanning van uw liefde en de volharding van uw hoop op onze Heere Jezus Christus’. Werken, inspanning en volharding waren daar nog ingegeven door geloof, hoop en liefde. Deze diepe motivatie vanuit het geloof was in het Efeze van Openbaring begonnen te ontbreken en alleen de uiterlijke activiteiten waren nog aanwezig. Zonder terugkeer naar de ‘eerste werken’, voortkomend uit liefde voor Hem, was een ontwikkeling richting ernstiger afwijkingen onvermijdelijk – de kandelaar zou worden weggenomen. Inderdaad zien we de gemeente van God in de loop van de brieven steeds verder afdwalen:

(1) Efeze was nog goed bestand tegen afdwalingen. De positieve punten, die Jezus noemt, laten stuk voor stuk de weerzin van deze gemeente zien tegenover elke vorm van dwaalleer. Kennelijk zat de waarschuwing van Paulus er goed in: ‘Ik weet dat na mijn vertrek wrede wolven bij u zullen binnenkomen die de kudde niet sparen; en uit uzelf zullen mannen opstaan, die verdraaide dingen spreken om de discipelen achter zich af te trekken'. De gelovigen te Efeze konden slechte mensen niet verdragen. Zij stelden valse apostelen aan de kaak. Zij haatten de leer van de Nicolaïeten. De Nicolaïeten vormden een sekte die een ontuchtig leven van hoererij propageerde en het eten van offervlees voor de afgoden rechtvaardigde. Mogelijk deden ze dat met de argumentatie die Paulus in zijn brief aan de Romeinen aan de kaak stelt: ‘En waarom niet, zoals van ons gelasterd wordt, en zoals sommigen beweren dat wij zeggen: Laten wij het kwade doen, opdat het goede eruit voortkomt? Het oordeel over hen is rechtvaardig.’ Er bestaan twee verschillende verklaringen voor de naam ‘Nicolaïeten’: (1) nikao (= overwinnen, veroveren) en laos (= volk). Nikolaieten zijn, letterlijk verstaan, “overwinnaars van (d.i. over) het volk” en (2) dat hun naam afgeleid is van het Hebreeuwse nicolah = 'laat ons eten.

(2) Pergamus, de derde gemeente, krijgt het verwijt vast te houden aan de leer van Bileam, ‘die Balak leerde de zonen van Israël een strik te spannen om afgodenoffers te eten en te hoereren. Zo hebt u er die op dezelfde wijze aan de leer van de Nicolaïeten vasthouden.’ Toen Israël de woestijn verliet en tegenover Moab gelegerd was, vroeg Balak aan Bileam om het volk te vervloeken. Echter, God maakte dat Bileam het volk alleen maar kon zegenen. Teneinde het volk toch in het verderf te storten verzon Bileam de list het volk te verleiden tot hoererij en afgoderij met de dochters en goden van Moab. In Efeze haatten ze de leer van de Nicolaïeten. In Pergamus houden er enkelen vast aan de ‘leer van Bileam’ of van de Nicaloïeten, alsof het nog niet daadwerkelijk wordt gepraktiseerd maar wel met de gedachte woord gespeeld dat een en ander toelaatbaar zou zijn.

(3) Thyatira, de vierde gemeente, laat zien dat het kwaad verder is doorgewoekerd en dat een vrouw, die Izébel wordt genoemd, niet alleen leert maar ook misleidt tot hoererij en het eten van afgodenoffers. Dat gaat nog een stap verder dan in Pergamus. Net als Bileam is ook Izébel een figuur uit het Oude Testament, die het volk Israël voorging in afgoderij. De duivel weet telkens opnieuw met dezelfde oude trucs het volk van God, het getuigenis van God op aarde, te misleiden. Zoals het geestelijk leven en het getuigenis van Israël op de proef werden gesteld, zo geldt dat ook voor de gemeente van God. 'Al deze dingen nu zijn hun overkomen als voorbeelden voor ons, en ze zijn beschreven tot waarschuwing voor ons, over wie het einde van de eeuwen gekomen is.'


