openbaring 12

11:19 – 12:3

De vrouw en de draak

‘En de tempel van God in de hemel werd geopend en de ark van zijn verbond werd gezien in zijn tempel, en er kwamen bliksemstralen, stemmen, donderslagen, aardbeving en grote hagel.

En er werd een groot teken gezien in de hemel: een vrouw, bekleed met de zon en de maan onder haar voeten en op haar hoofd een kroon van twaalf sterren. En zij was zwanger en schreeuwde in haar weeën en in haar pijn om te baren.

En er werd een ander teken gezien in de hemel; en zie een grote vuurrode draak met zeven koppen en tien horens en op zijn koppen zeven diademen.’


Over dit gedeelte kan men zich de volgende vragen stellen:

(1) Wanneer speelt zich af, wat we vinden in Openbaring 12?

(2) Waarom lezen we hier opnieuw van bliksemstralen, stemmen, donderslagen, aardbeving en grote hagel?

(3) Wie wordt er voorgesteld door de vrouw?

(4) Wie wordt er voorgesteld door de draak?


We zullen deze vragen hier weer één voor één behandelen.

(1) Wanneer speelt zich af, wat we vinden in Openbaring 12?

Inhoudelijk behoort het laatste vers van hoofdstuk 11 bij hoofdstuk 12. Om die reden wordt het hier behandeld. Openbaring 11:19 is een zeer belangrijk vers omdat het de lezer vanuit een nieuw aspect naar de geschiedenis laat kijken, waarbij ook weer een stap wordt terug gezet in de tijd. Dat laatste blijkt opnieuw uit de werkwoordsvorm. Die was tot en met Openbaring 11:18 de verleden tijd. De vierentwintig oudsten ‘vielen op hen aangezichten en zeiden…’ Wat daarna komt, staat weliswaar in de tegenwoordige tijd: ‘Wij danken U…’ Echter, dat komt omdat letterlijk wordt geciteerd wat zij ‘zeiden’.

In vers 19 wordt ineens van de verleden tijd overgestapt op de ‘lijdende vorm’ in de verleden tijd: ‘werd geopend – werd gezien – werd gezien – werd gezien.’ Datgene wat werd gezien staat dan vervolgens weer in de verleden tijd. Maar die lijdende vorm waarin Johannes overgaat, is nieuw in het boek. We geven een kort overzicht van de werkwoordtijden waarvan Johannes gebruik maakt.

(1) Tot aan het einde van Openbaring 11:1 schrijft Johannes in de verleden tijd, gekoppeld aan zijn eigen waarneming: ‘Ik zag – ik hoorde – ik nam – ik at – mij werd gegeven en gezegd’.

(2) Dan gaat hij over in de toekomstige tijd vanaf Openbaring 11:2 ‘...zij zullen de heilige stad vertreden…’ Die toekomstige tijd loopt door tot Openbaring 11:10.

(3) In Openbaring 11:11 keert hij terug naar de verleden tijd maar anders dan bij (1) omdat hij die de verleden werkwoordstijd niet langer koppelt aan zijn eigen waarneming. Het 'ik zag' en 'ik hoorde' ontbreekt volledig.

(4) Vanaf Openbaring 11:19 wordt de lijdende vorm in de verleden tijd meermalen gehanteerd, wat we nog niet eerder tegenkwamen.

Eerder zagen we dat een wisseling van werkwoordtijd kan duiden op een doorbreking van de chronologie. Als we kijken naar wat er gebeurt, dan valt daar ook niet aan te ontkomen. Immers, gezien het blazen van de zevende bazuin en de aanbidding van de oudsten, is de komst van God en de afwikkeling van alle profetieën aanstaande. Dan is er geen ruimte meer voor een periode van nog eens ‘twaalfhonderdzestig dagen’ (Openbaring 12:6) oftewel ‘tijd, tijden en een halve tijd’ (14).

Het kan niet anders of het visioen plaatst ons samen met Johannes terug in de tijd. Echter, hoever terug? Worden we opnieuw geplaatst aan het begin van de laatste halve jaarweek? Het antwoord is tweeledig: enerzijds niet anderzijds wel. Hier is zeer belangrijk om Openbaring 11:19 te zien als de basis waar hoofdstuk 12 op rust. Maar om dat goed te begrijpen moeten we nog een keer teruggrijpen op de hoofdstukken 10 en 11.

De sterke engel daalde in Openbaring 10 neer uit de hemel met een geopend boekje, de profetieën over het volk van God, met name over het volk Israël tot aan de komst van Christus. Dat lijkt allemaal heel mooi te beginnen met een tempel en een offerdienst (zoet in de mond) maar dat verkeert uiteindelijk in de grootst denkbare verschrikkingen van een wereldwijde afgoderij (de buik wordt bitter).

Vervolgens laat Openbaring 11 zien hoe dit in verband staat met de tempel. De voorhof en alles daarbuiten wordt tweeënveertig maanden lang aan de volken gegeven, die de heilig stad zullen vertreden. De twee getuigen blokkeren de toegang tot de tempel en profeteren twaalhonderdzestig dagen lang tot de hele wereld. Zij worden daarna gedood door het beest uit de afgrond, waarvan in Openbaring 9 werd aangegeven, dat die zich wereldwijd ontplooit als de meest hardvochtige en totalitaire tiran uit de geschiedenis van de mensheid. De dood van de twee getuigen maakt voor deze tiran de toegang tot de tempel vrij. Maar de twee getuigen staan op en varen ten hemel. Een aardbeving legt een tiende van de stad in puin. De zevende bazuin blaast en de komst van God Zelf wordt aangekondigd.

Naar aanleiding van de gebeurtenissen in Openbaring 11 zou men kunnen denken dat alles draait om de tempel. Het beest uit de afgrond heeft de tempel verontreinigd en daarom komt God met zijn oordeel en zijn afrekening. Maar dan komt Openbaring 12 met een diepere laag in de geschiedenis. De aardse tempel van God is weliswaar belangrijk maar er is iets dat nog veel belangrijker is. In het visioen wordt de blik van Johannes en zijn lezers gericht van de aardse tempel naar de hemelse tempel. ‘En de tempel van God in de hemel werd geopend.’ En wat ziet Johannes daar? ‘...en de ark van zijn verbond werd gezien in zijn tempel.’

Het is de ark die ontbrak in de aardse tempel. Aan het begin van Openbaring 11 moesten alleen de tempel, het altaar en hen die daarin aanbidden worden gemeten. De ark van het verbond is verdwenen sinds Jeremia die heeft verstopt voor de legers van Nebukadnezar, die Jeruzalem innamen en de tempel met vuur verbrandden. Sindsdien heeft niemand meer iets van die ark vernomen. Er wordt veel gespeculeerd over waar die ark van het verbond zich zou bevinden en er zijn boeken over geschreven en films over gemaakt. Maar niemand weet met zekerheid waar de ark van het verbond is. Voor God heeft die kist met haar inhoud haar betekenis verloren. Sinds de Babylonische ballingschap lezen we nergens in de Bijbel nog dat eraan wordt gerefereerd, behalve hier.

Maar hier gaat het niet om de aardse maar om de hemelse tempel van God. De eeuwige rustplaats van de ark is niet langer in een aardse maar in een hemelse tempel. Daar hoort zij voortaan thuis. De reden daarvoor is tweeledig. (1) Allereerst is de hemel de ‘vaste plaats’ van Gods woning, zoals Salomo bidt bij de inwijding van de tempel. Maar nog belangrijker: (2) de hemel is de plaats waar de Heiland zijn bloed heeft binnengebracht. ‘Want Christus is niet ingegaan in het met handen gemaakte heiligdom, een tegenbeeld van het ware, maar in de hemel zelf, om hu te verschijnen voor het aangezicht van God voor ons’. ‘Maar Christus, gekomen als hogepriester van de komende goederen, door de grotere en volmaaktere tabernakel, niet met handen gemaakt (dat is niet van deze schepping), ook niet door het bloed van bokken en kalveren, maar door zijn eigen bloed, is eens voor altijd ingegaan in het heiligdom, na een eeuwige verlossing verworven te hebben’.

De eeuwige verlossing is verbonden aan de hemel. Daarom richt God onze blik van de aardse naar de hemelse tempel. Daar staat de ark van het verbond. Zien we wat daarop ligt? Het bloed van Christus, als van een onbevlekt en onbesmet Lam. En waar het gaat om de plaats waar Christus, zijn bloed heeft gebracht, dan richt God onze blik daarmee op een laag, die dieper gaat dan de tempel, een laag die helemaal teruggaat naar het begin van de schepping, waar alle problemen zijn begonnen. We komen daar zometeen bij punt (3) op terug.


(2) Waarom lezen we hier opnieuw van bliksemstralen, stemmen, donderslagen, aardbeving en grote hagel?

(2) De bliksemstralen, stemmen en donderslagen zijn de gebruikelijke uitingen, die uitgaan van Gods troon, zoals we zagen in Openbaring 4:5. Wanneer een deur wordt geopend in de hemelse tempel en de ark van God wordt daar gezien, als de troon van God, dan is het niet verwonderlijk dat we ook de aan die troon verbonden uitingen zien en horen. Echter, er volgt hier nog meer, namelijk: ‘aardbeving en grote hagel’. We hebben al gezien dat de aardbevingen in Openbaring een symmetrisch patroon weergeven, waarbij de grote aardbeving van Openbaring 11:13 een centrale plaats inneemt. Na die aardbeving blaast de zevende bazuin en wordt het koninkrijk van de Heer en van zijn Christus aangekondigd. De vierentwintig oudsten hebben in aanbidding het finale optreden van God in de wereld beschreven, waarvoor 'de tijd gekomen is'.

Wat hier gebeurt is te zien als een inleiding op het vervolg. Het is echter ook een antwoord op wat eraan vooraf ging. Gods komst en zijn finale optreden in de wereld zijn gebaseerd op de ark van het verbond waarop het bloed van de Heer Jezus is gesprenkeld. Alles is gebaseerd op zijn verzoeningswerk. Hij is geslacht en Hij heeft voor God gekocht… en daarom wat Hij waardig de boekrol te nemen en de zegels te verbreken. Hij heeft zijn bloed gesprenkeld in het binnenst heiligdom van de hemelse werkelijkheid en dat is de basis voor Gods finale handelen met deze wereld, zowel in het belonen van allen die zijn kant kozen als in het afrekenen met hen die de kant van de tegenstander kozen. Dat laatste wordt nog eens onderstreept door de aardbeving en de grote hagel. Het is een vooraankondiging van alles wat nog gaat komen en wat de rijk van de satan op aarde definitief zal verpletteren. De zeven schaalgerichten komen eraan. De aardbeving is een eerste schok, die de allergrootste aardbeving uit de geschiedenis van de zevende schaal aankondigt (16:18). De hagel is een voorafschaduwing van de enorme hagel, die op de aarde zal neerstorten onder diezelfde zevende schaal.


(3) Wie wordt er voorgesteld door de vrouw?

Nadat de aandacht gevestigd is op het bloed van het Lam op de ark in de hemelse tempel -zie punt (1)-, kan de diepere laag in de geschiedenis worden aangeboord. En die wordt hier getoond in een 'groot teken', dat wordt gezien in de hemel. Het is 'groot' in de zin van 'belangrijk', belangrijker dan de aardse tempel van Openbaring 11. De Geest van God neemt ons mee van de ellende die het beest op aarde aanricht (Openbaring 9) via de sterke engel met het boekje over het volk Israël (Openbaring 10) en de aardse tempel met de twee getuigen (Openbaring 11) en via het sleutelvers van de ark van het verbond in de hemelse tempel (Openbaring 11:19) naar de rode draad door de wereldgeschiedenis. Die rode draad loopt via 'de vrouw'. Het was door de vrouw, dat satan het onheid over de aarde bracht en de opstand tegen God ontketende. Het zal door de vrouw zijn, dat God het onheil zal verkeren in heil en dat de opstand tegen God zal worden neergeslagen. De rode draad van de vrouw door de wereldgeschiedenis is de draad van verlossing en overwinning. De draad die Openbaring 12 oppakt, begon lang geleden met een profetie over de vrouw. Er zou vijandschap zijn tussen het zaad van de vrouw en het zaad van de slang. Het zaad van de vrouw zou de slang de kop vermorzelen en de slang zou het de hiel vermorzelen. Dat is de essentie van de wereldgeschiedenis.

Echter we worden niet helemaal teruggezet in de hof van Eden. Want deze vrouw is getooid met de zon, heeft de maan aan haar voeten en heeft een kroon van twaalf sterren. Dat doet denken aan de droom van Jozef, waarbij de elf broers als sterren en zijn vader en moeder als zon en maan voor hem bogen. We hebben hier te maken met het volk Israël. Vanaf het neerdalen van de sterke engel met het geopende boekje, wordt de geschiedenis geplaatst in het perspectief van de profetieën over Israël. De zon was voor Israël de zegenrijke tegenwoordigheid van God Zelf. Zij waren door God bedoeld als een volk van het licht en van de dag. De maan onder haar voeten kan duiden op de maan als belangrijke wijzer op Israëls jaarkalender, zodat het volk wist wanneer ze naar de HEERE moest optrekken voor het vieren van zijn feesten maar ook wanneer het de tijd was van zaaien en oogsten. De twaalf sterren lijken hier te staan voor de twaalf stammen van Israël, die elk afzonderlijk een licht moesten zijn voor elkaar en voor de volken rondom. Kortom: de vrouw staat voor het gelovig Israël, zoals dat door God bedoeld was en wat voor Hem het kanaal zou worden waarlangs Hij ‘het zaad van de vrouw’, de Verlosser in de wereld zou brengen.

De vraag is dan of we hier aan het begin van Israëls geschiedenis worden geplaatst. Dat lijkt om twee redenen niet het geval. (1) De ark van het verbond was het eerste waarop Johannes’ aandacht wordt gevestigd en die ark wordt gezien in de hemelse tempel, niet in de aardse tempel. Het punt in de tijd waarop Openbaring de lezer hier terug zet is hetzelfde punt als waar de lezer van Daniël 2 of Daniël 7 wordt neergezet. Aan het begin van het volk Israël onder de wereldrijken, waarbij God zijn volk niet langer de centrale plaats in de wereldgeschiedenis toedicht en de jaren rekent naar de koningen van de wereldrijken. (2) De aanwezigheid van ‘het andere teken in de hemel’, geeft eveneens aan dat we te maken hebben met een gelovig Israël, dat ten zeerste in het nauw wordt gebracht door wereldrijken, zozeer dat de Verlosser, die uit haar voortkomt, door die wereldrijken kan worden verslonden.

Die bedreiging van het voortbestaan als volk, heeft ook plaatsgevonden aan het begin van Israëls ontstaan als volk, toen het door Farao gedwongen werd de pasgeboren jongetjes in de Nijl te werpen. Echter, dat was slechts een tamelijk korte periode van enkele decennia het geval en daarmee werd al snel afgerekend door de HEERE. Maar sinds Israël als getuige van God op aarde had gefaald en in ballingschap werd gevoerd onder de wereldrijken, is het gelovige deel van het volk eeuwenlang voortdurend in gevaar geweest. Het Babylonische rijk bracht de ballingschap en de dwang tot afgoderij. Het Medisch Perzische rijk bedreigde Israël in haar voortbestaan vanwege Haman. Twee brokken van het Griekse wereldrijk, de Ptolemaeën en de Seleuciden, waren continu in staat van oorlog, waardoor Israël, dat daartussenin lag, het moest ontgelden. Het Romeinse wereldrijk heeft in de kindermoord van Bethlehem door Herodes bijna letterlijk gedaan wat in Openbaring 12:4 beschreven wordt. Dit brengt ons als vanzelf bij de vierde vraag.


(4) Wie wordt er voorgesteld door de draak?

De draak wordt voorgesteld als vuurood, met zeven koppen en tien horens en op zijn koppen zeven diademen. Wie de draak is, hoeft voor geen enkele uitlegger een raadsel te zijn want Johannes vertelt het in vers 9: ‘En de grote draak werd neergeworpen , de oude slang, die genoemd wordt duivel en de satan, die het hele aardrijk misleidt.’

Vanuit ark in de tempel van God in de hemel, zagen we al dat het gaat om Gods verlossingsplan, aangekondigd aan het adres van de slang, direct nadat die verlossing noodzakelijk was geworden door het zondigen van de eerste mens. Uiteraard zet de slang alles op alles om te verhinderen dat de Verlosser van de mensheid in de wereld komt, die hem de kop gaat vermorzelen. We kunnen die pogingen nagaan vanaf het moment dat het eerste mensenpaar de hof van eden verlaat. Echter, het visioen van Johannes laat de inspanningen van satan zien vanaf het moment dat de ark van het verbond verplaatste van de aardse naar de hemelse tempel en God niet langer op aarde woonde, te midden van zijn volk, zoals we zagen in Openbaring 11:19.

