openbaring 19

Vers 1

Halleluja!

‘Hierna hoorde ik als een luide stem van een grote menigte in de hemel zeggen: Halleluja! De behoudenis en de heerlijkheid en de macht zijn van onze God!'


(1) Wat betekent het ‘hierna’, waarmee Openbaring 19 begint en wat zegt dat over de timing van het eerste deel van het hoofdstuk?

(2) Waaruit bestaat de grote menigte in de hemel en wat is de betekenis van het ‘Halleluja’?

---===000===---

aangepast

(1) Wat betekent het ‘hierna’, waarmee Openbaring 19 begint en wat zegt dat over de timing van het eerste deel van het hoofdstuk?

Tot twee keer toe lezen we kort na elkaar 'hierna' of 'na deze dingen', aan het begin van Op.18 en aan het begin van Op.19. Eerder kwamen we dat ook tegen in Op.7. Na de grote aardbeving van het zesde zegel, vier engelen die de winden vasthouden. Na de verzegeling van de 144.000, de ontelbaar grote schare. Het 'hierna' was een indicatie dat het voorgaande tot voltooiing was gekomen en dat een nieuwe episode begon. In geval van de grote aardbeving: de aarde was tot rust gekomen en mensen kwamen weer uit hun holen. De 144.000 konden in de korte stilte voor de volgende storm worden verzegeld. In geval van de grote menigte: De 144.000 hadden hun evangeliewerk verricht en een grote menigte mocht door hun getuigenis het vrederijk binnengaan.

Op die manier moet het 'hierna' in Openbaring 18 en 19 ook worden gelezen. Het ‘hierna’ van Op.18 betekent dat het oordeel over de grote hoer via die tien horens en het beest is voltrokken, dat is het oordeel waarover Op.17:16 spreekt. Het ‘hierna’ van Op.19 betekent dat het oordeel over de grote hoer van Godswege is voltrokken. De ‘molensteen’ is in ‘de diepte der zee’ geworpen. Het oordeel van met name de zevende schaal van Op.16:17-21 heeft niets van ‘de grote hoer’ overgelaten (Op.18:22-23). Openbaring 19:1-10 moet daarom geplaatst worden ná het oordeel van de zevende schaal in Openbaring 16:17-21. Anders gezegd: De zesde schaal (en mogelijk meer schalen) moet geplaatst worden tussen Openbaring 18:24 en Openbaring 19:1. We bevinden ons met Openbaring 19 vlak voor de vestiging van het vrederijk,

---===000===---

(2) Waaruit bestaat de grote menigte in de hemel en wat is de betekenis van het ‘Halleluja’?

Een grote menigte wordt ook genoemd in Openbaring 7. Is dat dezelfde menigte als die, welke we hier zien? Nee, dit is een andere menigte. Van de menigte in Openbaring 7 wordt weliswaar gezegd dat die ‘voor de troon’ is maar dat is niet ‘in de hemel’. Daartussen zit een verschil. Ook van de 144.000 wordt in Openbaring 14 gezegd dat ze ‘zingen voor de troon’ terwijl daarvan tevens wordt gezegd dat ze met het Lam op de berg Sion staan (Op.14:1).

De menigte van Openbaring 7 is niet in de hemel maar op aarde en gaat het vrederijk in. Dat blijkt uit de laatste verzen van dat hoofdstuk, waar wordt gezegd, dat zij door het Lam zullen worden geleid en geweid. Zij zijn de schapen van Mattheus 25:33. Openbaring eindigt met een pastoraal tafereel - op aarde. Zij zullen God dienen in zijn tempel, die er ook weer zal zijn in het aardse Jeruzalem van het vrederijk, volgens Ezechiël 40-48.

Hier, in Openbaring 19, hebben we te maken met een hemelse menigte. Maar de lof die wordt gebracht is kenmerkend voor het Oude Testament. Het is de lof aan de God van het verbond met Israël. Het woord ‘Hallelujah’ komt in het hele Nieuwe Testament niet voor, behalve hier, vier keer kort achter elkaar en wel direct na de uiting van het finale oordeel over de grote hoer. Daar is een zeer belangrijke reden voor.

Het zijn de Psalmen, waaruit het 'Halleluja!' het vaakst van alle Bijbelboeken opklinkt. Het woord 'Halleluja', bestaat in het Hebreeuws uit twee woorden, ‘Looft’ en ‘de HERE’. Halleluja is de oproep om de HERE, de God van Israël, te loven. De allerlaatste keer dat we ‘Halleluja’ vinden in de Bijbel is uit de mond van de profeet Jeremia, wanneer hij in nood verkeert, vanwege de haat en de aanvallen van zijn volksgenoten, die niets moeten hebben van zijn prediking. We lezen in Jeremia 20:13: ‘Zingt de HERE, loof de HERE (Halleluja), want Hij bevrijdt het leven van de arme uit de macht der boosdoeners.’

Jeremia sprak deze woorden uit, kort nadat hij door Paschur, de zoon van een priester, geslagen en gevangen gezet was. Daarop profeteerde Jeremia dat Paschur met vrijwel geheel Jeruzalem door Nebukadnezar naar Babel zou worden weggevoerd. Niet lang daarna is dat ook gebeurd. God verliet zijn tempel. De heerlijkheid des HEREN verbleef enige tijd op de Olijfberg en steeg van daaraf ten hemel. (Ez.10:18, 11:23). Daarna werd het volk in ballingschap gevoerd en werden de tempel en de heilige stad verwoest. De ‘tijden der volken’ braken aan. God trok Zich terug in zijn tempel en satan domineerde de koninkrijken van de wereld door middel van opeenvolgende ‘aardrijken’ (Babal – Medië/Perzië – Griekenland – Rome). Dat beeld van Openbaring 12 zijn we al meermalen tegengekomen als leidraad voor 2.600 jaar wereldgeschiedenis.

Door de enorme invloed van satan kon ‘het grote Babylon’ welig tieren en de mensheid steeds verder weghouden van de lof aan God. En dáárom is het ‘Halleluja’ sedert Jeremia in de Bijbel nooit weer opgeschreven. Uiteraard wordt God geloofd door de getrouwen onder zijn volk. Maar het volk als geheel heeft nooit weer in die relatie van godlovers tot God gestaan. Daarom schrijft Paulus in Romeinen 2:28, 29: ‘Want niet híj is Jood die het in het openbaar is, en niet dát is besnijdenis die in het openbaar in het vlees plaatsvindt, maar híj is Jood die het in het verborgene is, en dát is besnijdenis, die van het hart is, naar de geest, niet naar de letter. Zijn lof is niet uit mensen maar uit God.’ Het volk van God zucht nu al 2.600 jaar onder het juk van de overheersing der volken en het volk zelf is – op een klein overblijfsel na – ver afgedwaald van de HERE. Het is zelfs zo ver afgedwaald, dat het 2000 jaar terug de eigen Messias niet herkende en dat het in de 7-jarige eindtijd de verkeerde als Messias zal aannemen, iemand die een handlanger zal blijken van de antichrist, het beest uit de zee.

Maar nu is er eindelijk een totaal en definitief einde gekomen aan het lange tijdperk van ‘de grote hoer’. God heeft de rechtszaak tegen haar berecht (Op.18:20). Het oordeel over het grote Babylon werd symbolisch weergegeven door de sterke engel met het werpen van een grote molensteen in zee (Op.18:21). Dat oordeel over het grote Babylon is de reden voor de uitroep ‘Halleluja’, die voor het eerst, sinds Jesaja de val van de tempel en Jeruzalem voorspelde, opnieuw opklinkt in de Bijbel.