De zeven hierboven aangegeven elementen liggen bij iedere brief in lijn met elkaar. De belofte voor de overwinnaars, waarmee de brief aan de eerste gemeente afsluit, gaat terug op de boom des levens, die ooit in het midden van de hof stond. De toegang naar deze boom was het eerste mensenpaar kwijtgeraakt. Adam en Eva gaven de voorkeur aan de boom van kennis van goed en kwaad boven de boom des levens. Het stellen van de leer boven het leven is een groot gevaar gebleken in de christenheid. Jezus roept zijn gemeente op de ‘eerste liefde’ weer te zoeken en de eerste werken, van geloof, hoop en liefde te doen, het leven en niet de leer voorop te stellen. Anders verlies je uiteindelijk ook de leer, zoals we hierboven zagen. Degenen die kiezen voor het leven, zal Hij te eten geven van de boom van het leven, die in het paradijs van God is.

De term ‘paradijs’ komt in de bijbel maar drie keer voor. Op het kruis zegt Jezus tegen de rover: ‘Voorwaar, Ik zeg u, heden zult u met mij in het paradijs zijn. Paulus was opgetrokken in de derde hemel, in het paradijs en hoorde daar onuitsprekelijke woorden, die niet mogen worden uitgesproken. Deze brief aan Efeze is waarschijnlijk de reden waarom de hof van Eden gelijkgesteld is aan het paradijs. Verder wordt deze hof namelijk nergens in de Bijbel ‘paradijs’ genoemd.

De term ‘boom van het leven’ komt vaker voor. Behalve voor de boom in Genesis 3, staat deze boom ook voor de wijsheid, de voortbrengselen van de rechtvaardigen, een begeerte die vervuld wordt en een gezonde (wijze, helende) tong. Dat zijn allemaal dingen die in verband staan met ‘het ware leven’, met een goed mens, met Christus, in Wie alle schatten van wijsheid en kennis verborgen zijn. In wezen in Hij Zelf de boom van het leven en waar Hij is, is het paradijs. Daarom staat in Openbaring 22:2 ‘In het midden van haar straat en aan de ene en de andere zijde van de rivier bevond zich de boom des levens, die twaalf vruchten voortbrengt – van maand tot maand geeft Hij Zijn vrucht. En de bladeren van de boom zijn tot genezing van de heidenvolken.’ De rivier heeft haar oorsprong in de troon van God en van het Lam. Jezus is de ultieme oorsprong van de vruchten en de bladeren van de boom des levens. Kennelijk is de boom des levens hier een soort waarvan er meerdere exemplaren zijn, die aan weerszijden van de rivier kunnen staan. Deze rivier stroomt blijkens de boodschap van Openbaring 2 aan Efeze door het paradijs van God. Het paradijs is daar waar het Lam is.

- 21 mei 2021 -


Smyrna

Vers 8-11

'En schrijf aan de engel van de gemeente in Smyrna: Dit zegt de Eerste en de Laatste, Die dood is geweest en weer levend is geworden:

Ik ken uw werken, verdrukking en armoede – u bent echter rijk – en Ik ken de lastering van hen die zeggen dat zij Joden zijn, maar het niet zijn; zij zijn namelijk een synagoge van de satan.
Wees niet bevreesd voor wat u lijden zult. Zie, de duivel zal sommigen van u in de gevangenis werpen, opdat u verzocht wordt. En u zult een verdrukking hebben van tien dagen. Wees trouw tot in de dood, en Ik zal u de kroon van het leven geven.
Wie oren heeft, laat hij horen wat de Geest tegen de gemeenten zegt. Wie overwint, zal zeker geen schade toegebracht worden door de tweede dood.'


De brief aan Smyrna draait om de doodsbedreiging vanuit zowel de Joodse gemeenschap als vanuit het Romeinse rijk dat deze gemeente meemaakte. De Joden hadden in het Romeinse rijk een bevoorrechte positie. Ze waren vrijgesteld van militaire dienst in het Romeinse leger en ze hadden allerlei belastingvoordelen. Aanvankelijk werden christenen gezien als een Joodse sekte. Daar waren de Joden niet van gediend. Op alle mogelijke manier lieten de Joodse autoriteiten alom merken, dat ze niets moesten hebben van christenen, die beweerden dat de Messias al was gekomen als Jezus, de gekruisigde Rabbi van Nazareth.