Satan is ‘de overste van de macht der lucht’. Hij is een ‘overheid of macht in de hemelse gewesten’. Hij kan zijn invloed op aarde alleen uitoefenen door mensen te beïnvloeden voor hem aan het werk te gaan. En dat doet hij door ze een enorm wereldrijk te laten bouwen en op die manier zelf alle macht naar zich toe te trekken. Maar omdat ze dat doen in gehoorzaamheid aan satan, is het satan die alle macht heeft. Om die reden zien we satan als een vuurrode draak met zeven koppen, die elk gekroond zijn. Dus zeven kronen. In zeven (deel-)rijken stak satan in de geschiedenis vanaf Baylon steeds opnieuw de kop op om Israël te vernietigen. Als we de wereldrijken of brokstukken van rijken tellen vanaf de Babylonische ballingschap, dan zijn dat er inderdaad zeven. Babel (1) – Medië en Perzië (2) (twee rijken in één) – De Ptolemaeën en de Seleuciden (2) (twee brokstukken van het Griekse rijk) en Rome, dat zich splitste in een Oost- en een West-Romeins rijk (2).

Echter, Rome kan ook op een tweede manier worden onderscheiden in twee delen, namelijk het oude Romeinse rijk en het Romeinse rijk in haar laatste, nog toekomstige vorm, als een verbond van tien staten. Het Romeinse wereldrijk loopt door de hele Europese geschiedenis heen en mondt uiteindelijk uit in tien horens. Maar de tien horens hebben hier nog geen kronen. Daarvoor zijn twee redenen, (1) De draak wordt voorgesteld voordat hij uit de hemel is geworpen. De horens ontvangen pas daarna hun kronen, zoals we in Openbaring 13 en 17 nog zullen zien. (2) Het gaat hier niet om de koningen van de rijken maar om de macht achter de rijken. Dat is de draak. Satan is 'the power behind the throne', de wezenlijke machthebber van alle rijken en derhalve draagt hij de kronen. Het kan niet vaak genoeg herhaald worden: tegen Jezus zei satan: 'want zij, (deze macht en de heerlijkheid van de koninkrijken van het aardrijk) is mij overgegeven en aan wie ik wil geef ik ze.' In de voorstelling van het laatste wereldrijk in Openbaring 13 zien we dan ook geen kronen op de zeven koppen, alleen op de tien horens.

De kleur voor ‘vuurrood’ die in het Grieks wordt genoemd is ‘pyrros’, wat ook voorkomt als de kleur van het tweede paard van de apocalyptische ruiters, in Openbaring 6:4, en zeer dicht aanleunt tegen ‘pyrinos’, één van de kleuren in de harnassen van de paarden en hun ruiters van de zesde bazuin, in Openbaring 9:17. We hebben daar gezien dat het een hoofdkleur was binnen het Romeinse wereldrijk, in de legioenen. Het is vooral in de uiting door middel dat laatste, Romeinse, wereldrijk, dat we de draak hier zien optreden, ook gezien de tien horens, die van toepassing zijn op de tweede en laatste fase van het Romeinse rijk. Het is het Romeinse rijk, dat door middel van een volkstelling de tijd dat Maria van Jezus moest bevallen, tot een zware tijd maakte. Het was Herodes, de vazal van het Romeinse rijk, die de baby Jezus naar het leven stond en de kindermoord van Bethlehem op zijn geweten had. Het waren de verleidingen van het Romeinse wereldrijk, waarmee Jezus door de duivel in de woestijn werd verzocht. Het waren de verschrikkingen van het Romeinse wereldrijk, die als een onvoorstelbare vorm van lijden over de Verlosser werden gebracht – geseling, bespotting, kruisiging. Het heeft de satan allemaal niet mogen baten. Hij heeft het zaad van de vrouw weliswaar aan het kruis de hiel vermorzeld. (Mogelijk zelfs letterlijk, de nagels werden ook wel door de hielen geslagen). Maar de Verlosser van de mensheid heeft satan de kop vermorzeld. ‘Hij heeft door de dood teniet gedaan, Hem die de macht over de dood had en allen verlost, die uit angst voor de dood hun hele leven door aan de slavernij onderworpen waren.’

- 1 februari 2022 -


Vers 4

Een derde van de sterren

‘En zijn staart sleepte het derde deel van de sterren van de hemel mee en wierp ze op de aarde.'


Over dit gedeelte kunnen de volgende vragen worden gesteld:

(1) Komt het derde deel van de sterren overeen met een derde van de engelen, die satan zijn gevolgd in zijn opstand tegen God?

(2) Zo niet, wat wordt dan bedoeld met het derde deel van de sterren, dat ter aarde wordt geworpen?

(3) Wat wordt beodeld met 'de staart' van de draak?

(4) Waar vinden we dit beeld terug in het Oude Testament?


(1) Komt het derde deel van de sterren overeen met een derde van de engelen, die satan zijn gevolgd in zijn opstand tegen God?

Het is verbazingwekkend hoeveel uitleggers op basis van deze tekst beweren dat een derde van de engelen satan gevolgd is in zijn val. Dat zou hij graag willen. En hij zou graag willen dat alle christenen dit geloven. Iets dergelijks kan echter niet aan één enkel vers worden ontleend. Dan zou dat bevestigd moeten worden vanuit andere delen van de schrift. Maar dat gebeurt nooit. Dit is de enige tekst, die men heeft voor de gestelde bewering. En de uitleg die men daarbij van deze tekst geeft, is op zijn zachtst gezegd zeer wankel.

Laten we echter de stelling dat een derde van Gods engelmacht de satan gevolgd is in zijn val, eens op de keper beschouwen. Klopt dat wel met andere delen van de schrift? De Heer Jezus zegt in de hof van Gethsémané dat de Vader Hem meer dan twaalf legioenen engelen terzijde kan stellen. Als Hij dat zegt, dan zijn twaalf legioenen engelen voldoende om Hem uit de handen te houden van allen die Hem naar het leven staan en derhalve Hem te bevrijden uit de volledige engelmacht van satan. De engelmacht van satan is derhalve kleiner dan twaalf legioenen engelen, dat zijn 12 keer 6.000 = 72.000 engelen. Dat zijn circa zeven tienduizendtallen. En hoeveel engelen omringen de troon van God? Johannes getuigt: ‘En ik zag en ik hoorde een stem van vele engelen rond de troon, en de levende wezens en de oudsten en hun getal was tienduizenden tienduizendtallen en duizenden duizendtallen'. Derhalve kan geconcludeerd worden dat slechts een zeer kleine fractie van de engelen de satan gevolgd zijn in zijn opstand tegen de Allerhoogste.

Was het alleen gegaan om macht, dan had Jezus aan twaalf legioenen engelen meer dan voldoende gehad om alle vijandige machten te verslaan. Niet alleen Rome en het Sanhedrin maar ook de machten daarachter. Het was in de geschiedenis evenwel geen issue van kracht of macht maar van recht, waarvan satan weet dat God Zich daar Zelf aan houdt. En dat goddelijk recht was hetgeen de satan zijn overwicht gaf. Het waren de principes van God Zelf die de satan gebruikte als hefboom om op aarde zijn macht uit te breiden en dat doet hij in wezen nog steeds. Zonder de enorme lankmoedigheid van God, had satan niet de tijd gehad om een machtsbolwerk op te bouwen, waarvan we in de eenentwintigste eeuw getuige zijn.

Dat wil niet zeggen dat we gering moeten denken over de macht van satan. De Heer Jezus Zelf noemt satan ‘de sterke’ als hij zegt: Lukas 11:20 'Maar als Ik door de vinger van God de demonen uitdrijf, dan is het Koninkrijk van God bij u gekomen. Wanneer een sterke gewapende man zijn woning bewaakt, is alles wat hij heeft veilig. Maar als iemand die sterker is dan hij, op hem afkomt en hem overwint, neemt hij hem zijn hele wapenrusting, waarop hij vertrouwde, af en verdeelt zijn buit.’

De satan heeft derhalve veel kracht. De satan is veel sterker en vooral veel slimmer dan de mens. Maar God heeft eindeloos veel meer kracht en eindeloos meer wijsheid. God hoeft slechts zijn vinger op te heffen of de demonen vliegen heen. Dat verschil in macht geldt eveneens voor de aantallen engelen aan weerszijden.

Uitleggers menen onderbouwing te vinden voor de uitleg van een derde van de sterren als engelen van de hemel in de verzen die verderop volgen (Openbaring 12:7-9). Daar lezen we van een oorlog in de hemel: ‘Michaël en zijn engelen voerden oorlog tegen de draak, en de draak voerde oorlog en zijn engelen; en hij was niet sterk genoeg, en hun plaats werd in de hemel niet meer gevonden. En de grote draak werd neergeworpen...en zijn engelen werden met hem neergeworpen.’

Er zijn vier redenen waarom deze oorlog in de hemel van verzen 7-9 over totaal iets anders gaat dan de sterren van vers 4, die meegesleept en op aarde geworpen worden.

(1) De sterren van vers 4 worden door de draak uit de hemel mee gesleept en op aarde geworpen. De engelen van satan worden volgens verzen 7-9 door Michaël op aarde neergeworpen ‘met de draak’.

(2) De satan heeft er geen enkel belang bij om de engelen die hem in zijn opstand tegen God gevolgd zijn op aarde te werpen. Integendeel. Hij wil zo veel en zo lang mogelijk, mét al zijn trawanten, toegang behouden tot de hemel. Hij is de ‘overste van de macht der lucht’. Hij is de aanvoerder van ‘de geestelijke machten van de boosheid in de hemelse gewesten’.

(3) De sterren van vers 4 zouden satan gevolgd zijn aan het begin van zijn opstand tegen God, ergens voor of aan het begin van de schepping. Dat is minstens circa 6.000 jaar geleden. Maar de oorlog in de hemel van de verzen 7-9 start ergens halverwege de laatste jaarweek van Daniël. Daarop wijst (a) de opmerking ‘dat hij weet dat hij weinig tijd heeft’. Dat slaat op de draak die zojuist uit de hemel is geworpen en (b) de mededeling dat de vrouw, die sinds de val van de draak op aarde door deze wordt vervolgd, gedurende een tijd, tijden en een halve tijd wordt gevoed op haar plaats in de woestijn. Dat betekent dat de val van satan aan het begin van die ‘tijd, tijden en een halve tijd’ moet hebben plaatsgevonden, halverwege Daniëls laatste jaarweek. We hebben hierop al een voorschot genomen bij de uitleg van hoofdstuk 9, dat als een legpuzzel aansluit bij de gegevens in de hoofdstukken 11-17. Daarbij zagen we dat de 'ster, die uit de hemel op aarde was gevallen' overeenkomt met 'de draak, die door Michaël op aarde wordt neergeworpen'.

(4) Nergens worden engelen in het boek Openbaring ‘sterren’ genoemd. Telkens worden ‘engelen’ gewoon ‘engelen’ genoemd en er is geen enkele reden waarop Johannes in 12:4 ineens engelen zou willen symboliseren door sterren. Uitleggers leggen een verband met Job 38:7, waar de engelen inderdaad morgensterren worden genoemd. De directe context van een tekst is echter veel belangrijker dan de veel bredere context van de gehele Bijbel. Kijken we naar de context van het boek Openbaring, dan betekent het meervoud ‘sterren’ steeds óf letterlijke sterren (8:12) óf vallende sterren (6:13) óf mensen (‘engelen’ van de zeven gemeenten, 1:20). Nergens betekent ‘sterren’ (meervoud) ‘engelen’. Een sterk in enkelvoud heeft wel betrekking op een hemels wezen en wel in 9:1 (satan) en 22:16 (Jezus).


(2) Zo niet, wat wordt dan bedoeld met het derde deel van de sterren, dat ter aarde wordt geworpen?

Als de sterren, die van de hemel meegesleept en op aarde geworpen worden, niet slaan op engelen, wat betekent dit beeld dan? Om dat te begrijpen, moeten we eenvoudig bij de reeds aangegeven context blijven. De draak is de satan, die door middel van zeven (deel-)rijken probeert de geboorte van het zaad van de vrouw te verhinderen, Gods Verlosser van de mensheid, Degene die hem de kop zal vermorzelen. De vrouw is het volk Israël, het kanaal waarlangs God de Messias inbrengt. Dat volk heeft gedurende de gehele geschiedenis, dat zij onderworpen is aan de zeven wereldrijken, ‘pijn’ om te baren. Het is grotendeels de periode van de zeventig jaarweken, waarvan geschreven staat: ‘tweeënzestig weken zal het (de stad Jeruzalem) herbouwd blijven met plein en gracht, maar in de druk der tijden’. En na de tweeënzestig weken zal Messias worden uitgeroeid, terwijl er niets tegen Hem is….’. Tot op de komst van de Messias is Israël in een zekere mate van benauwdheid.

De vrouw, Israël, werd in 12:1 gezien met een kroon van twaalf sterren. De draak sleept in 12:4 een derde van de sterren van de hemel mee en werpt ze op de aarde. Dat zijn de sterren waarmee de vrouw was getooid. Het zijn gelovigen uit het volk Israël, die het licht van God verspreiden en die door de draak worden aangevallen en wel ‘met zijn staart’.


(3) Wat wordt beodeld met 'de staart' van de draak?

De draak kan verslinden met zijn koppen maar hij kan ook kwaad aanrichten met zijn staart. De vraag is wat die staart voorstelt. We moeten daarvoor eerst kijken in de context van Openbaring zelf.

Eerder kwamen we staarten tegen bij de sprinkhanen van Openbaring 9:10 en bij de paarden van Openbaring 9:19. In beide gevallen werd gesteld dat met de staarten ‘schade’ werd toegebracht. Het gaat daar naar alle waarschijnlijkheid om schade aan het menselijk DNA of in ieder geval de menselijke gezondheid, zijn weerstandsvermogen. We zagen dat de mensheid thans, onder het mom van de grootste leugen uit de geschiedenis, al onder vuur ligt van een biowapen, waarbij genetische desinformatie onder de naam ‘vaccin’ in het menselijk lichaam wordt ingespoten, waar het op korte of op lange termijn grote schade aanricht.

De staart is het middel tot het ventileren van desinformatie. Vanwege de enorme ontwikkeling in wetenschap en techniek is desinformatie thans beschikbaar op cel-niveau en kan het gaat om biologische desinformatie voor het lichaam. Maar om die desinformatie op micro niveau te kunnen aanbrengen, is ook desinformatie op macroniveau nodig. Dat zien we gebeuren door overheid en media, met het uitroepen van een valse pandemie. In het oude Israël gebeurde het verspreiden van desinformatie door valse profeten. Jesaja 9:13 ‘Daarom zal de HEERE van Israël kop en staart, palmtak en riet, op één dag afsnijden. De oudste en aanzienlijke: zij zijn de kop, en de leugen onderwijzende profeet: hij is de staart.’

Men zou kunnen zeggen, dat vanaf de verplaatsing van de autoriteit op aarde van Israëls oudsten naar de koningen van de wereldrijken geldt: 'de koning en de keizer, zij zijn de kop en de leugen onderwijzende profeet: hij is de staart'. Dit zien we uitbeeld in Openbaring 12 tegenover de vrouw, het gelovige Israël, dat Gods licht verspreidt middels de sterren waarmee zij is getooid.


(4) Waar vinden we dit beeld terug in het Oude Testament?

Er is een parallel gedeelte in het boek Daniël dat zó naast Openbaring 12:4 kan worden gelegd en dat deze uitleg ondersteunt:

Daniël 8:10 ‘Hij werd groot, tot aan het leger van de hemel. Van dat leger, namelijk van de sterren, liet hij er sommige ter aarde vallen en vertrapte ze.’

In de uitleg van Daniël 8 door de engel Gabriël, is de ‘hij, die groot werd’ een vorst van één van de vier brokstukken van het Griekse wereldrijk. Gabriël geeft aan: ‘Hij werd groot, tot aan het leger van de hemel. Van dat leger, namelijk van de sterren, liet hij er sommige ter aarde vallen en vertrapte ze.’

De sterren zijn de getrouwen onder het volk Israël. Zij hebben een geschil met hun volksgenoten, die waren gehelleniseerd (hadden elementen van de Griekse godsdienst overgenomen). Toen een Griekse vorst van het rijk der Seleuciden, Antiochus IV, in het jaar 168 voor Christus een beeld van Zeus in de tempel plaatste en daaraan offers wilde brengen, kwamen de getrouwen in opstand. Hun hellenistische volksgenoten werden gesteund door Aniochus IV en de getrouwen moesten vluchten. Duizenden van hen werden zwaar vervolgd en vonden de dood. Een belangrijk aspect hierin is, dat de getrouwen onder het volk niet alleen te lijden hadden van de hoofden der rijken maar ook van hun eigen volksgenoten. De draak bediende zich van zijn zeven ‘koppen’, de rijken en hun koningen maar ook van zijn ‘staart’, de verraderlijke elementen onder het volk Israël, die niet behoorden tot de vrouw – het gelovig Israël – maar tot de draak – de vijand van gelovig Israël en van God.