Feitelijk weten we niet wie de grote menigte is, die dit uitroept. Volgens Psalm 148 is lofzegging aan de HERE voorbehouden aan zeer verschillende schepselen: engelen, zon en maan, alle lichtende sterren, de hemel der hemelen, de wateren boven de hemel. Daarna volgen in Psalm 148 allerlei schepselen op aarde, die worden opgeroepen zich te mengen in het ‘Halleluja’. Maar het gaat hier om een grote menigte in de hemel. Dat zullen de engelen zijn maar zeker ook de oudsten, zoals we verderop lezen in dit gedeelte. We kunnen ons voorstellen dat de Israëlieten onder de oudsten het ‘Halleluja!’ het hardst en fanatiekst het meest enthousiast uitroepen. Eindelijk is de grote ‘verleidster’, die de hele wereld weg trok bij de HERE, voorgoed uitgeschakeld en kunnen hemel en aarde uit volle borst de HERE loven, zoals David dat het volk had geleerd. De tijd van Psalm 150 staat hier op aanbreken: ‘Alles wat adem heeft, love de HERE, Halleluja!’

Wat volgt op het ‘Halleluja’ is de inhoud van de lof aan God: ‘De behoudenis en de heerlijkheid en de macht zijn van onze God’. Er zijn twee belangrijke verschillen met de grote menigte van Openbaring 7, waar we hier op willen ingaan.

(1) Het ‘Halleluja’ ontbreekt in Openbaring 7, ook al staat de grote menigte van Openbaring 7 vlak voor het begin van het vrederijk. De reden daarvoor is tweeledig. (a) Zij worden daar nog ‘los’ gezien van de 144.000 uit Israël. En Israël is het volk dat in het vrederijk zal voorgaan in de lof aan de HERE. Weliswaar zijn de 144.000 in Openbaring 7 reeds verzegeld maar ze staan nog vóór de wereldwijde evangelieverkondiging. (b) Het oordeel over de grote hoer wordt pas afgewikkeld na de grote verdrukking, waarvan Openbaring 18 verslag doet. Niet eerder dan na het verslag van de totale uitschakeling van het grote Babylon, kan het ‘Halleluja’ weer worden vernomen.

(2) Een tweede verschil met de ontelbaar grote menigte van Openbaring 7 is, dat die menigte alleen sprak van ‘behoudenis’ of ‘heil’: ‘Het heil aan onze God, die op de troon zit en aan het Lam’ (Op.7:10). De lofprijzing van dit Halleluja gaat veel verder. Niet alleen ‘behoudenis’ of ‘redding’, wat natuurlijk voor de mensen persoonlijk het belangrijkst is, maar ook ‘heerlijkheid’ en ‘macht’. Dat zijn twee belangrijke attributen van God die áchter de door God geboden redding of behoudenis schuilgaan. Hieruit blijkt dat deze menigte, van Openbaring 19, in de hemel, een veel dieper inzicht heeft in het Wezen van God, dan de menigte in Openbaring 7. Overigens hoorden we deze hemelse menigte de uitgebreidere loftuiting ook reeds uiten in Openbaring 7:12, als een soort aanvulling op de grote menigte uit alle volken op aarde. Daar voegen zij bovendien nog toe: 'lof, wijsheid, dankzegging, eer en sterkte'. In de verklaring van Openbaring 7 is te lezen wat de betekenis is van de daar gegeven volgorde.

- 9 november 2022 -


Vers 2,3

Eindoordeel en rook

‘Want waarachtig en rechtvaardig zijn zijn oordelen, want Hij heeft de grote hoer geoordeeld, die de aarde heeft verdorven met haar hoererij, en Hij heeft het bloed van zijn slaven van haar hand gewroken. En voor de tweede maal zeiden zij: Halleluja! En haar rook stijgt op tot in alle eeuwigheid.’


(1) Wat is de betekenis van het oordeel over ‘de grote hoer’, dat hier wordt genoemd en wat is het verschil met al het voorgaande dat reeds over dit oordeel werd meegedeeld?

(2) Wat is de betekenis van de rook, die tot in alle eeuwigheid opstijgt?


(1) Wat is de betekenis van het oordeel over ‘de grote hoer’, dat hier wordt genoemd en wat is het verschil met al het voorgaande dat reeds over dit oordeel werd meegedeeld?

Het ‘waarachtig en rechtvaardig zijn zijn oordelen’ is bijna een herhaling van wat het altaar uitriep, nadat de eerste drie schalen van Gods grimmigheid waren uitgegoten op aarde (Op.16:7). De schalen 2 en 3, die de wateren in bloed veranderden, waren volgens 'de engel van de wateren' een oordeel vanwege het bloed van heiligen en profeten dat ‘zij’ hadden vergoten. Daarop volgt de uitroep van het altaar: ‘waarachtig en rechtvaardig zijn uw oordelen’.

De opmerkingen van de engel en het altaar grijpen terug op de ‘zielen onder het altaar’ van het vijfde zegel, die uitroepen: ‘Tot hoe lang, heilige en waarachtige heerser, oordeelt en wreekt u ons bloed niet aan hen die op de aarde wonen?’ Van daaraf loopt de rode draad in het boek naar het definitieve oordeel over het grote Babylon, dat volgens Openbaring 18:24 het bloed van ‘profeten en heiligen’ en nog veel meer mensen op haar geweten heeft. Dat betekent dat alle schalen in wezen een oordeel zijn over ‘het grote babylon’, dat tot halverwege de 7-jarige verdrukking de regie had over de concentratie van alle wereldmacht in enkele handen. Weliswaar heeft het beest de machthebbers van het grote Babylon met de stad Rome uitgeschakeld maar het grote Babylon zelf is door hem ingekapseld en voortgezet onder iets andere en nog veel strengere voorwaarden. Daarmee glijdt ‘het grote Babylon’ steeds verder af totdat zij haar gruwelijke ware gezicht laat zien in de vernietiging van alle burgers, die weigeren te buigen voor de demonische machten van de laatste 3,5 jaar, die grotendeels teruggaan op machten, eerder uit haar geschiedenis, van voor de zondvloed en van de wereldrijken vóór de kerstening van Europa.

Twee zaken worden hier genoemd, die nog niet eerder aan bod kwamen:

(1) Hij heeft de grote hoer geoordeeld, die de aarde heeft verdorven met haar hoererij.

(2) Hij heeft het bloed van zijn slaven van haar hand gewroken.

We zullen kort op deze aspecten van het godsoordeel ingaan.

(1) De term ‘verdorven’ kwamen we in Openbaring niet eerder tegen. Wel lazen we dat de mensen ‘dronken’ geworden waren van de wijn van haar hoererij (Openbaring 17:2) maar wat hier staat gaat veel verder. Iemand die ‘dronken’ is geworden, kan weer uit dronkenschap ontwaken maar voor iemand die ‘corrupt’ is geworden (het woord dat hier wordt gebruikt), is herstel uitgesloten. Die vertoont onherstelbaar kwalijk gedrag. Denken, spreken en handelen zijn totaal bedorven, zodat de mens er nooit achter komt, hoe erg het met hem is gesteld. Dat is het resultaat van het grote Babylon. Zij heeft haar macht in de laatste eeuwen ontplooid via de media, de krant, de literatuur, de radio, de televisie, de filmindustrie, het Internet. Die hebben mensen niet alleen ‘dronken gemaakt’ zodat ze enige tijd niet meer helder kunnen denken. Nee, die hebben mensen gecorrumpeerd, zodat ze nooit meer helder kunnen denken en zichzelf nooit kunnen zien in het licht van God – althans, niet zolang God niet hardhandig ingrijpt.

