hoofdstuk 9

(28)

‘Ik ben benieuwd hoe vaak je vandaag nog gaat wegduiken in de struiken.’

Malchus keek Vitellius aan met een brede glimlach terwijl die zijn uniform schoon klopte en ontdeed van takken, zand en modder. Vitellius reageerde nors en terwijl hij de lachende blik van Malchus ontweek zei hij:

‘Dit is niet iets om grapjes over te maken. Heb je al kunnen ontdekken of er iemand bij het graf is achtergebleven?’

‘Niemand’, was het directe antwoord van Malchus. ‘Het hele regiment is volledig vertrokken.’

‘Weet je dat zeker?’

‘Nee, ik zeg het omdat ik jou nog een keer wil zien wegduiken.’

Dit keer keek Vitellius Malchus recht in de ogen, terwijl hij zei: ‘Je moet ophouden daar lollig over te doen. Deze hele situatie kan mijn dood betekenen.’

Malchus dwong de lach van zijn mondhoeken maar met zijn ogen was dat moeilijker. Die bleven twinkelen. Hij trok een zo ernstig mogelijk gezicht en antwoordde:

‘Nee, dat was inderdaad ongepast. Maar de soldaten zijn echt allemaal verdwenen. Ik weet het zeker. Ik heb ze geteld, toen ze langsliepen. Zestien manschappen.’

‘Heb je ze zo snel kunnen tellen? Zeiden ze niets?’

‘Niets. Ik had de indruk dat ze er zo snel mogelijk vandoor wilden.’

‘Hoezo?’

‘Ze keken angstig. Ze waren doodstil en ze liepen erg snel. Ze kwamen krampachtig op mij over.’

Vitellius dacht direct aan de lichtende gestalte die hem zelf de stuipen op het lijf had gejaagd en vroeg:

'Waren ze wanordelijk aan het rennen?'

'Nee, ze liepen wel vrij gedisciplineerd. Maar ze waren onrustig en gehaast. Het was voor mij duidelijk dat ze totaal verrast waren door de situatie bij het graf.

‘Misschien heb je gelijk dat ze inderdaad allemaal weg zijn. Maar voordat we naar het graf toelopen, wil ik het eerst vanaf een afstand nog enige tijd observeren.’

‘Het gaat allemaal wel lang duren zo. Mijn Meester, de hogepriester, verwacht mij binnenkort terug om verslag uit te brengen. En wij zijn nog niet eens bij het graf geweest.’

‘Kan me niet schelen. Eerst wil ik zeker weten dat er helemaal niemand meer bij het graf is.’

Met die woorden liep hij Malchus voorbij richting de bocht naar links in het pad, daar waar het graf in zicht kwam. Voorzichtig keek hij tussen het gebladerte door van de laatste struik, die hen aan het oog onttrok. Hij zag dat het graf er verlaten bij lag. Er was niemand meer te bekennen, geen soldaat en ook geen engel. Malchus kwam achter hem staan en wachtte tot Vitellius er aan toe was het open veld naar het graf over te steken.

Na tien minuten was Vitellius ervan overtuigd dat er inderdaad niemand meer in de buurt van het graf was. Hij liep met grote passen door het halfhoge gras, waar hij de voorgaande nacht de angstigste momenten uit zijn leven had doorgebracht. Hij liep naar de plek waar hij lange tijd had gelegen. De plek was nog herkenbaar aan het geplette gras. Hij schatte de afstand tot de steen. Het was hooguit vijftien el. De engel of wat het ook was, had hem gemakkelijk kunnen observeren. Met enige terughoudendheid liep hij richting de steen. Als het ging om een bovennatuurlijk wezen, kon het onzichtbaar aanwezig zijn.

Bij de steen aangekomen, was er niets te bekennen. Het was alsof de steen daar al eeuwen zo lag. Vitellius klom op de steen en keek naar de plek waar hij had gelegen. Het bevestigde wat hij al wist: al die tijd was hij zichtbaar geweest voor het hemelwezen. Kennelijk was het de bedoeling dat hij het er levend af zou brengen. Maar waarvoor? Voor het eerst in zijn leven vroeg Vitellius zich af of goden vanuit een onzichtbare werkelijkheid een plan konden hebben, los van het ontvangen van eindeloze offeranden en rituelen, waarmee ze gunstig gestemd moesten worden. Terwijl zich in het denken van Vitellius een revolutie voltrok, waarvan hij zichzelf nauwelijks bewust was, kwam Malchus achter hem staan.

