openbaring 7

Vers 1-8

De 144.000

Hierna zag ik vier engelen staan op de vier hoeken van de aarde, die de vier winden van de aarde vasthielden, opdat er geen wind zou waaien over de aarde, noch over de zee, noch over enige boom. En ik zag een andere engel opkomen va de opgang van de zon, die het zegel van de levende God had; en hij riep met luider stem tot de vier engelen wie gegeven was aan de aarde en de zee schade toe te brengen, en hij zei: Brengt geen schade toe aan de aarde, noch aan de zee, noch aan de bomen, voordat wij de slaven van onze God aan hun voorhoofden hebben verzegeld. En ik hoorde het getal van de verzegelden: honderdvierenveertigduizend verzegelden uit elke stam van de zonen van Israël - uit de stam Juda twaalfduizend, uit de stam uit de stam Ruben twaalfduizend, uit de stam Gad twaalfduizend, uit de stam Aser twaalfduizend, uit de stam Naftali twaalfduizend, uit de stam Manasse twaalfduizend, uit de stam Simeon twaalfduizend, uit de stam Levi twaalfduizend, uit de stam Issaschar twaalfduizend, uit de stam Zubulon twaalfduizend, uit de stam Jozef twaalfduizend, uit de stam Benjamin twaalfduizend, verzegelden.


De eerste vijf zegels die het Lam opende, ontketenden verzet en geweld van de heersende aardse elite, gezien in vier paarden, bereden door vier ruiters, de machinerie van de geheime wereldmachten, die achter de schermen al eeuwenlang bezig zijn steeds meer macht naar zich toe te trekken in voorbereiding op de eindstrijd om de aarde. Om een vuist te kunnen maken tegen het Lam, dat de aarde voor zich gaat claimen, achten zij het nodig om de volledige mensheid onder hun controle te krijgen. Daarbij gaan zij over lijken. Alles waar zij geen rechtstreekse controle over hebben moet kapot of dood.

Vanaf de top voeren machten, die teruggaan op de ridders van de Middeleeuwen en de oude wereldrijken, hun subversieve activiteiten uit. Daarvoor is nodig dat (1) de hele wereld wordt misleid om dat wat zij propageren uit te voeren (het witte paard) (2) groepen mensen tegen elkaar worden opgezet (het rode paard) (3) mensen economisch volledig van hen afhankelijk worden en totaal worden uitgeknepen door schaarste en torenhoge prijzen voor voedsel (het zwarte paard) en (4) dat velen worden gedood, zodat totale controle gemakkelijker kan worden gerealiseerd (het vale paard). We zagen dit gebeuren onder de eerste vier zegels. Uiteraard worden alle dissidenten uitgeschakeld met een ‘groot zwaard’, de guillotine. Dat zijn met name mensen die van God en van het Lam getuigen. De zielen van deze gedode mensen zagen we onder het vijfde zegel.

De enorme ongerechtigheid die zich onder de eerste vijf zegels op aarde afspeelt, brengt de aarde in enorme beroering - een wereldwijde beving -, waarop de hemel antwoordt met tekenen aan zon maan en sterren. Dat is het moment dat door de hele machtspiramide op aarde het besef ontstaat dat men aan het vechten is tegen een kracht, waar men niet tegenop gewassen is. Ten einde raad verstopt men zich in holen en bergen, onder het uitroepen van ‘wie kan bestaan?’ Zij denken dat het einde is gekomen met de toorn van het Lam. Echter, dit is nog niet het einde. Het is het begin van het einde.

De aardbewoners kruipen weer uit de bergen en de holen en gaan door met hun plannen om God en het Lam zoveel mogelijk te dwarsbomen. Dat blijkt namelijk uit het vervolg van Openbaring. Maar voordat het boek daarop doorgaat, wil het eerst laten zien hoe vanuit de hemel wordt gereageerd op alle vijandschap en geweld van de machthebbers op aarde. Vanaf het zevende hoofdstuk zien we voor het eerst engelen optreden. Maar het eerste wat de engelen doen is niet de uitoefening van oordeel. Integendeel. Er wordt gezegd: breng geen schade toe.

