hoofdstuk 14

(43)

‘Een denaar en vijf penningen, daar heb ik niets voor, Vitellius.’

‘Maar kun jij dan niet wat bijleggen?’

‘Nee, daar begin ik niet aan. Het is geld van de priesters. Ik ben slaaf, weet je?’

‘Maar hoe kom ik dan ongezien door Jeruzalem?’

Vitellius was geschrokken van het bericht dat heel het fort Antonia naar hem en zijn kornuiten van de wacht op zoek was. Hij probeerde Malchus zover te krijgen om op een markt een kledingstuk voor hem te kopen, als vermomming. Geldgebrek leek hem nu noodlottig te worden.

‘Ik heb een ander idee’, zei Malchus. ‘We nemen het Wijnrankenpad.’

‘Het wat?’

‘Het Wijnrankenpad. Het is een pad, dwars door landbouwgebied ten Westen van de stad. Het loopt voornamelijk langs de wijngaarden op de zuidhellingen, vandaar de naam. Vanaf het Noorden kom je eerst langs een aantal olijfgaarden.’

‘Maar lopen we daar geen kans om soldaten tegen te komen?’

‘Veel minder kans. Er zijn maar weinig Romeinen die weten waar het loopt. Ik heb er vrijwel nooit Romeinen gezien.’

‘Maar dit is een andere situatie. Volgens mij zijn ze de hele omgeving aan het uitkammen om ons te vinden.’

‘Dat risico moeten we voor lief nemen. We moeten goed opletten. Als we soldaten bespeuren, kun jij je snel verbergen in een veld met wijnranken. Je hebt daar inmiddels ervaring mee.’ Bij die laatste opmerking kon Malchus een lachje niet onderdrukken, tot groot ongenoegen van Vitellius.

‘Jij hebt gemakkelijk praten’, bromde hij. ‘Naar jou zijn ze niet op zoek.’

‘Ik heb andere dingen aan mijn hoofd. Ik mag straks het slechte nieuws gaan brengen van het verdwenen lichaam.’

‘Dat is voor mij belastender dan voor jou.’

Vitellius keek verbeten in de ogen van Malchus. Die zweeg. De soldaat had gelijk. Het verdwenen lichaam kwam op het conto van de soldaten van de wacht en daar was hij er één van. Het zag er niet best voor hem uit. Even zaten ze zwijgend naast elkaar op de stapel van enorme cederstammen, die daar was neergelegd voor een onbekend bouwproject. Ze zagen de soldaten die zojuist door Malchus om de tuin waren geleid, één voor één langs de stadsmuur uit het zicht verdwijnen. De vraag was hoeveel er die dag nog meer liepen te zoeken en vooral waar ze liepen te zoeken. Vitellius voelde dat zijn leven aan een zijden draad hing. Voor de zoveelste keer woog hij zijn kansen. Maar telkens kwam hij tot dezelfde conclusie. De zijden draad waaraan zijn leven hing, was bij de orde van de Joodse priesters een stuk steviger dan bij de militaire orde van Rome.

‘Nou, zullen we maar gaan dan?’, besloot Vitellius uiteindelijk. Direct stond hij op en ging tegenover Malchus staan. Die was weggezonken in zijn eigen gedachten en het duurde even voor hij reageerde. Toen stapte ook hij van de stapel stammen af en kwam naast Vitellius staan. Het lint van de boerenprocessie richting de stad hield nog steeds aan en Vitellius liep een paar passen achter een boer met een os die zojuist passeerde.

‘Nee, Vitellius! We moeten de andere kant op’, riep Malchus hem na.

Direct draaide Vitellius zich om en begon tegen de stroom in te lopen. Malchus kwam naast hem lopen. Begeleid door fluitspel en zang naderden ze het Wijnrankenpad.

‘Zie je daar die enorme vijgenboom?’, zei Malchus. ‘Daar begint het Wijnrankenpad.’

