hoofdstuk 3

(10)

Terwijl Jeruzalem ontwaakte voerde een groepje Romeinse soldaten met gedempte stemmen een discussie van levensbelang.

‘Waar is de rest gebleven?’

Met grote ogen keek Vitellius zijn medesoldaten aan. Hij had zojuist vier van zijn kameraden teruggevonden en stond nu tegenover hen. Ze zaten naast elkaar op de oude muur van een kleine wijngaard, tegenover de trap naar de hogepriesterlijke woning.

‘Vertel jij het maar Claudius, jij hebt geprobeerd ze over te halen.’

Claudius staarde wezenloos naar de grond.

‘Claudius, waar zijn de anderen?’, vroeg Vitellius opnieuw.

In plaats van antwoord te geven op die vraag keek Claudius op en zei: ‘Kunnen we niet beter terugkeren naar het graf van de Rabbi?’

‘Ben je niet goed bij je hoofd?’, antwoordde Gajus.

‘Ik ging nog niet terug voor een jaarsoldij!’, kaatste Vitellius terug. ‘Ik heb vlakbij die vreselijke bliksemgriezel gelegen en wordt onpasselijk als ik eraan terug denk.’

‘Ik denk vooral aan de consequenties’, redeneerde Claudius. ‘We kunnen onze vlucht nu nog herstellen. En misschien is die gestalte alweer verdwenen.’

‘Het gaat niet alleen om die gestalte’, antwoordde Vitellius, ‘er is iets met die Joodse Rabbi! Iets mysterieus! Ik heb een kameraad gesproken die bij zijn kruisiging was en die vertelde dingen die je niet voor mogelijk houdt.’

‘Wat dan?’, wilden de anderen weten.

‘Zelf heb ik gezien hoe ze Hem geselden. Hóe hard en hóe wreed en hóe vaak Hij ook vanaf zijn schouders tot aan zijn kuiten en zowel van voren als van achter werd geslagen, er kwam nauwelijks gekreun uit zijn mond. Ook tijdens de kruisiging, zo vertelde die kameraad. Heel vreemd. Terwijl iedere gekruisigde kermt van angst en ondraaglijke pijn, kwam er geen wanklank uit zijn mond. En dan de duisternis. Na enkele uren aan het kruis werd het hele land midden op de dag gehuld in complete duisternis. Jullie hebben dat allemaal meegemaakt.’

Vitellius zweeg even en keek hoe de anderen reageerden. Niemand zei iets.

‘Of niet, Claudius?’, vroeg Vitellius.

Claudius knikte dat hij het zich herinnerde.

‘Dan zijn sterven’, ging Vitellius verder. ‘Na een totale uitputtingsslag van zes uur aan het kruis, kwam er een luide triomfkreet vanaf zijn kruis die weerkaatste tegen de stadsmuren en tot in de verte te horen was. Direct daarop volgde die aardbeving. Weet je nog, Claudius?’

Claudius staarde naar een passerende boer maar zei niets.

‘Die beving van vanmorgen, ja? ….’ Vervolgde Vitellius, ‘… Dat was een herhaling van de enorme beving die tot in de verre omtrek werd gevoeld na zijn laatste uitroep aan zijn kruis. Ik zeg je: die Rabbi is een mysterie en dat hemelwezen heeft alles met Hem te maken. Het is daar absoluut niet pluis bij dat graf. Ik ga daar nooit weer naartoe. Ik verschijn nog liever voor het tribunaal.’

Toen de overtuigende woordenstroom van Vitellius ophield, bleef het even stil. Het leven in de stad na het Pascha begon weer langzaam op gang begon te komen en het werd iets drukker in de straat waar ze stonden.

‘En dan heb ik het nog niet eens over de bliksemende verschijning uit de hemel’, vulde Vitellius zichzelf aan, toen het weer even rustig was in de straat.