Er zijn schattingen dat tienduizenden Joden de dood vonden in de vervolging die ontstond na de verontreiniging van de tempel. Dan zou het inderdaad kunnen gaan om ‘een derde van de sterren’. Er is nog een tweede manier waarop ‘een derde’ van de sterren kan worden uitgelegd, ook weer in verband met het Joodse volk en dat betreft de periode in de Joodse geschiedenis, waarop het beeld van de vrouw en de draak betrekking heeft. Mattheus 1 laat de geslachtslijn zien van Abraham tot Jezus. Het is het volledige geboortekanaal van ‘de vrouw’, het uitverkoren volk van God, tot aan de Messias. In totaal gaat het om tweeënveertig geslachten. Die tweeënveertig geslachten zijn verdeeld in drie keer veertien geslachten: veertien van Abraham tot David, veertien van David tot aan de wegvoering naar Babel en veertien vanaf de wegvoering naar Babel tot Christus.

Aan de ‘ark van het verbond in de hemelse tempel’ weten we dat het beeld van Openbaring 12 betrekking heeft op de Israëls geschiedenis vanaf de Babylonische ballingschap. Het gaat om de laatste veertien van de in totaal tweeënveertig geslachten. Dat is ‘een derde van de sterren’, die leven onder de knoet van de wereldrijken.

- 3 februari 2022 -


Vers 4b – 6

Het mannelijk kind

En de draak stond vóór de vrouw die zou baren, om zodra zij haar kind zou baren, het te verslinden. En zij baarde een zoon, een mannelijk kind, die alle naties zal hoeden met een ijzeren staf; en haar kind werd weggerukt naar God en naar zijn troon. En de vrouw vluchtte de woestijn in, waar zij een plaats heeft, door God bereid, opdat men haar twaalfhonderdzestig dagen voedde.’


Dit gedeelte roept de volgende vragen op:

(1) Wie is de zoon, het mannelijke kind, die alle naties zal hoeden met een ijzeren staf?

(2) Wat betekent het ‘weggerukt’ worden van het kind naar God en naar zijn troon?

(3) Wat wordt bedoeld met de woestijn, waar de vrouw in vlucht?

(4) Wanneer vindt de vlucht van de vrouw plaats?


(1) Wie is de zoon, het mannelijke kind, die alle naties zal hoeden met een ijzeren staf?

De vrouw, de draak en het kind zijn de drie grote thema’s van de wereldgeschiedenis, die al door God worden neergezet, vlak na de zondeval, waar Hij zegt, tegen de slang:

‘Ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouw en tussen uw zaad en haar zaad. En het zal u de kop vermorzelen en u zult het de hiel vermorzelen.’ (Genesis 3:15)

Het kind van Openbaring 12 is het zaad van de vrouw, dat ‘de slang’ de kop zal vermorzelen. Het is Jezus Christus. ‘Maar toen de volheid van de tijd gekomen was, zond God Zijn Zoon uit, geboren uit een vrouw, geboren onder de wet, geboren uit een maagd, geboren onder de wet.’ (Galaten 4:4)

Hij is het die ‘door de dood teniet gedaan heeft hem die de macht over de dood had opdat Hij allen verlossen zou die uit angst voor de dood hun hele leven aan de slavernij onderworpen waren.’ (Hebreeën 2:14,15)

Door de dood. Het heeft Hem alles gekost. Zijn hiel is vermorzeld. Letterlijk. Aan het kruis. Hij is het die de duivel de macht over de dood heeft afgenomen. ‘Zie Ik ben dood geweest en Ik ben levend tot in alle eeuwigheid en Ik heb de sleutels van de dood en de hades’. (Openbaring 1:18).

Hij is het die alle naties zal hoeden met een ijzeren staf. Weliswaar zegt Jezus tegen de overwinnaars van Thyatira in Openbaring 2:26,27:

‘En wie overwint en wie Mijn werken tot het einde toe in acht neemt, hem zal Ik macht geven over de heidenvolken. En hij zal hen hoeden met een ijzeren staf … 'Maar daarna volgt: 'zoals ook Ik die macht van Mijn Vader heb ontvangen'. Het gaat daar over gedelegeerde macht, die in eerste instantie gegeven is aan Christus, zoals we ook lezen in Openbaring 19:15 ‘En uit Zijn mond kwam een scherp zwaard, opdat Hij daarmee de heidenvolken zou slaan. En Hij zal hen hoeden met een ijzeren staf….’


(2) Wat betekent het ‘weggerukt’ worden van het kind naar God en naar zijn troon?

Als het mannelijke kind slaat op Jezus Christus, dan kan het ‘weggerukt’ worden alleen worden opgevat als alles wat met Jezus is gebeurd sinds zijn geboorte, eindigend in zijn hemelvaart. Dat wordt hier zeer kort voorgesteld als ‘weggerukt’. Dat woord ziet op het enorme geweld waaraan zijn leven was blootgesteld en de ontzaglijke vaart waarmee Hij het werk tot het einde toe voltooide. We lezen iets dergelijks in het herhaaldelijke ‘terstond’ van het Markus evangelie. De druk waaraan het leven van Jezus Christus is blootgesteld geweest, kan niet overschat worden. Hier was na 4000 jaar wereldgeschiedenis en van voortdurend falen van de volledige mensheid, waarbij God telkens iets nieuws moest beginnen, eindelijk de Heiland, die alles naar een goed einde zou voeren, door de grote macht achter alle schermen uit te schakelen.

We kunnen ons voorstellen hoe die macht achter de schermen, die door de wereldgeschiedenis heen steeds meer invloed had gekregen, alles mobiliseerde om Hem te bestrijden. Maar in die vierduizend jaar van infiltratie is de vijand er niet in geslaagd een instrumentarium te ontwikkelen dat in staat was de Heiland van de weg des heils af te brengen en Hem te stuiten in zijn verlossingswerk. Alle verschrikkingen van het wettische Israël en van het oppermachtige Rome en de meest vreselijke martelinstrumenten van geseling en kruis en zelfs de zonden van hen die Hij kwam verlossen, waren niet in staat Hem te laten terugdeinzen.

Zijn leven stond onder continue druk. Reeds toen Maria in verwachting was van Hem, werd ze gedwongen een enorme voetreis te maken naar Bethlehem. Hij moest in de buitenlucht worden geboren. Het jonge gezin moest vanwege moorddadige plannen van Herodes vluchten naar Egypte. Na de dood van Jozef kwam de zorg voor het gezin deels op de schouders van Jezus en deed Hij zijn werk in Nazareth. Gezien opmerkingen van Nathanaël, was dat geen gemakkelijke omgeving. Veertig dagen van verzoekingen in de woestijn konden Hem niet breken.

Tijdens zijn drie jaren van bediening werd Hij eindeloos verzocht door de godsdienstige leiders van zijn dagen, de Farizeeën, de schriftgeleerden, de oudsten, de priesters. Al die tijd verkeerde Hij in aanwezigheid van een verrader terwijl de andere discipelen vaak bijzonder veel onbegrip tentoon spreidden. In Gethsémané was hun empathie ver te zoeken. Helemaal alleen stond Hij voor dat onnoemelijk zware werk. Tot het bittere einde toe heeft Hij het volbracht en veertig dagen na zijn opstanding voer Hij ten hemel, naar God en zijn troon, de rechterhand van de Vader. Zoals Hij Zelf had getuigd voor het Sanhedrin: ‘Van nu af aan zult u de Zoon des mensen zien zitten aan de rechterhand van de kracht en zien komen met de wolken van de hemel.’

Het woord voor ‘weggerukt’ worden in de grondtekst is ‘Harpazo’ en omdat dit ook voorkomt in 1 Thessalonicenzen 4:13-17, waar het gaat om het weggerukt worden van de gemeente (meestal ‘opname van de gemeente’ genoemd) denken velen dat het ook hier, in Openbaring 12:5, gaat om de gemeente. Er zijn echter diverse argumenten om deze uitleg van de hand te wijzen.

(1) De gemeente is niet ‘een mannelijk kind’. De gemeente wordt in de Bijbel overal aangeduid als ‘vrouwelijk’, de bruid of de vrouw van het Lam, een reine maagd.

(2) De gemeente is niet voortgekomen uit Israël. De gemeente komt voort uit God Zelf. Wie de Heer Jezus aanneemt is ‘uit God geboren’ of ‘geboren uit onvergankelijk zaad’, Gods Woord, hooguit geboren door het woord van een apostel, zoals Paulus aangeeft: ‘. Als het gaat om Gods getuigenis op aarde, dan is de natie Israël uitgebreid met gelovigen uit de volken, zoals wilde takken op een olijfboom zijn geënt. Maar dat is gebeurd door geboorte uit God, niet door een natuurlijk voortkomen uit Israël. Nergens in de Bijbel lezen we dat Israël ‘de moeder’ van de gemeente zou zijn.

(3) De gemeente is niet datgene was primair onder vuur ligt van de satan. Het is Christus die primair doelwit is. Hij wordt aangevallen en omdat de gemeente bij Hem hoort, wordt zij ook aangevallen. ‘Als de wereld u haat, weet dat zij Mij eerder dan u heeft gehaat… omdat Ik u uit de wereld heb uitverkoren, daarom haat de wereld u.’

(4) De gemeente wordt primair weggerukt ‘naar Christus’, niet naar God en zijn troon. De belofte van de winnaars in Laodicea is ‘met Hem te zitten in zijn troon, zoals Hij Zich gezet heeft in de troon van zijn Vader’. De gemeente komt niet in de troon van God of van de Vader maar in de troon van Christus om samen met Hem te regeren.

(5) De gemeente is niet de primaire erfgenaam van de wereld die alle naties zal hoeden met een ijzeren staf. Dat is Christus en de gemeente is alleen erfgenaam door Hem en regeert met Hem.

(6) Direct na het weggerukt worden van het kind, wordt de vrouw, het gelovig Israël, de woestijn in gevoerd om 1260 dagen gevoed te worden. Als vers 5 zou slaan op de opname van de gemeente, dan zou er direct daarna geen gelovig Israël meer op aarde zijn, dat in de woestijn bescherming nodig heeft. Dan zou dat gelovig Israël namelijk betrokken zijn geweest in diezelfde opname. Ook zouden er dan geen twee getuigen meer op aarde zijn (Openbaring 11) of een ontelbaar grote schare (Openbaring 7). Om die reden moet geconcludeerd worden dat er halverwege de laatste jaarweek van Daniël geen opname van gelovigen zal plaatsvinden.


(3) Wat wordt bedoeld met de woestijn, waar de vrouw in vlucht?

Er is een belangrijke parallel met Mattheus 24, waar de Heer Jezus de gelovigen, die zullen leven in de laatste jaarweek, waarschuwt: Mattheüs 24:15-21 ‘Wanneer u dan de gruwel van de verwoesting, waarover gesproken is door de profeet Daniël, zult zien staan op de heilige plaats – laat hij die het leest, daarop letten! – laten dan zij die in Judea zijn, vluchten naar de bergen. Wie op het dak is, moet niet naar beneden gaan om iets uit zijn huis te halen, en wie op de akker is, moet niet terugkeren naar wat hij achterliet om zijn kleren te halen. Maar wee de zwangeren en de zogenden in die dagen! En bid dat uw vlucht niet zal plaatsvinden in de winter en ook niet op een sabbat. Want dan zal er een grote verdrukking zijn, zoals er niet geweest is vanaf het begin van de wereld, tot nu toe, en zoals er ook nooit meer zijn zal.’

Er is sprake van ‘een vlucht naar de bergen’. Dat kunnen de bergen van Judea zijn, waar ook David heen vluchtte voor Saul en die vol zitten met spelonken. Maar aannemelijker is een vlucht richting de beek Krith, waar Elia heen vluchtte voor Achab en waar hij zich, net als de vrouw in ons gedeelte, drie en een half jaar schuil hield, terwijl het al die tijd, op zijn gebed, niet regende in Israël. Ook in de tijd van de vlucht van de vrouw komen dergelijke oordelen over de wereld, op het woord van de getuigen, volgens Openbaring 11:6. De geschiedenis herhaalt zich. De beek Krith ligt eveneens in bergachtig gebied aan de Oostkant van de Jordaan, in het huidige Jordanië.

Ook is een vlucht naar Pella mogelijk, waar christenen rond het jaar 66 heen vluchtten toen de stad Jeruzalem omsingeld begon te worden door Romeinse legioenen en zei het woord van Jezus gehoorzaamden, dat we lezen in Lukas 21:20-24. Pella ligt circa 20 kilometer ten Noorden van de beek Krith.

Maar misschien is het meest aannemelijk, dat het gaat om een plaats, waarvan we nu nog onmogelijk kunnen zeggen waar die zich bevindt omdat die tot na de grote verdrukking geheim moet blijven voor de vijanden van de vrouw. Het gaat om een plaats, die haar pas wordt geopenbaard, als de tijd voor haar vlucht gekomen is. Bergachtige woestijnen zijn er genoeg in het Midden Oosten.


(4) Wanneer vindt de vlucht van de vrouw plaats?

Een belangrijke vraag is wanneer de vlucht van de vrouw plaatsvindt. Er zit een vreemde overgang in het gedeelte. Het begint namelijk met de vrouw als ‘groot teken in de hemel’. Dan volgt een ander teken, nog steeds in de hemel, de grote draak, die het kind waarvan de vrouw zwanger is, wil verslinden. De vrouw baart haar kind, dat wordt weggerukt naar God en zijn troon. We hebben geconcludeerd dat dit allemaal slaat op wat circa 2000 jaar geleden gebeurde, de hemelvaart van de Heer Jezus na het volbrachte werk op Golgotha. En dan ineens vlucht de vrouw de woestijn in. Ineens is zij niet langer het ‘grote teken in de hemel’ maar is zij op aarde en moet zij vluchten voor de draak.

Dit laat zien dat de grote lijnen van Gods heilsplan in de geschiedenis, door Hem op aarde wordt vervuld met hele concrete mensen van vlees en bloed, die te maken hebben met hele concrete dreigingen van hele concrete vijanden. De vrouw is een groot teken aan de hemel maar is tevens de maagd Maria, die samen met Jozef in het overvolle Bethlehem op zoek is naar een plek, waar zij kan bevallen. Het grote teken aan de hemel is tevens het gezelschap van getrouwe christen-Israëlieten, die op het woord van Jezus zijn gevlucht rond het jaar 66 toen Romeinse legioenen Jeruzalem begonnen te omsingelen. Zij keerden rond het jaar 70 terug, nadat Jeruzalem was gevallen en waren derhalve circa 3,5 jaar ‘in de woestijn’.

Het grote teken aan de hemel is tevens de groep Israëlieten in de laatste jaarweek van Daniël, die vast houden aan de beloften van God, die wachten op de komst van hun Messias en die op de vlucht slaan voor de verschrikkelijke dictaten van de allerlaatste tiran in de geschiedenis. Net als de christenen in de eerste eeuw, ontvluchten zij Jeruzalem. Dit keer voor exact 3,5 jaar of 1.260 dagen. De tweede helft van Daniëls laatste jaarweek. Het grote teken van de vrouw krijgt derhalve een vervulling (1) in Maria, (2) in de Joodse christenen van de eerste eeuw en (3) in de trouwe Israëlieten in de eindtijd.

- 12 februari 2022 -


Vers 7-9

Oorlog in de hemel

En er kwam oorlog in de hemel: Michaël en zijn engelen voerden oorlog tegen de draak, en de draak voerde oorlog en zijn engelen en hij was niet sterk genoeg, en hun plaats werd in de hemel niet meer gevonden. En de grote draak werd neergeworpen, de oude slang, die genoemd wordt duivel en de satan, die het hele aardrijk misleidt; hij werd neergeworpen en zijn engelen werden met hem neergeworpen.


Vragen die men op basis van dit gedeelte kan stellen zijn:

(1) Waarom is er oorlog nodig in de hemel, aangezien God toch de Almachtige is?

(2) Wat is de aanleiding voor de oorlog en wie start de oorlog?

(3) Wanneer start deze oorlog en hoelang duurt deze oorlog?

(4) Wat is de plaats van Jezus Christus in deze oorlog? Waarom blijft Hij ongenoemd?

(5) Wat wordt bedoeld met ‘het hele aardrijk’?