‘Nou, wat zei ik je. Niemand te zien, hier.’

‘Ja, je hebt gelijk. Ze zijn er allemaal vandoor gegaan’, beaamde Vitellius.

‘Dat betekent weinig goeds voor mijn meester, de hogepriester.’

‘Hoezo?’

‘Als ze allemaal zijn vertrokken, is hier niets meer te bewaken. Dan is het lichaam verdwenen.’

De woorden waren voor Vitellius een mokerslag op het geweten. Dat het lichaam was verdwenen, was te wijten aan zijn vlucht van het graf. Zijn plichtsverzuim had geleid tot dat ene feit dat de Joodse elite tegen alle kosten had willen voorkomen. Vitellius kon even niets uitbrengen. Het was of hij probeerde te zoeken naar een weg om het lichaam weer terug in het graf te krijgen en zo zijn schuld te vereffenen. Malchus haalde hem opnieuw uit zijn overpeinzingen.

‘Maar je zou me vertellen wat je vannacht allemaal hebt gezien, zodat we kunnen zoeken naar een mogelijke verklaring.’ Met deze woorden herinnerde Malchus Vitellius aan de kern van hun missie. Om zijn woorden kracht bij te zetten, sloeg hij demonstratief zijn armen over elkaar, gereed om een verklaring af te nemen. Vitellius knikte begrijpend en begon te vertellen. Het verdwenen lichaam was de definitieve bevestiging van het feit dat er voor hem niets anders op zat dan volledige medewerking te verlenen aan de eisen van de hogepriester en zijn huishouding. En dus begon hij zijn verhaal.

‘Zie je die plek daar in het gras? Daar stond ik afgelopen nacht op wacht.’

Om het verhaal nog beter te begrijpen, ging Malchus op de plaats staan die Vitellius aanwees.

‘Terwijl ik daar stond, zag ik achter de steen, die uiteraard voor de opening van het graf stond, een vreemdsoortig schijnsel vandaan komen. Het waren allemaal lichtflitsen, heel kort achter elkaar. Het was zo fel dat ik voor enige tijd helemaal niets meer kon zien en mijn ogen opnieuw aan het donker moesten wennen.’

‘Wacht even’, viel Malchus hem in de rede. ‘Dat snap ik niet. Hoe kun je licht uit het graf zien komen als de steen ervoor ligt.’

‘Ik denk dat het licht door kleine openingen is gekomen tussen de steen en de rotswand. De lichtflitsen gleden als het ware over de rotswand.’

‘Oh, dan snap ik het. Ga verder.’

‘Net toen mijn ogen weer aan het duister gewend waren, kwam er een licht uit de hemel. Het leek een ster, die steeds dichterbij kwam en steeds groter werd. Het licht van de ster werd al maar feller. Het leek of het dag was, terwijl de zon nog lang niet op was. Opeens zag ik in het felle licht een gestalte van een man. Korte tijd later raakte hij de grond. Op dat moment ontstond er een aardbeving. Ik verloor mijn tegenwoordigheid van geest. Het leek of alle kracht uit mijn spieren werd weggezogen en ik zakte als vanzelf door mijn knieën en viel op de grond. Vlak boven het gras uit, zag ik ….’

‘Stop. Waar ergens landde de engel?’, vroeg Malchus, die de beschrijving direct interpreteerde vanuit de Joodse schriften.

Vitellius liep een aantal passen richting het graf totdat hij er vlakbij was.

‘Hier ergens raakte hij de grond.’

Malchus kwam bij Vitellius staan en keek naar het gras.

‘Niets te zien. Het gras is zelfs niet platgetrapt. Van een engel die een aardbeving veroorzaakt, zou je zware voetafdrukken verwachten.’

‘Je gelooft me toch wel?’, wilde Vitellius weten.

