Hoofdstuk 77

(232)

Voor de derde maal sloeg Vitellius de deurklopper een aantal malen met kracht tegen de deur. Zijn geklop verscheurde de nachtelijke stilte. De gestalte die rechts van hem op de grond lag, kreunde. Vitellius werd ongeduldig. Hij keek over zijn linker schouder. In de verte zag hij, boven de boomtoppen op de heuvel, tegen de vage maanverlichte nachthemel, één van de torens van de wachtpost als een donkere kolos omhoog steken. Hij keek weer voor zich. De deur met de klopper bleef bewegingsloos. Zijn blik ging over de gestalte op de grond, die af en toe kreunde en sidderde.

Vitellius wist dat hij haar daar niet kon laten liggen. De wond in haar arm moest direct schoongemaakt en verbonden worden. Als hij hier geen gehoor vond, zat er niets anders op dan aan te kloppen bij de wachtpost. Maar Vitellius had intussen een slechte ervaring met wachtposten. Ze waren er allemaal op gebrand om de deserteurs van de voorgaande ochtend in te rekenen. En als eenzame soldaat op een gevaarlijke weg, laadde hij direct alle verdenkingen direct op zich,. En hij wist wie de documenten getekend had, die hij bij zich had. Er hoefde maar één hoofdman of overste te zijn die de vervalsing ontdekte.

Vitellius nam zich voor om eerst alles te proberen de waard van de herberg wakker te krijgen. Hij zette enkele passen achteruit en zocht de gevel af naar een raam, waardoor hij naar binnen kon kijken. Het enige raam dat hij kon ontdekken zat op een afstand van vier el van de deur, in de richting van Jericho. Het keek uit richting de wachtpost. Vitellius had de afstand in drie passen overbrugd. Hij moest iets bukken om onder de bovenkant van het raam door naar binnen te kijken. Zijn blik werd tegengehouden door een rooster, dat achter ijzeren traliewerk in het kozijn was bevestigd.

Na enkele momenten van ingespannen turen zonder resultaat, liep Vitellius terug naar de deur. Hij probeerde nogmaals de klopper maar hoewel hij opnieuw langer wachtte dan zijn geduld hem toeliet, bleef de deur gesloten. Hij liep naar de andere kant van de herberg en sloeg nog een blik op de gewonde vrouw, die nog steeds sidderend op de grond lag. Ze had zo snel mogelijk water nodig. Hij pakte voor de zekerheid zijn speer en liep een paar passen voorbij de hoek van het gebouw. Vanaf een korte afstand probeerde hij een raam in de zijmuur te ontdekken. Toen hij dat had gevonden, op ongeveer dezelfde hoogte als het raam in de voorgevel, bleek dat de inkijk van buiten ook daar verhinderd werd door een rooster.

Vitellius liep verder door naar achteren en zag dat de muur van het gebouw over ging in de muur rond een binnenplaats. Door de duisternis van de begroeiing van grote cipressen aan de andere kant van het pad langs het huis, ontdekte Vitellius pas op het allerlaatste moment een poort in de muur. De poortdeuren waren aan de binnenkant gebarricadeerd maar ze leken iets lager dan de muur. Vitellius trommelde een aantal malen met zijn vuist op de poortdeur. Ondanks het luide gedreun bleef ook de poort gesloten. De herberg leek ‘s nachts op een onneembare vesting.