Sprekende over de dagen voorafgaand aan zijn komst, zei de Heer Jezus reeds, 2000 jaar terug, dat die zouden lijken op de dagen van Noach (Mt.24:37-39). Jezus beperkte zijn vergelijking tot eten en drinken, huwen en ten huwelijk geven. Als dat het enige is waar mensen mee bezig zijn, dan is het al niet best want waar zijn de liefde tot God en tot de medemens? Maar de dingen die Hij noemde zijn op zich niet verkeerd. De vergelijking met de dagen van voor de zondvloed houdt daar echter niet op. Ook toen was sprake van ‘verdorvenheid’: ‘Toen de HERE zag dat de boosheid van de mensen groot was op de aarde en al wat de overleggingen van zijn hart voortbrachten te allen tijde slechts boos was, berouwde het de HERE dat Hij de mens op de aarde gemaakt had...de aarde was verdorven voor Gods aangezicht.’

Hier lijkt een zeer duidelijke lijn zichtbaar te worden, die loopt van vóór de zondvloed, via Babel naar het ‘grote Babylon’, zoals dat zich in de eindtijd openbaart. Zowel Babel als het grote Babylon hunkeren terug naar de ‘prorneia’, het Griekse woord dat hier, in Openbaring 19:2 wordt genoemd. Het is de hoererij van voor de zondvloed, de verbinding tussen ‘zonen Gods en dochters van de mensen’, die leidde tot enorme macht en invloed. Onder het rijk van het beest, dat de sleutel van de put van de afgrond krijgt, wordt die hunkering werkelijkheid in al haar verschrikkingen (Op.9:1-11). Net als met de zondvloed is de enige oplossing voor God: het kwaad uit te laten razen om het vervolgens totaal te vernietigen.

Men kan zich afvragen waarom Jezus niet op dit soort dingen gewezen heeft in zijn vergelijking met de dagen van Noach. Een belangrijke reden daarvoor kan geweest zijn dat Hij niet was gekomen om de wereld te oordelen maar opdat de wereld door Hem behouden zou worden (Joh.12:47). Hij sprak daarom in milde bewoordingen over de eindtijd. Maar zijn woorden wezen wel op de volkomen gerichtheid van het mensenhart op ‘deze aarde’. En uit Openbaring weten we waartoe zij ‘die op de aarde wonen’ uiteindelijk in staat zullen zijn (Op:13:8,14, 17:8).

(2) Van ‘het bloed’, dat door de grote hoer werd vergoten, is al diverse keren sprake geweest. In Op.17:6: ‘En ik zag de vrouw dronken van het bloed van de heiligen en van het bloed van de getuigen van Jezus.’ en in Op.18:24: ‘En in haar werd gevonden het bloed van profeten en heiligen en van allen die op de aarde geslacht zijn’. Maar dat God het bloed ‘van haar hand heeft gewroken’ lezen we nog nergens. Dit refereert ook weer aan de roep om wraak van de zielen onder het altaar van het vijfde zegel (Op.6:10). Die wraak is hier uitgeoefend. De eerste drie schalen van Gods grimmigheid (Op.16) hebben we hierboven al in verband gebracht met het oordeel over de grote hoer. Maar ook de resterende schalen hebben ermee te maken, tot de zeer hevige zevende en laatste toe, waarbij letterlijk wordt gezegd: ‘En het grote Babylon werd voor God in herinnering gebracht om haar de drinkbeker van de wijn van de grimmigheid van zijn toorn te geven.

De vergelijking met de dagen van Noach is zeer treffend. Niet alleen qua verdorvenheid maar ook qua geweldenarij. In Genesis 6:11 lezen we: ‘De aarde was verdorven voor Gods aangezicht en de aarde was vol geweldenarij.’ Dit wordt nog een keer herhaald in Genesis 6:13: ‘...door hun schuld is de aarde vol geweldenarij…’.

Het feit dat in voltooide tijd wordt gezegd: ‘Hij heeft het bloed van zijn slaven van haar hand gewroken’, is een duidelijke indicatie dat het vonnis is uitgeoefend en dat de schalen van Gods grimmigheid alle zeven hun weg hebben gevonden naar de aarde. Openbaring 16 vindt in zijn geheel plaats vóór het ‘Halleluja’ van Openbaring 19, inclusief de zevende schaal. Het ‘halleluja’ van Openbaring 19 is een directe reactie op de schalen van Openbaring 16 en volgt daar chronologisch direct op. Openbaring 17 en 18 vormen één grote ‘tussenzin’ om het oordeel over het grote Babylon nader te verklaren.


(2) Wat is de betekenis van de rook, die tot in alle eeuwigheid opstijgt?

Na de tweede uitroep ‘halleluja’, is dit het allerlaatste was we in Openbaring nog van het grote Babylon vernemen: ‘En haar rook stijgt op tot in alle eeuwigheid’. De term ‘alle eeuwigheid’ is in het Grieks ‘aion aion’. Het Engels geeft de grondtekst beter weer: ‘for ever and ever’ maar dan moet men bedenken dat ‘ever’ niet is: ‘eeuwigheid’ maar ‘eeuw’, een concrete tijdperiode. God stelt ons met deze term nog vele tijdperken in het vooruitzicht, waaraan feitelijk geen einde komt, tijdperken die nu nog niet bekend zijn en waarvan het nog geen zin had om die al aan ons te openbaren. Het is ermee als met een zeer lange wandeling. Je komt door allerlei landschappen en langs vele verschillende wegen en paden maar je concentreert je alleen op de eerstvolgende afslag, die moet worden genomen. Wat daarna komt, zien we dan wel weer. Wij mensen zijn te klein om alles wat God nog heeft voorbereid, te kunnen bevatten. Het enige dat we weten, is dat de God, die het heelal schiep, in staat is een oneindige serie van tijdperken te genereren, die van elkaar verschillen in heerlijkheid.

Wat God ons wel meedeelt is dat gedurende al die tijdperken, hoeveel het er ook zijn, en waar nooit een einde aan komt, er altijd een nagedachtenis zal zijn aan ‘het grote Babylon’. Die nagedachtenis zal zijn in de vorm van ‘rook’. Velen zien in deze tekst een aanwijzing voor eeuwige pijn in de hel. Er wordt dan een verbinding gelegd met Openbaring 14:11: ‘En de rook van hun pijniging stijgt op tot in alle eeuwigheid’. Daar staat niet alleen ‘rook’ maar ‘rook van hun pijniging’. Maar juist de vergelijking van deze twee teksten maakt duidelijk dat het hier absoluut niet gaat over eeuwige pijn. Terecht stellen velen dat het onrechtvaardig is van God om een zonde die tijdelijk is, te straffen met pijn die eeuwig is. Maar dat doet God ook niet. Allereerst staat er nooit ‘eeuwig’ maar altijd ‘eeuwen eeuwen’, dat wil zeggen: meerdere en mogelijk vele achtereenvolgende tijdperken. Ten tweede gaat het niet om ‘pijn’ maar om ‘rook van pijniging’. Waar we ons ook van bewust moeten zijn, is dat Openbaring 14:11 gaat over mensen die het beest aanbaden en dat Openbaring 19:3 gaat over het grote Babylon als goddeloos systeem. Dat zijn twee verschillende zaken. Maar uit de vergelijking kunnen we wel belangrijke conclusies trekken.