‘Natuurlijk geloof ik je. Het is duidelijk dat je iets bijzonders hebt gezien. En je vijftien kameraden ook. Anders hadden jullie het graf nooit verlaten. Alleen ontbreekt het bewijs dat een gestalte ook daadwerkelijk aanwezig is geweest.’

‘Hij was levensecht, dat verzeker ik je. Hij was het meest levensechte dat ik ooit heb meegemaakt’.

‘Ik geloof je. Ga verder.’

Vitellius dacht even na en hervatte zijn verhaal. ‘Hij liep van hier naar het graf en terwijl hij liep, bleef de grond dreunen. Bij het graf pakte hij de enorme steen en rolde hem weg alsof het een Parma was.’

‘Wat is een Parma?’

‘Een rond schild. De steen rolde mijn kant op. Ik lag daar, weet je nog? Niet ver bij me vandaan viel de steen op zijn kant. Daar dus, waar hij nu ligt. De engel liep ernaartoe en ging erop zitten. Het kostte enige tijd voordat ik de moed had verzameld om de tuin te verlaten. Alle andere wachters waren toen al verdwenen.’

‘Je hebt de engel dus voor enige tijd van vlakbij gezien?’

‘Ja ik lag daar en de engel zat op de steen. Maar hij zat met zijn gezicht naar het graf en met zijn rug naar mij toe. Op zijn gezicht heb ik door de felheid van het licht mijn ogen geen moment kunnen richten.’

‘Zijn er meer dingen, die je me nog kunt vertellen.’

Even dacht Vitellius aan de vrouwen, die aan waren komen lopen en die hij met de engel had horen praten maar hij vond het niet nodig dit aan Malchus te vertellen. Het maakte de schande van hun vlucht des te erger. Nadat hij even nadenkend had gestaan, schudde hij zijn hoofd en zei:

‘Nee, dit was het wel zo ongeveer. Ik was de laatste van alle soldaten die de tuin verliet. Ik vond vier van mijn maten vlakbij het hogepriesterlijk paleis. De rest weet je.’

Malchus knikte en dacht even na. Een plotselinge gedachte overviel hem.

‘Stel dat je vannacht niet bij het graf had gestaan maar de opdracht had gekregen om de wacht deze ochtend af te lossen en je zou deze situatie aantreffen, hoe zou je dan hebben gereageerd?’

Vitellius moest zich even in deze rol inleven voordat hij antwoord gaf. Toen zei hij:

‘Ik denk zo ongeveer als de soldaten die we net zagen. Ik zou stom verbaasd zijn om een steen … wacht even.’

Vitellius liep naar het graf en strekte zijn hand uit naar iets kleins aan de zijkanten van de opening. Even bekeek hij het. Toen liep hij via Malchus naar de steen. In het voorbijgaan zei hij:

‘Er zitten nog resten van het Romeins zegel op diverse plaatsen naast de opening.’

Terwijl hij de zijkant van de steen inspecteerde, zei hij: ‘Hier zie ik de andere delen van de klei waarmee het graf was verzegeld.’

Somber liep hij terug naar Malchus. De verantwoording voor het verbreken van het Romeinse zegel, verzwaarde voor hem en zijn gevluchte kameraden de ernst van hun plichtsverzuim. Hoe zouden ze ooit hun executie nog kunnen ontlopen?

‘Je zou stomverbaasd geweest zijn… en verder?’, vroeg Malchus.

Vitellius moest even bijkomen van de schok van het verbroken zegel, waaraan hij al die tijd niet had gedacht. Toen zei hij:

‘Ik zou met stomheid geslagen zijn als ik zag dat de wacht spoorloos was verdwenen, het zegel was verbroken en de enorme steen twintig el was weggerold.’

‘Wat zou je dan denken dat er was gebeurd? Let wel, je weet niets van een engel.’

‘Ik zou denken aan bovennatuurlijke toverkrachten, aan toverij, hekserij, zoiets.’

‘Zou je bij zo’n graf op wacht gaan staan?’

‘Als het mijn opdracht was. Als het lichaam, dat bewaakt moet worden er nog is….’

‘Stel het lichaam is er nog. Zou je op wacht gaan staan?’