Bij de aangewezen boom gekomen, sloegen ze linksaf. Ze betraden een smal pad dat tussen een aantal vijgenbomen doorliep. Even verderop stonden vrijwel alleen olijfbomen aan de linker- en rechterkant van het pad. Eerst liep het pad iets af maar al snel begon het te klimmen. Het pad liep behoorlijk stijl omhoog. Het was er rustig en ze kwamen niemand tegen. Het was Malchus die het gesprek weer opende met een vraag die Vitellius niet had zien aankomen:

‘Nog even terugkomend op onze missie naar het graf: Ik hoorde zijn volgelingen in het graf praten over vrouwen, die vroeg in de ochtend het graf bezochten. Weet jij daar iets van, Vitellius?’

Vitellius wist niet hoe hij de vraag moest beantwoorden en zweeg. Eerder had hij nooit zo’n moeite gehad met een leugentje om bestwil maar sinds zijn belevenissen van die dag leek het alsof zijn geweten gescherpt was. Voor Malchus duurde het te lang en die trok zijn conclusie.’

‘Je zwijgen verraadt je, Vitellius. Ik neem aan dat jij die vrouwen ook hebt gezien. Waarom heb je dat verzwegen?’

Vitellius haalde zijn schouders op. Ook op die vraag had hij geen antwoord klaar. Daarom wist Malchus ook op die vraag het antwoord en hij zei:

‘O, ik weet het al. Je schaamde je er natuurlijk voor dat jullie, soldaten van de wacht, waren gevlucht voor een verschijning waar Joodse vrouwen mee in gesprek raakten.’

Vitellius raakte geïrriteerd door het plotselinge verhoor en hij vroeg:

‘Hoe weet jij zo zeker dat die vrouwen met die verschijning in gesprek waren?’

‘Dus je bevestigt het? Mooi. Maar wil je me voortaan de volledige waarheid vertellen?’

‘Ik heb je de waarheid verteld.’

‘Maar niet de volledige waarheid. En ik heb je nog gevraagd of er nog iets belangrijks was, wat ik moest weten. Toen zei je dat je verder niets wist.’

‘Niets wat belangrijk was.’

‘Dit is wel degelijk belangrijk!’, riep Malchus uit. ‘Dat er bij het ochtendkrieken vrouwen bij het graf waren, die de verschijning en de weggerolde steen ook hebben gezien is van levensbelang. Dat betekent dat het gerucht in bredere kring onder het Joodse volk bekend aan het worden is. Dat geeft aan hoe urgent het voor de priesterklasse is om actie te ondernemen.’

Vitellius zuchtte en zei: ‘Stil maar, je hebt gelijk. Ik had het je direct moeten vertellen. Maar had het wat uitgemaakt?’

‘Voor nu niet. Maar stel dat ik zijn volgelingen niet had afgeluisterd. Dan was onze indruk geweest dat wij het eerder wisten dan zij, in plaats van omgekeerd. Een halve dag kan bij zo’n belangrijk bericht een enorm verschil betekenen.’

‘Nou, goed. Je weet het nu. We gaan de priesters zo snel mogelijk inlichten. Dan kunnen ze actie ondernemen.’

‘Is er misschien nog iets, wat ik moet weten, wat je me nog niet verteld hebt?’

Vitellius dacht even serieus na en schudde toen zijn hoofd.

‘Is het werkelijk zo dat de grafdoeken als een cocon op de grond lagen, zonder van zijn lichaam te zijn getrokken?’

Nu was het de beurt aan Vitellius om boos te worden en hij zei:

‘Geloof je me soms niet? Ik heb gezegd dat ik mijn vuisten kapot gebeukt heb op de grafdoeken totdat de balsem eruit sijpelde. Ik heb je als bewijs zelfs mijn onderarmen laten ruiken. En nog geloof je me niet? Dan sta ik erop dat we nu direct terugkeren naar het graf en dat jij zelf gaat kijken hoe die doeken erbij liggen.’

‘Rustig Vitellius, ik geloof je. Je reactie laat zien dat je de waarheid spreekt. Ik moet dat checken, weet je. De priesters zullen mij danig aan de tand voelen of ik wel zeker weet of wat jij zegt gezien te hebben, ook de werkelijke situatie in het graf is. Dit is voor hen een enorme schok, een kwestie van groot politiek belang.’

‘En hoe weet je dan of ik nu de waarheid spreek en je niet zelf in het graf hoeft te kijken om mij te checken?’