Voor Vitellius was elk obstakel echter een uitdaging en hij besloot een manier te vinden om de binnenplaats te bereiken. Hij schatte de hoogte van de poortdeur. Daarna zette zijn speer in de hoek tussen de kopse kant van de muur en de linkerkant van de deur. Hij zocht in zijn loculus de lege veldfles en bond die op zijn rug. Hij trok zijn zwaard en zette dat op precies dezelfde manier als de speer aan de rechterkant van de deur, met de punt omlaag en het gevest omhoog. Hij duwde de punt zo diep mogelijk in de grond, zodat het zwaard niet kon wegglijden. Daarna zette hij de tenen van zijn rechtervoet op de de uitloper van het gevest boven het lemmet, waar hij net genoeg grip had. Hij zette zich af met zijn linkerbeen. Met een uiterste krachtinspanning kwam hij omhoog. Hij strekte zijn linkerarm zo ver mogelijk uit omhoog en kwam boven de poortdeur uit. In een bliksemsnelle beweging greep hij met zijn linkerhand de bovenkant van de poort. Daarna volgde zijn rechterhand. Hij trok zich op en klauterde met beide armen over de bovenkant van de deur.

Met de deur onder zijn oksels rustte hij even uit. Hij keek rond over de binnenplaats. Het was er aardedonker en hij kon vrijwel niets onderscheiden. Het enige dat hij zag, was een enorme vijg in het midden van de binnenplaats en aan de andere kant een muur met een aantal deuren. Maar een bron of put of bak met water kon hij vanuit zijn oncomfortabele houding niet ontdekken. Met enige moeite wist Vitellius zijn linker onderbeen bovenop de poortdeur te leggen. Hij schuurde met zijn borst en buik over de poortdeur heen en hing even later aan de andere kant. Onder zich zag Vitellius niets dan duisternis. Op de gok liet hij zich vallen. Hij ging meteen door zijn knieën om de val te breken en viel op zijn achterste.

Vitellius bleef kort even zitten, terwijl hij om zich heen speurde. Het was muisstil op de binnenplaats en niemand leek iets van zijn komst te hebben gemerkt. Langzaam ging Vitellius staan. Hij keerde zich om naar de poort om te zien of hij hem van binnenuit open kreeg. Een zware balk lag in twee hengsels langs de deur. Met de nodige inspanning hees Vitellius de balk uit de hengsels en hij wierp hem met een doffe dreun op de grond. Het maakte meer lawaai dan de bedoeling was. Vitellius keek geschrokken om zich heen. Maar nog steeds lag de binnenplaats er leeg en verlaten bij.

Vitellius pakte zijn zwaard, dat nog steeds bij de poortdeur stond en stak het weer op zijn plaats. Daarna nam hij de speer en begon langs de muur van de binnenplaats te lopen. Hij speurde om zich heen naar water om zijn veldfles mee te vullen. Hij kwam bij de deuren aan de andere kant en probeerde de eerste te openen. Er was geen beweging in te krijgen. De tweede deur bleek ook vergrendeld. Bij de derde deur had Vitellius meer succes. De deur ging langzaam open. In het donker kon Vitellius nauwelijks iets onderscheiden. Op de tast liep hij naar binnen. Het had niet veel gescheeld of hij viel voorover in een gat. Nog net op tijd vond hij vaste grond in de zijn rechtervoet in de vorm van een traptrede.

- 22 september 2022 -


(233)

‘Twee afranselingen heb je al van me tegoed! Als je nu niet direct blijft staan, komt er gewoon nog één bij.’

Achter zich hoorde Saraf de luidkeelse en woeste stem van opzichter Jefta het zoveelste dreigement schreeuwen. Hoewel het er niet best voor hem uit zag, stopte hij toch met rennen en hij kwam hijgend tot stilstand. Saraf was afgeleid door iets, waardoor de situatie waar hij zich in bevond, volledig zou omkeren. Het duurde even voordat de zaken die de ommekeer bewerkten, volledig tot hem doordrongen. Bij zijn vlucht langs de chel tussen de tempeltrap en de balustrade door, had hij de priesters, die zich op zijn balkon van de uitkijkpost hadden verzameld, zien wijzen op iets dat zich onder zijn balkon bevond en nu zag hij in het schamele licht van de maan, dat het een lang touw was, dat strak gespannen was vanaf zijn balkon.