Belangrijk is de wereldwijde invloed in het optreden van de engelen. Allereerst is sprake van de ‘vier hoeken van de aarde’, met andere woorden van Oost tot West en van Noord tot Zuid. Of zoals elders staat: van het ene einde van de hemel tot het andere einde daarvan. En ten tweede blijkt de wereldwijde scope van hoofdstuk 7 uit de opmerking in vers 9 ‘een grote menigte die niemand kon tellen, uit elke natie en alle geslachten en volken en talen’. De engelen staan 'op de vier hoeken van de aarde' en houden de vier winden van de aarde vast, 'opdat er geen wind zou waaien over de aarde, noch over de zee, noch over enige boom'. Niet alleen oefenen zij geen oordeel uit. Zij staan ook niet toe dat andere machten enig verderf stichten.

Buiten de engelen die God heeft aangesteld, zijn er namelijk nog andere machten, die stormen kunnen veroorzaken. Denk aan Job, wiens kinderen omkwamen door een storm, die door satan teweeg werd gebracht. Niet voor niets is sprake van ‘de overste van de macht der lucht, van de geest die nu werkt in de zonen van de ongehoorzaamheid’. Niet voor niets is sprake van 'overheden, machten, wereldbeheersers van deze duisternis, geestelijke machten van de boosheid in de hemelse gewesten’.

De reden voor de ‘stilte voor de storm’ is dat er eerst iets anders moet gebeuren. Daarvoor wordt een andere engel ingeschakeld. Een engel die opkomt van de opgang van de zon heeft het zegel van de levende God. De opgang van de zon, dat is de richting van waaruit eenmaal de zon der gerechtigheid zal opgaan. De Heer Jezus Christus, zal, net als toen, op het ezelsveulen, opnieuw komen vanuit Oostelijke richting. Deze engel is niet anders dan een heraut van de grote Koning. In het komen en roepen van deze engel werpt de grote Koning zijn schaduw al vooruit. Ja, het beest, de antichrist en alle verschrikkingen die daarmee gepaard gaan, moeten nog als een gesel over de aarde gaan. Maar de dreunende voetstappen van de grote Overwinnaar van alle vijanden van God en de mens zijn al hoorbaar in het optreden van de engelen. Alles wat de engelen het hele boek Openbaring door uitvoeren is namelijk op grond van Hem, Jezus Christus. Dat is wat Jezus eenmaal zei tot Nathanaël: 'Van nu aan zul je de hemel geopend zien en de engelen van God opstijgen en neerdalen op de Zoon des mensen.'

Van de macht waarmee Christus is bekleed, spreekt ook het zegel dat deze engel met zich meevoert, het zegel van God. Dat is het zegel, dat ook is gebruikt bij de verzegeling van de boekrol met de zegels die één voor één door het Lam worden verbroken. Zes zijn al verbroken. Voordat het zevende en laatste zegel wordt verbroken en het Lam begint zijn hand te leggen op zijn rechtmatig eigendom, de totale schepping, moet eerst het eigendomszegel van God nog gedrukt worden op een groot aantal belangrijke mensen op aarde. Het zijn de slaven van God, die zeven jaar lang op aarde een ongeëvenaarde wereldwijde evangelisatiecampagne van het koninkrijk der hemelen zullen uitvoeren, worden aan hun voorhoofden verzegeld. Voordat dit is gebeurd, mag geen schade worden toegebracht – niet aan de aarde, niet aan de zee en niet aan de bomen – alles wat belangrijk is voor het leven op aarde. De zorg voor zijn slaven is voor God belangrijker dan uitoefening van oordeel over zijn vijanden. Zo is God.