De anderen bleven zwijgen en bevestigden daarmee de zienswijze van Vitellius. Terug gaan naar het graf van de Rabbi was voor geen van hen een optie.

‘Dan zit er niets anders op dan verslag uit te brengen aan de overpriesters’, concludeerde Gajus.

‘Wacht, ik heb nog steeds geen antwoord op mijn vraag waar de anderen gebleven zijn’, hield Vitellius vol.

‘Gaan we met zijn allen of is het beter als één van ons zich opoffert?’, vroeg Claudius.

Vitellius pikte het niet dat hij werd genegeerd en vroeg opnieuw: ‘Voor de laatste maal: waar zijn de anderen?’

Claudius richtte zijn blik op Vitellius en vroeg: ‘Wat denk je zelf?’

‘Hoe moet ik dat weten?’

‘Misschien kom jij met een beter alternatief dan zij.’

Vitellius knikte en dacht even na, enigszins gevleid door het vertrouwen op zijn goede ideeën. Toen zei hij: ‘Ze zijn toch zeker niet op weg gegaan naar Syrië?’

‘Nee, ze zijn terug naar het graf om de steen er weer voor te rollen’, grapte Gajus.

Vitellius lachte en wist dat hij het goed had. Er waren weinig alternatieven.

‘Vitellius, ga jij het de priesters vertellen?’

Vitellius keek langs de trap omhoog. Bovenaan de trap zag hij de massieve deur van de poort voor het hogepriesterlijk paleis.

‘Waarom gaan we niet samen?’, vroeg hij.

‘We hebben het er net over gehad, voordat jij kwam’, zo begon Gajus. ‘Als we met z’n allen aankloppen, dan ruiken de priesters direct onraad. Dat is niet het geval als één van ons alleen voor ze staat. Diegene kan dan aftasten wat onze kansen zijn bij de priesters.’

‘Dat vereist dan wel de nodige discretie’, merkte Vitellius op.

‘De nodige wat?’, vroeg Claudius.

‘Kijk jij snapt het’, zei Gajus. ‘Daarom ben jij de meeste geschikte kandidaat voor deze missie.’

‘Prima, ik ga wel’, reageerde Vitellius, opnieuw gevleid. ‘Maar ik hoop niet dat deze missie net zo’n fiasco wordt als onze eerste missie van vannacht.'

Na die woorden beklom hij de trap naar de hogepriester.

- 26 april 2021 -


(11)

Lusteloos keek Annas richting het raam. Hij had zich net aangekleed en was weer op zijn bed gaan zitten. Zijn ontbijt stond naast hem. Hij had er nauwelijks van gegeten. Niet alleen zijn dromen zaten hem dwars. Nog meer last had hij nu van zijn gesprek met Jonathan over zijn dromen. Daarmee had hij zich in een positie van afhankelijkheid geplaatst. Dat was hij niet gewend. Gewoonlijk was iedereen afhankelijk van hém.

Hij probeerde zich het chaotische gesprek voor de geest te halen. Wakker geschrokken uit die afschuwelijke nachtmerrie had hij eerst even moeten bijkomen. Daarna had hij er wat over verteld. Maar hij vroeg zich af of hij alles uit zijn droomwereld had prijsgegeven. De beelden kwamen hem weer voor de geest en hij bedacht dat hij de meest schokkende zaken voor zich had gehouden. Daarom kon hij gerust zijn. Annas kende de menselijke zwakheden. Hij had zijn zoon weliswaar plechtig laten beloven er met niemand over te praten. Maar dat gaf geen enkele zekerheid. Een van Salomo’s spreuken kwam hem in gedachten: ‘de woorden van de lasteraar zijn als lekkernijen, zij glijden weg naar de schuilhoeken van het hart’. Annas rilde bij de gedachte dat het hele paleis binnen de kortste keren zou weten dat hij bang was voor zijn eigen dromen. Maar goed dat de slaaf vooraf was weggestuurd. Hij moest die dromen voorgoed van zich afzetten voordat het een eigen leven ging leiden.