‘Ik denk het wel. Liever niet natuurlijk.’

‘Zou het kunnen dat de wacht van de aflossing zo bang was, dat niemand van hen bij het graf wilde blijven, zelfs al ligt het lichaam nog in het graf?’

De vraag van Malchus wekte weer wat hoop in het hart van Vitellius en hij antwoordde:

‘Veel soldaten zijn erg bijgelovig en zouden er direct zo snel mogelijk vandoor gaan met het excuus rapport uit te brengen over de situatie.’

‘Dan zou het lichaam er nog kunnen liggen, ook al is de wacht verdwenen. Ik denk dat het tijd wordt om het graf te inspecteren.’

- 19 juni 2021 -


(29)

‘Welke laatkomer verstoort daar mijn les?’

Bulderend kwam de stem van zijn oom van de andere kant van de deur.

‘Ik ben het, Saraf’, antwoordde Saraf met zijn mond vlakbij de deur.

Hij schrok toen de deur plotseling en met grote snelheid open zwaaide. Daar stond zijn oom. Levensgroot en met gefronste wenkbrauwen. Saraf kromp ineen.

‘Onze Saraf! Altijd netjes op tijd. Een voorbeeld voor de rest. En nu? Meer dan een half uur te laat!’

Met stemverheffing klonken de verwijten voor het front van de groep leerlingen, terwijl zijn oom terugliep naar zijn centrale plek in de ruimte. Er viel een pijnlijke stilte. Saraf werd aangestaard door een kleine twintig paar grote ogen. Iemand kuchte. Niemand durfde iets te zeggen of zich te roeren. Safaf stond verstijfd in de deuropening.

‘Waar kom jij zo laat vandaan? Ik hoorde van je zusje dat je met je vader richting het Noorden van de stad was gelopen om te kijken naar Bikkurim.’

Saraf zag Matilda zitten, naast Nathan. Met de hand voor haar mond fluisterde ze haar broertje iets in het oor. Hun ogen lachten. Saraf dacht iets van spot in hun lach te zien. Hij voelde zich alleen staan. Zijn ogen verschoven naar de andere kinderen. Daar zat ze, Maria. Het meisje van zijn leeftijd waar zijn hart sneller van ging kloppen. Het meisje waar hij zijn ogen soms niet van kon afhouden maar waar hij nauwelijks een praatje mee durfde te maken. Saraf vroeg zich af wat zij op dit ogenblik van hem zou vinden. Ook haar ogen staarden hem aan. Heel even durfde hij met zijn blik de hare te kruisen. Hij kon er niet uit opmaken hoe ze over hem dacht. Hij meende verbazing te zien en geen afkeer, gelukkig.

‘Nou, hoor ik nog wat?’, schalde de stem van zijn oom door het vertrek.

Saraf had altijd geleerd de waarheid te spreken en daar niet omheen te draaien. Hij wist dat je daar vroeg of laat alleen maar problemen mee kreeg. En hij wist niet wat zijn zusje allemaal nog meer had verteld. Het laatste wat hij wilde riskeren was als leugenaar voor het front van al zijn medeleerlingen door de mand vallen. Ineens klonk het met kalme stem:

‘Ik was op Golgotha.’

Hij hoorde het zichzelf zeggen. Kort en krachtiger en met meer vastberadenheid dan hij zelf voor mogelijk had gehouden. Zijn oom ging direct verder met zijn aanval.

‘Zo, en wat moest jij daar op Golgotha? Is dat een plaats voor een jonge priester?’

De spanning in de groep steeg. Iedereen hield de adem in want iedereen wist wat Golgotha was. Saraf zocht naar een antwoord. Over zijn motieven kon zijn zusje niets verklapt hebben. Hier was het veilig om van de waarheid af te wijken en een sociaal wenselijk antwoord te geven. Maar ineens stond het beeld van de Rabbi van Nazareth hem weer helder voor ogen. Alle spanning vloeide direct weg en zijn oom en de klas leken ineens minder angstaanjagend.

‘Ik was bij het kruis van de Rabbi van Nazareht’, klonk het opnieuw vastberaden.