Typisch is dat Johannes deze keer niets ziet maar alleen iets hoort. De eerste keer dat alleen sprake was van gehoor en niet van zicht, was in Openbaring 5, na het openen van de boekrol, bij de lof die vanuit de hele schepping werd toegebracht aan ‘Hem die op de troon zit en het Lam’. Dat ging om iets wat vooruit greep naar een toekomstig moment. Dat kon niet anders want eerst zullen de weerstanden tegen God en het Lam sterk toenemen en hun hoogtepunt bereiken in de oorlog tegen het Lam. Alle vijandschap zal uiteindelijk door het Lam worden neergeslagen. Daarna kan pas sprake zijn van universele lof.

Hier is sprake van iets dergelijks. Dit hoofdstuk loopt vooruit op de heerlijke zegenrijke toekomst van het duizendjarig vrederijk, waarin alles wat bestaat, aan God en het Lam de lof en de eer zullen geven. Johannes ‘hoort het getal van de verzegelden’, 144.000, 12.000 uit elke stam. Er is geen enkele reden om deze aantallen en deze stammen van Israël overdrachtelijk te nemen. Het boek en de context geven er geen enkele aanleiding voor. De 144.000 Israëlieten zijn ingebed tussen de twee opmerkingen van een wereldwijde scope, de engelen ‘op de vier hoeken van de aarde’ en ‘de menigte uit elke natie en alle geslachten en volken en talen’. Hun missie is derhalve wereldwijd. Zij gaan uit over de hele aarde en de grote schare voor de troon is het resultaat van hun getuigenis.

We hebben hier de situatie dat Israël als volk een zegen is voor de volken, iets wat sinds hun verwerping van de Messias niet meer is voorgekomen. En dat kon Israël ook niet zijn. Een Israël dat de keizer van Rome als koning accepteert in plaats van de door God gegeven Messias, kan als volk alleen maar vloek brengen. Individuele Joden, die Jezus aannemen of die hun geloof serieus nemen, niet te na gesproken. Hier is sprake van 144.000 die het Lam kennen en wereldwijd van Hem als komende koning getuigen, een zeer indrukwekkend getuigenis.

Merk op dat hier onderscheid wordt gemaakt tussen Israël en de volken, hetgeen betekent dat de gemeente niet langer op aarde is. In de gemeente is dit verschil immers opgeheven. Joden die Christus hebben aangenomen, behoren namelijk tot de gemeente. Dit correspondeert met het feit dat de opname van de gemeente plaatsvindt vóór hoofdstuk 4 van Openbaring, dus vóór de laatste jaarweek van Daniël.

- 6 oktober 2021 -


De volgorde waarin de twaalf stammen hier worden weergegeven vertelt in het kort het verhaal van de 2000 jaar tussen hun verwerping van de Messias en het finale herstel:


Juda - Lof Israël (vnl. Juda)               - Loofde God in de tempel in het land

Ruben - Zie een zoon                           - God zond hen zijn Zoon

Gad - geluk                                           - De Zoon bracht geluk

Aser - gelukkig                                       - Dubbel geluk (2x spijziging, 2 x visvangst, enz)

Naftali - mijn worsteling                   - Er kwam strijd omdat Israël koos voor de tegenstander

Jozef - hij doet vergeten                    - Het volk Israël was 2000 jaar lang ‘vergeten’

Simeon - (ver-)horen                            -  Verdrukking => Israël roept => God hoort weer naar zijn volk

Levi -    verbinden                                - Hij verbindt de stammen onderling tot één

Issaschar - Hij zal belonen                 - God zal belonen wie Hem gehoorzamen

Zebulon -eervolle plaats                     - Eer om God te dienen als 144.000

Jozef - God voege toe                        - De dienst van de 144.000 voegt vele volken toe

Benjamin - Zoon vd rechterhand      - Jezus, aan Gods rechterhand, volken aan zijn rechterhand