Er werd aan de deur geklopt.

‘Ja, wie is daar?’

‘Kan ik uw ontbijt al ophalen?’, vroeg Malchus, de slaaf, terwijl hij zijn hoofd om de deur stak.

Annas knikte.

‘Maar u heeft bijna niets op. Heeft u geen trek?’

Annas zweeg. Hij had geen zin zich te verdedigen.

‘Heeft u iets gemerkt van de aardbeving van vanmorgen?’

Geschrokken keek Annas hem aan. ‘Nee. Ik heb niets gemerkt.’

‘Ik ook niet’, antwoordde Malchus. ‘Maar er zijn enkele bedienden die heel vroeg in de ochtend een trilling hebben gevoeld.’

Annas wist niet hoe hij moest reageren. Hij was nog steeds van slag door beelden uit zijn droomwereld.

‘Het was een naschok van de grote aardbeving van enkele dagen geleden’, ging Malchus verder. ‘Hij kwam uit dezelfde richting, vanuit het Noorden van de stad.’

‘Zijn er berichten uit de stad die dit bevestigen?’

‘Diverse berichten. De leverancier van verse groenten meldde dat hij behoorlijke schokken had gevoeld. Hij woont vlakbij de Damascuspoort.’

‘En de tempel, zijn daar meldingen vandaan gekomen?’, vroeg Annas met onvaste stem.

‘Enkele jonge priesters die vannacht de wacht hielden, meldden trillingen, die hun door merg en been gingen.’

‘Zijn er nieuwe beschadigingen doorgegeven?’

‘Niet dat ik weet. Jonathan is al bezig iemand in te schakelen om het hogepriesterlijk paleis te laten inspecteren.’

‘Waarom gaat dit allemaal buiten mij om? Waarom ben ik hier niet direct van op de hoogte gebracht?’, wilde Annas weten.

Malchus aarzelde even bij de plotselinge wending in het gesprek. ‘Jonathan zei dat hij u wilde ontzien omdat … , nou ja, u weet wel waarom.’

‘Nee, dat weet ik niet!’, reageerde Annas fel. ‘Van alles wat de tempel betreft, wil ik als eerste op de hoogte worden gebracht. En dat weet Jonathan. Het is niet gepast dat een slaaf weet wat er speelt en ik weet van niets.’

‘Prima, ik het aan Jonathan doorgeven’, mompelde Malchus. Om van onderwerp te veranderen vroeg hij: ‘Bent u al een beetje bekomen van uw nachtmerrie van afgelopen nacht?’

‘Nachtmerrie? Je bedoelt die droom? Ja, dat gaat wel weer. Ik kan me de droom nauwelijks meer herinneren’, loog Annas.

‘Dat is mooi. Ik zal aan Jonathan doorgeven dat u weer in alles wordt betrokken.’

‘Heb je trouwens verder nog iets met Jonathan besproken?’, vroeg Annas.

‘Nee, hij had het er wel over, dat hij me ergens over wilde spreken. Ik zou na het ontbijt bij hem komen. Maar toen kwamen de berichten van de aardbeving ertussendoor.’

‘Dat kan echt niet. Er gaat zo teveel tijd overheen. Roep Jonathan en laat hem onmiddellijk bij me komen. Ik wil hem zelf spreken.’

‘Zal ik doen.’ Met die woorden verliet Malchus het vertrek.

Annas schudde zijn hoofd. Hij moest alles even verwerken. Hij stond erop dat die belangrijke kwestie allang besproken had kunnen zijn. Hij keek weer uit het raam en vroeg zich af wat erger was, de naschok of het feit dat hij daar niet van op de hoogte was gebracht. Het bevreemde hem dat hij niets gevoeld had. De berichten kwamen weliswaar uit het Noorden en zijn paleis bevond zich in het Zuiden van de stad. Maar hij vermoedde dat het ook te maken had met de vreemde droomwereld, die hem die nacht had bevangen. Hij dacht er niet aan dat veel anderen ook niets hadden gevoeld. Hij concludeerde dat die nare dromen ook debet waren aan het feit dat hem niets was verteld. Dat moest stoppen! Hij besloot zich niet meer aan te stellen en er niet meer over praten.