Het belangrijkste is de betekenis van de ‘rook’. Rook van pijniging die eeuwen eeuwen opstijgt is géén eeuwen eeuwen aanhoudende pijn. Het bewijs daarvoor is gelegen in onze tekst, Openbaring 19:3, waar staat: ‘En haar rook stijgt op voor eeuwen eeuwen’. Haar rook. Het grote Babylon is opgehouden te bestaan maar de rook is er nog en stijgt ‘eeuwen eeuwen’ op. De rook wijst niet op het nog aldoor voortbestaan van het grote Babylon. De rook wijs op het omgekeerde: dat zij juist is opgehouden te bestaan. Dat er een einde aan haar is gekomen. De rook duidt erop dat er ooit een goddeloos systeem bestond, waarin mensen probeerden op eigen houtje gelijk te worden aan God, en dat dit jammerlijk mislukt is. En dat God Zelf daar een definitief einde aan maakte. De eeuwen eeuwen opstijgende rook is de altoos voortdurende gedachtenis aan hoe het met haar is afgelopen, zodat niemand ooit zal vergeten hoe vreselijk ver de mensheid van God was afgedwaald. Uiteraard wordt voor haar geen standbeeld opgericht. De eeuwig opstijgende rook van haar totale vernietiging is het ‘monument’ dat zij als ‘nagedachtenis’ ontvangt.

Maar als het eind van de existentie geldt voor het grote Babylon, dan geldt dat ook voor de pijniging van degenen die het beest aanbaden. De rook van hun pijniging stijgt eeuwen eeuwen op. De pijniging is dan al lang opgehouden. De aanbidders van het beest zijn ‘verloren’. Zij bestaan niet meer. God gaat geen mensen in leven houden om ze tot in eeuwigheid te pijnigen. Ziel en lichaam zijn ‘verdorven in de hel’, zoals de Heer Jezus dat Zelf zegt in Mt.10:28: ‘Wees niet bang voor hen die het lichaam doden maar de ziel niet kunnen doden, maar weest veeleer bang voor Hem die zowel ziel als lichaam kan verderven in de hel.’ Een beschouwing van ‘de ziel’ en ‘de dood’ zullen we hier niet geven, evenmin als van het onuitblusbaar vuur en de onsterfelijke worm, maar onze tekst laat duidelijk zien dat ‘de rook van pijniging’ wijst op (1) een definitief einde dat gekomen is aan de pijniging en (2) een voortdurende nagedachtenis aan dat einde, van mensen die dachten dat het beter was een sterfelijk mens te aanbidden die zich voordeed als God in plaats van God Zelf.

De ‘rook’ als nagedachtenis van wat is opgehouden te bestaan, is ontleend aan het Oude Testament. Het oordeel over Edom wordt als volgt weergegeven in Jesaja 34:10: 's Nachts en ook overdag zal het niet geblust worden, voor eeuwig zal zijn rook opstijgen. Van generatie op generatie zal het verwoest blijven, tot in alle eeuwigheden zal niemand erdoorheen trekken.’ De rook is een teken van het definitieve einde van een stad of cultuur of...mens.

Concluderend is ‘rook’ het laatste wat van ‘het grote Babylon’ zal worden gezien. Zie je die vieze grijs-zwarte wolken daar omhoog kringelen? Dat was ooit ‘die grote stad’, die ‘geweldige cultuur’, die dacht een vuist te kunnen maken tegen de Allerhoogste Zelf. In plaats van een dienst aan de Almachtige introduceerde zij een mysterie-godsdienst, die in een aantal opeenvolgende rijken steeds verder werd uitgewerkt. Deze mysteriegodsdienst ging terug op de wereld van voor de zondvloed, een wereld waarin engelen zich mengden met mensen en ‘reuzen’ voortbrachten. Men bleef deze hang naar menselijk macht nastreven ondanks het feit dat de Almachtige zeer duidelijk had laten zien hoe Hij daarover dacht. Maar aan de wil van de Allerhoogste liet het grote Babylon zich nooit iets gelegen liggen. In Nimrod en de toren van Babel schudde de mensheid opnieuw met de vuist naar de hemel. Daarna namen de wereldrijken het over.

Het was deze mysterie-godsdienst, die zich zelfs nestelde binnen de christenheid, via het Rooms Katholieke instituut. Dit grote Babylon voerde de mensheid dronken van haar ‘wijn’. Dit grote Babylon verdrong God naar de achtergrond en eiste alle aandacht voor zichzelf op, voor eigen invloed en rijkdom. Vaak deed ze dat onder het mom van religie, zoals ook in een klimaatconferentie, die ze ooit hielden in hun jaar 2022, COP27 – waarin religieuze leiders van alle godsdiensten in plaats van Gods wetten hun eigen ‘tien geboden’ opstelden voor zogenaamd goed beheer van de aarde, uiteraard in lijn met de reeds bestaande SDG’s van agenda 2030 van de VN, waarin voor God geen enkele plaats was. Ze deden dat op 13 november, nota bene op de berg die ooit door de kerk tot ‘de Sinaï’ was benoemd maar die het nooit is geweest. Het was niets anders dan misbruik van religie voor controle over de mensen. Sinds haar ontstaan had het RK-instituut zich daar op toegelegd. En iedereen die de ontplooiing van die macht in de weg stond, werd uit de weg geruimd.

Maar ze werd zelf uit de weg geruimd. Door het beest. Dat nam de macht van het grote Babylon over door inderdaad terug te grijpen naar de wereld van voor de vloed. En dit keer écht. Dat kon, want de duivel had de sleutel van de put gekregen, waar de gevallen engelen zaten opgesloten. Eindelijk kreeg het grote Babylon haar zin. Er ontstond een ongekende tirannie die een derde van de burgers het leven kostte en die de vuist naar de hemel heftiger schudde dan ooit tevoren. Zelfs het bestuurscentrum van de elite, Rome, ging in vlammen op. De almachtige koos ervoor het systeem in twee stappen te vernietigen. Zo gaf hij haar handlangers, koningen, handelaren en rederijen tussentijds nog heel kort de gelegenheid een weeklacht over haar aan te heffen. Bij de definitieve en totale vernietiging door Hem Zelf zou daar namelijk geen gelegenheid meer voor zijn.

Maar het is voorbij. Het is geworden tot uitsluitend rook. Rook die wijst op iets wat ooit was maar wat vernietigd is door vuur. Rook, waarin geen enkele kracht meer gelegen is. Rook, dat door de wind van de Almachtige kan worden weggeblazen. Rook die slechts één ding afgeeft: stank.

- 13 november 2022 -


Aanbidding

Vers 4 en 5

En de vierentwintig oudsten en de vier levende wezens vielen neer en aanbaden God die op de troon zat en zeiden: Amen, halleluja! En van de troon ging een stem uit die zei: Prijs onze God, al zijn slaven en u die Hem vreest, kleinen en groten!’


(1) Waarom worden de 24 oudsten hier genoemd vóór de vier levende wezens?

(2) Wat kunnen we concluderen uit de stem van de troon?

(3) Waarom is hier sprake van slaven?


(1) Waarom worden de 24 oudsten hier genoemd vóór de vier levende wezens?

We komen in Openbaring twee momenten van aanbidding tegen van hen die het dichtst bij de troon zijn, de vier levende wezens en de 24 oudsten. Die momenten zijn Openbaring 5 en in Openbaring 19. In Openbaring 5:8 zijn het de vier dieren die als eersten worden genoemd in de aanbidding. Dat is op het moment dat het Lam het boek neemt uit de hand van Hem die op de troon zit. In openbaring 19 worden de oudsten echter eerst genoemd. Daarvoor zouden twee redenen kunnen zijn. (1) In Openbaring 5:8 staan we nog aan het begin van de 7-jarige verdrukking, kort na de opname van de gemeente. In Openbaring 19 zijn we aangeland bij het einde, na de uitschakeling van het grote Babylon. Uit diverse gedeelten blijkt dat de oudsten alles vanuit de hemel mee beleven (Openbaring 7:13, 11:16, 12:10). Het zou kunnen dat zij intussen vertrouwd zijn geworden met het hemelse en als bruid van het Lam een intiemere plaats ontvangen dan de vier levende wezens. (2) In Openbaring 5:8 ging het om het ontvangen van het boek van de hand van Hem die op de troon zit. Met de troon zijn de dieren het meest vertrouwd. In Openbaring 19 gaat het om oordeel over het grote Babylon, het wereldse godsdienstige systeem dat de mensheid slechts van God vervreemd heeft. Daarmee hebben de 24 oudsten meer te maken gehad en daarom worden zij hier als eersten genoemd. De aanbidding wordt afgesloten met een luid ‘Amen’. Voor de derde keer klinkt vervolgens het ‘Halleluja’.