‘Dat laatste is een onmogelijkheid. Dat heb ik je al verteld – in verband met de Joodse reinheidswetten. Wat je daar hebt gezien is ongelofelijk en ongeloofwaardig. Het gaat in tegen alle gezond verstand. Maar toch geloof ik je en is het niet nodig je te controleren. Je straalde namelijk oprechte boosheid uit. Waarom werd je niet boos toen ik je confronteerde met het verhaal over de vrouwen?’

Vitellius keek Malchus niet begrijpend aan. Die gaf zelf het antwoord:

‘Je werd niet boos omdat je toen zocht naar een verhaal om je leugen toe te dekken.’

‘Het was geen leugen. Ik had het alleen niet verteld.’

‘Dat is ook liegen. Zeker als ik er expliciet naar vraag. En je was in je hoofd bezig een goed antwoord te bedenken zodat je het kon blijven verzwijgen. Dan heb je geen energie meer over om nog boos te worden. Snap je?’

Vitellius knikte. Hij had al meer psychologie les gehad dan hij als Romeins soldaat aan kon. Maar Malchus ging nog even verder met zijn uitleg.

‘Eigenlijk had je veel bozer moeten worden bij mijn vraag over de vrouwen omdat daarmee jouw zwakheid aan het licht kwam en het ook niet ongeloofwaardig is. Dat ik jou niet geloof over die grafdoeken is veel begrijpelijker want het ís ook heel ongeloofwaardig en het zet jou niet in een bepaald daglicht. Toch werd je bij mijn vraag over de vrouwen niet boos en bij mijn vraag over de grafdoeken wel. Over de grafdoeken sprak je de waarheid, over de vrouwen niet.

Vitellius volgde het verhaal van Malchus maar half en kwam terug met zijn eigen probleem.

‘Dat die vrouwen bij het graf in gesprek met die verschijning waren, kunnen we dat voor de priesters niet gewoon buiten beschouwing laten? We kunnen toch gewoon zeggen dat de Joden uit de kring van de Rabbi het vroeg in de ochtend al wisten?

Malchus bleef plotseling staan.

- 19 juli 2021 -


(44)

‘Kom, Saraf. Wees eens realistisch. Jarenlange melaatsheid en geen enkel litteken!?’

De oom van Saraf stond nog steeds naast Saraf en praatte op hem in, over het wonder van genezing, dat zijn vader in de tempel had meegemaakt.

‘Is zoiets ooit eerder voorgekomen, Saraf?’

Saraf keek zijn oom nadenkend van opzij aan en zei toen:

‘Naäman! Wel eens van gehoord?’

Zijn oom fronste verontwaardigd zijn wenkbrauwen en zei:

‘Brutaal joch! Leg jij maar eens uit wat je bedoelt.’

Saraf gaf een kort verslag van de gebeurtenis:

‘Naäman, de Syrische generaal van het leger kwam met zijn melaatsheid bij Elisa. Nadat hij zich zeven maal had ondergedompeld in de Jordaan, was zijn huid als die van een kleine jongen.’

‘En hoeveel getuigen waren daarbij aanwezig?’

‘Dat weten we niet. 'Zijn dienaren', staat er. Dus minstens twee.’

‘Precies. En hoeveel getuigen waren er in geval van de man die bij jouw vader in de tempel verscheen?’

Saraf zweeg. Hij dacht even na. Toen antwoordde hij:

‘U vroeg naar een genezing van melaatsheid zonder enig litteken, ongeacht het aantal getuigen. Dat is wel degelijk eerder in de geschiedenis voorgekomen.’

‘Ja, maar dat was in de tijd van Elia en Elisa.’

‘Ja, en dit is in de tijd van Johannes de Doper en Jezus van Nazareth.’

Oom sloeg hard met zijn vuist op tafel, zodat de Torah-rol van Saraf er bijna af rolde en riep: ‘Jij gaat Johannes en Jezus toch zeker niet met Elia en Elisa vergelijken?’