Vers 9-17

De grote ontelbare menigte

‘Daarna zag ik en zie, een grote menigte die niemand kon tellen, uit elke natie en alle geslachten en volken en talen, stond vóór de troon en vóór het Lam, bekleed met lange witte kleren en met palmtakken in hun handen. En zij riepen met luider stem de woorden: Het heil aan onze God die op de troon zit en aan het Lam. En alle engelen stonden rond de troon en de oudsten en de vier levende wezens, en zij vielen op hun gezicht neer vóór de troon en aanbaden God en zeiden: Amen! De lof en de heerlijkheid en de wijsheid en de dankzegging en de eer en de kracht en de sterkte zij onze God tot in alle eeuwigheid! Amen. En één van de oudsten antwoordde en zei tot mij: Dezen die bekleed zijn met lange witte kleren, wie zijn zij en vanwaar zijn zij gekomen? En ik zei tot hem: Mijn heer, u weet het. En hij zei tot mij: Dezen zijn het die uit de grote verdrukking komen; en zij hebben hun lange kleren gewassen en ze wit gemaakt in het bloed van het Lam. Daarom zijn zij vóór de troon van God en zij dienen Hem dag en nacht in zijn tempel. En Hij die op de troon zit zal zijn tent over hen uitbreiden. Zij zullen geen honger en geen dorst meer hebben en de zon zal op hen geenszins vallen, noch enige hitte; want het Lam dat in het midden van de troon is, zal hen weiden en hen leiden naar bronnen van levenswateren, en God zal elke traan van hun ogen afwissen.’


Het is hierboven al gesteld: de grote en ontelbare menigte is het resultaat van de wereldwijde evangelisatiecampagne van de honderdvierenveertigduizend Israëlieten voor het komende koninkrijk van God. Belangrijk is de duidelijke parallel van Openbaring met de Olijfbergrede. We zetten die parallel hieronder op een rijtje:

                   Openbaring 6,7                    Mattheüs 24/Markus 13/Lukas 21

Zegel 1 –    Wit paard Overwinnend        Valse christussen, onder Christus' naam (24:4,5)

Zegel 2 – Rood paard Elkaar slachten    Oorlogen en geruchten van oorlogen;

                                                                    Volk staat op tegen volk; koninkrijk tegen koninkrijk (24:6,7)

Zegel 3 – Zwart paard Schaarste            Hongersnoden (24:7)

Zegel 4 – Bleekgroen paardDood            Besmettelijke ziekten (24:7)

Zegel 6 – Aardbeving                                Aardbevingen (24:7)

Zegel 5 –Martelaren                                   Dan zullen zij u overleveren en u doden (24:9, 10)

Zegel van de levende God 144.000        Evangelie van het koninkrijk wereldwijd tot het einde (24:14)

Grote verdrukking                                    Grote verdrukking (24:21)

Ontelbare menigte voor de troon         Troon van heerlijkheid; schapen aan de rechterhand (25:31-46)


Omdat het in Openbaring 7 gaat om de honderdvierenveertigduizend en de vruchten van hun werk, wordt daar alleen melding gemaakt van de schapen, aan de rechterhand. De bokken aan de linkerhand worden niet genoemd. De link tussen beide gedeelten is de laatste stam, Benjamin, ‘Zoon van de rechterhand’. Het zijn alleen de schapen, die de Zoon aan zijn rechterhand zal plaatsen, die hier worden genoemd als grote ontelbare schare. Mattheus 25, ‘het oordeel over de volken’, werpt belangrijk licht op Openbaring 7 en omgekeerd. Volgens Mattheus 25 zal Jezus de schapen en de bokken oordelen op grond van hun houding tegenover ‘zijn broeders’. Er zijn derhalve drie groepen mensen. Gelovig Israël (broeders), volken die gelovig Israël goedgunstig gezind zijn (schapen) en volken die die gelovig Israël niet goedgunstig gezind zijn (bokken). De schapen gaan het vrederijk binnen. Tegen hen zegt de Heer vanaf zijn troon: ‘Komt, gezegenden van mijn Vader, beërft het koninkrijk dat u bereid is van de grondlegging van de wereld af…’. Maar tegen de bokken zegt Hij: ‘Gaat weg van Mij, vervloekten, in het eeuwige vuur dat voor de duivel en zijn engelen is bereid…’.