Saraf was verbaasd over de reactie van zijn oom. Die had dit antwoord duidelijk niet verwacht. Zijn stoere houding was ineens verdwenen en zijn schouders zakten naar beneden. Het leek zelfs alsof hij moeite moest doen zijn evenwicht te bewaren want hij deed een wankele stap achteruit. Ook de groep was geschokt want iedereen wist Wie bedoeld werd met de Rabbi van Nazareth en wat daar op het feest mee gebeurd was. Zijn oom herstelde zich snel en boos om zijn eigen reactie en om zijn zwakte te maskeren, bulderde hij harder dan ooit tevoren;

‘En wat is er voor jou zo bijzonder aan de Rabbi van Nazareth?’

Saraf wist hoe controversieel zijn eigen opvatting was over de Rabbi als de Messiah en hij durfde die tegenover zijn bulderende oom niet uit te spreken. Gelukkig had hij zojuist op zijn bed een stukje in de Torah gelezen, dat hem nu goed van pas kwam en hij stelde zijn voorgenomen vraag aan zijn oom.

‘Is Hij niet de Profeet, die komen zou?’

Zijn oom wist niet direct hoe hij hierop moest reageren en was duidelijk onaangenaam verrast. Het bleef enkele momenten stil in de ruimte. De kinderen durfden nauwelijks te ademen en bij Saraf parelde intussen het zweet van zijn voorhoofd. Ineens schoot er een lach over het gezicht van zijn oom en hij zei:

‘Saraf, jij mag iets voorlezen uit de Torah. Ga hier maar even staan, voor de groep.’

Saraf was blij dat het kruisverhoor eindelijk was afgelopen, stapte naar voren, kuste zijn Torah rol en legde die op de tafel, die centraal voor de groep stond, op de mappah, het langgerekte kleed waarop de Torah rol kon worden uitgerold. Met zijn tallit, zijn gebedsmantel, ontdeed hij de Torah rol van de mantel. Terwijl hij hier nog mee bezig was commandeerde zijn oom:

‘En zoek nu in het boek Dewariem naar de ‘Ki Teitzei’, de diverse burgerlijke wetten.’

Behendig rolde Saraf zijn Torah naar het opgegeven gedeelte.

‘Heb je het al gevonden? Ja? En dan ga je naar de vijfde wet, onder die van de ongehoorzame zoon’.

Die laatste woorden sprak zijn oom bulderend uit terwijl hij zich plotseling op zijn hakken naar hem toedraaide. Saraf liet zich niet uit het veld slaan maar begon met vaste stem het gedeelte hardop voor te lezen, terwijl hij zijn yad over de letters liet gaan. Hij las het volgende:

‘Verder, wanneer iemand een zonde begaan heeft waarop de doodstraf staat, en hij gedood wordt, en u hem aan een paal hangt, dan mag zijn dode lichaam niet aan de paal overnachten, maar moet u hem beslist diezelfde dag nog begraven. Een gehangene is namelijk door God vervloekt. U mag uw land, dat de HEERE, uw God, u als erfelijk bezit geeft, niet onrein maken.’

Saraf had het gedeelte zonder enige hapering of aarzeling voorgelezen en keek naar zijn oom, in afwachting van wat die ermee wilde zeggen.

‘Dus, Matilda’, zo bulderde zijn oom, ‘wat is iemand die gehangen is aan een paal?’

Nauwelijks hoorbaar klonk een meisjesstem: ‘Vervloekt’.

‘Wat zeg je? Ik versta er niets van. Kun je niet luider praten?’

‘Vervloekt’, klonk het nauwelijks harder.

‘Harder!, Ik hoor nog steeds niets.’

‘Vervloekt!, klonk het nu luid en duidelijk uit de keel van Matilda. En direct bastte ze in snikken uit.

Kennelijk was oom tevreden want hij ging verder.

‘Dus, Maria, wat is iemand die gehangen is aan een paal?’

Sarafs hart kromp samen bij de stem die hij daarna hoorde zeggen:

‘Vervloekt.’

Haar stem klonk gesmoord, alsof ze overmand was door emotie. Even ontmoette zijn blik weer die van Maria en hij zag in haar ogen een blik van spijt, verdriet en medelijden tegelijk en zijn hart stroomde vol van gevoelens van grote genegenheid voor haar.