(2) Wat kunnen we concluderen uit de stem van de troon en van wie is die stem?

Eerder lazen we dat er ‘bliksemstralen, stemmen en donderslagen’ uitgingen van de troon (Op.4:5, 8:5, 11:19, 16:18). Het heeft er veel van weg dat dit spreekt van de grimmigheid van God over wat er in zijn schepping aan de hand is. Met name het grote Babylon heeft duizenden jaren lang een zeer kwalijke rol gespeeld en niets anders gedaan de de mensheid met een valse religie af te leiden van God, om daarmee eigen belangen te dienen. De grimmigheid van God barst los in de vorm van zeven schalen in Openbaring 16. Met name de laatste schaal komt hard aan. Alles wordt door een enorme aardbeving en enorme hagel vernietigd. Van de menselijke beschaving blijft helemaal niets over. Bij die laatste schaal, die op de lucht wordt geworpen, lezen we: ‘Er kwam een luide stem van de troon die zei: Het is gebeurd! En er kwamen bliksemstralen, stemmen en donderslagen.’ En dan komen die enorme aardbeving en die vreselijke hagel.

In hoofdstuk 19 is het oordeel voorbij en is de lucht geklaard. Er is geen sprake meer van ‘bliksemstralen, stemmen en donderslagen’. Er is alleen nog een stem die zegt: ‘Prijs onze God, al zijn slaven en u die Hem vreest, kleinen en groten!’ Wie is dat, die ‘in de troon’ zit en die tevens spreekt over ‘onze God’? Dat kan alleen de Heer Jezus zijn, het Lam. Hij is het die in het midden van alle verlosten de lofzang aanheft. ‘In het midden van de gemeente zal Ik U lofzingen’ (Ps.22:23).


(3) Waarom is hier sprake van slaven?

Het beeld dat in de wereld van slavernij is ontstaan is totaal bezoedeld, vanwege de werkzaamheden van het grote Babylon, dat handelde in ‘zielen en lichamen van mensen’ (Op.18:13). In oude tijden waren slaven of dienstknechten zeer in aanzien en konden zij erg verknocht zijn aan hun heer (Gen 24:2, Ex.21:5,6, 2 Kon.5:13). De Heer roept alle ‘slaven van God’ op en ‘hen die God vrezen’ om God te prijzen. Ieder die verlost is van de slavernij van de zonde en van de vergankelijkheid, is automatisch slaaf van God geworden. ‘Als de Zoon u heeft vrijgemaakt, zult u werkelijk vrij zijn’ (Joh.8:36). Het slaaf zijn van God is de waarachtige vrijheid. Het is de 'vrijheid van de heerlijkheid van de kinderen van God' (Rom.8:21). Vrijgemaakte mensen kunnen de heerlijkheid van God tentoonspreiden als zijn slaven.

Paulus begint sommige van zijn brieven als ‘slaaf van Jezus Christus’ (Rom.1:1, Fil.1:1). Volgens Rom.6:18 en 22 is iedere gelovige een slaaf van de gerechtigheid en een slaaf van God geworden. Jezus noemt de discipelen in het Johannesevangelie echter geen slaven. Hij zegt: ‘U bent mijn vrienden als u doet wat ik u gebied. Ik noem u niet meer slaven want de slaaf weet niet wat zijn heer doet; maar Ik heb u vrienden genoemd, omdat Ik u alles wat Ik van mijn Vader heb gehoord bekend gemaakt heb' (Joh.15:14,15). Hier zien we het beeld van de 24 oudsten opdoemen. De oudsten, die weet hebben van Gods raadsbesluiten.

Ondanks hun zeer intieme en hoge postie zijn zij tevens slaven van God en zij ‘vrezen voor God’. Zij hebben diep ontzag voor Hem omdat ze Hem kennen. Er wordt gesproken van ‘kleinen en groten’. Gezeten op tronen rond de troon en door Jezus gekroond, zijn de 24 oudsten ‘groten’. Zij zijn slaven die Hem van harte liefhebben en dienen, voor wie de dienst van God hun lust en hun leven is. En de diepste kern van die dienst is Hem te prijzen om Wie Hij is.

Voor de laatste keer lezen we hier over de 24 oudsten. Vanuit hun inzicht in de wegen en in het Wezen van God, kunnen zij Hem aanbidden. Dat is hun diepste taak, die blijft tot in eeuwigheid. Vanaf hier zien we de gemeente telkens in een andere hoedanigheid, die te maken heeft met andere functies. Zij oefent die functies uit vanuit de plaats van aanbidding rond de troon. Aanbidding is de basis. maar het is straks niet alleen aanbidding in de hemel. Er is meer te doen, zoals we nog zullen zien.

- 24 november 2022 -


Vers 6 en 7

De bruiloft van het Lam

‘En ik hoorde als een stem van een grote menigte en als een stem van vele wateren en als een stem van zware donderslagen, die zeiden: Halleluja! Want de Heer, onze God, de Almachtige, heeft zijn koningschap aanvaard. Laten wij blij zijn en ons verheugen en Hem de heerlijkheid geven, want de bruiloft van het Lam is gekomen en zijn vrouw heeft zich gereedgemaakt; en haar is gegeven bekleed te zijn met rein fijn linnen, want het fijne linnen zijn de gerechtigheden van de heiligen.’


(1) Wie horen we in ‘een stem als van vele wateren en een stem als van zware donderslagen’?

(2) Wanneer heeft de Heer, onze God, de Almachtige zijn koningschap aanvaard?

(3) Wat hoort bij de uitroep van vers 6 en wanneer begint de bruiloft van het Lam en hoe lang duurt die?

(4) Wanneer maakt de vrouw van het Lam zich gereed en wat wordt bedoeld met ‘het fijne linnen’ waarmee de vrouw van het Lam is bekleed?


(1) Wie horen we in ‘een stem als van vele wateren en een stem als van zware donderslagen’?

Vers 6 volgt heel natuurlijk op vers 5. Dat eindigde met de oproep aan de slaven van God om Hem te prijzen, de kleinen zowel als de groten. Hier vinden we het antwoord op de oproep in de 'stem van een grote menigte'. De volledige hemel laat de jubeltoon horen over het feit dat 'het grote Babylon', dat op aarde zoveel ellende veroorzaakte, eindelijk uit de weg is geruimd. Het lijkt erop alsof we hier in de ‘stem van vele wateren’ en ‘de stem van zware donderslagen’ de Heer Jezus (Op.1:15) én God (Op.4:5) horen, die hun vreugdegeroep mengen met dat van een grote menigte. Zo is God. Hij wil één zijn met zijn verlosten. ‘De HERE uw God is in uw midden, een Held die verlost. Hij zal Zich over u met vreugde verblijden. Hij zal zwijgen in zijn liefde; Hij zal over u juichen met gejubel’ (Sef.3:17)

Zo was de Heer Jezus hier op aarde: Hij wilde gedoopt worden, net als de Joden die hun zonden beleden (Mt.3:15). Op het kruis wilde Hij Zich zelfs met die zonden vereenzelvigen (1 Petr.2:24). En in de eeuwigheid wil Hij te midden van de gemeente Gods lof zingen (Ps.22:23).