Hij schrok op uit zijn gepeins toen er opnieuw op de deur werd geklopt. Het was Malchus weer. De knecht leek buiten adem, toen hij zei:

‘U moet direct naar de poort komen. Er staat een Romein met een ongelofelijk verhaal.’

Annas verstarde en kon niet reageren. Zijn hart sloeg over bij het woord ‘Romein’.

Malchus merkte de aarzeling bij de oude man en probeerde wat druk weg te nemen.

‘Doet u anders maar rustig aan. Hij loopt niet weg. Ik geef wel door dat hij op u moet wachten.’

Annas knikte, maar zei niets. De deur ging dicht. Annas voelde zich plotseling weer overstelpt door zijn droomwereld. Dit leek precies op zijn nachtelijke avontuur. Een Romein die zich meldde met een onzinnig verhaal. Annas stond op en keek uit het raam. De natuur was zich in haar volle lenteglorie aan het hullen. De witte pracht van de acaciabloesem paarde zich aan de waas van de rode adonis. Maar de betoverend mooie natuur kon Annas op dat moment niet bekoren. Hem bekroop een gevoel dat hem tot dan toe tamelijk onbekend was: angst. Hij had zich altijd laten leiden door trots, eer en tomeloze ambitie. Maar nu leek hij voor het eerst in zijn leven te knakken. Het werd hem allemaal te veel. De gebeurtenissen buitelden over elkaar: het slopende proces tegen de Rabbi uit Galilea, de verwoestende gevolgen van de aardbeving, de dromen en dan nu, die Romein, die ineens, vanuit het niets, bij de poort stond. Annas draaide weg van het raam en liep met meer aarzeling dan hem lief was richting de deur. Voor enige momenten rustte zijn hand op de knop. Toen liep hij resoluut richting de voorhof.

- 30 april 2021 -


(12)

Een lange laan van statige vijgenbomen lag als een groen lint langs Jeruzalems meest indrukwekkende gebouwen. De weelderige boomkronen spreidden zich van beide kanten uit over de brede avenue van de stad. Die liep vanaf de bovenstad via indrukwekkende trappen en bruggen naar het Kaasmakersdal en leidde tot aan de Noordelijke stadsmuur. Zo vroeg in de morgen was het nog tamelijk koel en de schaduwen van de enorme gebouwen vielen grotendeels samen met die van de bomenrijen. Twee jongens in witte priesterkleding kwamen aanlopen met op enkele passen afstand hun vader.

‘Achtentwintig!’

‘Negenentwintig!’

Saraf en Ruben waren aan het tellen geslagen. Ze telden de scheuren in de muren van het hippodroom, dat ten Zuiden van de tempel was gelegen. De priesterkinderen hadden zich goed gedragen en kort na het ontbijt en het ochtendgebed waren ze samen met hun vader op weg gegaan naar het Noorden van de stad. Gebroederlijk liepen ze langs de statige, langwerpige, in Romeinse stijl opgetrokken tempel van de paardenrennen.

‘Vierendertig! Vierendertig scheuren’, concludeerden de jongens. ‘En nu gaan we kijken naar scheuren in het tempelgebouw’, kondigde Ruben uitbundig aan.

Vergeleken met de kolossale tempelgebouwen leek het hippodroom een miniatuur. Opnieuw liet Saraf zich overweldigen door de grootsheid van Herodes’ architectuur en even bleef hij bewonderend staan.

‘Laat de tempel maar over aan de Levieten, Ruben’, riep zijn vader. ‘Ik heb liever niet dat je scheuren gaat tellen in het heilige gebouw.’