De grote, ontelbare menigte wordt gezien voor de troon en voor het Lam en is bekleed met lange witte kleren en staat met palmtakken in de handen. En zij roepen: Het heil aan onze God die op de troon zit en aan het Lam. Hierin zien we een treffende overeenkomst met Palmzondag, de dag waarop Jezus op het ezelsveulen Jeruzalem binnenreed. Ook toen was sprake van lange kleden (die men op de weg spreidde) en van palmtakken, waarmee gewuifd werd en werd geroepen: Hosanna, ‘Geef toch heil’. Hier zien we een veel duidelijkere uitroep: 'Het heil aan onze God'. Dus niet een vage algemene roep om hulp of heil, waar het ook vandaan moge komen. Nee, hier de belijdenis dat alleen 'onze God' het heil kan brengen. De hernieuwde roep om heil, houdt in dat het hier gaat om de aarde, niet om de hemel. Ook de palmtakken wijzen in die richting. Dat er engelen rond de troon staan, betekent niet dat we hier te maken hebben met een hemels tafereel want de Heer Jezus stelt duidelijk dat wanneer ‘de Zoon des mensen komt in zijn heerlijkheid en alle engelen met hem, dan zal Hij zitten op de troon van zijn heerlijkheid…’. De engelen zijn rond zijn aardse troon, na zijn terugkeer op aarde met kracht en grote heerlijkheid - wat een tentoonspreiding van glorie!

En hier wordt, behalve de vier levende wezens, die onafscheidelijk zijn van de troon, nog een groep genoemd, die erbij is: de oudsten. Dat correspondeert met de vele teksten die aangeven dat Jezus zijn bruidsgemeente met zich zal meenemen, terug naar de aarde, als Hij zijn overwinningen gaat behalen en alles aan zich gaat onderwerpen. Denk aan teksten als ‘God zal de door Jezus ontslapenen met Hem brengen’, ‘Wanneer Christus, uw leven, geopenbaard wordt, dan zult ook u met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid’, ‘opdat Hij uw harten versterkt om onberispelijk te zijn in heiligheid voor onze God en Vader bij de komst van onze Heer Jezus met al zijn heiligen’, ‘rust met ons, bij de openbaring van de Heer Jezus van de hemel met engelen van zijn kracht..’, ‘wanneer Hij komt om op die dag verheerlijkt te worden in allen die hebben geloofd’, ‘opdat de beproefdheid van uw geloof...blijkt te zijn tot lof en heerlijkheid en eer bij de openbaring van Jezus Christus’, ‘Wij weten dat als Hij geopenbaard zal zijn, wij Hem gelijk zullen zijn; want wij zullen Hem zien zoals Hij is’, ‘En de legers die in de hemel zijn, volgden Hem op witte paarden, bekleed met wit, rein, fijn linnen.’

Wat men zich zou kunnen afvragen, is of deze grote ontelbere menigte, net als onder het vijfde zegel, geen mensen zijn die gedood zijn in de grote verdrukking. Of misschien zijn het mensen die gedood zijn in de grote verdrukking en daarna weer tot leven zijn gewekt. Men kan daar het volgende tegenin brengen. In de eerste plaats is er een groot verschil ten aanzien van de kleden. Weliswaar is net als bij de zielen sprake is van ‘stolé’, speciale, deftige kleden, meestal gedragen door hooggplaatsten. Echter in het geval van de zielen onder het vijfde zegel werden die hen gegeven (ze zijn ‘ontkleed’, dood). In contrast daarmee worden de kleden gedragen door de mensen van de grote schare en bovendien zelf hebben die ze ‘wit gewassen in het bloed van het Lam’.