(2) Wanneer heeft de Heer, onze God, de Almachtige zijn koningschap aanvaard?

Exact dezelfde bewoordingen lezen we direct na het schallen van de zevende bazuin in Op.11:17, waar de 24 Oudsten in aanbidding zeggen: ‘Wij danken U, Heer, God de Almachtige, die is en die was, dat U uw grote kracht hebt aangenomen en uw koningschap hebt aanvaard’. Het Grieks voor ‘koningschap aanvaard’ duidt op een actie die in het verleden begon en waarbij in het midden wordt gelaten of die slechts één moment aanduidt of continu doorgaat.

Nu exact dezelfde bewoordingen nog eens worden herhaald, wordt duidelijk dat het gaat om een actie die continu doorgaat. De oudsten mochten als eersten duiden op die enorm belangrijke verandering in de hemel en op aarde, dat God zijn koningschap aanvaardde, dat het ‘koninkrijk van God’ eindelijk aanbrak. Hier wordt dat bevestigd door de de menigten in de hemel, door de Heer Jezus en door God Zelf.

Tussen deze twee momenten ingesloten vinden we de gerichten van de schalen van Gods grimmigheid. Het grote Babylon, de aardse macht die zich tegen God had gekeerd en in duizenden jaren was uitgegroeid tot een wereldwijde macht, is als laatste vernietigd (Op.19:3). Dat betekent dat de zevende schaal haar intens vernietigende werk op aarde heeft verricht, waarbij geen eiland, geen berg en geen stad meer is overgebleven (Op.16:19,20). De verrukte uitroep ‘Halleluja!’ betekent dat de aarde is schoongeveegd en dat het koninkrijk van God kan worden opgebouwd.


(3) Wat hoort bij de uitroep van vers 6 en wanneer begint de bruiloft van het Lam en hoe lang duurt die?

Vers 7 volgt heel logisch op vers 6 en is onderdeel van de massale uitroep der menigten, vermengd met die van het Lam en God Zelf. Het grote Babylon is geoordeeld. Dat werd eveneens voorgesteld als ‘vrouw’ maar dan één die zeer onbetrouwbaar en corrupt was en die de dingen van God vermengde met die van de wereld, waardoor zij de mensheid duizenden jaren lang wist weg te leiden van God en in verbinding wist te brengen met ‘demonen, onreine geesten en onreine en gehate vogels’ (Op.18:2). Nu deze ontrouwe en onreine vrouw voorgoed uit de weg is geruimd, komt er plaats voor de reine vrouw van het Lam. Zij heeft zich ‘gereedgemaakt’.

We merken in het boek Openbaring duidelijk het tempo van God, voor wie duizend jaren zijn als een dag en één dag als duizend jaar. Dat laatste slaat op zijn oneindige grootheid in het voortbrengen van de tijd, die bestaat uit bijna oneindig kleine tijdfracties. Dat eerste slaat op zijn enorme lankmoedigheid en grootheid waarmee Hij de duizenden jaren overziet en stuurt naar zijn bestel, reikend over honderden geslachten van mensen. Dat zou betekenen dat ‘de bruiloft van het Lam’ geen gebeurtenis is, die zich uitstrekt over enkele dagen en zelfs niet over enkele jaren. De gedachte, die wel wordt geopperd, als zou de bruiloft gevierd worden tijdens de zevenjarige verdrukking op aarde, klopt niet met de Bijbelse gegevens.

(1) Gedurende die zeven jaren van verdrukking worden de gelovigen in de hemel voorgesteld als oudsten, die inzicht hebben in God raadsbesluiten en zijn oordelen en zijn komende koninkrijk. Zij worden niet voorgesteld als ‘vrouw van het Lam’. (2) Gedurende de eerste helft van de 7-jarige verdrukking zit het grote Babylon nog vast in het zadel. De tijd voor de bruid van het Lam is dan nog niet aangebroken. Dat gebeurt niet eerder dan nadat door God (niet door het beest) is afgerekend met ‘het grote Babylon’, de grote hoer. (3) We lezen niet eerder dan in Openbaring 19:7, dat de bruiloft van het Lam ‘is gekomen’. Dat betekent dat die daarvoor nog niet was gekomen.

Als de bruiloft van het Lam niet eerder begint dan nadat alle gerichten van God zich op aarde hebben voltrokken, dan betekent dit, dat de bruiloft gelijktijdig met het duizendjarig rijk begint. Wanneer we aan het begin van dat rijk ‘de bruid, de vrouw van het lam, het nieuwe Jeruzalem’ vanuit de hemel zien neerdalen op aarde, dan is dát de aanvang van de bruiloft van het Lam, die vervolgens duizend jaar zal duren. Er lijkt dan maar geen einde te komen aan de feestelijkheden. Na zesduizend jaar van lijden en wachten, is het eindelijk zover: de duizendjarige bruiloft van het Lam met allen die de voorgaande 6000 jaar voor Hem kozen, breekt aan.


(4) Wanneer maakt de vrouw van het Lam zich gereed en wat wordt bedoeld met ‘het fijne linnen’ waarmee de vrouw van het Lam is bekleed?

Twee dingen houden elkaar in evenwicht bij de gegevens omtrent het ‘reine fijne linnen’, waarmee de vrouw van het Lam is bekleed. (1) Haar 'is gegeven' bekleed te zijn met blinkend rein, fijn linnen. Dat duidt op de goddelijke genade waardoor zij in staat werd gesteld zich op die manier te kleden. (2) Het fijne linnen zijn de gerechtigheden van de heiligen. Dat duidt op de eigen inbreng in verantwoordelijkheid die de gelovigen zelf hebben opgebracht. Het is of we hier de waarheid van Efeze 2 nog een keer voorgezet krijgen: ‘Want uit genade bent u behouden, door het geloof, en dat niet uit u, het is de gave van God; niet op grond van werken, opdat niemand roemt. Want wij zijn zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, die God tevoren heeft bereid, opdat wij daarin zouden wandelen.’ (Ef.2:8-10).

De term voor ‘fijn linnen’ in het Grieks is ‘Byssinos’, een weefsel dat werd gemaakt van ankerdraad waarmee mosselen zich vasthechten op de zeebodem. Het kost een vermogen om zelfs maar een klein doekje hiervan te fabriceren omdat zowel het speurwerk op zee als het weefwerk zeer tijdrovend zijn. Naast deze tekst wordt het ook gevonden in Op.19:14, in de bekleding van de legers uit de hemel die het Lam volgen op zijn overwinningstocht, en in Op.18:12, als koopwaar van de kooplieden der koningen. Het laat zien dat de vrouw van het Lam afkomstig is van dezelfde ‘zee’ als waar het beest uit de zee uit was opgerezen. Dat was de omgeving waarin haar ‘rechtvaardige daden’ openbaar werden. Het was een omgeving vol met gevaren, verleidingen, teleurstellingen, aanvallen en verwerping. Maar in al die omstandigheden was het haar hemelse Hogepriester, die voor haar bad en staande hield, net zoals Hij dat ooit deed bij Petrus, in de zwartste nacht van diens leven (Lk.22:31,32).

Het heilige gelaat van Manoppello is eveneens van dit Byssinos. Het is een onverklaarbaar merkwaardig doek, dat het gezicht van Christus toont. Niemans begrijpt hoe het gezicht op het doek is gekomen. Het is vrijwel onmogelijk om te tekenen of te verven op Byssinos. Het houdt namelijk geen enkele kleurstof. Dit illustreert mogelijk ietw wat hieronder nog volgt: de relatie tussen onze verheerlijking en het aangezicht van Jezus Christus.