‘Dan slaan we dat over en dan gaan we straks verder met het Romeinse fort.’

Het was niet moeilijk de jongens af te leiden. Ze keken hun ogen uit. De straten en pleinen van de stad begonnen zich al te vullen met de feestvierende menigte, die in golven uit het hele omliggende land en van ver daarbuiten door de brede poorten de stad binnenstroomde. Het waren voornamelijk boeren, die de eerstelingen van hun oogst in bossen hadden samengebonden en met veel vertoon door de straten van de stad droegen. Een optocht aan trossen van vroege druiven, bundels van granaatappels, garven met tarwe en gerst, bossen van olijftakken, schalen met honing en korven met vijgen trok aan de ogen van de jongens voorbij, totdat het water hen in de mond liep. Genietend van ‘Bikkurim’, het feest van de eerstelingen, liepen ze onder het langgerekte bladerdak van de vijgenbomen. Inmiddels waren ze aangekomen bij de eerste boog van trappen die naar de tempel leidden. De jongens keken met ontzag omhoog. De boog was zo hoog, dat het Hippodroom er bijna onder paste. Maar veel tijd om rond te kijken gunden ze zich niet want de hoofdweg door de stad was gevuld met een luid zingende menigte, begeleid door fluitspelers. De jongens kenden het lied dat de boeren ten gehore brachten. Ze kenden het uit hun hoofd. Het was een van de bedevaartpsalmen en uit volle borst begonnen ze mee te zingen:

'Ik ben verblijd, wanneer zij tegen mij zeggen:

          Wij zullen naar het huis van de HEERE gaan!

Onze voeten staan

          binnen uw poorten, Jeruzalem!

Jeruzalem is gebouwd als een stad

          die hecht samengevoegd is.

Daarheen trekken de stammen op,

          de stammen van de HEERE,

naar de ark van de getuigenis van Israël,

          om de Naam van de HEERE te loven.

Want daar staan de zetels van het recht,

          de zetels van het huis van David.’

‘Zullen we alvast een kijkje nemen in de tempel?’, probeerde Ruben, toen hij moe werd van het zingen. Net als Saraf was hij vol ontzag voor de indrukwekkende praal van de gebouwen.

‘Nee, daar kunnen jullie nu niet terecht’, lachte vader. ‘We gingen toch voor de optocht van boeren met hun eerstelingen?’

Ze liepen de brede trappen die naar het tempelplein leidden voorbij en in plaats daarvan ging ze onder de enorme poort door, langs de gigantische muren van het fundament. De enorme stenen maten soms wel 45 el in lengte en 5 el in hoogte. Hier en daar zagen ze een scheur van de aardbeving maar ze hielden gehoorzaam en eerbiedig de lippen op elkaar.

Saraf schrok. Een oorverdovend geluid schetterde plotseling ergens van boven uit de tempel en overstemde de zingende bedevaartgangers. De jongens stonden aan de grond genageld met de blik op vader. Die was net zozeer geschrokken als zijn zoons en samen staarden ze enige momenten naar boven terwijl het schallende geluid door de stad echode, weerkaatst door talloze muren. Ook de passerende pelgrims keken geschrokken omhoog.

‘Ha, ha!’, samen barstten ze in lachen uit want ze kenden het geluid heel goed. Alleen hadden ze het nooit zo plotseling van zo dichtbij gehoord.

‘Ja, ja, de sjofar. Als je er niet op bedacht bent en je bent er dichtbij, dan kan het geluid je plotseling overvallen en je de stuipen op het lijf jagen’, merkte vader op en hij liep weer verder. ‘Dat was de officiële beëindiging van het ochtendgebed’, verklaarde hij verder. Maar de jongens luisterden al niet meer, opgeslokt als ze waren door de indrukken van de stad.

‘Nu kunnen we weer tellen’, merkte Ruben op toen ze de tempel voorbij waren en het enorme Romeinse fort passeerden. Begeleid door het aanhoudende schallen van de sjofar begonnen ze op de scheuren in het fundament te letten.