Saraf zocht naar het andere uiteinde van het touw, waar het ergens bevestigd zat. Zijn oog viel op het houten bord waarop de mededeling stond, dat iedere vreemdeling die zich daar voorbij waagde en die gesnapt werd, de daaropvolgende dood aan zichzelf te wijten had. Er was iets vreemds mee aan de hand. Het bord stak vanaf de andere kant ongeveer een hand breedte boven de balustrade uit. In het licht van een fakkel zag Saraf vanuit de rand van het bord boven de muur een pijl schuin omhoog steken. Aan die pijl zat het touw bevestigd dat vanaf zijn balkon naar beneden liep. Het kostte Saraf weinig tijd om de situatie te doorgronden. Achter hem klonken weliswaar nog steeds de kletterende sandalen van de woedende opzichter maar die konden hem geen schrik meer aanjagen.

Met een lachje om zijn mond draaide Saraf zich om en wees triomfantelijk op de pijl met daaraan het touw dat strak gespannen stond vanaf zijn balkon. Buiten adem kwam Jefta vlak voor hem tot stilstand en wild greep hij hem vast voor een ogenblikkelijk pak rammel met de stok. Op het moment dat hij de stok uit zijn priesterkleed tevoorschijn trok, viel zijn blik op de pijl, die uit het bord voorbij de balustrade stak. Saraf wist dat echter niet want hij bevond zich met zijn hoofd al onder de oksel van de potige toezichthouder en vreesde elk moment de eerste slag op zijn achterwerk. Met gesmoorde stem probeerde hij nog iets te roepen maar hij was te zeer buiten adem om hoorbaar over te komen. Vanaf het balkon klonk echter een krachtig geroep:

‘Nee, niet slaan. De jongen heeft gelijk gehad!’

In plaats van een pijnlijke dreun op zijn achterste, voelde Saraf tot zijn opluchting de greep om zijn hals verslappen. Net als eerder in die nacht trok hij zich los uit de houdgreep van Jefta en hij wankelde achteruit, met zijn rug tegen de balustrade. Hij keek in het gezicht van Jefta, die met een verbeten trek om zijn mond naar de pijl in het bord staarde, die rechts van Saraf boven de balustrade uit stak. Al starend naar de pijl borg Jefta borg stok weer op zijn plaats in zijn priesterkleed en greep met zijn rechterhand het touw, dat aan de pijl vast zat. Daarna draaide hij zich om. Saraf zag hem het touw tot bovenaan volgen. Daar stonden enkele priesters met hun handen te wuiven. Eén van de priesters riep vanaf het balkon

‘Er had zich dus wel degelijk een Romeinse boogschutter in de tempel verstopt.’

Jefta wuifde terug en knikte. Daarna hoorde Saraf hem zeggen:

‘Die zijn we kwijt Hij is vast en zeker richting het fort verdwenen.’

Meteen had Saraf door dat deze conclusie niet klopte en hij zei:

‘Nee, dat is hij vast en zeker niet. Het is een deserteur. Die zal alles doen om het legioen te blijven ontlopen.’

Jefta draaide zich naar hem toe en keek hem met opgetrokken wenkbrauwen aan. Toen antwoordde hij:

‘Moeten wij soms dat belachelijke verhaal over het graf van die Nazarener geloven?’

Saraf voelde verontwaardiging in zich opkomen en zei:

‘Ja, dat moeten jullie zeker geloven. Ik heb de Rabbi van Nazareth vandaag al twee keer gesproken en ik heb wel een stuk of vijf van de deserteurs ontmoet en achter me aan gekregen. En déze…’ hierbij wees hij naar de pijl rechts van hem, ‘…heeft vandaag al drie pijlen op mij afgeschoten en hij probeerde mij even terug nog aan mijn haren bij de wenteltrap weg te trekken, toen ik jullie hulp inriep.’

Jefta keek even in de ogen van Saraf, waarin een twinkeling van een gerechtvaardigde boosheid lag. Toen verscheen er een spottend lachje om zijn mondhoek en hij vroeg

‘Zo, wijsneus, een deserteur dus. En waar denk jij dat die deserteur zich nu dan ophoudt, als hij niet terug is naar het Fort?’