Gedurende zijn bediening heeft Paulus niets dan tegenwerking ondervonden van officiële Joodse zijde. In Galatië probeerden de Joden meermalen de oversten van een stad tegen Paulus op te zetten. Overal hebben ze getracht hem zwart te maken. Nadat ze hadden getracht hem op het tempelplein te vermoorden en hij ontzet was door de Romeinen, werden aanslagen beraamd en werd de ene na de andere aantijging tegen Paulus ingebracht.

Als hier gesproken wordt van ‘laster’ van hen die zeggen dat zij Joden zijn maar in werkelijkheid een synogoge van Satan, dan is dat niet nieuw. De laster van de Joodse bovenklasse begon al meer dan een jaar voor de kruisiging, toen ze de werken van Jezus toeschreven aan de overste van de demonen. Jezus sprak toen van de ‘lastering tegen de Geest’, die in eeuwigheid niet zou worden vergeven. Later verwijt Jezus de Joden van zijn tijd hun ongeloof en Hij zegt dat ze geen kinderen van Abraham maar kinderen van de duivel zijn.

Gedurende het boek Handelingen kregen de Joden tot op het laatst nog de kans zich van deze houding te bekeren. Hun blijvende verzet tegen Jezus Christus leidde uiteindelijk tot de verwoesting van de Tempel in het jaar 70. Er was een verharding opgetreden en, zoals Jezus een jaar voor de kruisiging al waarschuwde, zou de geest van afgoderij, die het volk sinds de Babylonische ballingschap had verlaten, terugkeren en zeven andere demonen meenemen, bozer dan hij zelf. De Joodse autoriteiten, die Christus bleven verwerpen, waren verworden door ‘synagoge van Satan’, die niet anders kon dan de volgelingen van Christus lasteren om zelf aan hun verstokte verwerping van Hem vast te houden.

Maar ook van de kant van Rome had de jonge christenheid veel te duchten. Profetisch gezien slaan de tien dagen van verdrukking mogelijk op de vervolging onder Diocletianus, die duurde van 303 tot 313 na Christus en die eindigde met het edict van Milaan door Constantijn de Grote. Het kan ook slaan op de tien christenvervolgingen die in totaal zouden passeren.

Aan de tot de dood toe vervolgde kerk stelt Jezus zich voor als de Eerste en de Laatste, Die dood is geweest en weer levend is geworden. De winnaars wordt triomf over de tweede dood in het vooruitzicht gesteld. Dat is in tijden van verdrukking een grote troost. Zo ook in de grote verdrukking, die nog zal komen: Openbaring 20:6 ‘Zalig en heilig is hij die deelheeft aan de eerste opstanding. Over hen heeft de tweede dood geen macht, maar zij zullen priesters van God en van Christus zijn, en zij zullen met Hem als koningen regeren, duizend jaar lang.’

De gevangenis, met als uitzicht de doodstraf, is dé manier van satan om de christenen angst aan te jagen en te verzoeken om christus te verloochenen ten gunste van Romeinse goden of de keizer. Tegen zijn discipelen zei Jezus: Mattheüs 10:28 ‘En wees niet bevreesd voor hen die het lichaam doden en de ziel niet kunnen doden, maar wees veeleer bevreesd voor Hem Die zowel ziel als lichaam te gronde kan richten in de hel.’ Dat laatste is ‘de tweede dood’, waarvan de gelovige geen schade zal lijden, de ‘poel van vuur’. Maar behalve de ‘negatieve belofte’ van ‘geen schade van de tweede dood’, is er ook een positieve belofte van ‘de kroon van het leven’. Dat is een beloning, speciaal voor hen die beproevingen doorstaan en verder voor ieder die de Heer liefheeft. De kroon van het leven (de belofte aan overwinnaars van Smyrna) lijkt iets verder te gaan dan de boom van het leven (de belofte aan overwinnaars van Efeze) en betreft niet alleen de voortduring van het leven maar ook de kwaliteit van het leven.

Profetisch duidt de brief aan Smyrna op de tweede en de derde eeuw van de kerkgeschiedenis. Echter, zij heeft een praktische boodschap voor alle christenen van alle tijden. Die boodschap is nu weer actueler dan ooit, nu we overal in de wereld dictaturen zien verrijzen, die het gemunt hebben op burgerlijke vrijheden, ook die van christenen. Overheden menen de zogenaamde Coronapandemie te kunnen aangrijpen om christelijke gemeenten het samenkomen te verbieden of om daar allerlei regels voor te bedenken, die haaks staan op de Bijbel. Zelfs worden voorgangers in de gevangenis gegooid, nog niet onder doodsbedreigingen maar het gegeven op zich is al erg genoeg. Voor hen die het getuigenis van Jezus hebben, komt het erop aan God meer gehoorzaam te zijn dan mensen en de volharden in het samenkomen, op geen enkele andere grondslag dan op die van God en van Christus, en om te volharden in het getuigen van Jezus.