(6) Wie worden bedoeld met de engelen van de draak?


(1) Waarom is er oorlog nodig in de hemel, aangezien God toch de Almachtige is?

De hemel als plaats van perfecte harmonie is niet afkomstig van de Bijbel maar van Platonische Griekse opvattingen. Op diverse plaatsen laat de Bijbel zien dat het kwaad ook in de hemel is doorgedrongen.

(1) Er was reiniging nodig van de hemelse dingen: ‘Het was dus nodig dat wel de zinnebeelden van de dingen die in de hemelen zijn hierdoor gereinigd werden, maar de hemelse singen zelf door betere slachtoffers dan deze.’

(2) De duivel had nog toegang tot de hemel. Dat was reeds zo in de tijd van Job: ‘Op zekere dag kwamen de zonen Gods om zich voor de HEERE te stellen en onder hen kwam ook de satan…’ In de tijd van Zacharia, zag de profeet de hogepriester van zijn dagen voor de Engel des HEEREN staan terwijl de satan aan zijn rechterhand stond om hem aan te klagen. De HEERE zegt dan tot satan: ‘De HEERE bestraffe u…’ Ook het Nieuwe Testament geeft aan dat ‘wij geen strijd hebben tegen bloed en vlees maar tegen de wereldbeheersers van deze duisternis, tegen de overheden en de machten, tegen de geestelijke machten van de boosheid in de hemelse gewesten.’

Een belangrijke vraag, die kan worden gesteld is waarom de HEERE de satan niet direct bestraft en wegstuurt. Dit heeft te maken met de heiligheid van zijn troon. ‘Heilig, heilig, heilig’ roepen de vier levende wezens dag en nacht. Alles wat God doet, moet overeenstemmen met de heiligheid van zijn wezen. Al zijn wegen moeten daarmee volmaakt in harmonie zijn. God is in de uitoefening van zijn almacht gebonden door zijn heiligheid.

De mens had met zijn ongehoorzaamheid een enorme gelegenheid aan satan geboden om een flinke greep te doen in de macht van God. De HEERE had de aarde onderworpen aan het gezag van de mens. Maar de mens had dat gezag vrijwillig afgestaan aan satan door naar hem te luisteren en hem te volgen. Dat begon heel klein in de hof van Eden maar heeft steeds grotere vormen aangenomen. Door de loop van de geschiedenis zijn steeds meer engelen het verkeerde voorbeeld van de satan gaan volgen door zich op een verkeerde manier in te laten met de mensheid om zo ‘macht’ naar zich toe te trekken.

Een veel geleerde opvatting in de christenheid is, dat de satan ergens ‘in den beginne’ (wanneer wordt nooit duidelijk gemaakt), voordat de mens was geschapen, in opstand kwam en in die opstand een derde van alle engelen in de hemel ‘meesleepte’. De enige tekst waarop men dit baseert hebben we hierboven reeds besproken: de draak die met zijn staart een derde van de sterren van de hemel sleept en ter aarde werpt. Dit is een volkomen foutieve uitleg van deze tekst. De argumenten daarvoor hebben we hierboven aangegeven. Bovendien wordt deze gedachte door geen enkel ander gedeelte uit de Bijbel ondersteund. Wanneer sprake is van een eigenmachtige uitleg, die ingaat tegen de gezonde leer van de Bijbel, dan is sprake van een dwaalleer.

Afdwalingen beginnen vaak klein en worden door de loop van de tijd steeds groter. Aan het eind van de geschiedenis wordt pas de omvang van de schade duidelijk. Het eind van de geschiedenis, mondt uit in de Openbaring van Jezus Christus. Zij laat tegelijkertijd de verschrikking van het duivelse kwaad en de pracht van de goede God zien. Maar dat kwaad begon klein. David schrijft in Psalm 19:13: ‘Afdwalingen – wie bemerkt ze. Spreek van de verborgene mij vrij’. Zo ging het met de mens...en met de satan. Het begon klein en werd steeds groter. Steeds meer engelen volgden het voorbeeld van satan. De zonen Gods in Genesis 6, de zonen Gods in Psalm 82. Door de geschiedenis heen is de duivel bezig geweest zijn misleidend werk te doen, niet alleen in de harten van mensen maar ook in de onzichtbare wereld van de ‘goden’ of engelen. Zo bouwde satan zijn opeenvolgende wereldrijken, die erop uit waren het ‘zaad van de vrouw’ te vernietigen. De ultieme ontplooiing van het kwaad vinden we in de laatste fase van het Romeinse wereldrijk, dat nog toekomstig is en waar wij vlak voor staan.

Ons gedeelte spreekt over ‘de oude slang’. Dat is de slang van Eden, die Eva verleidde. ‘De slang nu was het listigste van alle dieren des velds, die de HERE God gemaakt had…’ Er staat niet dat de slang slecht of vijandig of corrupt of iets dergelijks was. Zij was listig. Maar de slang wendde haar list aan ten bate van het eigen belang en de allereerste leugen uit de geschiedenis werd een feit: ‘God heeft zeker wel gezegd: Gij zult niet eten van enige boom in de hof?’ Jezus zegt: ‘Wanneer hij de leugen spreekt, spreekt hij uit het zijne, omdat hij een leugenaar is en de vader ervan’. Sindsdien stapelen de leugens in de geschiedenis zich op elkaar.

Telkens opnieuw weigerde de mens naar God te luisteren en leek de strategie van de duivel een beter plan, zoals we lezen in verband met de eerste broedermoord: ‘En de HEERE zeide tot Kaïn: Waarom zijt gij toornig en waarom is uw gelaat betrokken? Moogt gij het niet opheffen, indien gij goed handelt? Doch indien gij niet goed handelt, ligt de zonde als een belager aan de deur, wiens begeerte naar u uitgaat doch over wie gij moet heersen.’ Door zijn woord heeft God de mensen willen leiden op de weg van de waarheid. Echter, in de meeste gevallen koos de mens de weg van de leugen. Vanwege de autonomie die de mens door God gegeven is, gaat God daar niet tegenin. Alleen door zijn woord waarschuwt en instrueert God de mens steeds opnieuw. Maar het is aan de mens om te gehoorzamen.

Waarom maakt God niet direct een eind aan het kwaad? We lezen op diverse plaatsen in de Bijbel dat God voor alle dingen ‘een maat’ heeft bepaald. De duivel weet dat en probeert de bewegingsvrijheid, die deze maat hem geeft, optimaal te benutten. Totdat de maat vol is, zal God niet optreden. Dat is de reden waarom het getal zeven steeds terugkeert in Openbaring. Zeven is de volheid van Gods maat. Daarom vroeg Petrus aan Jezus: ‘Heer hoe vaak al mijn broeder tegen mij zondigen en ik hem vergeven? Tot zeven maal?’ Als het gaat om vergeving is Gods maat zelfs nog veel groter want het antwoord van Jezus is: ‘niet tot zevenmaal maar tot zeventig maal zeven.’

Hier gaat het echter om het voortwoekeren van kwaad. We zien de zeven in zeven koppen van de draak. Het kwaad heeft de volle wasdom bereikt en God gaat optreden. Tegen Abraham zegt God: Genesis 15:16 ‘De vierde generatie zal hier terugkeren, want de maat van de ongerechtigheid van de Amorieten is tot nu toe niet vol’. Tegen de Farizeeën van zijn dagen zegt Jezus: Mattheüs 23:32 ‘Maakt ook u dan de maat van uw vaderen vol!’ Paulus schrijft van de Joden van zijn tijd: 1 Thessalonicenzen 2:16 ‘Zij verhinderen ons tot de heidenen te spreken opdat die zalig zouden worden. Zo maken zij voor altijd de maat van hun zonden vol. En de toorn is over hen gekomen tot het einde’. We lezen het van het grote Babel; ‘Jeremia 51:13 U die woont aan grote wateren, die rijk bent aan schatten, uw einde is gekomen, de maat van uw winstbejag.’ We lezen van de wereldleiders in Daniël 8:23: ‘En in het laatst van hun koningschap, als de boosdoeners de maat hebben volgemaakt…’


(2) Wat is de aanleiding voor de oorlog en wie start de oorlog?

Om met het laatste te beginnen, het ‘wie’: de tegenspeler in de Bijbel tegenover satan is niet God. Niemand kan met God worden vergeleken. Hij is ver verheven boven al zijn schepselen. De tegenspeler van satan is Michaël, de vorst van het volk Israël. Tegenover Daniël wordt hij ‘uw vorst, Michaël’ genoemd. Michaël hoort bij ‘de vrouw’ van het grote teken in de hemel van vers 1-2, voor wie de draak stond om haar kind te verslinden, zodra zij zou baren. Het is niet voor het eerst dat satan en Michaël tegenover elkaar staan. Eerder was er strijd tussen beiden over het lichaam van Mozes. Judas 1:9 ‘Michaël, de aartsengel, echter durfde, toen hij met de duivel redetwistte en een woordenwisseling had over het lichaam van Mozes, geen lasterlijk oordeel tegen hem uit te brengen, maar zei: Moge de Heere u bestraffen!’ Het is speculatief maar er wordt wel gesuggereerd dat satan het lichaam van Mozes zou hebben willen gebruiken om het volk te verleiden tot afgoderij. God Zelf heeft het lichaam van Mozes begraven. Deuteronomium 34:6 ‘En Hij begroef hem in een dal in het land van Moab, tegenover Beth-Peor. En niemand weet waar zijn graf is, tot op deze dag.’

Vervolgens is er strijd geweest tussen de satan en Michaël vanwege de invloed van het aardrijk, dat in de episode van de Perzen werd ingezet om Israël opnieuw in het nauw te brengen. De engel die Daniël de boodschap van God brengt, werd tegengehouden door de engelvorst van de Perzen terwijl Michaël hem terzijde stond (Daniël 10:13,21).

De laatste strijd tussen Michaël en satan wacht tot de eindtijd: Daniël 12:1 ‘In die tijd zal Michaël opstaan, de grote vorst, hij die uw volksgenoten bijstaat. Het zal een benauwde tijd zijn, zoals er niet geweest is sinds er een volk is geweesttot op die tijd.’

Het tweede punt in deze vraag betreft de aanleiding. Eigenlijk is die al genoemd bij vraag 1: ‘De maat is vol’. Het kwaad heeft zijn ultieme toppunt bereikt. Dat zit reeds opgesloten in het aantal van ‘zeven koppen’. Tijdens de komst van de Heer Jezus had het aardrijk, dat door de ongehoorzaamheid van Israël sinds de val van Babel volledig in de macht van satan was overgegaan, nog slechts zes koppen: (1) Babel, (2) Medië, (3) Perzië, (4) de Seleuciden (5) de Ptolemaeën (twee brokstukken van het Griekse rijk, de koning van het Noorden van van het Zuiden, die Israël in het nauw brachten) en (6) Rome.

Het getal zes is ook om die reden van belang. Het is de zesde scheppingsdag, waarop de mens is geschapen. De menselijke macht vindt haar toppunt in het zesde wereldrijk, het Romeinse. Het Romeinse rijk is het zesde rijk van de mens, dat de Heer der heerlijkheid verworpen en gekruisigd heeft. Maar pas bij de zevende kop bereikt het kwaad zijn hoogtepunt. Dan pas is de maat vol. De zevende kop is de laatste fase van het herrezen Romeinse rijk. Daarbij imiteert het de Christus. Het is de fase van de tien tenen en de tien horens, waar een elfde hoorn tussen verrijst, die alles en iedereen zal domineren en zich als antichrist zal laten aanbidden. De oorlog in de hemel breekt uit zodra de zevende kop, met de tien horens, omhoog rijst uit de geschiedenis.

De oorlog in de hemel en de krachten die daarbij worden ingezet, zijn hoofdzakelijk juridisch van aard. Met de installatie van het zevende wereldrijk, het herrezen Rome, heeft de duivel de maat van zijn opstand tegen God vol gemaakt. Hij heeft met dit laatste aardrijk de gehele wereld onder zijn controle gekregen en sluit daarmee de hemel voor zichzelf af. In de tijd van Job kon God de duivel nog vragen waar hij vandaan kwam. Dat was van een zwerftocht over de aarde die hij doorkruist had. Met de voltooiing van de zevende kop is een dergelijke zwerftocht niet langer nodig. De technologie waarover dit rijk beschikt, is te zien als een poging van satan om de alwetendheid van God te benaderen. Hij wordt daarom ‘de god van deze eeuw’ genoemd. Maar als hij over alle informatie van de wereld beschikt, is zijn naderen tot de Allerhoogste niet langer nodig.

Eerder kon God satan nog ergens van op de hoogte brengen: ‘Hebt gij ook acht geslagen op mijn knecht Job? Want niemand op aarde is als hij, zo vroom en oprecht, godvrezend en wijkende van het kwaad'(Job 1:8) Maar nu satan zichzelf als de almachtige en alwetende en alomtegenwoordige van de wereld wil manifesteren in zijn zevende aardrijk, moet hij zich vooral daar maar aan wijden en moet zijn actieradius daartoe worden beperkt. Hij heeft in de hemel niets meer te zoeken. En zo wordt hem op juridische gronden de toegang tot de hemel ontzegt. De uitoefening van het vonnis wordt gedaan door Michaël, de vorst van het volk dat het kanaal werd van het zaad van de vrouw. Het was immers zíjn volk dat door de draak in het nauw werd gebracht. Gods wegen zijn zeer nauwgezet. Alles moet verlopen volgens de maatstaven van heiligheid en gerechtigheid.


(3) Wanneer start deze oorlog en hoe lang duurt deze oorlog?

Na uit de hemel te zijn geworpen, vervolgt de draak de vrouw die de mannelijke zoon had gebaard. Om die reden moet zij de woestijn in vluchten, waarbij zij goddelijke hulp krijgt en waar zij gevoed wordt, twaalfhonderdzestig dagen. Dat betekent dat de val van satan uit de hemel halverwege Daniëls laatste jaarweek plaatsvindt. Het aardrijk heeft dan de vorm van een wereldwijde heerschappij van tien koningen onder regime van een wereldkerk. Het moment van zijn ter aarde werping betekent een directe en totale transformatie van het rijk, zoals we zien in Openbaring 9, dat begint met ‘de val van een ster uit de hemel op aarde, die een sleutel van de put van de afgrond krijgt’.

Er zijn veel argumenten uit Openbaring om aan te nemen dat Openbaring 9:1 gaat om dezelfde gebeurtenis als Openbaring 12:9. Er zijn twee Griekse werkwoorden in de beschrijving van de oorlog in de hemel, die sterk overeenkomen met werkwoorden in Openbaring 8, de werkwoorden ‘ballo’ (neergeworpen) en ‘ginomai’ (er kwam…). Het lijkt erop dat de oorlog in de hemel parallel verloopt met de bazuingerichten van Openbaring 8. Daar lezen we ‘er kwam stilzwijgen in de hemel’ en ‘er kwam hagel en vuur, vermengd met bloed’ en ‘er kwam bloed’. Het stilzwijgen van een half uur in de hemel, zou een inleiding kunnen zijn op de juridische uitspraak van God, waarbij de hemel voor satan tot verboden gebied wordt verklaard. In de verzen van Openbaring 12 die volgen op het neerwerpen van satan zullen we nog meer aanwijzingen vinden van een verband met Openbaring 8.

Een belangrijke vraag, die nu mogelijk kan worden beantwoord, is, waar het bloed van het eerste bazuingericht vandaan komt. Bronnen over occulte machten geven aan dat satan en zijn engelen bloedoffers eisen van hun volgelingen. We zagen bij het vijfde zegel de zielen (het bloed) onder het altaar, van degenen die geslacht waren om het woord van God en het getuigenis dat zij hadden. Een oorlog in de hemel, waarbij satan en zijn engelen proberen macht te ontlenen aan dit bloed, zou er, bij hun uitdrijven uit de hemel, toe kunnen leiden dat dit bloed te midden van groot geweld (hagel en vuur) op aarde neerstort.

Het is een oorlog tegen de draak om hem de toegang tot de hemel voor eeuwig te ontzeggen. Als het klopt dat de bazuingerichten een uiting zijn van deze oorlog op aarde, dan betekent de oorlog in de hemel eveneens een wereldwijd amok voor het wereldrijk van de duivel. De bazuingerichten ontwrichten alle infrastructuur en maken het de getuigen van God mogelijk om te ontkomen in de natuur, zoals we zien gebeuren met de vrouw van Openbaring 12. Daarom zien we in Openbaring 8 steeds iets komen vanuit de hemel. Bij de eerste bazuin: hagel en vuur vermengd met bloed. Bij de derde bazuin: een ster, brandend als een fakkel. Bij de vierde bazuin zien we een derde van de hemel verduisteren. Het mondt bij de vijfde bazuin uit in het uit de hemel ter aarde vallen van de ster, de satan die met zijn engelen voorgoed uit de hemel is buitengesloten. De lengte van de oorlog in de hemel van Openbaring 12 komt dan overeen met de lengte van de bazuingerichten van Openbaring 8.