Saraf dacht even na en antwoordde:

‘Ik denk dat we nog niet van hem af zijn. Als hij niet terug is naar het fort, kan hij alleen de tempel weer ingegaan zijn.’

‘En hoe…?’

Jefta wilde iets vragen maar maakte zijn zin niet af want hij zag iemand aan komen lopen, die daar op dat moment absoluut niet mocht zijn. Het volgende moment hoorde Saraf hem bulderen:

‘Wat denk jij dat je hier komt doen? Ga jij eens vliegensvlug terug naar je wachtpost! Of wilde je opnieuw kennis maken met mijn stok?’

Op het moment dat Jefta zijn stok opnieuw tevoorschijn haalde, zag Saraf wie daar aan kwam lopen. Het was de andere jongen, die de wacht had bij de poort naar het haardgebouw, die zojuist geprobeerd had hem tegen te houden, wat er de oorzaak van was dat hij nu pijn had in zijn voet, zijn onderbeen en zijn knie. Saraf voelde ineens weer die pijn en zag de jongen tegelijkertijd in elkaar krimpen. Door zijn knieën zakkend en met van angst opgeheven armen, riep hij:

‘Nee, nee, niet slaan. Ik ga al terug. Ik kwam alleen maar even zeggen dat ik iets vreemds zag bij de tempelmuur.’

- 24 september 2022 -


(234)

Het nachtelijke Jeruzalem was aan het slot van de eerste dag van de week gevuld met holle klanken. De klanken waren afkomstig van de stemmen van wereldberoemde acteurs en koren, die hun uiterste best deden op de Troades van Seneca. Aan de voet van de trap naar het viaduct over het kaasmakersdal leek het of twee in het wit geklede gestalten met elkaar in gevecht waren. Het waren Annas en Mattanja. Laatstgenoemde putte zich uit om de oude priester, die hij naar een belangrijke zitting van het Sanhedrin begeleidde, te behoeden voor een fatale val tegen de onderste treden van de trap. Mattanja verbaasde zich over de enorme kracht die nog aanwezig was in het lichaam van de grijsaard. Hij moest zich tot het uiterste inspannen om evenwicht te behouden in de wild stribbelende ledematen en de heftig rondstappende benen van de priester.

Ondertussen stoorde hij zich mateloos aan de wild kakelende geluiden van het nachtelijke toneelspel en hij verweet zichzelf dat hij met de oude priester was begonnen over de betekenis van het stuk. Hij had de indruk dat de man daardoor zo totaal overstuur was geraakt. De wild rondtastende en graaiende handen van de oude priester, die hem voortdurend vastpakten en ruw aan zijn priesterkleed trokken, waren, in de verbeelding van de oude priester zelf, bezig om zich een weg te banen tussen een uitgelaten hossende en dansende menigte in de vrouwenvoorhof. Hij had zojuist zijn handen schoongespoeld in het rituele bad voor de melaatsen en zag in de verte nog net het bord met de vreemde woorden ‘RAIOS DAOIS’ temidden van het cohort soldaten door de poort naar buiten marcheren. Op dat moment in de waanvoorstelling van Annas, merkte Mattanja dat de oude man zich even stil hield en hij hoorde hem voor de tweede keer fluisteren:

‘De kelal’.

Daarna merkte Mattanja dat de ongecontroleerd wilde bewegingen van de oude man opnieuw begonnen. Telkens zag Mattanja de man onverwachts om zijn as draaien en wanneer hij daarbij zijn evenwicht verloor, klampte hij zich onbesuisd aan hem vast. In de vreemde droomwereld van Annas hadden onbesneden Romeinen zojuist de priestervoorhof verontreinigd en dat vroeg om een zo snel mogelijke rituele reiniging van de hele zaak met de as van de rode vaars.