Ten tweede wordt van de mensen in de grote menigte niet gezegd dat zij ‘zielen’ zijn. Ten derde is hun uitroep totaal anders. De zielen onder het vijfde zegel riepen om wraak omdat zij waren gedood. De mensen in de grote schare roepen over heil, dat van God zal neerdalen. Dat is lof aan God, iets dat niet gebracht wordt door doden: ‘Niet de doden zullen de HERE loven, niemand van wie in de stilte zijn neergedaald’.

Vervolgens kan het ook niet gaan om gestorvenen, die weer tot leven zijn verwekt want daarvan is pas sprake in Openbaring 20. Hier in Openbaring 7 is geen sprake van een opstanding van doden en er wordt ook niet gesproken over een regering van de menigte met het Lam, zoals is weggelegd voor hen die hun leven hebben gegeven voor het getuigenis en vlak na de grote verdrukking uit de graven opstaan. Deze volken gaan levend en wel het vrederijk in. Zij gaan een zegenrijke tijd meemaken van duizend jaar onder de heerschappij van het Lam, als vruchten van het getuigenis van de honderdvierenveertigduizend. Zij hebben deze getuigen van God, de broeders van de Heer, gehuisvest, te eten gegeven, gekleed, verzorgd toen ze ziek waren, opgezocht in de gevangenis, zoals de schapen uit de Olijfbergreden van Mattheus 24 en 25.

Eén van de oudsten geeft uitleg aan Johannes. Daarmee verandert de werkwoordtijd. Openbaring is vrijwel volledig in de verleden tijd is geschreven. De toekomst is bij God net zo zeker als het verleden. Een verandering van werkwoordstijd is in Openbaring een indicatie van een doorbreking van de chronologische volgorde. We zagen dat eerder in Openbaring 4:8, waar het ineens overgaat op de tegenwoordige en zelfs de toekomstige tijd – wat samen met het slechts ‘horen’ van Johannes in Openbaring 5:13 aangeeft dat daar sprake is van een sprong naar een later moment in de tijd. Dat moet daar ook wel want ‘elk schepsel in de hemel en op aarde en onder de aarde, enz. is op moment van Openbaring 4 en 5 nog niet toe aan lofzegging aan God. Eerst komt er in Openbaring 6 – 19 nog een enorme ontplooiing van vijandschap. Pas als die vijandschap voorbij is en de definitieve overwinning door Christus behaald is, zal de lofzegging vanuit de hele schepping kunnen worden gehoord.

De beweging door de tijd in Openbaring 4 en 5 wordt gemaakt met de lofzegging van de duizenden duizenden en tienduizenden tienduizenden engelen. Zij zeggen in Openbaring 5:12 'met luider stem: Het Lam dat geslacht is, is waard te ontvangen de kracht en rijkdom en wijsheid en sterkte en eer en heerlijkheid en lof.' En daarna begint dat zo moeilijk doorgrondelijke stukje over 'elk schepsel in de hemel, op aarde, onder de aarde enz, dat Hem die op de troon zit en het Lam looft - terwijl de lezer daarna 15 hoofdstukken lang één en al vijandschap vanuit de wereld tegen God en het Lam voor zijn kiezen krijgt. Dat komt omdat de lofzegging van de engelen de lezer plaatst aan het einde van die 15 hoofdstukken. In die 15 hoofdstukken zien we namelijk precies de volgorde van die lofzegging terug: Het begint met kracht, daaraan voegt God rijkdom toe, daaraan wijsheid, daaraan sterkte en dat mond uit in eer, heerlijkheid en lof. Dan pas is de schepping toe aan haar lofzegging.