‘Ik zie er al één!’, riep hij. ‘En twee.’

‘En daar nog één! Drie!’, riep Saraf, die niet achter wilde blijven. Vader had moeite de jongens bij de houden nu ze weer aan het tellen waren geslagen. Ze naderden de Noordelijke binnenmuur van de stad met daarin de enorme poort en daarop een groot aantal legioensoldaten dat op de uitkijk stond. Daarachter liepen Romeinse soldaten het fort in en uit vanaf een weg die over de muur liep.

‘Waar leidt die weg naartoe?’, vroeg Saraf terwijl hij met zijn hand naar boven wees, toen ze onder de boog doorliepen.

‘Die leidt naar de Westkant van Jeruzalem, waar het paleis van Herodes ligt’, antwoordde zijn vader. ‘De weg is het korte lijntje tussen de koning van de Joden en de stadhouder van de Romeinen’, grapte hij. De jongens begrepen die politieke opmerking niet en waren al weer aan het tellen geslagen.

‘Zevenendertig!’, klonk het veel te opgewekt en totaal niet passend bij de tragedie van de scheuren.

‘Achtendertig!’, brulde Ruben opgetogen.

Al tellend naderden ze de Noordelijke stadsmuur met het enorme viaduct. Toen ze eronderdoor waren, veranderde de bebouwing. Ten Noorden van de poort strekte zich een nieuwe wijk van Jeruzalem uit, met kleine nieuwere huizen. Het was een stuk lichter want ze liepen niet langer onder een laan van vijgenbomen. De hoofdweg waarop ze liepen boog af van de muur van het fort en leidde hen midden door de nieuwe wijk. Toen ze de hoge muren achter zich lieten, wandelden ze plotseling in het zonlicht. De bebouwing was laag en er was veel minder schaduw dan op het eerste deel van hun wandeltocht. Wat er niet minder was, waren de rijen van feestgangers met de meegebrachte eerstelingen. De meesten droegen hun bijdrage voor de priesters in rieten manden of in samengebonden bundels maar er waren ook pelgrims die hun eerstelingen in prachtige zilveren en gouden schalen droegen.

‘Daar in de verte komt een koe met gouden hoorns aanlopen!’, riep Saraf opgetogen. Ruben en vader keken in de richting die hij aanwees.

‘Dat is het begin van de processie uit een andere plaats met hun eerstelingen’, legde vader uit. ‘Bij elke stad van betekenis verzamelen de boeren uit omliggende dorpen zich op de avond voor hun gezamenlijk vertrek. De volgende morgen leidt een koe de bedevaart. Voor de gelegenheid worden de horens met goud overtrokken. En kijk maar eens of jullie nog meer bijzonderheden kunnen ontdekken.’

Langzaam zagen ze het grote rund met daarachter een nieuw lint van pelgrims hun kant op lopen.

‘Ja, ik zie het’, zei Saraf. ‘Hij heeft een krans van olijftakken op zijn kop, prachtig!’

‘Er loopt ook een priester met hen mee!’, riep Ruben.

‘Moet jij ook niet meelopen, vader?’, vroeg Saraf.

‘Ik moet later deze week. Vandaag ben ik met jullie op stap. Vanmiddag heb ik dienst in de tempel’, antwoordde vader.

‘Wat een drukte!’, zei Ruben.

Het drietal had steeds meer moeite om zich door de menigte te worstelen. Ze liepen tegen de stroom in. De hoofdweg was tussen de huisjes een stuk smaller dan langs de tempel en het werd al maar drukker.

‘Kom maar jongens, dan gaan we hierlangs’, wenkte vader.

De straatjes tussen de huisjes waren weliswaar smaller maar er waren geen pelgrims en daarom naderden ze al spoedig de Noordelijke muur. Ook in de smalle straatjes hoorden ze het gezang en het fluitspel tussen de muren van de stad echoën.