Saraf was geschrokken van de woeste reactie van zijn oom en kon even niets zeggen. Hij keek in de ogen van Maria. Daarin las hij tegelijkertijd medelijden en verontwaardiging. Ze gaf hem weer moed en hij wilde zijn oom antwoord geven maar die was hem voor en zei:

‘Vierhonderd jaar lang is er geen enkele profeet meer opgetreden in Israël! En nu hebben we er ineens twee tegelijk?’

Saraf probeerde weer om iets te zeggen maar zijn oom ging door met tieren.

‘De één is onthoofd. De ander gekruisigd. Wil je een vergelijking maken? Dat is wel hééél wat anders dan opgehaald te worden in een storm met vurige paarden en wagens, zoals Elia.’

Triomfantelijk keek oom op Saraf neer. Hij dacht de discussie te hebben gewonnen. Dat gaf Saraf de gelegenheid eindelijk zijn antwoord te geven:

‘De allerlaatste profeet van vierhonderd jaar terug voorspelde de komst van een Elia.’

Sarafs oom kneep zijn ogen samen tot spleetjes, boog zich naar het oor van Saraf en siste tussen zijn tanden:

‘En weet jij ook in welke context dat staat?’

Saraf dacht even na en citeerde feilloos de op één na laatste zin van de profeet Maleachi:

‘Zie, Ik zend tot u de profeet Elia, voordat de dag van de HEERE komt, die grote en ontzagwekkende dag.’

Oom bleef in dezelfde gebogen houding staan en siste:

‘Heel goed, Saraf! En is die ‘grote’ en ‘ontzagwekkende’ dag gekomen?’

Saraf zweeg. Nu had zijn oom hem klem. Het leven van alledag ging gewoon door. Het was alsof er niets aan de hand was. Toen dacht hij terug aan Jezus en zei:

‘Maar Jezus van Nazareth heeft enorm veel wonderen verricht. Nog veel en veel meer dan Elisa.’

Bulderend richtte zijn oom zich op en riep:

‘Anderen heeft Hij verlost. Zichzelf kan Hij niet verlossen!’

Er viel een pijnlijke stilte. Niemand zei iets. Toen bulderde oom:

‘Ik heb Hem zien hangen toen de priesters Hem dat toeriepen! Gekruisigd, Saraf. Hij is gekruisigd. En de ‘grote’ en ‘ontzagwekkende’ dag is niet gekomen. Het is voorbij met Hem.’

Saraf wist niet meer hoe hij hier nog op moest reageren. Maar toen kreeg hij steun uit onverwachte hoek. Maria was het onophoudelijke duel zat en zei:

‘Als Saraf de steen van zijn graf afgewenteld heeft gezien en Hem zelfs heeft gesproken, is het nog niet voorbij met Hem.’

Zowel oom als Saraf keken allebei verrast naar Maria. Die ging verder met:

‘Als u zo graag wilt dat er meer getuigen zijn van de weggerolde steen, waarom organiseert u dat dan niet? Er zitten hier genoeg kinderen die wel een kijkje willen nemen bij het graf van de Rabbi.’

Sarafs oom reageerde direct:

‘Kinderen, Maria? Die een kijkje gaan nemen bij het graf van de Rabbi, Maria? Wat een ongepast idee, Maria. Voor ze het weten verontreinigen ze zichzelf. Bovendien is een graf veel te macaber voor kinderen, Maria!’

Maar Maria gaf zich niet snel gewonnen en zei:

‘Ja, ja. We mogen hier wel op hoog niveau een discussie met u voeren over de profeet, over valse profeten, over getuigen van een zonde en over de komst van Elia maar we kunnen niet kijken of een steen van een graf is weggerold?’

Hier had oom even niets op te zeggen. En terwijl Saraf haar bewonderend aan staarde ging ze verder:

‘Bovendien hebben de oudste kinderen allemaal wel eens een begrafenis meegemaakt en ze zijn vaak genoeg bij een graf van familie geweest.’

Hier dacht oom een aanknopingspunt te hebben en hij wierp tegen:

‘Dat waren gesloten graven van familie. We hebben hier te maken met een mogelijk open graf van een gekruisigde.’

De bijval die hij van Maria kreeg, gaf Saraf weer lef en hij zei:

‘U bent degene die mijn vraag nog steeds niet hebt beantwoord omdat u vindt dat er getuigen moeten zijn. Dus, of u beantwoord nu mijn vraag, of u laat een aantal van ons als getuigen bij het graf kijken.’