‘Dus, Saraf, wat is de Rabbi van Nazareth, die gehangen is aan een paal?’

Het duurde even voordat Saraf iets kon uitbrengen. Het duurde te lang naar de mening van zijn oom want het vertrek dreunde opnieuw onder zijn gebulder:

‘Dus, Saraf, ongehoorzame zoon, wat is de Rabbi van Nazareth die gehangen is aan een paal?’

Daar, bij de schriftlezing na de Sabbat, drong voor het eerst tot Saraf door hoe enorm de haat was van het Joodse establishment tegen de Rabbi van Nazareth. Maar door zijn ontmoeting van die morgen, was hij immuun voor de enorme manipulatie waaraan hij werd blootgesteld. In plaats van het woord, dat zijn oom verwachtte, antwoordde hij zonder zelfs maar met zijn stem te trillen:

‘Hij is de profeet, die in de wereld komen zou.’

Zijn oom was met stomheid geslagen en kon even niets uitbrengen. De groep jongeren zat met gekromde tenen de titanenstrijd tussen de grote dogmatische oom en zijn zelfbewuste jongen. En omdat zijn oom niet direct reageerde, liet Saraf erop volgen:

‘En met de man die niet naar Mijn woorden luistert, die Hij in Mijn Naam spreekt, zal het zó zijn: Ík zal rekenschap van hem eisen.’

Toen het opnieuw stil bleef, voegde Saraf eraan toe:

‘Dewariem , Shofetim, de achtste reeks van geboden.’

Hij zag zijn oom verstarren. In zijn ogen zag hij een blik, die hij niet eerder had gezien. Een blik van diepe verachting en van grote afstandelijkheid, alsof Saraf voor hem veranderd was in het meest smerige en gevaarlijke insect dat op aarde bestond. Met zijn mond sprak hij in stilte onhoorbare woorden uit maar door de blik van intense boosheid drongen de woorden dieper door tot de ziel van Saraf dan al het gebulder dat eraan vooraf was gegaan:

‘Jij ongehoorzame zoon’, denderde het door heel Sarafs wezen. Hij voelde zich een verworpene, die op het punt stond geëxcommuniceerd te worden.

Terwijl zijn oom de munitie voor een nieuw aanval bijeenschraapte keek Saraf de groep jonge studenten in het rond. Het hoofd van Matilda kleurde vuurrood, alsof ze zich schaamde voor zijn brutaliteit en voor haar eigen tranen. Zijn broertje, Nathan, keek hem met grote ogen aan. Er lag iets van bewondering in maar het afgrijzen overheerste. Zijn ogen gingen opnieuw naar die van Maria. Haar blik was het tegenovergestelde aan die van zijn oom. De verbondenheid die eruit sprak werd nog versterkt door de tranen die hij in haar ogen zag branden en dat gaf Saraf moed voor het onvermijdelijke vervolg. De moed, die ze hem gaf, had hij hard nodig want zijn oom had zich intussen hersteld. Saraf zette zich schrap voor een volgende explosie van verbaal geweld.

- 22 juni 2021 -


(30)

De penetrante geur van verbrand vlees sloeg Annas in het gezicht terwijl hij langs het altaar liep. Het morgenbrandoffer werd langzaam maar zeker door het vuur verteerd en daarnaast steeg ook de rook op van vrijwillige offers, die door pelgrims waren gebracht. Annas was op zoek naar Kajafas, zijn schoonzoon, die het officiële ambt van hogepriester bekleedde. Hij vermoedde dat Kajafas zich rond deze tijd vanwege alle feestdrukte had teruggetrokken in de kamer van de hogepriester, waar het rituele bad stond dat vier dagen in het jaar werd gebruikt in verband met Grote Verzoendag. Bij de Zuidelijke muur van de voorhof bereikte hij de waterpoort, waar op het Loofhuttenfeest het water uit Siloam werd binnengedragen. Naast de poort bevond zich een wenteltrap. Met enige moeite klom de oude priester omhoog. Boven gekomen ademde hij zwaar. Hij legde zijn beide onderarmen op de ballustrade en keek neer op de bedrijvigheid van de priesters in de voorhof. Hij probeerde vanuit zijn hoge positie de kenmerkende kleding van de hogepriester te ontdekken. Maar ook vanuit de hoogte was Kajafas nergens te bekennen.