‘Het lijkt vandaag bijna zo druk als met de intocht van de Rabbi uit Galilea, eerder deze week’, merkte Saraf op, nu hij even bij de drukte weg was.

Vader hoorde wat hij zei maar ging er niet op in.

‘Nee hoor’, antwoordde Ruben. ‘Toen waren er nog heel wat meer mensen op de been.’

Toen ze bij de Noordelijke buitenmuur van de stad uitkwamen, liepen ze langs de muur tot aan de Noordelijke poort. Daar stulpte de stoet van pelgrims onafgebroken de stad binnen en ze moesten even wachten totdat ze een gaatje zagen waarlangs ze de stroom even konden trotseren. Al die tijd klonk er luid gezang uit honderden pelgrim-kelen:

‘Onze voeten staan

          binnen uw poorten, Jeruzalem!’

Lachend wurmde Saraf zich tussen twee zingende pelgrims naar buiten, waar Ruben en zijn vader op hem stonden te wachten en samen liepen ze langs de lange stoet door Jeruzalems heuvellandschap. Overal rondom zagen ze boomgaarden die omzoomd waren door prachtige cipressen. Rechts lag een kale rots met spelonken, die eruit zagen als holle ogen. Daarvoor spreidde zich een plateau uit met een klein woud van rechtopstaande palen in de grond. Enkele daarvan waren aan de top voorzien van een dwarsbalk. Saraf was de eerste die de rots met de palen in de gaten kreeg. De stoet met eerstelingen had hij nu wel gezien en dit afgelegen tafereel trok op een vreemde manier zijn aandacht. Hij liep er direct heen, nog voordat de anderen het merkten.

‘Saraf!’, riep zijn vader hem na, toen hij het zag.

Maar Saraf luisterde niet en liep nieuwsgierig in de richting van de hologige rots met de palen. Ruben liep dezelfde kant op en dus volgde vader ook maar. Saraf liep inmiddels langs de palen en zag dat ze onder de rode en bruine strepen, vegen en vlekken zaten en direct realiseerde hij zich dat hij tussen de ‘stipes’ stond, de palen waaraan gekruisigden genageld werden. Die enorme vlekken op het hout, waren opgedroogd bloed. Hij bevond zich op een plaats van terechtstelling. Diep onder de indruk liep hij tussen de palen door. Van enkele palen zag hij dat het bloed nog vers was. Ondertussen waren ook Ruben en vader bij de palen aangekomen.

‘Vader, is dit Golgotha?’, vroeg Saraf.

‘Ja, jongen. Hier worden criminelen door de Romeinen terechtgesteld.’

‘Dus alle mensen die hier hingen, hebben iets heel ergs op hun geweten?’

Saraf zocht naar een rechtvaardiging voor het onuitsprekelijke leed, dat de gehangenen hadden moeten ondergaan.

‘Ja, jongen, allemaal. Zonder uitzondering.’

Saraf staarde naar een van de borden, dat hing boven een van de palen met vers bloed en de ‘patibulum’, de horizontale dwarsbalk, nog op de paal. Wat hij daar las, veranderde als bij toverslag zijn opgewekte humeur in een droefgeestige stemming. Langzaam prevelden zijn lippen wat hij las. En omdat hij niet kon geloven wat hij las, las hij het als goed opgeleide jonge priester, in alle drie de talen waarin het geschreven stond:

‘Iesous ho Nazoraios ho Basileus toon Ioudaion – Iesus Nazarenus, Rex Iudaeorum – Yeshua Hanozri Melech Hajehudim’