De daadwerkelijke bekleding van de vrouw van het Lam vindt uiteraard plaats voorafgaand aan de bruiloft, en zelfs voorafgaand aan de overwinning van het Lam op het beest en zijn legers, zoals we nog zullen zien. Zij wordt bekleed gedurende de zeven jaar van verdrukking. Immers, van de oudsten lezen we weliswaar van ‘witte kleden’ maar niet van ‘blinkend, rein, fijn linnen’ en ook niet van ‘gerechtigheden van de heiligen’. Gedurende de zevenjarige verdrukking hebben de gelovigen elk een intieme ontmoeting met de Heiland voor ‘de rechterstoel’.

Vaak wordt gedacht dat de totale verandering van de gelovigen plaatsvindt op het moment van de opname. De Bijbel laat echter iets anders zien.

(1) Bij de Heer Jezus was het zo, dat Hij eerst een opstandingslichaam aannam, bij zijn opstandig uit de doden. Hij was toen nog niet verheerlijkt. Dat gebeurde pas 50 dagen later op Pinksteren. De Heilige Geest werd toen uitgestort om er getuigenis van af te leggen: ‘...van gerechtigheid omdat Ik naar de Vader heenga’ (Jh.16:8). Zijn verheerlijking bij de Vader was er één met de heerlijkheid die Hij bij de Vader had ‘voordat de wereld was’ (Jh.17:5). Elders lezen we: ‘De Geest was er nog niet omdat Jezus nog niet was verheerlijkt’ (Jh.7:39).

(2) Bij de gelovigen lezen we: ‘Wij zullen Hem gelijk zijn want wij zullen Hem zien zoals Hij is’ (1 Jh.3:2). Dat moment is niet op aarde maar in de hemel. Op aarde zal er, tegelijkertijd met de dodenopstanding, een verandering zijn naar ‘onvergankelijkheid’: ‘Zie, ik zeg u een verborgenheid. Wij zullen niet allen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd worden, in een ondeelbaar ogenblik, in een oogwenk, bij de laatste bazuin; want de bazuin zal klinken en de doden zullen onvergankelijk worden opgewekt en wij zullen veranderd worden.’ Dat dit op aarde gebeurt blijkt uit 1 Thess.4:17: ‘...en de doden in Christus zullen eerst opstaan. Daarna zullen wij, de levenden die overblijven, samen met hen in wolken worden opgenomen de Heer tegemoet in de lucht…’ Eerst staan de doden in Christus op. Zij worden ‘opgewekt in onvergankelijkheid en in heerlijkheid’. Wij worden tegelijkertijd met hun opstandig ‘veranderd’ naar onvergankelijkheid. ‘Dit vergankelijke moet onvergankelijkheid aandoen en dit sterfelijke moet onsterfelijkheid aandoen…’ Daarna gaan opgestande doden en veranderde levenden samen de Heer tegemoet in de lucht.

Maar dat is nog slechts de eerste stap in de totale transformatie. Stap twee lezen we in het reeds genoemde 1 Joh.3:2: 'Wij zullen Hem gelijk zijn want we zullen Hem zien zoals Hij is'. Dat bewerkt de volgende stap in de ‘verheerlijking’. We lezen dat ook in 2 Ko.3:18: ‘Wij allen nu, die met onbedekt gezicht de heerlijkheid van de Heer aanschouwen, worden naar hetzelfde beeld veranderd van heerlijkheid tot heerlijkheid, als door de Heer, de Geest.’ Dat ‘met onbedekt aangezicht aanschouwen’ duidt op iets wat mogelijk nu reeds begint, door een leven met de Heer, maar dat zijn voltooiing vindt in de hemel, zoals we lezen in 1 Ko.13:12; ‘Want wij kijken nu door donker glas, wazig, maar dan van aangezicht tot aangezicht. Nu ken ik ten delen maar dan zal ik kennen zoals ook ik gekend ben.’

De vraag is wanneer dat moment zal plaatsvinden. Onze ontmoeting met Hem in de wolken is er één van een enorme massaliteit en niet van intimiteit. Bij de Heer was het moment van verheerlijking zijn plaatsnemen in de troon, aan de rechterhand van de Vader. Bij ons is het mogelijk ‘de rechterstoel van Christus’, waarvoor wij geopenbaard zullen worden. ‘Wij zullen Hem zien zoals Hij is’ – ‘ik zal kennen zoals ook ik gekend ben’. Dat zou kunnen duiden op de eindeloze genade die we zien als Hij met ons ons leven doorneemt. Dan zien we pas echt Wie Hij is, hoe groot Hij is en hoe liefdevol en wat Hij voor ons heeft gedragen toen Hij Zichzelf gaf op Golgotha. Net als Thomas zullen we voor Hem neervallen, met de woorden op de lippen: ‘Mijn Heer en mijn God’ (Jh.20:28). Of net als Nathanaël tegen wie Jezus zegt: ‘Voordat Filippus je riep zag ik je onder de vijgenboom’ - En Nathanaël vervolgens uitroept; ‘U bent de Zoon van God, U bent de Koning van Israël’ (Jh.1:50). De rechterstoel is het moment van ‘voor Mij zal elke knie zich buigen en elke tong zal God belijden’ (Rom.14:10-12), waarbij tevens rekenschap aan Hem wordt afgelegd.

‘Wij leven in die blijde hoop maar straks bij U omhoog – zult u volmaakt uw liefde en trouw ontvouwen voor ons oog. Daar aan uw hart zal uwe bruid aanschouwen die gena – waardoor haar losprijs werd betaald op ‘t angstig Golgotha’.

- 27 november 2022 -


Vers 9,10

Het bruiloftsmaal

‘En hij zei tot mij: Schrijf: gelukkig zij die geroepen zijn tot het bruiloftsmaal van het Lam. En hij zei tot mij: Dit zijn de waarachtige woorden van God. En ik viel voor zijn voeten neer om hem te aanbidden; en hij zei tot mij: Zie toe, doe dit niet; ik ben een medeslaaf van u en van uw broeders, die het getuigenis van Jezus hebben; aanbidt God! Want het getuigenis van Jezus is de geest van de profetie.’


(1) Wie is de ‘hij’ die hier tot Johannes spreekt?

(2) Wat is ‘het bruiloftsmaal van het Lam’?

(3) Waarom maakt Johannes de vergissing van aanbidding?

(4) Wie zijn ‘de broeders’ en wat is de verhouding van de ‘hij’ die hier spreekt tot deze broeders?

(5) Wat betekent: ‘het getuigenis van Jezus is de geest van de profetie’?


(1) Wie is de ‘hij’ die hier tot Johannes spreekt?

Drie maal lezen we in dit gedeelte ‘en hij zei tot mij’. De vraag is wie deze ‘hij’ precies is. Om daarachter te komen moeten we een heel eind terugbladeren in Openbaring. Het is één aaneengesloten verhaal van oordeel over het grote Babylon. Dat gedeelte begint in Openbaring 17:1, waar we lezen: ‘En één van de zeven engelen die de zeven schalen hadden, kwam en sprak met mij en zei: Kom ik zal u tonen het oordeel over de grote hoer die op vele wateren zit…’. Dat lange gedeelte van twee en een half hoofdstuk wordt hier afgesloten. Het grote Babylon is in twee etappes door God geoordeeld en is opgehouden te bestaan. De aarde is schoongeveegd. Het koninkrijk van God kan aanbreken. Tijd voor ‘de bruiloft van het Lam’.


(2) Wat is ‘het bruiloftsmaal van het Lam’?

De engel die één van de zeven schalen had, heeft Johannes alles laten zien en sluit zijn aandeel in het boek Openbaring af met een schrijfinstructie, een ‘zaligspreking’ die er beslist nog in moet. We vinden in Openbaring in totaal zeven (of dertien) schrijfinstructies waarvan één instructie om niet te schrijven.