Tussen het altaar en de tempeltrappen was het razend druk. Tegen het decor van het kolossale, gouden, rechtopstaande vierkant van honderd el van het tempelportaal zag Annas tientallen pelgrims in rijen voor de priesters staan. Telkens als een pelgrim bij een van de priesters kwam, hield die de mand met eerstelingen van onderen vast, terwijl de pelgrim de mand aan de rand bleef vasthouden. Samen bewogen ze de mand naar boven en beneden en in alle vier de windrichtingen, terwijl de pelgrim het bekende vers uit de Torah citeerde, over zijn vader, de verloren Arameeër, die in Egypte tot een machtig volk was geworden. Annas zag dat de opbrengst van de eerstelingen door de priesters keurig in manden werd gesorteerd en dat de tempeltrappen al behoorlijk vol stonden met goed gevulde manden. Voor de tempeltrappen lag een dozijn pelgrims voorover en met de armen en benen uitgespreid op de grond, in aanbidding voor de God van Israël. Lang gunde Annas zich geen tijd om het offertafereel gade te slaan. De last van het verontrustende bericht uit de graftuin drukte op zijn schouders.

Hij was inmiddels op adem gekomen en ging rechtop staan. Hij draaide zich om en klopte op de deur van het hogepriesterlijke privévertrek. Even wachtte hij op een reactie. Toen die niet kwam, opende hij de deur en hij ging naar binnen. Er was niemand. In het midden van het vertrek stond het bad. Ook stonden er diverse schalen en potten, waarin de specerijen voor het reukoffer werden geprepareerd en gemengd. Maar Kajafas was nergens te bekennen.

Annas liep weer naar buiten, sloot de deur, liep de trap af en stak opnieuw de voorhof over, nu aan de andere kant van het altaar, waar het veel minder druk was omdat de pelgrims zonder offerdier daar niet mochten komen. Bij de vierentwintig ringen, bedoeld om offerdieren voor de slacht aan de grond vast te ketenen, kwam een priester aanlopen, samen met een pelgrim, die een schaap meevoerde aan een touw. Direct liep Annas naar de priester toe en vroeg hem of hij wist waar Kajafas was. Het antwoord luidde ontkennend en de priester ging verder met zijn werkzaamheden. Even keek Annas toe hoe de priester de ring van de grond losmaakte, het schaap vakkundig op zijn zij legde en onder de ring door schoof. Terwijl hij met zijn ene hand het tegenstribbelende schaap in bedwang hield, sloot hij met zijn andere hand de ring. Daarna overhandigde hij het offermes aan de eigenaar van het schaap en gaf een korte instructie over de vereiste slachtmethode. Annas had het vervolg al vaak genoeg gezien, draaide zich om en liep langs de acht offertafels en –pilaren, waar de geslachte offerdieren gevild en ontleed werden. Enkele priesters waren er druk in de weer met een rund, dat zojuist als brandoffer was geslacht.

Annas beklom de treden van het levietenkoor en liep naar de kamer van Pinehas, waar alle priestergewaden werden bewaard. De deur van deze kamer bevond zich links van de poort van Nicanor, de poort aan de Oostzijde, met de koperen deuren, die de binnenste voorhof verbond met de voorhof van de vrouwen. Hij klopte aan bij de kamer van Pinehas en liep direct naar binnen. Hij trof er de priester die het beheer had over de priesterkleding. Op de vraag of Kajafas die morgen zijn hogepriesterlijke gewaad had opgehaald kreeg hij een bevestigend antwoord. Annas concludeerde dat Kajafas ergens in de voorhof moest zijn. Hij bedacht dat Kajafas mogelijk een overleg had met enkele andere priesters in de priesterlijke raadskamer. Met die gedachte stak hij opnieuw de voorhof over, richting de Zuidoosthoek van de voorhof, waar deze kamer zich bevond.