Dit wordt bevestigd door de lofzegging, die hier in Openbaring 7, in verband met de troon van de Messias op aarde uit de mond van de engelen horen. Om dit te verduidelijken zetten we beide lofzeggingen onder elkaar:

Op.5: Kracht - Rijkdom         - Wijsheid - Sterkte         - Eer     - Heerlijkheid - Lof

Op7: Lof         - Heerlijkheid - Wijsheid - Dankzegging - Eer     - Kracht         - Sterkte

Openbaring 5 begint met kracht en eindigt met lof. De grote vedrukking, die daar nog moet aanvangen, beweegt zich van een enorme uiting van Gods kracht naar een universele lof van de schepping. Openbaring 7 begint met lof en eindigt met sterkte. De grote verdrukking is voorbij en het vrederijk vangt aan met de lof van de schepping maar aan het einde van dat rijk is weer sprake van een enorme explosie van kracht. De laatste opstand van Gog en Magog wordt neergeslagen, waarbij satan definitief wordt verslagen. Alle doden, die nog in de graven waren, worden opgewekt, een nieuwe hemel en een nieuwe aarde worden geschapen.

De verandering in werkwoordstijd stemt hiermee overeen. ‘Dezen zijn het die uit de grote verdrukking komen…-Tegenwoordige tijd. Dat betekent dat dit gedeelte de lezer samen met Johannes verplaatst naar het einde van de grote verdrukking. De grote verdrukking die hier wordt genoemd komt overeen met de term ‘grote verdrukking’, zoals de Heer Jezus die vermeldt in Mattheus 24. Het is de laatste helft van de laatste jaarweek van Daniël. Die periode van 3,5 jaar wordt in Openbaring pas beschreven vanaf hoofdstuk 11. Maar hier krijgen we alvast een vooruitblik op de uiteindelijke overwinning voor deze grote menigte.

De grote verdrukking is een tijd van afschuwelijke onderdrukkende, wereldwijde tirannie, die het slot vormt van deze tegenwoordige eeuw. De hulp aan de honderdvierenveertigduizend Israëlieten uit de twaalf stammen, de ‘broeders van het Lam’, is juist in deze tijd van ongeëvenaarde machtswellust door een kleine elite erg belangrijk. Deze periode wordt ook wel ‘de grote benauwdheid van Jacob’ genoemd. Er wordt intensief jacht gemaakt op gelovigen uit Israël en ze zijn afhankelijk van hulp. Daarom is het voor alle natiën, geslachten, volken en talen van belang de broeders van de Heer actief te steunen.

De grote verdrukking wordt door Jezus ook beschreven in Mattheüs 10:16-42. Daar zegt Hij onder andere tot zijn discipelen, die model staan voor de ‘broeders van de laatste dagen’: ‘Ik zend u als schapen midden onder de wolven’, ‘u zult door allen gehaat worden ter wille van mijn naam; wie echter volhardt tot het einde, die zal behouden worden. Wanneer zij u in deze stad vervolgen, vlucht in de andere; want voorwaar, Ik zeg u: u zult met de steden van Israël geenszins zijn klaargekomen voordat de Zoon des mensen komt’. En dan zegt Hij over de hulp, die aan zijn volgelingen wordt geboden: ‘Wie u ontvangt, ontvangt Mij; en Wie Mij ontvangt, ontvangt Hem die Mij heeft gezonden….En wie één van deze kleinen slechts een beker koud water te drinken zal geven in naam van een discipel, voorwaar, Ik zeg u, hij zal zijn loon geenszins verliezen.’

Dit gedeelte, uit Mattheus 10, kan zó naast Mattheus 25 worden gelegd: ‘Voor zoveel u het hebt gedaan aan één van de geringste van deze broeders van Mij, hebt u het aan Mij gedaan.’ Let op, het is niet voldoende om alleen maar ‘ze niet te verraden’, ‘ze geen kwaad te doen’, ‘ze niet tegen te werken’. Nee, men zal ze ‘positieve’ ondersteuning moeten geven om gerekend te kunnen worden onder de ‘schapen aan de rechterhand’, de ‘grote ontelbare schare’, die het vrederijk binnengaan. ‘Komt gezegenden van mijn Vader, beërft het koninkrijk…’, zal Jezus tegen de schapen zeggen.