(4) Wat is de plaats van Jezus Christus in deze oorlog? Waarom blijft Hij ongenoemd?

Het lijkt erop alsof de Heer Jezus Christus in deze oorlog geen rol van betekenis speelt. Maar schijn bedriegt. Het is Michaël, die als een soort ‘bode’ de satan de toegang tot de hemel ontzegt en dit met zijn engelen effectueert. Maar Michaël kan niets doen vanuit zichzelf. Hij moet de juiste ‘papieren’ hebben, het vonnis van de Allerhoogste. En dat vonnis kon alleen worden geveld op grond van het volbrachte werk van de Heer Jezus op Golgotha. Het is daarom, dat Jezus reeds helemaal aan het begin van zijn bediening, bij de eerste kennismaking met zijn discipelen, tegen Nathanaël zei: ‘Je zult van nu aan de hemel geopend zien en de engelen van God opstijgen en neerdalen op de Zoon des mensen.’ Alle activiteit van engelen is gefundeerd in ‘de Zoon des mensen’, ook de activiteit van deze oorlog door Michaël en zijn engelen.

Halverwege zijn bediening zag Jezus vooruit naar het moment van Openbaring 12:9, toen Hij zei: ‘Ik zag de satan als een bliksem uit de hemel vallen’. De gelegenheid waarbij Hij dit zei is veelzeggend: de zeventig discipelen kwamen met blijdschap vertellen: ‘Heer, zelfs de demonen zijn ons onderdanig in uw naam’. De demonen, dat zijn de engelen van satan. Zij zouden met satan uit de hemel worden geworpen. Jezus refereert hier tevens aan een bekende tekst uit Jesaja: ‘Hoe zijt gij uit de hemel gevallen, gij morgenster, zoon van de dageraad; hoe zijt gij ter aarde geveld, overweldiger der volken.’ Jesaja 14 verbindt Openbaring 12:9 met Openbaring 9:1.

Indrukwekkend is dat Jesaja 14 nog verder gaat dan Openbaring 12: ‘...integendeel, in het dodenrijk wordt gij neergeworpen, in het diepste der groeve.’ Door zijn listen was satan in het bezit gekomen van de macht over de dood. Maar door zijn dood heeft Jezus hem die macht afgenomen. ‘...opdat Hij door de dood teniet gedaan heeft hem die de macht over de dood had, dat is de duivel, en allen zou verlossen die door de dood hun hele leven door aan slavernij onderworpen waren’. Hij heeft ‘de sleutels van de dood en het dodenrijk’. Jezus Christus is Degene op grond van wiens macht satan eens zelfs nog dieper zal zinken, in de afgrond en in het dodenrijk van ‘de tweede dood’.

Dat Jezus Christus in deze oorlog ongenoemd blijft, laat zien hoe groot Hij is. Hij laat het uitwerpen van satan uit de hemel over aan zijn dienstknechten onder de engelen. De Heer Jezus zien we optreden zodra Hij een definitief einde maakt aan alle wereldrijken, die uitliepen in het laatste wereldwijde rijk van de antichrist en waarin ook satan zich gehuld heeft. Maar ook dan is het een engel die satan opsluit in zijn gevangenis.


(5) Wat wordt bedoeld met ‘het hele aardrijk’?

Het hele aardrijk is het wereldrijk in een bepaalde fase, dat door de duivel wordt verleid en misleid. De mensen die deel uitmaken van dit aardrijk en de leugens van de duivel volgen, zullen uiteindelijk delen in zijn lot. Hierboven zagen we dat de zeven koppen van de draak de zeven fasen weergeven van het wereldrijk: (1) Babel, (2) Medië, (3) Perzië, (4), de Seleuciden (5) de Ptolemaeën (twee brokstukken van het Griekse rijk, de koning van het Noorden van van het Zuiden, die Israël in het nauw brachten) en (6) Rome. Dat Romeinse rijk werd Jezus voorgehouden tijdens de verzoeking in de woestijn: ‘...en toonde Hem all koninkrijken van het aardrijk…’ Het probleem met veel vertalingen is, dat zeer verschillende woorden in de Griekse grondtekst allemaal worden vertaald met 'wereld'. Het zijn de woorden 'kosmos' (geschapen werkelijkheid), 'aion' (eeuw, tijdperk) en 'oikoumene' (aardrijk). De naam waaronder christelijke kerken zich wereldwijd willen aaneensluiten is dan ook veelzeggend voor de achtergronden van dit streven.

De verleiding en misleiding gebeurt in de vorm van afgoderij. De afgoden van deze rijken vertonen eigenschappen die sterk met elkaar overeenkomen. Ze komen uit één en dezelfde koker. Een aanbevelenswaardig boek in dit opzicht is ‘The Two Babylons’ van Alexander Hislop. De laatste fase van het herstelde Romeinse rijk zal zich wereldwijd uitstrekken en de meest afschuwelijke en demonische afgoderij oproepen. Het is de aanbidding van ‘het beest uit de zee’, waarbij de allerlaatste keizer van dit rijk zich wereldwijd vanuit de tempel te Jeruzalem als God zal laten aanbidden en waarbij korte metten wordt gemaakt met alle andere openlijke vormen van godsdienst en aanbidding. Ook aan het grote Babylon, dat zich gedurende 3,5 jaar rijk en veilig waande (Openbaring 18:7) zal dan met groot geweld een einde worden gemaakt – een indirect oordeel van God Zelf volgens Openbaring 17:16. Het is het tweede, zeer heftige gedeelte van de ‘ure van de verzoeking' die over ‘het gehele aardrijk’ zou komen om te verzoeken die op de aarde wonen. De ure van de verzoeking is de zeventigste jaarweek van Daniël. De eerste helft daarvan is de verleiding door de antichrist in samenwerking met de valse wereldkerk – met de duivel nog op de achtergrond. De tweede helft daarvan is de verleiding door de antichrist in samenwerking met de duivel, die intussen met zijn engelen op aarde is geworpen.


(6) Wie worden bedoeld met de engelen van de draak?

Tegen de mensen die gedurende deze periode van ‘verzoeking van het hele aardrijk’ niets hebben ondernomen om de getuigen van God te helpen, zegt Jezus bij zijn terugkeer: ‘Gaat weg van Mij, vervloekten, in het eeuwige vuur dat voor de duivel en zijn engelen is bereid.’ Het is de enige andere tekst in de hele Bijbel waar de uitdrukking ‘duivel en zijn engelen’ voorkomt. Het laat de finale bestemming zien van de duivel en zijn engelen. Tussendoor wordt de duivel (waarschijnlijk met zijn engelen – maar dat staat er niet bij) nog voor duizend jaar in de afrond opgesloten.

Hierboven stonden we al stil bij de notie dat de duivel gevallen is in dezelfde daad van ongehoorzaamheid waartoe hij Eva verleidde. Het is klein begonnen en eindigt groots, met een wereldwijde misleiding en afgoderij. De kern is telkens hetzelfde: twijfel zaaien in het hart van de mens over Wie God is. ‘God heeft zeker wel gezegd…’ In de leer van de vrijmetselaars wordt God voorgesteld als de vijand en Lucifer als de verlichte geest die de mens zou verlossen van de gevangenis van onwetendheid, degene die de mens ‘vrij’ zou maken van God. Bovendien is de vrijmetselarij nauw verbonden met het afvallige Jodendom. Het is de opmaat naar de situatie waarbij het ongelovige Israël zich volledig verbindt aan het herstelde Rome en als valse profeet voorgaat in wereldwijde afgoderij, de situatie waarvoor Jezus het volk waarschuwde in Mattheus 12.

Alles wordt honderdtachtig graden omgedraaid, zoals Jesaja uitroept: ‘Wee hen die het kwade goed noemen en het goede kwaad; die duisternis voorstellen als licht en licht als duisternis, die bitter doen doorgaan voor zoet en zoet voor bitter.’ Zo zal ook de laatste fase van het rijk, waarbij de totale mensheid volledig tot slaven van het systeem is gedegradeerd, de ‘bevrijding’ van de mens worden genoemd, terwijl de mens die, onder leiding van satan, de totalitaire tirannie wereldwijd afdwingt, als God moet worden aanbeden. Vrijheid wordt voorgesteld als slavernij en omgekeerd.

Door de geschiedenis heen hebben andere engelen zich bij de duivel aangesloten. Maar welke engelen zijn ‘de engelen van de draak’? Het zijn niet de engelen zondigden vóór de zondvloed door ‘vreemd te gaan’ met de dochters van de mensen. Daarvan zegt Judas 1:6 ‘En de engelen die hun oorspronkelijke staat niet hebben bewaard, maar hun eigen woonplaats verlaten hebben, heeft Hij voor het oordeel van de grote dag met eeuwige boeien in de duisternis in verzekerde bewaring gesteld.’

Die grote dag van oordeel is blijkens Openbaring 14:7, zoals we nog zullen zien, met de laatste halve jaarweek van Daniël gekomen. Openbaring 9:1, 11:1, 12:9, 13:1, 14:7 hebben allemaal hetzelfde startmoment, halverwege Daniëls laatste jaarweek. De grote dag van oordeel is gekomen en de engelen uit de voortijd komen vrij. Daarom ontvangt de satan, die uit de hemel op aarde valt na zijn nederlaag tegen Michaël, de sleutel van de put van de afgrond, waaruit deze engelen vrij komen om opnieuw het menselijk gen te bederven, zoals we zagen bij de vijfde bazuin onder van Openbaring 9. Echter, als deze engelen uit de voortijd pas vrij komen na satans val, dan behoren zij niet tot de ‘engelen van satan’ die - voorafgaand aan die val - tegen Michaël en zijn engelen strijden.

Grote engelen van satan vinden we ook bij de zesde bazuin van Openbaring 9, de vier engelen van de vier wereldrijken, die gevangen waren – Babel, Medië-Perzië, Griekenland en Rome. Maar die worden pas vijf maanden in de laatste helft van Daniëls jaarweek losgemaakt, vijf maanden na de val van satan uit de hemel. Ook zij kunnen daarom niet worden gerekend tot de ‘engelen van satan’ met wie hij tegen Michaël strijdt.

Het nieuwe testament spreekt op diverse plaatsen van geestelijke machten, waarmee de gemeente te maken heeft. Paulus schrijft: ‘opdat nu aan de overheden en de machten in de hemelse gewesten door de gemeente de veelvoudige wijsheid van God bekend gemaakt wordt’. Hij spreekt over een ‘overste van de macht der lucht, die nu werkt in de zonen van de ongehoorzaamheid’ en dat onze strijd niet tegen bloed en vlees is maar ‘tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers van deze duisternis, tegen de geestelijke machten van de boosheid in de hemelse gewesten’. Het zijn allemaal schepselen van Christus: ‘Want in Hem zijn alle dingen geschapen in de hemelen en op de aarde, de zichtbare en de onzichtbare, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten: alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen’. Hier staan drie voorzetsels: in Hem (Hij is de basisvoorwaarde van hun bestaan) – door Hem (Hij is het initiatief voor hen bestaan)– tot Hem (Hij is het doel van hun bestaan). Dat geldt ook voor vijandige machten. We hebben het hier over de ‘Openbaring van Jezus Christus’. Zijn handelen met de boze machten is deel van zijn Openbaring. Spreuken 16:4 ‘De HEERE heeft alles gemaakt omwille van Zichzelf, ja, zelfs de goddeloze voor de dag van het onheil.’ Zoals Hij van Farao zegt: Exodus 9:16 ‘Maar juist hierom heb Ik u laten bestaan, om Mijn kracht aan u te tonen, zodat Mijn Naam bekendgemaakt zal worden op heel de aarde.’

Alle geestelijke machten, van licht en van duisternis, hebben op Golgotha gezien wat de Schepper volbracht. Ze weten allemaal wat daarvan de ultieme consequenties zijn. God is in de zichtbare maar vooral ook in de onzichtbare wereld op een onovertroffen wijze verheerlijkt door zijn Zoon, Jezus Christus en alle juridische wapens van de duivel zijn Hem uit handen geslagen. ‘Hij heeft de overheden en de machten ontwapend en openlijk tentoongesteld en door het kruis over hen getriomfeerd’ (Kolosse 2:15).

Dit betekent dat er engelmachten zijn die met satan samenspannen tegen God en de mensheid. Hoeveel dat er zijn is onbekend en kan aan geen enkel Bijbelgegeven worden ontleend. Zoals we hierboven hebben gezien, is hun aantal zeer waarschijnlijk veel kleiner dan een derde van het totale aantal engelen.

- 17 februari 2022 -


Vers 10-12

De aanklager

En ik hoorde een luide stem in de hemel zeggen: Nu is de behoudenis gekomen en de kracht en het koninkrijk van onze God en het gezag van zijn Christus; want de aanklager van onze broeders, die hen dag en nacht vóór onze God aanklaagde, is neergeworpen. En zijzelf hebben hem overwonnen door het bloed van het Lam en door het woord van hun getuigenis, en zijn hebben hun leven niet liefgehad tot de dood toe. Daarom weest vrolijk hemelen en u die daarin woont. Wee de aarde en de zee, want de duivel is tot u neergekomen met grote grimmigheid, daar hij weet dat hij weinig tijd heeft.


Dit gedeelte roept 6 vragen op:

(1) Wie zijn ‘onze broeders’?

(2) Van wie is de luide stem?

(3)Hoe moeten we het ‘aanklagen’ door de aanklager opvatten?

(4) Hoe kunnen behoudenis, kracht, koninkrijk van God en het gezag van Christus zijn gekomen als de meest duistere periode in de wereldgeschiedenis voor de deur staat?

(5) Hoe werden deze ‘broeders’ aangevallen en hoe hebben ze het kunnen winnen van de machtige draak?

(6) Hoe kunnen de hemelen zich verblijden terwijl de zee en de aarde zoveel moeite en leed te wachten staan?


(1) Wie zijn ‘onze broeders’?

De uitdrukking ‘onze broeders’ is een sleutelwoord in dit gedeelte. Daarom gaan we daar als eerste op in. De Heer Jezus heeft zijn discipelen na zijn opstanding ‘zijn broeders’ genoemd. De eerste keer tegenover Maria Magdalena in Johannes 20:17. Nergens in de Bijbel worden engelen ‘broeders’ genoemd. Zij worden dienstknechten genoemd, die worden uitgezonden ten dienste van hen die het heil beërven (de broeders – Hebreeën 2:14). ‘Niet aan engelen heeft Hij onderworpen het toekomstige aardrijk…’ (Hebreeën 2:5) en ‘inderdaad, niet engelen neemt Hij aan maar Hij neemt het nageslacht van Abraham aan’ (Hebreeën 2:16). En: ‘daarom schaamt Hij zich niet hen broeders te noemen en zegt: Ik zal uw naam aan mijn broeders verkondigen, in het midden van de gemeente zal Ik U lofzingen’ (Hebreeën 2:11, 12). Als we Hebreeën en Openbaring samen in ogenschouw nemen, dan moeten we concluderen dat de broeders mensen op aarde zijn, die op een bepaalde manier worden aangevallen door de duivel. De stem komt immers uit de hemel. De broeders die hier als overwinnaars worden neergezet zijn derhalve zelf niet in de hemel maar op aarde en de stem uit de hemel vertolkt verbondenheid als ‘broeders’ met deze gelovigen in de verdrukking. Het gaat daarbij om alle gelovigen die de Heer Jezus trouw blijven in de enorme verdrukkingen van de laatste jaarweek van Daniël, die in Openbaring 6-19 wordt beschreven. ‘Hij neemt het nageslacht van Abraham aan’. Op grond van Romeinen 2:28,29, Romeinen 9:8 en Galaten 3:29 kunnen we stellen dat dit alle gelovigen in de verdrukking zijn, uit Israël en uit de volken van de aarde.


(2) Van wie is de luide stem?