Oom sprong naast Saraf op alsof hij door een wesp werd gestoken. Hij sperde zijn ogen wijd open en kneep ze toen weer samen tot speeltjes en zei uit de hoogte:

‘Zo, ik wordt hier door mijn eigen neef voor het blok gezet? En wat, beste neef, was ook al weer de vraag?’

Saraf zuchtte en herhaalde voor ze zoveelste keer:

‘Als – let op, ik zeg ‘als’ – Als de Profeet uit Nazareth stierf omdat Hij, zoals de wet zegt, overmoedig zou zijn geweest, vanwege welke kwaliteit was dan vanmorgen de enorme steen van voor zijn graf weggerold en lag die twintig el vederop in de graftuin?’

Het was stil. Oom wist duidelijk niet wat hij met de vraag aan moest. De kinderen werden nu onrustig en begonnen te draaien op hun stoelen. De schriftlezing had door het conflict al veel langer geduurd dan normaal. De oudste kinderen en met name Maria, keken oom indringend aan. Eerst zocht hij nog naar een tegenwerping. Maar toen zuchtte hij. En hij zei:

‘Hm, Vooruit dan maar. Twee van de kinderen gaan vanmiddag met Saraf bij het graf kijken om te zien of de steen inderdaad is weggerold. Wie willen er mee?’

Direct gingen de vingers van alle kinderen de lucht in.

‘Dat zijn er te veel’, zei oom. ‘Ik zei twee. Saraf wie gaan er vanmiddag met jou mee?’

Het hart van Saraf maakte een sprongetje van vreugde en hij zei:

‘Maria en Mathilde.’

Heel even ontmoette zijn blik weer die van Maria en ze keek hem dankbaar aan. Toen zei oom:

‘Dan hoor ik bij de tweede schiftlezing deze week wel, wat de uitkomst was van jullie onderzoek en dan zullen we de lezing van vandaag beëindigen.’ Direct ging zijn spreken tot de groep met het opheffen van zijn handen over in een gebed tot de Allerhoogste en plechtig sprak hij het ‘Aleinu’ uit: ‘Het is onze plicht om de Meester van allen te prijzen, om de grootheid te verkondigen van de Bouwmeester van de schepping, die ons niet maakte als de natiën der landen, noch ons plaatste als de families van de aarde, die ons geen deel heeft gegeven als hen en ons niet laat delen in hun lot. Want zij aanbidden ijdelheid en ledigheid en bidden tot een god die niet kan redden. Maar wij buigen in aanbidding en dank tot de allerhoogste Koning der koningen, de Heilige, de Gezegende, Hij die boven de hemelen troont en die de aarde grondvest, wiens troon is in de hemelen daarboven en wiens krachtige Tegenwoordigheid is in de hoogste hoogten. Hij is onze God en er is geen ander. In waarheid is Hij onze Koning en er is geen andere, zoals geschreven in zijn Torah: U zult beseffen en ter harte nemen, deze dag, dat de Heer is God, in de hemelen boven en op de aarde beneden. Er is geen ander.

- 20 juli 2021 -


(45)

Jonathan hield het formidabele gordijn dat voor het portaal hing, opzij voor zijn vader. Met zijn ogen knipperend tegen het felle zonlicht stapte Annas naar buiten, gevolgd door zijn zoon, Kajafas en nog een priester. Achter elkaar daalden ze langs de treden van het bordes af naar de voorhof, de vele manden met opbrengsten van Bikkurim behendig ontwijkend. Met de andere priesters achter zich aan stapte Annas voorzichtig tussen de knielende en in aanbidding neerliggende pelgrims door, langs de helling van het altaar, richting de wenteltrap tegen de Zuidelijke muur, die hij eerder die morgen had beklommen. Bij de trap gekomen draaide hij zich plotseling om. Hij wachtte tot de anderen om hem heen stonden. Even keek hij spiedend om zich heen. Daarna keek hij de anderen één voor één aan en met een zo laag mogelijke stem, die voor de anderen in de hectiek van de voorhof net hoorbaar was, zei hij:

‘We moeten als Sanhedrin een belangrijke kwestie bespreken.’