De ontelbare menigte die ‘uit de grote verdrukking komt’ hebben hun lange kleren gewassen en ze wit gemaakt in het bloed van het Lam. De term ‘lange kleren’ is het Griekse woord ‘stola’ voor ‘deftig gewaad van hoogwaardigheidsbekleders’. Zo gebruikt Jezus het ook in Lukas 15 voor het kleed voor de verloren zoon. Echter, zij hebben die zelf gewassen, wit gemaakt in het bloed van het Lam. Voor alle gelovigen van alle tijden bestaat slechts één grondslag voor behoud: het bloed van het Lam. Alleen de verbinding met Hem en zijn verlossingswerk, maakt deze mensen geschikt voor het koninkrijk. Die verbinding met Hem maakte hun harten geschikt voor het verlenen van ondersteuning aan de ‘broeders van de Heer’ – omdat ze zagen wat de grote waarde was van Hem en van zijn volbrachte werk, waren ze bereid om degenen die van Hem getuigden voort te helpen.

Dan geeft de oudste de positie weer van de grote schare, die uit de grote verdrukking komen: ‘Zij zijn vóór de troon van God en zij dienen Hem dag en nacht in zijn tempel’. Dat is een zeer hoge positie en eindelijk gaat uitkomen wat Jezus al zei tijdens de tempelreiniging: ‘Mijn huis zal een huis van gebed worden genoemd voor alle volken.’ Dit betekent overigens niet dat alle volken ook toegang zullen hebben tot het heilige der heiligen. Hoe de tempeldienst precies zal worden geregeld is nog niet geopenbaard. Wel is al het grondplan voor de toekomstige tempel van het vrederijk gegeven in Ezechiël 40-47. De enigen die volgens dat gedeelte dienen in de tempel, zijn de priesters uit het geslacht van Zadok. Maar uit Openbaring 7 blijkt dat ook de volken een taak zullen krijgen in de tempeldienst van het vrederijk. Mogelijk blijft hun toegang beperkt tot bepaalde hoven van de tempel, net als het geval was in de tijd van Jezus, toen er een voorhof van de volken was en iedere niet-Jood bij een balustrade tegen een bordje aanliep met de tekst: ‘Geen enkele vreemdeling mag binnen deze balustrade komen. Wie gesnapt wordt heeft de daaropvolgende dood aan zichzelf te wijten.’

Maar ook al is hun tempeldienst beperkt, zij zullen in het vrederijk de bescherming van het Lam genieten, net als Israël. Daarbij gaat Johannes over tot een beschrijving in de toekomstige tijd. Het gaat nu niet om een positie maar om de zorg van God die zich tot in de verre toekomst zal uitstrekken. Genoemd worden ‘Hij die op de troon zit’ en ‘het Lam’. Hij die op de troon zit zorgt voor de klimatologische omstandigheden – geen honger en dorst, de zon zal hen niet steken – dit in groot contrast tot wat zij hebben moeten lijden in de grote verdrukking. Ook hieruit blijkt dat het gaat om de volken op aarde. Het Lam in het midden van de troon weid hen en leidt hen naar de bronnen van levenswateren. Dit heeft te maken met het bestuur over de volken, waarbij de potenties van de aarde eindelijk volledig zullen kunnen worden ontplooid. Er is geen elitair groepje meer dat alle techniek voor zichzelf wil houden en de wereldbevolking opzadelt met allerlei tweederangs vervuilende systemen. De beschrijving eindigt met het troostende karakter van God: God zal elke traan van hun ogen afwissen. Gods zorg stopt niet bij het materiële maar reikt veel dieper, tot in de meest intieme menselijke emotie van de tranen.

- 7 oktober 2021 -

openbaring

Van Jezus Christus

Openbaring 6

Openbaring 8

Openbaring 9

Openbaring 9B

Openbaring 10

Openbaring 11

Openbaring 12

Openbaring 13

Openbaring 13B

Openbaring 14