Plotseling stond Annas aan de grond genageld. Tot zijn ontzetting zag hij dat de deur van de kamer van de gehouwen stenen gebarricadeerd was met een groot kruis van houten balken. Hij kon zijn ogen niet geloven dat de zaal van het Sanhedrin, het hoogste rechtscollege van Israël, was geblokkeerd. Toen hij van de schrik bekomen was liep hij ernaartoe om te zien wat dat te betekenen had. Dichterbij zag hij dat er een enorme scheur over de bovendorpel liep, helemaal over de muur, richting de dak van het gebouw. Kennelijk waren de twee aardbevingen aan het begin van het feest funest geweest voor de fundamenten en hadden die hier hun tol geëist. Nadat Annas korte tijd naar de scheur had staan kijken, klonk achter hem ineens een bekende stem.

‘Ja, dat ziet er niet best uit. Daar kunnen we voorlopig niet meer terecht.’

Annas draaide zich om en keek in het ernstige gezicht van Matthias, zijn tweede zoon.

‘Matthias! Goed dat ik je tref. Sinds wanneer is de ingang afgesloten? En hoe groot is de schade van binnen?’

‘We denken dat het komt van de tweede beving van vanmorgen vroeg. De priesters die op Sabbat dienst hadden, konden zich niet herinneren de scheur eerder gezien te hebben. Maar zeker is het niet. Dit kan ook veroorzaakt zijn door de grote beving van het Pascha.’

Annas staarde naar de enorme scheur. Ondertussen ging Matthias verder:

‘Van binnen is de schade nog veel groter. Een deel van het dak is naar beneden gekomen en alles is bezaaid met puin. Bovendien is de muur met de priesterlijke raadskamer uit het lood geraakt. Ook die kamer is voorlopig niet meer te gebruiken en eveneens afgesloten.

Annas was zichtbaar geschokt en wist even niet hoe hij moest reageren. Dit was een fikse tegenvaller, de zoveelste.

‘Zou het iets te maken hebben met…’ Annas maakte zijn zin niet af.

‘Met wat?’, vroeg Matthias.

‘Nee, niks, laat maar.’

Annas hield zijn twijfels liever voor zichzelf om ze vervolgens te ontkennen. Als zelfs hij, de geestelijk leider van het Sanhedrin, al begon te twijfelen, hoe moest het dan verder met de rest van het volk? Terwijl hij naar de scheur bleef staren, gingen zijn gedachten naar de grote beving van het Pascha, die enorme scheuren in het tempelgebouw zelf had opgeleverd. De pilaren van het grote gordijn voor het heilige der heiligen hadden zo zwaar staan schudden dat het gordijn van boven naar beneden middendoor was gescheurd. Annas zuchtte bij de gedachte aan het simpele linnen doek dat er voor in de plaats was gehangen, zodat het heilige der heiligen opnieuw was afgeschermd voor alle onbevoegde priesterogen. Slechts de hogepriester mocht eens per jaar een blik werpen in het allerheiligste vertrek. Annas herinnerde zich ineens weer zijn zoektocht naar Kajafas. Maar als de raadskamer geblokkeerd was, dan kon hij daar ook niet zijn.

‘Weet je trouwens waar Kajafas ergens uithangt? Ik ben al de hele morgen naar hem op zoek’, vroeg Annas aan Matthias.

‘Ik heb hem vanmorgen met het ochtendbrandoffer bezig gezien. Even later zag ik hem richting de tempel lopen. Daarna heb ik hem niet meer gesignaleerd.’

‘Zou hij dan al die tijd in de tempel zijn?’

‘Misschien is hij in de hogepriesterlijke reinigingskamer.’

‘Daar heb ik net gekeken. Daar is hij ook niet.’

‘Dan zou ik maar eens in de tempel gaan kijken. Misschien is hij daar nog bezig.’

‘Maar waarmee dan? De ochtendrituelen duren nog geen half uur. Hij had al lang klaar moeten zijn.’

- 26 juni 2021 -

paasroman

De Heer is werkelijk opgestaan

Hoofdstuk 10

Hoofdstuk 11

Hoofdstuk 12

Hoofdstuk 13