- 1 juni 2021 -


Pergamus

Vers 12 - 17

En schrijf aan de engel van de gemeente in Pergamus: Dit zegt Hij Die het tweesnijdende, scherpe zwaard heeft: Ik ken uw werken en weet waar u woont, namelijk waar de troon van de satan is. U houdt vast aan Mijn Naam, en u hebt het geloof in Mij niet verloochend, zelfs niet in de dagen van Antipas, Mijn trouwe getuige, die gedood werd bij u, waar de satan woont.

Maar Ik heb enkele dingen tegen u, namelijk dat u daar mensen hebt die zich houden aan de leer van Bileam, die Balak leerde voor de Israëlieten een struikelblok neer te leggen, opdat zij afgodenoffers zouden eten en hoererij bedrijven. Zo hebt u er ook die zich houden aan de leer van de Nikolaïeten en dat haat Ik. Bekeer u. En zo niet, dan kom Ik spoedig bij u en zal Ik tegen hen oorlog voeren met het zwaard van Mijn mond.

Wie oren heeft, laat hij horen wat de Geest tegen de gemeenten zegt. Aan wie overwint, zal Ik van het verborgen manna te eten geven, en Ik zal hem een witte steen geven met op die steen een nieuwe naam geschreven, die niemand kent dan wie hem ontvangt.


Het schrijven aan Pergamus laat zien dat de gemeente in een totaal nieuwe situatie terecht is gekomen. Zij wordt niet langer vervolgd maar ‘woont waar de troon van satan is’. Pergamus is een treffende beschrijving van de gemeente vanaf het moment dat het christendom als officiële staatsgodsdienst van het Romeinse rijk werd uitgeroepen door Constantijn de Grote. Na het verlaten van de eerste liefde door Efeze werd de bruid terug in de armen van Jezus gedreven door het lijden van Smyrna. De duivel ging tekeer als brullende leeuw maar bereikte slechts standvastigheid en volharding van de lijdende kerk. ‘If you can’t beat them, join them’, werd toen de nieuwe strategie. Kerk en staat werden vermengd. De kerk mocht gaan meeregeren en gelovigen kregen priveleges. Het duurde niet lang of het kwaad kwam niet langer van buitenaf maar van binnenuit. De leer van Bileam werd misschien nog niet gepraktiseerd maar wel geleerd, dat het prima is afgodenoffers te eten en te hoereren. Er werd al voorgesorteerd op verregaande samenwerking met de machthebbers van het Romeinse rijk, op allerlei gebied, waarbij politieke invloed en niet het Woord van God leidend was. De duivel kwam als engel van het licht. De kerk zat dicht bij het vuur van de macht, woonde waar Satan is.

Uiteraard was Pergamus ook een bestaande gemeente in de tijd van Johannes. De troon van satan was het enorme altaar van Zeus en Athene, met afgodenoffers en tempelprostitutie. Dit altaar werd in de 19e eeuw vanuit Turkije verplaatst naar Berlijn. De Zeppelintribüne van waaraf Hitler in de jaren van Nazi-Duitsland zijn massaspeeches gaf, was door Albert Speer ontworpen naar het model van het altaar van Zeus.