De anderen keken elkaar verbaasd aan terwijl Annas weer om zich heen keek.

‘De zaak is zowel religieus als politiek van zeer groot belang.’

Hij keek de kleine kring indringend in het rond en vervolgde:

‘Het is dermate precair dat zo min mogelijk mensen ervan moeten weten.’

Toen hij dit had gezegd, richtte hij zijn scherpe blik tot de priester die niet tot het Sanhedrin behoorde. Die begreep direct de bedoeling en zei:

‘Ja, eh, ik ga maar. Ik heb nog andere verplichtingen zo meteen.’

Annas keek hem na tot hij achter de helling van het altaar uit het zicht verdween. Daarna keek hij Jonathan en Kajafas aan en zei:

‘Er is te midden van alle drukte van Bikkurim maar één plek waar we op dit moment rustig kunnen overleggen, zonder gevaar door anderen te worden gehoord.’

Hij liet zijn woorden even tot de anderen doordringen, zodat hij zo min mogelijk weerstand zou ondervinden.

‘De kamer van de hogepriester’, zei hij, terwijl hij Kajafas aankeek met een blik die geen tegenspraak duldde.’

Kajafas reageerde onaangenaam verrast en zei:

‘Maar, die is speciaal voor…’

Hij kon de zin niet afmaken want Annas hief bezerend zijn arm omhoog en viel hem direct in de rede:

‘Nood breekt wet. Jij zelf bent in deze drukke tijden ook wel eens in die kamer te vinden, terwijl die ‘speciaal’ voor de vier laatste wassingen van Yom Kippur is.’

Kajafas keek naar de grond, alsof hij op een zware misdaad was betrapt.

‘Zullen we dan direct maar?’, zei Annas, terwijl hij met zijn hand uitnodigend gebaarde naar de wenteltrap. Met een zucht pakte Kajafas de leuning van de trap en zette met zichtbare tegenzin zijn voet op de onderste tree om zijn schoonvader en zwager voor te gaan naar zijn speciale vertrek. Op dat moment gebeurde er iets onverwachts. Matthias, de andere zoon van Annas kwam zo snel als hij kon aangelopen en riep van een afstand:

‘Vader, wacht! U moet zo snel mogelijk meekomen.’

Verstoord keek Annas om naar zijn toesnellende zoon.

Toen die voor hem stond, liet Annas demonstratief zijn schouders zakken. Hijgend lichtte Matthias de noodzaak toe:

‘Er zijn dingen aan de hand die u zo snel mogelijk zelf moet horen.’

‘Nu niet, Matthias. Je ziet toch dat ik andere zaken aan mijn hoofd heb?’

‘Dit is minstens zo belangrijk.’

‘Daar weet jij niets van. Wil jij dat niet voor mij invullen?’

‘Het zijn verhalen van pelgrims, die u zo snel mogelijk moet weten.’

‘Je gaat me toch niet vertellen dat die pelgrims op mij zitten te wachten?’

‘Nee, of ja, dat ook, maar er ….’

Verder kwam hij niet want zijn vader sprong zowat uit zijn vel en viel tegen hem uit:

‘Je hebt ze dus beloofd dat ik eraan kom!?’

Er viel een stilte, die werd gevuld door een uitbrander van de vader:

‘Wat hadden we vanmorgen afgesproken, nou?’

‘Ja, maar er komen er steeds meer die …’

‘Natuurlijk komen er steeds meer! De stad bulkt van de pelgrims!’

‘Maar dit wilt u echt horen…’

‘Ik wil niets horen van pelgrims. En van jou al helemaal niet. Nou wat hadden we afgesproken?’

Matthias zuchtte en zei:

‘Niets beloven.’

‘Precies. Zie maar hoe je het oplost.’

En met die woorden draaide hij zich om richting de wenteltrap. Kajafas en Jonathan, die de korte woordenstrijd vanaf de onderste treden hadden gadegeslagen, draaiden zich ook om en gedrieën klommen ze naar boven.

- 22 juli 2021 –

paasroman

De Heer is werkelijk opgestaan

Hoofdstuk 15