Alleen broeders kunnen elkaar broeders noemen. Als de stem in de hemel de gelovigen op aarde ‘onze broeders’ noemt, dan behoort deze stem zelf ook tot de broeders en gezien het ‘onze’ zijn er meerderen in de hemel. Men kan op grond hiervan niet anders dan concluderen dat er tijdens de verdrukking van Daniëls laatste jaarweek mensen, broeders, in de hemel zijn. Naast alle bewijs voor een opname van de gemeente vóór de grote verdrukking, hebben we hier nog eens een krachtige aanwijzing dat deze opname in ieder geval plaatsvindt vóór de laatste helft van de jaarweek. Omdat we behalve in Openbaring 4:1 – vóór de aanvang van de verdrukking – in Openbaring geen aanwijzing vinden voor een Opname, moet die wel voorafgaand aan de verdrukking hebben plaatsgevonden. Men zou nog kunnen wijzen op Openbaring 12:5, het mannelijke kind dat werd weggerukt (rapturo) naar God en zijn troon. Maar als die gebeurtenis halverwege de zevenjarige verdrukking plaatsvindt (en gezien de 1260 dagen (vs.6) of 'tijd, tijden en een halve tijd' (vs.14) is dat zo), zijn er gedurende de grote verdrukking van de tweede halve jaarweek geen ‘broeders’ meer op aarde, terwijl in vers 11 duidelijk wordt verwezen naar ‘onze broeders’ op aarde en bovendien ook gesproken wordt van een ‘vrouw’ en ‘overigen van haar geslacht’ die drie en een half jaar door de duivel op aarde worden belaagd.


(3) Hoe moeten we het ‘aanklagen’ door de aanklager opvatten?

We zien hier nog een vierde benaming voor de duivel. Behalve ‘oude slang’, ‘duivel’ en ‘satan’ de ‘misleider’ is hij ook ‘aanklager’. Hierboven zagen we al dat voornamelijk sprake is van een juridische strijd. In de wereld van de politiek is dat ook het geval. Het gaat bij een oorlog heel vaak om morele argumenten, die eerst nodig zijn, voordat overgegaan kan worden tot oorlogshandelingen. Eerst moet de ‘tegenstander’ het dermate bont hebben gemaakt en zoveel burgerrechten hebben geschonden (feitelijk of verzonnen of – nog erger – nagebootst), dat voor het oog van het grote publiek een oorlog onafwendbaar is geworden. Hierboven hebben we gezien dat er bij God een ‘maat van boosheid is’, figuurlijk voorgesteld in de zeven koppen van de draak, die vol moet worden gemaakt voordat God volgens zijn eigen heilige Wezen ‘een zaak heeft’ en hem de toegang tot de hemel kan weigeren. Dat punt was bereikt en daarom konden Michaël en zijn engelen optreden, die oorlog voerden tegen de draak en zijn engelen en hen op aarde wierpen.

Voorafgaand aan die strijd was ook sprake van juridische strijd, maar daarin was niet de duivel degene die onder vuur lag maar ‘onze broeders’, de gelovigen. Aangezien gelovigen in de hemel volmaakt zijn (Rom.8:29, 1 Ko.15:42-44, 1 Ko.13:10, 1 Joh.3:2), kunnen zij nooit en te nimmer door de duivel worden aangeklaagd. Ook dat is een belangrijk argument om hier te denken aan gelovigen die in de verdrukking op aarde zijn. De duivel is misleider én aanklager. Hij probeert mensen ten val te brengen om ze vervolgens bij God aan te klagen. Overigens zal een mens in de meeste gevallen door zijn eigen begeerte ten val komen en niet door de duivel (Jac.1:14). Hij doet zijn werk als aanklager van de broeders ‘voor onze God’. God is de rechter. De duivel is de aanklager. De Heer Jezus is de advocaat én de Heilige Geest is advocaat. Van zowel Jezus als van de Geest lezen we dat Hij voor ons bidt (Romeinen 8:34, 26). Jezus wordt ‘onze voorspraak bij de Vader’ genoemd in het geval wij zondigen (1 Johannes 2:1).

We komen de duivel in de hoedanigheid van aanklager op meerdere plaatsen in de Bijbel tegen. In Job 1, waar het hem erom gaat Job ten val te brengen. Om die reden vraagt hij God Job te mogen verzoeken, om te zien of Job de HEERE dan vaarwel zal zeggen, hetgeen door God binnen bepaalde grenzen wordt toegestaan. In Zacharia 3 zien we satan als aanklager naast Jozua, de hogepriester van het volk Israël van die dagen, voor ‘de Engel des HEREN staan om de hogepriester en daarmee het volk aan te klagen. De HEERE neemt het echter op voor Jozua en het volk. We zien daar het beeld van de Heer Jezus als voorspraak al naar voren komen.

Met dergelijke tactieken als aanklager, het voortdurend zwart maken van de gelovigen voor Gods troon, is de satan doorlopend bezig. Er staat dat hij de broeders ‘dag en nacht’ voor onze God aanklaagt. Die uitdrukking ‘dag en nacht’ kwamen we ook tegen in Openbaring 4. Maar daar waren het de vier dieren die ‘dag en nacht’ geen rust hadden en riepen ‘heilig, heilig, heilig, Heer, God de Almachtige, die was en die is en die komt’. Mogelijk bestaat er tussen het voortdurend ‘aanklagen’ en het voortdurend roepen van ‘heilig, heilig, heilig’ een verband. Tegenover het vuil van de gelovigen dat satan te berde brengt staat Gods heiligheid. Die twee zijn alleen te verzoenen door het grote verlossingswerk dat Jezus aan het kruis volbracht.

Een belangrijke vervolgvraag die men nog kan stellen is, wat satan hier eigenlijk mee denkt te bereiken. We moeten ons hierbij niet vergissen in de enorme kracht die de duivel als aanklager heeft. Zijn functie als aanklager zou wel eens het speerpunt van al zijn bezigheden kunnen zijn. Hij begon met zijn verleiding van Eva immers duidelijk de troon van God aan het wankelen te brengen om op die manier zelf hoger op te stijgen. Posities zijn altijd relatief. De duivel had als morgenster al een zeer hoge positie en kon alleen nog maar hoger opklimmen door God Zelf naar beneden te halen. Dat is het hele doel van al zijn aanlachten. God komt daarmee namelijk 'in de problemen'. De duivel weet dat zijn heiligheid en zijn gerechtigheid om de veroordeling en de verdoemenis van mensen vraagt. Terwijl aan de andere kant de liefde en de genade van God vragen om de werkzaamheid van zijn vergeving.

Zonder Zelf af te dalen, Mens te worden en voor mensen te betalen met zijn bloed, was dit voor God een onoplosbaar probleem. Het kruis was de enige oplossing. Wat een enorm gewicht aan verantwoordelijkheid lag er in de hof van Gethsémané op de schouders van onze Heer Jezus. Hij zag dat ontzagwekkende gewicht van het goddelijke gericht over al die zonden op zich afkomen, waarvoor Hij later de vrijspraak zou moeten gaan bepleiten voor de troon van God onder het aanhoren van alle aanklachten. Het was een onvoorstelbaar zware taak waar Hij in die nacht van de veertiende Nissan voorstond.

Net als alle verzoekingen van de satan in de woestijn, glijden ook alle aanklachten jegens ‘de broeders’ af op het volmaakte karakter en het volmaakte werk en de volmaakte Persoon van de Heer Jezus en heeft satan het nakijken. Het enige dat de satan na 6000 jaar wereldgeschiedenis heeft bereikt, is dat Hij ertoe heeft bijgedragen dat de glorie van Gods heiligheid, zijn gerechtigheid en zijn liefde nog meer in het licht werden gesteld, dan op enige andere wijze ooit mogelijk was.


(4) Hoe kunnen behoudenis, kracht, koninkrijk van God en het gezag van Christus zijn gekomen als de meest duistere periode in de wereldgeschiedenis voor de deur staat?

Met het antwoord op de voorgaande vraag, is deze vraag gemakkelijk te beantwoorden. De maat is vol, de maat van alles wat de satan heeft gedaan in het verleiden, ten val brengen en aanklagen van gelovigen om daarmee Gods volmaakte eigenschappen te testen. Het is voorbij en God en zijn Christus hebben glansrijk gezegevierd. Er is een einde gekomen aan 6000 jaar van dag en nacht aanklagen van gelovigen voor Gods troon. Alle aanklachten konden op goddelijke en juridische gronden worden afgewezen. Derhalve is de behoudenis gekomen. Juridisch is er geen enkele mogelijkheid meer waarop die behoudenis en daarmee ook de kracht en het koninkrijk van God en het gezag van Christus kunnen worden tegengehouden, ook al krijgt de satan nog drie en een half jaar de tijd om zijn laatste invloed op aarde uit te spelen. Het is vergelijkbaar met een partij schaak, waarbij al lang duidelijk is wie de winnaar is, maar die toch tot op de laatste zet wordt uitgespeeld. Die laatste zetten vinden echter plaats op de aarde, waar het allemaal begon. De verleiding begon met de mens die aan God gelijk wilde zijn en moet daarmee ook eindigen. Dat is de betekenis van het getal 666, dat we nog zullen tegenkomen in Openbaring 13. Openbaring 13 is de volledige doorwerking na 6000 jaar wereldgeschiedenis van de beslissingen die werden genomen in Genesis 3.

Van groot belang zijn de termen ‘kracht’ en ‘gezag’. Reeds na zijn opstanding kon Jezus zeggen: ‘Mij is gegeven alle macht in de hemel en op aarde’. Echter, die macht wordt stapsgewijs uitgerold. Eerst binnen zijn gemeente, waar Hij Heer is en als zodanig 2000 jaar lang wordt erkend en aanbeden, geheel uit vrije wil en op basis van geloofsvertrouwen – vertrouwen, wat zo belangrijk is in elk huwelijk. Daarom is het een huwelijk, in vrijwillige liefde. Dat geloof en die liefde konden alleen worden gewekt in zijn afwezigheid. Vandaar 2000 jaar kerkgeschiedenis. Maar die is bijna ten einde. Het moment komt dat de bruid wordt thuisgehaald en dan komt de volgende fase in de uitrol van macht. De boekrol wordt aangenomen uit de hand van God. De aftrap voor de laatste zeven jaar ligt fase na fase bij het Lam. In enkele van die fasen moet de duivel nog ruimte krijgen om bepaalde historische lijnen op aarde af te ronden, de eerste vijf zegels, de bazuinen vijf en zes. Maar daarna is het afgelopen. Tussendoor laat het Lam reeds de tanden van de Leeuw uit de stam van Juda zien in het zesde zegel en de eerste vier bazuinen. Maar de grootste tentoonspreiding van kracht wacht tot het laatst, in de schaalgerichten, waarbij het rijk van het beest volledig wordt geruïneerd. Lijfelijk komt aan de machthebbers een eind bij het neerdalen van de Heer Jezus uit de hemel en het oordeel van Harmagedon.

WORDT VERVOLGD

- 25 februari 2022 –

Vers 11, 12

Overwinnaars

En zijzelf hebben hem overwonnen door het bloed van het Lam en door het woord van hun getuigenis, en zijn hebben hun leven niet liefgehad tot de dood toe. Daarom weest vrolijk hemelen en u die daarin woont. Wee de aarde en de zee, want de duivel is tot u neergekomen met grote grimmigheid, daar hij weet dat hij weinig tijd heeft.

Twee vragen waren nog blijven staan:

(5) Hoe worden deze ‘broeders’ aangevallen en hoe kunnen ze winnen van de machtige draak?

(6) Hoe kunnen de hemelen zich verblijden terwijl de zee en de aarde zoveel moeite en leed te wachten staan?


(5) Hoe worden deze ‘broeders’ aangevallen en hoe kunnen ze winnen van de machtige draak?

De aanval op ‘onze broeders’, de gelovigen in de grote verdrukking op aarde, vindt plaats volgens een vaste aanvalsstrategie, waarbij satan probeert een wig te drijven tussen de gelovigen en God. Hij doet dat door hen, net als Job in oude tijden, in moeilijke situaties te brengen waarin hun vertrouwen op God op de proef wordt gesteld. Job 1:11 'Maar steek toch Uw hand uit en tref alles wat hij heeft. Voorwaar, hij zal U in Uw aangezicht vaarwel zeggen', zegt satan tegen God over Job.

In de grote verdrukking nemen deze situaties zeer extreme vormen aan. De Heer Jezus zegt van die laatste dagen: door de toename van de wetteloosheid zal de liefde van velen verkoelen. ‘Wetteloosheid’ wil niet zeggen dat er helemaal geen wetten zijn. Integendeel. De periode in de geschiedenis met de grootste wetteloosheid, zal bulken van wetten of 'mandaten'. Het is alleen verkeerde wetgeving. Wetgeving die ingaat tegen de wetten die God voor zijn schepping heeft ingesteld. Wat de Heer Jezus de Farizeeën in zijn dagen verweet, zal dan de wetgeving door overheden wereldwijd kenmerken. Mattheüs 15:3 'Maar Hij antwoordde en zei tegen hen: Waarom overtreedt ook u het gebod van God door uw overlevering? En zo hebt u door uw overlevering het gebod van God krachteloos gemaakt.' Door de valse regelgeving worden goed en kwaad omgedraaid. Jesaja 5:20 'Wee hun die het kwade goed noemen en het goede kwaad; die duisternis voorstellen als licht, en licht als duisternis; die bitter voorstellen als zoet en zoet als bitter.'

Dat is wetteloosheid die leidt tot scheuringen in de samenleving. Mensen komen tegenover elkaar te staan: enerzijds mensen die het doorzien en hun geweten volgen en weigeren verkeerde wetten te gehoorzamen en anderzijds mensen die persé aan de wetgeving willen voldoen om erbij te kunnen blijven horen. In dergelijke moeilijke omstandigheden zouden de gelovigen hun vertrouwen in God kunnen verliezen en dat zou satan vervolgens grond kunnen geven voor aanklachten. Maar zij overwinnen ‘door het bloed van het Lam en door het woord van hun getuigenis, en zijn hebben hun leven niet liefgehad tot de dood toe’.

Hier staan drie zaken, de eerste in relatie tot God, de tweede in relatie tot de naaste en de derde in relatie tot henzelf. Eerst komt de relatie tot God. Het bloed van het Lam is baken voor hun vertrouwen in God: de grote liefde die God door het offer van het Lam heeft geopenbaard. Bovendien pleit Jezus op grond van dat bloed voor hen als voorspraak bij de Vader. Geen enkele aanklacht van de duivel houdt stand. Hoewel de overwinning geheel afhankelijk is van het bloed van het Lam, wordt die hier toch toegeschreven aan de gelovigen op aarde: ‘zijzelf hebben hem overwonnen’. En wat straks geldt voor gelovigen in de zevenjarige verdrukking, geldt nu reeds voor de gelovigen van de gemeente. Daarom kan Paulus schrijven: ‘De God nu van de vrede zal de satan spoedig onder uw voeten verpletteren’. En Jesaja schrijft: ‘Hij heeft de bewoners der hoogte, der ontoegankelijk veste neergeworpen. Hij vernedert haar, vernedert haar tot de grond toe, doet haar tot in het stof neerstorten. Voeten zullen haar vertreden, de voeten der ellendigen, de treden der geringen.’ Het woord ‘overwinnen’ komt in Openbaring 12 niet voor in relatie tot Michaël en zijn engelen maar alleen in relatie tot ‘onze broeders’ die dag en nacht worden aangeklaagd.

Het tweede element in de overwinning van ‘onze broeders’ is het woord van hun getuigenis. Als we blijven in de juridische context van Openbaring 12, dan is dat hun getuigenis dat zij in zekere zin afleggen in de hemelse rechtbank. De aangeklaagden krijgen zelf ook de kans een getuigenis af te leggen. Daarin spreken zij ongetwijfeld van wat het Lam voor hen betekent en voor hen heeft volbracht. Deze uiting van geloof in Christus, die tegenover wie die dan ook maar wordt afgelegd, ontneemt in de hemelse gewesten alle juridische kracht aan satans aanklachten. Door met anderen te spreken over de kracht in het bloed van het Lam, ontnemen de getuigen aan satan alle juridische argumenten, die hij voor Gods aangezicht zou kunnen aanvoeren.

Het derde element waarmee ‘onze broeders’ overwinnen, is dat zij hun leven niet liefhebben tot de dood toe. Er staat dat zij de satan reeds ‘hebben overwonnen’. Voltooid verleden tijd. Het ‘niet liefhebben van hun leven tot de dood toe’ gold derhalve reeds voor de eerste helft van de laatste jaarweek. Er staat niet dat zij hun leven ‘niet liefhadden tot aan de opname’. Er vindt gedurende de laatste halve jaarweek van Daniël geen opname plaats. Die heeft namelijk al plaatsgevonden voorafgaand aan die laatste jaarweek. Het enige dat nog resteert is óf het ingaan in het vrederijk ‘óf de dood.