Het is zeer de vraag of Antipas een concrete martelaar was. Volgens de overlevering was hij een leerling van Johannes zelf. Maar verder spreken de berichten elkaar tegen. De datering van zijn dood varieert tussen het jaar 68 AD en het jaar 92 AD. Er zijn geen officiële bronnen met zijn naam. Het kan hier gaan om de betekenis van de naam Antipas, als ‘anti – papa’s’. De naam is dan een uiting van de weerzin die bij veel gelovigen ontstond om een speciale titel toe te dichten aan hooggeplaatste geestelijken. Dit in navolging van het woord van Jezus: ‘Maar u mag zich geen rabbi laten noemen, want Eén is uw Meester, namelijk Christus; en u bent allen broeders. En u mag niemand op de aarde uw vader noemen, want Eén is uw Vader, namelijk Hij Die in de hemelen is. En u mag niet meesters genoemd worden, want Eén is uw Meester, namelijk Christus’. Uiteraard werden deze critici van de elitaire geestelijkheid vervolgd omdat ze invloedrijke posities in gevaar brachten. Omdat christenen en hun geloof een belangrijke plaats kregen in het rijk, gingen ze er in hun leer vervolgens van uit dat het koninkrijk van God al was gekomen en dat Christus niet zichtbaar op aarde was maar regeerde in zijn plaatsvervanger, de keizer van het rijk, regeerde. De lichamelijke komst van Christus en de vestiging van zijn duizendjarig rijk verdwenen volledig uit beeld. De dwaalleer van samenwerking met de wereld verenigde zich met de dwaalleer dat de dag van God al aangebroken zou zijn. Augustinus is een exponent van deze tijd in de christelijke kerk en diens invloed woekert nog steeds voort.

Zowel de voorstelling van Christus als de beloning zijn bijzonder toepasselijk. Christus is voor Pergamus degene die het tweesnijdende, scherpe zwaard heeft. Het is het zwaard dat uit zijn mond komt, het Woord van God. Het Woord van God is levend en krachtig en scherper dan enig tweesnijdend zwaard. Het is het zwaard van de Geest. Voor een gemeente die leerstellingen verkondigt die haar afzondering van de wereld verloochenen en die integendeel aanmoedigen in de wereld te gaan heersen en samen te gaan werken in een rijk dat Christus heeft gekruisigd, resteert niet anders dan een kennismaking met het zwaard van Christus. Hij voert zelfs oorlog tegen degenen die deze leer propageren. Reeds Paulus waarschuwde de Korinthiërs voor het aangaan van een ongelijk span met ongelovigen. Verder schreef hij aan hen: ‘Reeds bent u verzadigd, reeds bent u rijk geworden, zonder ons hebt u geregeerd; en ik zou wel willen dat u regeerde, opdat ook wij met u regeerden.’ Het woord van God maakt korte metten met dwaalleer à la Augustinus – hoe gezien deze geleerde monnik in de ogen van de wereld ook mag zijn.

De beloning van Christus aan de overwinnaars staat, net als het Woord van God, in schril contrast met de kerkelijke opvattingen binnen Pergamus. Streefde de toenmalige christenheid naar een mooie invloedrijke maatschappelijke positie, Christus geeft aan de overwinnaars iets dat ‘verborgen’ en ‘geheim’ is, totaal onzichtbaar voor de ogen van de maatschappij. Wat Hij geeft zijn twee attributen die ook aanwezig waren in de ark van het verbond: manna en een steen. 'Verborgen manna', zat in een gouden kruik, in de ark, achter het voorhangsel in de tabernakel en later in de tempel, waar alleen de hogepriester eens per jaar mocht komen. Manna is het brood dat de Israëlieten veertig jaar lang in de woestijn van God vanuit de hemel te eten kregen – ook nog in de tijd dat Bileam met zijn leer kwam om het volk te verleiden. Het manna was na één of twee dagen bedorven en moest telkens opnieuw worden verzameld. Mozes gaf opdracht om een kruik met een gomer (2 à 3 liter) van het manna, in de ark te leggen, zodat ze al hun geslachten door een teken hadden om terug te denken aan wat God voor hen had gedaan. Na het wonder van de spijziging van de 5000 vergelijkt Jezus zichzelf met het manna. Hij is het brood des levens. Zolang christenen op hun ‘woestijnreis’ door deze wereld zijn, voeden zij zich met Jezus, Wie Hij was in zijn vernedering op aarde. De kennis die de gelovige heeft van Jezus in zijn vernedering op aarde, is voor iedere christen uniek en verborgen voor de wereld. Ook geeft Christus een steen. Dat is geen steen met de wet van God, hoe mensen zouden moeten leven terwijl ze daartoe niet in staat zijn maar een steen met een nieuwe naam, het wezen van de gelovige in zijn relatie tot God, in staat om naar Gods wil te leven omdat God zijn wet, een brief van Christus, in diens hart geschreven heeft.

- 16 juni 2021 -

openbaring

Van Jezus Christus