1. Wat u ziet, schrijf dat in een boek (Op.1:11)

2. Schrijf dan wat u hebt gezien en wat is en wat hierna zal gebeuren (Op.1:19)

3. De zevenvoudige schrijfopdracht voor de zeven gemeenten (Op.2:2, 2:8, 2:12, 2:18, 3:1, 3:7, 3:14).

4. Verzegel wat de zeven donderslagen hebben gesproken en schrijf het niet op (Op.10:4)

5. Schrijf: gelukkig de doden die in de Heer sterven van nu aan (Op.14:13)

6. Schrijf: gelukkig zij die geroepen zijn tot het bruiloftsmaal van het Lam (Op.19:9)

7. Schrijf, want deze woorden zijn trouw en waarachtig (Op.21:5)


Het boek Openbaring kent zeven zaligsprekingen:

1. Gelukkig hij die leest en zij die de woorden van de profetie horen (Op.1:3)

2. Gelukkig de doden die in de Heer sterven van nu aan (Op.14:13)

3. Gelukkig is hij die waakt en zijn kleren bewaart (Op.16:15)

4. Gelukkig zij die geroepen zijn tot het bruiloftsmaal van het Lam (Op.19:9)

5. Gelukkig en heilig is hij die aan de eerste opstanding deel heeft (Op.20:6)

6. Gelukkig is hij die de woorden van de profetie van dit boek bewaart (Op.22:7)

7. Gelukkig zij die hun lange kleren wassen, opdat zij recht hebben op de boom van het leven (Op.22:14)


De zaligsprekingen houden nauw verband met elkaar. Zij die Openbaring lezen en bewaren, zijn bekend met Gods plannen en vinden in die kennis de kracht om staande te blijven in een wereld die volledig ‘van God los’ is. De wereld heeft de vorm aangenomen van het grote Babylon, dat uiteindelijk ontaardt in de tirannie van het beest. Zij die zich daarvan afzonderen zijn ‘heilig’, waken en bewaren hun kleren, hebben hun ‘lange kleren gewassen’ en hebben uitzicht op ‘het bruiloftsmaal van het Lam’, ‘de boom van het leven’, ‘de eerste opstanding’.

Dat zijn geen zaken die in korte tijd voorbijgaan. In eerste instantie slaat dit op het duizendjarig rijk. Maar zou ‘het grote Babylon’ vierduizend jaar aanhouden en Gods koninkrijk slechts duizend jaar? De duizend jaar zijn er om alles aan God te onderwerpen en om de laatste vijand, de dood, teniet te doen (1 Ko.15:24-26). Daarna breken de eeuwen eeuwen aan, waaraan geen einde zal komen en waar al degenen, die deel hadden aan het bruiloftsmaal, eindeloos van zullen proeven en genieten.


(3) Waarom maakt Johannes de vergissing van aanbidding?

Voor de tweede keer lezen we hier: ‘en hij zei tot mij’. De engel is aan het einde gekomen van zijn relaas en sluit het af met: ‘Dit zijn de waarachtige woorden van God’. Johannes heeft door dat het verhaal van de engel hier ophoudt en dat hij afscheid neemt. Hij is dermate onder de indruk van de openbaring over het grote Babylon, dat hij een aandrang voelt om degene die hem dat alles meedeelde als ‘de waarachtige woorden van God’ op een gepaste wijze te huldigen als afscheid. Johannes wist dat het één van de engelen was, die de zeven laatste plagen hadden, maar door alles wat hij heeft gezien en gehoord is hij het zicht op de verhoudingen in de hemel kwijtgeraakt en staat hij op het punt de engel te aanbidden. Direct houdt de engel hem echter tegen met de woorden: ‘Zie toe, doe dit niet...aanbid God’. God en God alleen is de Enige die recht heeft op aanbidding door welk schepsel dan ook. In tegenstelling tot Lucifer kent deze engel zijn plaats en wijst hij alle eer voor zichzelf af. Wat een verschil met de stem die ooit klonk in de woestijn van Judea: ‘Al deze dingen zal ik U geven, als U neervalt en mij aanbidt’. Dit werd gezegd tegen God, die zichzelf ontledigd had en de gestalte van een slaaf had aangenomen en de mensen gelijk was geworden. Dieper kon satan niet zinken.

Bijna hetzelfde als wat we hier vinden, gebeurt ook in Openbaring 22:9. Daar is het niet ‘de engel die één van de zeven schalen had’ maar ‘de engel die mij deze dingen toonde’. Het was de engel die Jezus had gezonden naar Johannes om hem de Openbaring door te geven (Openbaring 1:1). Deze engel reageert op precies dezelfde wijze, zodra Johannes aanstalten maakt om hem te aanbidden: ‘Zie toe doe dit niet...aanbid God.’


(4) Wie zijn ‘de broeders’ en wat is de verhouding tot deze broeders van de ‘hij’ die hier spreekt?

Het woord ‘broeders’ klonk al eerder in het boek Openbaring en wel in Openbaring 6:11, ‘medeslaven en broeders' van de martelaren onder het altaar bij het vijfde zegel. Verder komt het voor in Openbaring 12:10, waar we lezen dat de draak dag en nacht optrad als 'aanklager van de broeders'. We zien hier dat de grote en machtige engel, die één van de zeven plagen had en één van de zeven schalen met Gods grimmigheid, zich op één lijn stelt met de kleine mensjes, die op aarde het woord van God vasthouden en ‘die het getuigenis van Jezus hebben’. Sterker nog, de engel noemt zich ‘medeslaaf’ en niet ‘medebroeder’. De engel is medeslaaf van Johannes en zijn broeders. Die term ‘broeder’ lezen we voor het eerst in het Johannesevangelie, na de opstandig van de Heer Jezus: ‘...maar ga heen naar mijn broeders en zeg hun: Ik vaar op naar mijn Vader en uw Vader, naar mijn God en uw God’ (Joh.20:17). Het is de vervulling van Psalm 22:23: ‘Ik zal uw naam aan mijn broeders verkondigen. In het midden van de gemeente zal Ik U lofzingen.’ Het kenmerk van ‘broeders’ is dat zij een gemeenschappelijke vader hebben. Dat is wat de Heer Jezus feitelijk zegt in Johannes 20:17. Gelovigen zijn kinderen van God en kennen God als hun hemelse Vader. Dat is een status waartoe geen engel ooit is verheven. Zij zijn ‘medeslaven’, geen broeders. Zij zijn ‘dienende geesten, die worden uitgezonden ter wille van hen die de behoudenis zullen beërven’ (Heb.1:14).


(5) Wat betekent: ‘het getuigenis van Jezus is de geest van de profetie’?

Het woord ‘profeet’ betekent letterlijk: ‘mond van God’. Profetie is ‘getuigenis van God’. De geest, de essentie van dit getuigenis, is ‘Jezus’. Jezus Christus is de volledige en volkomen uitdrukking van Wie God is. ‘God die vroeger vele malen en op vele wijzen gesproken heeft in de profeten, heeft in het laatst van deze dagen tot ons gesproken in ‘Zoon’… deze die de uitstraling is van Gods heerlijkheid en de afdruk van zijn Wezen…’ Omdat alles van God in Jezus wordt vervuld is Hij de kern van elk profetisch woord. Hem vinden we op iedere bladzijde van de Bijbel. Deze zin is een prachtige inleiding op het gedeelte dat nu volgt, waarin we de Persoon van Jezus Christus als God Zelf de overwinning zien behalen op het beest en zijn legers. Dit is de climax waar 6000 jaar wereldgeschiedenis de mensheid naartoe hebben geleid: de volkomen openbaring van God in de triomferende gestalte van Jezus.

- 28 november 2022 -

openbaring

van Jezus Christus