Het ‘niet liefhebben van hun leven’ lijkt niet zo moeilijk gezien de tijd van verdrukking die onze broeders meemaken. Wat moeten we ons voorstellen bij ‘hun leven’? Hebben zij nog wel een ‘leven’? Het ‘leven’ wordt hen door de gevestigde orde feitelijk onmogelijk gemaakt. Bij het zesde zegel zagen we onder het altaar de zielen van ‘hen die gedood waren om het woord van God en om het getuigenis dat zij hadden’. Er wordt een klopjacht gemaakt op allen die bij God en het Lam horen. De grote aardbeving en de eerste vier bazuinen zijn te zien als interventie van God. De infrastructuur van hun achtervolgers wordt verlamd en zij kunnen ontsnappen in de natuur. Juist in zo’n situatie van ‘overleven’ hebben mensen de natuurlijke neiging om sterk vast te houden aan ‘hun leven’, zeker vanwege het geweldige uitzicht op de komst van Jezus in grote kracht en heerlijkheid na afloop van de verdrukkingen.

Echter, wanneer het erop aankomt, hebben ‘onze broeders’ kun leven niet lief tot de dood. Zij klampen zich niet aan hun aardse leven vast maar vinden in het geloof de kracht om het ‘over te geven’, zoals de gelovigen die worden beschreven in Hebreeën 11: ‘En anderen ondergingen de beproeving van bespottingen en geselingen; ja zelfs van boeien en gevangenschap. Zij werden gestenigd, in stukken gezaagd, verzocht met het zwaard vermoord, zij liepen rond in schapenvachten, in geitenvellen, leden gebrek, werden verdrukt, mishandeld – de wereld was hen niet waard –, zij dwaalden rond in woestijnen, bergen, spelonken en de holen van de aarde.’ Deze omstandigheden, van opgejaagd en uitgedreven zijn uit de gecultiveerde samenleving en volledig afhankelijk zijn van de elementen, zal ook het leven van ‘onze broeders’ in de laatste dagen voor Christus’ komst kenmerken. Zij komen daaruit echter als overwinnaars tevoorschijn. De woorden van Paulus in Romeinen 8:38,39 zullen voor hen een grote troost zijn: ‘Want ik ben verzekerd dat dood noch leven, noch engelen noch overheden, noch tegenwoordige noch toekomstige dingen, noch machten, noch hoogte noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde van God, die is in Christus Jezus onze Heer.’


(6) Hoe kunnen de hemelen zich verblijden terwijl de aarde en de zee zoveel moeite en leed te wachten staan?

Dit gedeelte sluit mooi aan op Lukas 10:17-20 – ‘De twee en zeventig nu keerden terug met blijdschap en zeiden: Heer, zelfs de demonen zijn ons onderdanig in uw naam. Hij nu zei tot hen: Ik zag de satan als een bliksem uit de hemel vallen. Zie ik heb u de macht gegeven op slangen en schorpioenen te treden en over alle kracht van de vijand, en niets zal u enige schade toebrengen. Evenwel, verblijdt u niet hierover dat de geesten u onderdanig zijn, maar verblijdt u dat uw namen staan opgeschreven in de hemelen.’ Tussen dit gedeelte en Openbaring zijn minsten drie verbanden.

(1) De val van satan uit de hemel. De Heer Jezus zag 2000 jaar geleden reeds vooruit naar het moment dat satan uit de hemel zou worden geworpen ‘als een bliksem’. Typerend zijn de parallellen tussen satan en Jezus. Ook Jezus komt ‘als de bliksem, die schijnt van het ene einde van de hemel tot het andere’. Bij satan is evenwel sprake van een ‘val’ als de bliksem. Beiden worden morgenster genoemd, satan in Jesaja 14:12, Jezus in Openbaring 22:16. Beiden worden voorgesteld met kostbare stenen, satan met drie rijen van drie (Ezechiël 28:13), Jezus met vier rijen van drie, in het borstharnas van de hogepriester (Exodus 28:17-20). Satan is de ‘bezetter’, die langs slinkse wegen de mens onttroond heeft en daarmee God naar de troon wil stoten. In Jezus ontvangt de mens weer zijn rechtmatige plaats terug als hoofd van de schepping. In Jezus zijn gerechtigheid en recht de grondslag van Gods troon

We zagen reeds dat de uitschakeling van de bezettende macht in verschillende fasen ging. Het werpen van satan uit de hemel is een zeer belangrijke fase omdat een einde is gekomen aan de juridische strijd voor Gods troon. Het pleit is beslecht. De rest is automatisch gevolg. In wezen was het pleit reeds beslecht op het kruis van Golgotha met de uitroep ‘het is volbracht’. Maar God laat in de 2000 jaar van rechtspraak voor zijn troon zien hoe volmaakt het werk van zijn Zoon was, dat alle aanklachten van de aanklager op grond van het bloed van het Lam kunnen worden afgewezen. Met de zevende kop van de draak, heeft hij alle kansen om aanklachten aan te voeren vol gemaakt en is een eind gekomen aan al het procederen.

(2) Een tweede verband met Lukas 10 is de reden van blijdschap. Jezus zegt dat de discipelen zich niet moeten verblijden over de onderdanigheid van demonen maar over hun namen, die in de hemelen zijn opgeschreven. In Openbaring 12 lezen we dat er wordt opgeroepen tot blijdschap vanwege diezelfde hemelen. Het ‘opgeschreven zijn van de namen in de hemelen’ komt overeen met ‘de overwinning van ‘onze broeders’ op de satan, waarmee hun pleit in de hemelen door het Lam is beslecht. Maar niet alleen hun overwinning is reden tot blijdschap. Ook het gegeven dat de stem van de aanklager voorgoed tot zwijgen is gebracht. Dag en nacht waren zijn aanklachten te horen als een dissonant in de hemelse heerlijkheid. En hoewel het bloed van het Lam voortdurend sprak ten gunste van de aangeklaagden en hen vrijsprak van alle aanklachten, was het toch smet op de hemelse heerlijkheid. Met het uitwerpen van satan uit de hemel, is daar voorgoed een einde aan gekomen.

(3) Een derde verband vinden we in de macht op slangen en schorpioenen te treden, die geen enkele schade kunnen berokkenen. Dit verwijst naar Openbaring 9, waar we ‘schade’ toegebracht zien worden door sprinkhanen met staarten als ‘schorpioenen’ en door paarden met staarten als ‘slangen’. Dit is op het moment van de uitwerping van satan uit de hemel nog toekomstig, zoals we hebben gezien bij de bespreking van Openbaring 9. Vanaf dat moment wordt het kwaad op aarde ten volle openbaar in de heerschappij van het beest en de valse profeet en de dwang om het merkteken van het beest op het lichaam te accepteren. Dit zetten van het merkteken van het beest wordt in Openbaring weergegeven als het toebrengen van schade door schorpioen en slang. Het betekent dat God ‘onze broeders’ voortdurend in de gelegenheid stelt om te vluchten voor de macht van de draak, zoals we zien gebeuren in de verzen die volgen in de rest van Openbaring 12.

Dat de satan uit de hemel is geworpen, betekent dat hij zich volledig op de aarde kan concentreren. Die concentratie geldt zowel de ruimte (alleen de aarde) als de tijd (slechts 3,5 jaar). Dat enorm beperkte speelveld maakt van satan een verschrikkelijk monster: ‘de duivel is tot u neergekomen in grote grimmigheid, daar hij weet dat hij weinig tijd heeft.’ Dat betekent blijdschap voor de hemel maar ‘wee’ voor de aarde. Het ‘wee’ van Openbaring 12 valt samen met het eerste ‘wee’ van Openbaring 9 (Openbaring 8:13 en 9:12). De verschrikkingen van de demonenwereld worden opengebroken. De sleutel van de put van de afgrond wordt aan satan gegeven nadat hij uit de hemel is gevallen. Het kwaad moet zich ten volle ontplooien voordat het door God definitief kan worden vernietigd. ‘Het is noodzakelijk dat de ergernissen komen’, zei Jezus in Mattheus 18:7. Voor alle definitieve oordelen over het kwaad moet God een legitieme basis hebben. Dat is de reden waarom het kwaad zo lang en zo ver kan voortwoekeren. ‘Opdat de zonde zou blijken uitermate zondig te zijn’ (Romeinen 7:13).

Het ‘wee de aarde en de zee en u die daarin woont’ heeft drie betekenissen. (1) ‘Wee’ voor de gelovigen, waarvoor de verdrukking overgaat in ‘de grote verdrukking’ van de laatste 3,5 jaar. (2) ‘Wee’ voor de ongelovigen, die onderworpen worden aan een verschrikkelijke tirannie van het beest, onder de directe regie van satan – de gevolgen zijn verschrikkelijke pijniging (vijfde bazuin) en anders dood (zesde bazuin). (3) ‘Wee’ voor de uitvoerenden van de tirannie van 3,5 jaar. Hen staan voor de troon van God de meest verschrikkelijke oordelen te wachten. Het is oog om oog, tand om tand, zoals we nog zullen zien in Openbaring 13:10. De Heer Jezus zei: ‘Wee de wereld vanwege de ergernissen. Want het is noodzakelijk dat de ergernissen komen; maar wee de mens door wie de ergernis komt’ (Mattheus 18:7).

- 28 februari 2022 -


Vers 13 – 14

De vlucht

‘En toen de draak zag dat hij op de aarde neergeworpen was, vervolgde hij de vrouw die de mannelijke zoon gebaard had. En aan de vrouw werden de twee vleugels van de grote arend gegeven, opdat zij in de woestijn zou vliegen naar haar plaats, waar zij gevoed wordt een tijd en tijden en een halve tijd, buiten het gezicht van de slang.’


De volgende vragen zou men op basis van dit gedeelte kunnen stellen:

(1) Waarom vervolgt de draak de vrouw?

(2) Wat moeten we ons voorstellen bij ‘de twee grote vleugels’ van de grote arend?

(3) Waar is de woestijn waar de vrouw tijd, tijden en een halve tijd wordt gevoed?

(4) Door wie wordt de vrouw tijd, tijden en een halve tijd gevoed?


(1) Waarom vervolgt de draak de vrouw?

Dit gedeelte is tegelijk lastig te begrijpen maar geeft, indien begrepen, veel inzicht in de verhoudingen binnen de onzichtbare werkelijkheid en de manier waarop God de wereldgeschiedenis stuurt. Allereerst moeten de belangen duidelijk zijn. Welk belang heeft de draak bij de vervolging van de vrouw, nu het kind in veiligheid is gebracht in Gods troon?

Centraal in alle afwegingen van satan staat het zaad van de vrouw, dat hem de kop zou vermorzelen. Dat zaad, de Christus, heeft hij niet in zijn macht kunnen krijgen. Maar hij weet dat de terugkeer van de Christus moet plaatsvinden temidden het volk Israël, de vrouw waaruit de Christus is voortgekomen. Als satan erin zou slagen de vrouw, het volk Israël, volledig uit te schakelen, dan zou Christus geen volk meer hebben om naar terug te keren en dat zou zijn komst volgens Gods raadsbesluiten onmogelijk maken. De profeten geven namelijk op talloze plaatsen aan, dat de Christus temidden van zijn volk zal verschijnen en zijn volk zal verlossen. Met de uitroeiing van dat volk zou ook de rest van alle profetie, inclusief de uitschakeling van satan, op losse schroeven komen te staan.

De juridische strijd voor de troon van God is ten einde. Satan kan het volk niet meer aanklagen. Hij had alle gronden voor aanklachten. Hun Messias hadden ze verworpen. Het getuigenis van de heilige Geest hadden ze verworpen met de steniging van Stefanus. Ze hadden moordplannen beraamd jegens Paulus en hun vijandschap was de oorzaak van zijn voortdurende gevangenschap en uiteindelijke onthoofding. Maar Jezus had aan het kruis al gebeden om hun vergeving. Paulus had gewenst door een vloek van Christus gescheiden te zijn terwille van zijn verwanten naar het vlees. Het pleidooi van Jezus voor het ‘Israël van God’ voor de troon is 2000 jaar doorgegaan, naast zijn gebeden voor de gemeente.

Drie en een half jaar voor Jezus’ terugkeer is satan uit de hemelse rechtbank gegooid. Het enige dat hem nu nog rest is grof geweld: tekeergaan als een brullende leeuw, zoekende wie hij zal kunnen verslinden: het volk Israël volledig uitroeien.


(2) Wat moeten we ons voorstellen bij ‘de twee grote vleugels’ van de grote arend?

De vlucht van de vrouw in de woestijn was al genoemd in Openbaring 12:6. In wezen wordt de vlucht van de vrouw twee keer genoemd. Van de volgende zaken lezen we zowel in vers 6 als in vers 14: woestijn, haar plaats, de tijdsduur (twaalfhonderdzestig dagen – tijd, tijden en een halve tijd) en dat men haar gedurende die tijd voedde. In vers 14 worden daar twee dingen aan toegevoegd: ‘aan de vrouw werden twee vleugels van de grote arend gegeven’ en haar plaats was ‘buiten het gezicht van de slang’. De vlucht vindt plaats zodra de inwoners van Judea ‘de gruwel van de verwoesting zien staan in de heilige plaats’, op de aanwijzingen die Jezus 2000 jaar geleden al had gegeven in Mattheus 24:15-21. Die 'gruwel van de verwoesting' betekent dat een mens zich als God in de tempel te Jeruzalem zal laten aanbidden. Deze gebeurtenis valt samen met de val van satan uit de hemel. We weten dit op grand van Daniël 9:27 – ‘...en halverwege de week zal hij slachtoffer en spijsoffer doen ophouden en een gruwel oprichten die verwoesting brengt’. Het is, gegeven Daniël 9:26, de keizer van het Romeinse rijk, dat intussen hersteld zal zijn, die deze afgoderij zal invoeren, samen met de leider van Israël. We komen beiden nog tegen in Openbaring 13 als het beest uit de zee en het beest uit de aarde.

De vlucht van het volk voor de macht van de draak zal in grote haast en met grote snelheid moeten plaatsvinden en God zal hen daarbij ondersteunen, zoals Hij ook deed tijdens de allereerste vlucht van het volk Israël, uit het land Egypte: ‘...gij hebt gezien wat ik de Egyptenaren heb aangedaan, en dat Ik u op arendsvleugelen gedragen en tot Mij gebracht heb.’ (Exodus 19:4) God stelt hier de doortocht door de Rode zee voor als 'dat het volk werd gedragen op arendsvleugelen'. Gods optreden op dergelijke kritieke momenten in de geschiedenis gaat altijd met grote snelheid gepaard. Zo moeten we die arendsvleugelen mogelijk ook in Openbaring 12 voorstellen. God komt zijn volk op bovennatuurlijke wijze en met grote snelheid te hulp zodat ze in no-time hun plaats in veiligheid hebben bereikt. Waar we waarschijnlijk niet aan moeten denken zijn menselijke instrumenten als een luchtbrug van vliegtuigen of het militair potentieel van de VS. De afstand is te kort en het terrein is te rotsachtig om te denken aan vliegtuigen. Het zijn twee vleugels van ‘de’ grote arend, de arend die werd genoemd als onderdeel van Gods troon in Openbaring 4, als beeld van de snelheid waarmee God kan optreden. Het is de arend die we aan het slot van Openbaring 8 zagen vliegen in het midden van de hemel om het drievoudig ‘wee’ aan te kondigen omdat dit in zeer rap tempo over de mensheid zou neerdalen.


(3) Waar is de woestijn waar de vrouw tijd, tijden en een halve tijd wordt gevoed?

Hoe de vlucht met de arendsvleugels precies zal plaatsvinden blijft nog verborgen tot de eindtijd, net als de exacte plaats van de vrouw in de woestijn waar zij gevoed wordt. De enige kenmerken van de vlucht die we uit de ‘vleugels van de grote arend’ kunnen opmaken is ‘bovennatuurlijk’ en ‘met grote snelheid’.

Dit gedeelte maakt duidelijk hoeveel machtiger God is dan de duivel. We kunnen ervan uit gaan dat de draak uit lijfsbehoud alles in het werk zal stellen om de vrouw volledig uit te roeien. Hij is daartoe echter niet in staat omdat God alle dingen beheerst tot in de allerkleinste tijdfragmenten en tot in de kleinste details.

Tevens kunnen we uit dit gedeelte opmaken dat de duivel lang niet alles weet of kan overzien. Hij kan niet zien waar de vrouw voor hem verborgen wordt gehouden. Dat betekent dat het zicht van de duivel zeer beperkt is. In deze laatste dagen probeert satan door middel van AI en het Internet zoveel mogelijk informatie te centraliseren. Maar dat geldt alleen de steden, waar de netwerken zijn uitgerold. Er zijn nog vele plaatsen op aarde over, waar de surveillance niet bij kan komen en die ook in de grote verdrukking nog 'onontgonnen' zijn. Mogelijk valt aan het begin van de laatste jaarweek de gehele aarde onder surveillance van satellieten maar wordt die infrastructuur grotendeels vernietigd in het geweld van de aardbeving onder het zesde zegel en de gerichten onder de eerste vier bazuinen. Hierboven zagen we dat de eerste vier bazuinen gepaard gaan met de oorlog in de hemel, uitmondend in de vijfde bazuin, de ster die uit de hemel op aarde is gevallen (Openbaring 8:1), het neerwerpen van de draak (Openbaring 12:9). Satan wordt de overste van 'de macht der lucht' genoemd. En juist van daaruit komen de eerste vier bazuingerichten van Openbaring 8.


