kaïns vrouw

'En Kaïn had gemeenschap met zijn vrouw, en zij werd zwanger...'

'Mijn zus.' Dat is het antwoord dat KAÏN zou hebben gegeven op de vraag wie zijn vrouw was. Veel mensen achten dit onmogelijk omdat dit zou hebben geleid tot zeer zwakke, ongezonde en ongelukkige kinderen, met allerlei ziekten en afwijkingen. Op dit moment is dat immers ook het geval. Bovendien zou dan sprake geweest zijn van incest. Hoe zit het eigenlijk met Kaïns vrouw? Was het wel zijn zus?


Ja, het was zijn zus. Vergeten wordt dat het erfelijk materiaal van de mens thans niet meer exact gelijk is aan dat van de eerste generaties mensen. Het oorspronkelijk erfelijk materiaal was dermate puur en volkomen, dat erfelijke ziekten geen rol speelden. Maar na zoveel duizenden jaren van voortplanting is het DNA vervuild en vervormd. Daardoor loopt het nageslacht van broers en zussen door een optelsom van genetische afwijkingen een grote kans op ziekte en misvorming. Om die reden heeft God na ongeveer 2000 jaar mensheid in de WETTEN VAN MOZES een grens gesteld aan huwelijken binnen één en dezelfde familie.

Nu vinden aanhangers van de reguliere wetenschap het misschien moeilijk te geloven dat het erfelijk materiaal in de begindagen van de mensheid anders was dan nu. Echter diezelfde reguliere wetenschap acht het heel goed mogelijk dat de mens uit eencellige wezens is voortgekomen door een eindeloze reeks van toevallige spelingen van het lot. Voor dat laatste zijn onnoemelijk veel grotere veranderingen in het DNA nodig dan voor de degeneratie van menselijk DNA, dat door de Bijbel wordt verondersteld.

Iets dergelijks geldt voor de uitgebreide variatiemogelijkheden binnen de soorten, waar de bijbel ook van uit gaat in de weergave van DE ZONDVLOED. Als Noach van elk dierenras twee exemplaren in de ark had moeten opnemen, dan was de ark veel te klein geweest. Door de variatiemogelijkheden binnen elke soort kon Noach volstaan met het opnemen van één enkel basistype van elke soort. Er was binnen de ark nog EEN ZEE VAN RUIMTE OVER. Na de zondvloed konden zich door de verspreiding van de basistypen over de aarde en daarmee de blootstelling aan heel verschillende natuurlijke omgevingen vele variaties binnen de soorten vormen.

De bijbel leert geen statische schepping waarbij alle vormen en kenmerken volledig vastliggen. De schepping is dynamisch, flexibel, plooibaar maar wel binnen bepaalde, DOOR GOD VASTGESTELDE GRENZEN. Het basismateriaal der soorten, dat God in zijn schepping heeft gegeven, had een zeer rijk DNA met een enorm scala aan aanpassingsmogelijkheden voor het geval van veranderende omstandigheden.

Door de loop van de tijd zijn de omstandigheden waaronder de soorten leven ook sterk veranderd. De zondvloed heeft daar een zeer belangrijke rol in gespeeld en de huidige uiteenlopende klimatologische omstandigheden in de wereld tonen hoe ver het aanpassingsvermogen van de soorten rijkt. De sneeuwpanter en de tijger hebben zich beide uitstekend aangepast aan hun omgeving.

De enorme potentie tot variatie binnen de soorten betekent echter niet dat de soorten uit elkaar zouden zijn voortgekomen en dat alle leven zich uit een eencellig wezen zou hebben ontwikkeld. Dat is een ongefundeerde extrapolatie die in de 19e eeuw door CHARLES DARWIN is gemaakt. Darwin bestudeerde vanaf 1935 op de Galapagoseilanden sterk van elkaar verschillende vinkenfamilies. Al deze vogels behoorden echter nog steeds tot één en dezelfde soort: de vink. Wat Darwin waarnam was ‘micro-evolutie’. Hij concludeerde op basis van zijn waarneming in ‘The Origin of Species’, een boek dat verscheen in 1859, tot ‘macro-evolutie’. Zeven jaar later publiceerde GREGOR MENDEL de door hem ontdekte wetmatigheden van de voortplanting en toen bleek dat ‘micro-evolutie’ genetisch niet kán leiden tot ‘macro-evolutie’.

Mendels wetten lieten zien dat het genetisch materiaal van iedere soort begrensd is. Een soort kan daardoor niet buiten de reikwijdte van het eigen DNA variëren tot een andere soort. Verder blijkt een dochtervariant ALTIJD GENETISCH ARMER dan de moedersoort. Anders gezegd: een Chihuahua heeft ten opzichte van een Wolf een sterk verarmd DNA. Uit een Wolf heeft zich door de loop van de tijd wel een Chihuahua kunnen vormen maar een Chihuahua kan nooit meer terug muteren naar een Wolf. De vormenrijkdom binnen de diersoorten gaat, net als bij de opeenvolging van generaties bij de mens, ten koste van de kracht van het DNA. SPECIAAL GEFOKTE RASHONDEN zijn zwakker dan hun oorspronkelijke soort en een man kan niet langer zijn zus trouwen.

Darwin had een eigen opvatting over erfelijkheid, die foutief was. Darwin heeft nooit raad geweten met de wetten van Mendel, die in 1865 werden gepubliceerd. Omdat de wetenschap op het spoor van de evolutietheorie zat, kon zij de wetten van Mendel niet plaatsen. De wetten van Mendel, die tot op vandaag de dag nog steeds staan als een huis, zijn gedurende ongeveer 35 jaar in de vergetelheid geraakt en pas rond 1900 herontdekt. Het was onder andere Hugo de Vries die de wetten herontdekte en rond 1902 meteen kwam met de mutatietheorie als hulphypothese voor de evolutietheorie. Toevallige mutaties in het erfelijk materiaal zouden de drijvende kracht zijn achter de ontwikkeling der soorten. Mutaties zijn toevallige veranderingen en betreffen bestaand genetisch materiaal. Zij kunnen onmogelijk leiden tot de complexe programmatuur van het DNA. Bovendien zijn mutaties voor het overgrote deel schadelijk. Hoe groot is het geloof in evolutie als wetenschappers genmutaties verantwoordelijk houden voor zowel de meeste aangeboren verstandelijke handicaps als voor het ontstaan van de mens uit aapachtigen?

Wat de wetenschap verzwijgt is dat er geen evolutie in het spel is maar degeneratie. Officieel geaccepteerde opvattingen, theorieën en verklaringen zijn niet zelden het omgekeerde van de waarheid.

WANT DE SCHEPPING IS AAN DE VRUCHTELOOSHEID ONDERWORPEN…

verleden

Uit Hem zijn alle dingen.

Rode Zee

Messias

De Schrift