Met verstikte stem kwamen de laatste, Joodse woorden eruit. Saraf gaf zich over aan een zee van verdriet en neerslachtigheid. Geschokt zag Ruben de diepe treurnis waardoor zijn broertje overmand was en de tranen sprongen ook hem in de ogen. De priestervader kon even geen woorden van troost bedenken en deed het enige wat dan nog gepast is. Hij ging voor Saraf staan en legde zijn beide grote handen op de schokkende schouders van de jongen. De non-verbale steun van zijn vader onderstreepte de droefheid van de priesterzoon en maakte het verdriet nog inniger. Luid wenend liet Saraf zijn tranen de vrije loop terwijl hij zijn armen om zijn vader sloeg. Ruben kwam er ook bij staan en sloeg zijn armen over de handen van zijn vader om de schouders van Saraf. Hij snapte maar een fractie van het plotselinge verdriet van zijn broertje maar dat maakte niet uit. Voor enige tijd stonden ze zo in stilte het verdriet van Saraf te verwerken. Zelfs de extraverte Ruben begreep dat woorden in deze situatie niets zouden uithalen. De eerste die weer wat zei, was Saraf zelf.

‘Waarom?’, zei hij met een door verdriet verstikte stem en met een betraand gezicht keek hij op naar zijn vader, alsof die verantwoordelijk was voor wat hij net had gezien. Vader haalde zijn schouders op en wist nog steeds niet goed wat hij zijn zoon moest antwoorden. Er was geen rationele verklaring voor. Zelf wist hij ook geen raad met wat er gebeurd was. Hij keek naar boven, alsof hij de vraag van Saraf doorspeelde naar God Zelf. En misschien deed hij dat ook wel. Toen keek hij opnieuw naar zijn zoon en zei:

‘Waarom? We weten het niet, Saraf. We nemen maar aan dat het Sanhedrin weet wat het beste is voor het volk.’

‘Is het kruisigen van Messiah ben David het beste voor het volk? Dat geloof je zelf niet!’, was de verontwaardigde reactie van Saraf.

Zijn vader zuchtte. ‘Nee dat geloof ik zelf niet. Maar wás de Rabbi van Galilea wel Messiah ben David?’

Het diepe verdriet van Saraf sloeg om in woede. Het vuur voor de Rabbi van Galilea brandde al meer dan een half jaar in zijn ziel en dat was niet meer uit te blussen. Hij stampvoette wild op de grond en spuugde zijn woorden eruit richting zijn vader:

‘Yeshua Hanozri, niet de Messiah?! Dat is onmogelijk! Hij is Messiah ben David!’

Geschrokken keken vader en Ruben naar de anders zo rustige Saraf. Ze wisten niet hoe ze moesten reageren.

‘Hij ís Messiah ben David! Nog geen week geleden heeft heel Jeruzalem Hem toegejuicht. Wie moet Hij anders zijn?’

Vader en Ruben bleven zwijgend naar Saraf kijken.

‘En waarom wist ik dit niet?’

Vader en Ruben keken elkaar aan maar zeiden nog steeds niets.

‘Wisten jullie dit?’

Vader zuchtte en keek nu naar de grond.

‘Nou, wisten jullie dit?’, het leek wel een kruisverhoor waaraan Saraf zijn familie onderwierp.

‘Ja, Saraf, wij hadden ervan gehoord. Maar de toedracht – daar weten we niets van.’

‘Toedracht? Wat bedoel je daarmee? Waarom is mij niets verteld?’

‘Nou, kijk eens hoeveel verdriet je ervan hebt.’

Met de opmerking over zijn eigen verdriet sloeg de stemming in het hart van Saraf weer om van woede naar droefheid en opnieuw barstte hij uit in tranen. Ruben probeerde als grote broer weer te troosten en legde opnieuw zijn arm om de schouders van Saraf.’

‘Stil maar, Saraf’, zei hij zacht. ‘Misschien komt er wel weer een andere Messiah.’

‘Er is geen andere Messiah!’, schreeuwde Saraf met een van woede overslaande stem.

- 5 mei 2021 -

paasroman

De Heer is werkelijk opgestaan

Hoofdstuk 4

Hoofdstuk 5

Hoofdstuk 6

Hoofdstuk 7