(4) Door wie wordt de vrouw tijd, tijden en een halve tijd gevoed?

Wie de vrouw voedt, wordt in Openbaring 12 niet aangeduid. Toen Elia voor 3,5 jaar voor Izebel vluchtte in de woestijn, naar de beek Krith, zei God: 'En het zal gebeuren dat u uit de beek zult drinken. Verder heb Ik de raven geboden om u daar te onderhouden.' Maar we mogen aannemen dat het volk dat wordt voorgesteld door 'de vrouw' uit Openbaring 12 uit vele gelovige Israëlieten bestaat. Er wordt gesteld dat 'men' haar daar 1.260 dagen voedde en dat zij 'tijd tijden en een halve tijd' gevoed wordt. Het zijn mensen die het gelovig Israël op haar vluchtplaats in de woestijn van voedsel voorzien. Het zijn de 'schapen', de 'rechtvaardigen' tegen wie Jezus na zijn terugkeer op aarde in Mattheus 25:40 zegt: 'Voorwaar, Ik zeg u: voor zoveel u het hebt gedaan aan één van de geringsten van deze broeders van mij, hebt u het Mij gedaan'. Degenen die gelovig Israël op deze manier bedienen, behoren tot de 'grote ontelbare schare', die we al zagen in Openbaring 7, in navolging van de 144.000 uit de twaalf stammen van Israël en die het vrederijk van Israëls Messias binnengaan.

- 2 maart 2022 -


Vers 15-18

Oorlog tegen de vrouw

‘En de slang wierp achter de vrouw water uit zijn mond als een rivier, om haar door de rivier te laten meesleuren. En de aarde kwam de vrouw te hulp en opende haar mond en verzwolg de rivier die de draak uit zijn mond geworpen had. En de draak werd toornig op de vrouw en hij ging weg om oorlog te voeren tegen de overigen van haar geslacht, hen die de geboden van God bewaren en het getuigenis van Jezus hebben; en hij (of ‘ik’) ging op het zand van de zee staan.’


Over dit mysterieuze gedeelte uit Openbaring kunnen we de volgende vragen stellen:

(1) Wat wordt bedoeld met de rivier uit de mond van de slang?

(2) Wat wordt bedoeld met de aarde die de vrouw te hulp komt en haar mond opent om de rivier te verzwelgen?

(3) Wie zijn de ‘overigen van haar geslacht’ tegen wie de draak oorlog gaat voeren?

(4) Wie ging er op het zand van de zee staan, de draak of Johannes?


(1) Wat wordt bedoeld met de rivier uit de mond van de slang?

De oorlog is nu volledig verplaatst van de hemel naar de aarde. Michaël begon, na een duizenden jaren oude juridische touwtrekkerij tussen de satan en ‘de broeders’ tegenover God, waarbij het Lam alle pleit in het voordeel van ‘de broeders’ had beslecht, oorlog te voeren tegen de draak nadat de rechtzittingen voorgoed waren gesloten. Juist door zijn dood en opstanding had het Lam met alle ongerechtigheden afgerekend en allen die in Hem zouden gelovigen gemaakt tot ‘zijn broeders’ en daarmee broeders van elkaar. Het ‘alle menchen werden brüder’ zal blijken alleen op te gaan voor hen die hun vertrouwen op de Zoon des mensen, Jezus Christus, hebben gevestigd. U, die dit leest en het hiermee niet eens bent, wat verhindert u of uw medemensen het genadige aanbod van de grote God aan te nemen? God heeft alles in het werk gesteld dat ieder mens, niemand uitgezonderd, ‘brüder’ konden worden van de grote Mensenzoon en de meest beminnelijke, meest begerenswaardige, meest volmaakte, meest liefdevolle, meest barmhartige, meest zachtmoedige, meest trouwe, meest geduldige, meest onzelfzuchtige, meest onbaatzuchtige Mens, die ooit op de aarde heeft rondgelopen. Waarom waren er mensen die het aanbod van God om eeuwig bij deze meest beminnelijke Bruidegom te horen, afwezen? Waarom toch? Waarom?

De draak heeft geen enkele toegang meer tot de hemelse gewesten. Hem rest slechts de aarde. Nu kan hij eens ervaren hoe het was voor de Mens geworden Zoon van God, om beperkt te zijn in bewegingsvrijheid en gevangen te zijn in de aardse dimensies van tijd en ruimte. Gaan we eens kijken wat de slang dan allemaal doet. Hoe anders is hij dan de heerlijke Zoon van de Vader. Ook uit Jezus' mond kwam water voort, een rivier die al 2000 jaar stroomt voor ieder die dorst heeft. ‘...maar ieder die drinkt van het water dat Ik hem zal geven, zal in eeuwigheid geen dorst hebben; maar het water dat Ik hem zal geven, zal in hem worden een bron van water dat springt tot in het eeuwige leven’ (Johannes 4:14). En: ‘Als iemand dorst heeft, laat hij bij Mij komen en drinken! Wie in Mij gelooft, zoals de Schrift zegt: stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien’ (Johannes 8:37,38).

Ook uit de mond van de slang komt een rivier voort. Echter, het is geen rivier van levenswater maar van doodswater, bedoeld om de vrouw mee te sleuren. Wat stelt dat voor, die rivier? In het geval van Jezus gaat het om levenswoorden (Handelingen 5:20) die uit de monden van mensen kwamen. In geval van satan gaat het om woorden des doods. De vrouw is al verdwenen naar haar plaats uit het zicht van de slang, lazen we in Openbaring 12:14. En het is de slang die hier de rivier spuwt.

Belangrijk zijn de nuances in dit gedeelte. In vers 13 werd de satan ‘de draak’ genoemd, in verzen 14 en 15 is het ‘de slang’ en in vers 16 en 17 weer ‘de draak’. Dat heeft een betekenis. De slang is het sluwe en achterbakse wezen dat vanuit een hindernis plotseling toeschiet en bijt. In die hoedanigheid zien we de satan in zijn onwetendheid over de geheime verblijfplaats van de vrouw. Hij weet niet waar ze is, ondanks al zijn list en intelligentie. Dat is voor de slang moeilijk te verkroppen. Zelf is hij al eeuwen bezig met geheime plannen en occulte samenzweringen maar zodra hij zelf iets niet weet, is dat een grote ergernis.

We zien de slang in zijn list optreden om te achterhalen waar de vrouw zich bevindt en haar, zodra ze is gevonden, alsnog te verdelgen. Het is voluit oorlog en dit zijn heimelijke oorlogshandelingen. ‘Ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouw en tussen uw zaad en haar zaad’, zei God in de hof tegen de slang. Het is deze vijandschap die we hier aan het werk zien. Nu het zaad, het mannelijke kind nog steeds naar God en zijn troon is weggerukt en daar met zijn bloed de basis heeft gelegd voor de nederlaag van de aanklager in de hemelen, is de vrouw het mikpunt van vijandschap. En het zijn mensen waar de slang voortdurend gebruik van maakt, zoals Jezus dat ook al 2000 jaar doet. ‘Het zal in hem worden een bron van water…’ en ‘...stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien…’ Bij Jezus gaat het om informatie ten leven. Vermoedelijk hebben we in de rivier, die uit de bek van de slang komt, te maken met inlichtingendiensten en guerrilla's, die uit zijn op de ondergang van de vrouw. Informatie ten dode. Hij is immers de moordenaar vanaf het begin.

Het beeld van een rivier voor een troepenmacht die een grote bedreiging vormt, is niet vreemd aan de Bijbel. We komen het onder andere tegen in Jesaja 8:7 ‘...daarom, zie, doet de Heere over hen opkomen de machtige, geweldige wateren van de rivier de Eufraat, namelijk de koning van Assyrië met al zijn luister. Deze zal buiten al zijn stroombeddingen treden, en over al zijn oevers heenstromen.’ Hier wordt de koning van Assyrië, het rijk dat voorafging aan het Babylonische wereldrijk en dat de tien stammen van Israël zou wegvoeren in ballingschap, vergeleken met een overstromende rivier.

We moeten bedenken dat de 1260 dagen van de grote verdrukking al zijn begonnen, vlak voor de vlucht van de vrouw. De gruwel van verwoesting is al opgesteld in de heilige plaats, de tempel en de gelovigen onder het volk Israël die zich in Judea bevonden zijn gevlucht naar ‘hun plaats’ in de woestijn. De 42 maanden van totalitaire heerschappij van het beest uit de zee zijn al van start gegaan. Het is een wonder dat de slang niet weet waar de vrouw zich verstopt en dat hij daar met al die totalitaire controle in drie en een half jaar niet achter kan komen. Daarom krijgt de vrouw ook hulp vanuit een zeer onverwachte kant.


(2) Wat wordt bedoeld met de aarde die de vrouw te hulp komt en haar mond opent om de rivier te verzwelgen?

De aarde is door list en bedrog in de hof van Eden het domein geworden van de duivel, ‘de vorst van de kosmos’. Intussen is hij verbannen tot de kosmos, de aarde, die hij al duizenden jaren doorkruist om zijn misleidend werk te doen en zijn koninkrijk van list en bedrog heimelijk te bouwen terwijl hij intussen informatie verzamelt voor al zijn aanklachten voor Gods troon. Maar juist de aarde, die zozeer het domein van de satan is geworden, en waarop satan zijn ‘aardrijk’, zijn ‘oikoumenē’ is gaan vestigen, komt de vrouw te hulp. Zijn machtsgebied weerhoudt hem. Dat is goddelijke ironie.

De duivel doet hier in wezen hetzelfde als bij de vlucht van het volk Israël uit Egypte. De legermacht van Farao, die achter het volk aantrok richting de Sinaï, was in wezen eveneens een rivier, bedoeld om ‘de vrouw mee te sleuren’ op het moment van haar vlucht naar de woestijn. Farao werd toen verzwolgen door water, het water van de Rode Zee. Het was de machtige Farao van de de Nijl, waarvan God later zegt:’Ezechiël 29:3 Spreek, en zeg: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zál u, farao, koning van Egypte, groot zeemonster, dat in het midden van zijn rivieren ligt, dat gezegd heeft: Mijn Nijl is van mij en ik heb die zelf voor mij gemaakt!’ De Farao van de grote wateren wordt door water vernietigd.

In Openbaring gaat het om de draak, die macht heeft verworven over de aarde en die door de aarde wordt verslagen bij zijn poging de vrouw te achterhalen. Dit maal is het dan ook de aarde die de rivier, de achtervolgende macht, opslokt. De duivel kan niets nieuws verzinnen. Maar God wel. Waarschijnlijk gebeurt hier iets vergelijkbaars als wat er gebeurde bij de opstand van Korach, Dathan en Abiram tegen Mozes en Aäron. We lezen in dat verband het volgende:

Numeri 16:31-34 ‘En het gebeurde, toen hij geëindigd had al deze woorden te spreken, dat de aardbodem die onder hen was, gespleten werd. De aarde opende haar mond en verzwolg hen, met hun gezinnen, en alle mensen die Korach toebehoorden, en al hun bezittingen. En zij daalden levend af naar het graf, zij en alles wat van hen was. En de aarde overdekte hen, en zij waren verdwenen uit het midden van de gemeente. En heel Israël dat rondom hen stond, vluchtte weg voor hun gejammer, want zij zeiden: Als de aarde ons ook maar niet verzwelgt!’

Iets dergelijk kan de allerhoogste en almachtige God herhalen voor de troepenmacht die door de slang erop uit gestuurd is om te achterhalen waar de vrouw, het gelovige deel van het volk Israël, zich bevindt.

Zodra de achtervolging van de vrouw door de aarde is verzwolgen, weet de draak dat hij is verslagen en dat hij niets anders hoeft te proberen om haar alsnog in zijn macht te krijgen. Het is zoals Jesaja 54:17 zegt: ‘Elk wapentuig dat tegen u wordt vervaardigd, zal niets uitrichten’. Vanaf dat moment wordt hij weer ‘de draak’ genoemd omdat hij weer openlijk gaat optreden in zijn oorlogsvoering.


(3) Wie zijn de ‘overigen van haar geslacht’ tegen wie de draak oorlog gaat voeren?

De vrouw staat in dit gedeelte voor het gelovige deel van het volk in het land Israël. Het is dit volk op deze geografiche plek op aarde, waaruit de Messias, het zaad van de vrouw, is voortgekomen. Echter, er zijn wereldwijd nog veel meer gelovige Israëlieten, die niet in het land wonen maar genetisch wel tot ‘haar nageslacht’, het volk Israël behoren. En er zijn nog Israëlieten in de tempel, die daar aanbaden op het moment van het oprichten van de gruwel van de verwoesting en die beschermd worden door de twee getuigen en hun bovennatuurlijke vermogens. Zie daarvoor de uitleg bij Openbaring 11. Dat de draak ‘weg gaat’ geeft ook weer aan dat hij plaatsgebonden is, in tegenstelling tot God. Als slang had hij er topprioriteit van gemaakt om erachter te komen waar de vrouw zich bevond en had hij zijn legers van spionnen en inlichtingendiensten en guerrilla's op de voet gevolgd. Nu die ‘door de aarde’ zijn uitgeschakeld, richt hij zich op anderen, die ook bij het gehate volk van God horen. De achtervolging van de vrouw was topprioriteit. De oorlog tegen overigen van haar geslacht prioriteit twee. Na tweeënveertig maanden van oorlog voering tegen alle gelovigen, zal het hem uiteindelijk lukken om de twee getuigen te doden, wat we al besproken hebben in het kader van Openbaring 11. De 1260 dagen of ‘tijd, tijden en een halve tijd’ dat de vrouw in de woestijn wordt gevoed, komt overeen met de 1260 dagen van het profeteren van de twee getuigen en de tweeënveertig maanden van vertreden van de heilige stad.

Er zijn derhalve drie groepen Israëlieten tijdens de grote verdrukking. (1) Wereldwijd, verspreid over vele landen (2) Gevlucht in de woestijn op een geheime plaats en (3) In de tempel. We weten overigens niet hoe deze groepen van Israëlieten samenhangen met de 144.000 verzegelden uit Openbaring 7. Het is mogelijk dat die op de één of andere manier verdeeld zijn over deze drie groepen, als ondersteunende getuigen.


(4) Wie ging er op het zand van de zee staan, de draak of Johannes?

Er zijn ook vertalingen die het hele vers weglaten, zoals de King James versie. De vraag is dus, staat hier iets en zo ja, wat staat er? Vanwege de uiteenlopende vertalingen kunnen we hier uiteraard niets met zekerheid over zeggen. Het meest logisch is dat er staat ‘ik’ omdat we hier opnieuw te maken hebben met een chronologische overgang. Maar ook zonder dit vers is dat duidelijk. Dit keer niet vanwege een verandering van de werkwoordtijd maar omdat Johannes weer begint te vertellen in de ‘ik-vorm’. In Openbaring 11 en Openbaring 12 kwam de ik-vorm van beschrijving niet voor. Maar Openbaring 13:1 begint met ‘En ik zag… In 13: 3 is het opnieuw ‘en ik zag…’ En in 13:11 is het opnieuw ‘En ik zag…’

Wanneer Openbaring 12:18 echter zou luiden ‘en ik ging op het zand van de zee staan’, dan zou dat een mooie overgang zijn naar Openbaring 13. Heel even ontwaakt Johannes uit zijn visioen en hij verplaatst zich naar de zee, waar zijn visioen vervolgens wordt gecontinueerd. Het eiland Patmos, waar Johannes gevangen zat, ligt in de Egeïsche zee, aan de rand van de Oostelijke Middellandse Zee, de Zee in het hart van het Romeinse Imperium. Hij ziet een beest opkomen uit de zee. Dat beest is de herrijzenis van het Romeinse rijk, waarbij ‘zee’ slaat op de vele volkeren van Europa maar in de eindtijd de hele wereld waarover dit rijk ten slotte de scepter zwaait, alvorens door Jezus te worden vernietigd.

Verder ziet Johannes ook een beest opkomen uit de aarde, wat heel goed mogelijk is omdat hij op het zand van de zee staat. Aan zijn ene hand heeft hij de zee, aan zijn andere hand de aarde, het eiland. Wie met het beest uit de aarde wordt bedoeld, daar komen we, zo de Heer wil, nog uitgebreid op terug. Maar je kunt het hier al lezen.

- 6 maart 2022 -

openbaring

Van Jezus Christus

Openbaring 13

Openbaring 13B

Openbaring 14