Annas keek omhoog naar het balkon, waar nog steeds vrouwen stonden te wijzen en te lachen om het bloed aan zijn handen. Hij keek weer naar zijn handen en hij vroeg zich af waar die sneden vandaan kwamen. Het leek wel of hij zich bij het brengen van een offer in zijn eigen vlees had gesneden. Hij vroeg zich af hoe dat mogelijk was en waarom hij daarvan niets had gemerkt. Ineens zag hij tussen de vrouwen op het balkon de gestalte van een jong meisje, dat hem bekend voor kwam. Ze had een bevallig gezicht. Maar in tegenstelling tot de vrouwen om haar heen lachte ze niet. Integendeel. Ze keek heel serieus en had een donkere twinkeling in haar ogen. Plotseling herkende hij haar. Dat was dat priestermeisje, Maria, dat die avond bij hem gedineerd had en hem van alles over het graf had verteld. Hij zag haar lippen op en neer gaan. Ze zei iets tegen hem maar hij kon niet horen wat. Het was zo’n verschrikkelijk kabaal van gedans en gelach. Hij zag dat ze zich inspande om luider te praten maar hij verstond haar nog steeds niet. Hij legde zijn hand aan zijn oor en hij zag dat ze haar handen als een koker rond haar mond legde zodat haar stem hem kon bereiken. Eén woord kon hij maar verstaan:

‘Saraf.’

Hij zag haar wijzen in de richting van de poort van Nicanor, achter hem. Hij draaide zich om en wankelend stuitte hij weer op enkele dansende priesters. Door hun kleden stevig vast te pakken en zich op te trekken, hield hij zich staande. Langs de cirkelvormige trap zag hij de gestalte van een forse Romeinse soldaat naar beneden afdalen. De man stak met kop en schouders boven alle priesters uit en Annas schrok want de Romein stoof recht op hem af. Hij had een speer over zijn schouder met daaraan een tas, die hij met een woeste blik in zijn ogen van de speer losmaakte en opende. Uit de tas haalde hij een document tevoorschijn, dat hij uitrolde en daarop zag Annas tot zijn schrik zijn eigen handtekening staan onder de woorden, die hij zojuist op het bord had gelezen en waarvan de betekenis maar niet tot hem wilde doordringen: ‘RAIOS DAIOS’.

Hij keek weer naar de soldaat en vroeg:

‘Jij bent Saraf toch niet?’

De soldaat keek verontwaardigd en spreidde zijn enorme armen wijd uit. Annas zag de dat de soldaat met zijn ogen zijn eigen gespierde ledematen bekeek. Daarna keek hij hem spottend aan en zei:

‘Zie ik er soms uit als de profeet die in de wereld komen zou?’

Annas zette grote ogen op en zei:

‘De profeet? Wie? Was Saraf dan de profeet?’

De soldaat bleef hem spottend aankijken en zei:

‘RAIOS DAIOS?’

Ineens hield de soldaat een groot bord omhoog waar reusachtige letters op geschreven stonden. Annas keek langs de stam van het bord omhoog en las wat er stond:

‘RAIOS DAIOS.’

Daarop vroeg de soldaat:

‘Was Hij soms niet de profeet?’

De soldaat wierp het bord met een enorme zwaai achter zich. Annas zag het bord door de lucht vliegen, over de muur van de poort van Nicanor. Daarna hoorde hij achter die poort een vreselijk geraas. Hij wilde om de soldaat heen stappen om te kijken wat er gebeurde maar de soldaat hield hem tegen Het geraas achter de soldaat ging door en werd steeds luider. Annas deed zijn uiterste best lang de soldaat heen te kijken maar deze was te groot en te sterk. De soldaat pakte hem met beide handen vast en schudde hem door elkaar, terwijl hij zei:

‘Annas! Annas! Wat doe je? Waar ben je mee bezig?’

- 25 september 2022 –

paasroman

De Heer is werkelijk opgestaan

Hoofdstuk 78