hoofdstuk 85

(256)

Al kauwend op de de ham, luisterde Vitellius belangstellend naar het verhaal van de waard, Ehud, die als volgt begon te vertellen:

‘Esther is familie van ons. Ze is de dochter van een zus van mijn vrouw. Als kind kwam ze regelmatig bij ons over de vloer en vanaf haar twaalfde helpt ze ons op regelmatige basis in de herberg. Ze is daardoor bijna meer thuis in de zaak dan ikzelf. Het wekt dus geen verbazing dat ze direct is gaan zoeken naar een ingang toen ze even bij bewustzijn kwam. Omdat jij de weg al had vrijgemaakt, via de poort, de kelderdeur en het luik, was het voor haar geen enkel probleem om haar weg naar de keuken te vinden en alvast wat aan haar verwonding te doen.’

Vitellius glimlachte en zei:

‘Ze is een slimme meid.’

Ehud knikte instemmend en antwoordde:

‘En dat is ze zeker.’

Ehud keek hem aan en in plaats van verder te gaan met zijn verhaal schoot hij plotseling in de lach. Vitellius keek met opgetrokken wenkbrauwen en vragende ogen in het gezicht van Ehud, die al lachend verklaarde:

‘Ik moet ineens denken aan het moment dat jij wilde laten zien waar ze lag en dat ze verdwenen was. Dát was nog eens een gênant moment – kijk hier ligt ze – Zo en waar dan? – wij zien niemand!’

Opnieuw begon Ehud onbedaarlijk te lachen. En hoewel het over hemzelf ging, werkte het aanstekelijk en lachte Vitellius hartelijk mee. Het pijnlijke moment dat de gewonde Esther zich niet op de door hem aangewezen plek bevond was achteraf bezien bijzonder komisch. Ehud was intussen verder met zijn fantasie en riep luidkeels:

‘Door die twee karafjes wijn laadde je alle mogelijke verdenkingen op jezelf. Ha!’

Het lachen van Ehud leek niet meer te stoppen en de tranen liepen hem over de wangen van plezier. En hoewel ietsjes minder, kreeg de humor ook Vitellius steeds meer in de greep en hij verslikte zich bijna in een slok wijn. Dat werkte weer op de lachspieren van Ehud, die leek te blijven hangen in zijn lachstuip, en dan weer achterover, dan weer gekromd voorover over de tafel lach, terwijl hij met zijn vlakke hand op tafel sloeg om de uitgelaten schik een uitweg te geven. Vitellius begreep waar die uitbundigheid vandaan kwam. Hij had het vaker meegemaakt onder de soldaten van het legioen. Na een stressvolle dag, waarbij ze doodsangsten hadden uitgestaan op het slagveld, was de humor een ideale uitlaatklep om weer in balans te komen. Tot op het moment dat ze Esther herkenden was zijn mysterieuze inbraak in hun herberg natuurlijk bijzonder verdacht en dat bezorgde hen een enorme berg spanningen.

Langzamerhand leek Ehud weer iets te bedaren en hij veegde de tranen van joligheid uit zijn ogen. Toen keek hij Vitellius weer aan en vroeg:

‘Maar zeg eens, waar heb je haar precies gevonden?’

Vitellius dacht even na en zei:

‘Op een punt in het pad waar de weg even niet langer daalde, maar waterpas liep, waarna de weg weer begon te stijgen.’

‘Nahal Og? Daar helemaal? Maar… heb je haar dat hele stuk bergopwaarts gesjouwd?’

‘Ja, wat moest ik anders?’

‘Maar dat is een klim van minstens een uur, zonder belasting.’

‘Ik kon haar daar niet achterlaten. Die bandieten zouden haar misschien opnieuw kidnappen en als aas gebruiken voor argeloze voorbijgangers.’

‘Wacht even. Wil je zeggen dat die bandieten haar daar gewond hadden neergelegd, zodat ze reizigers konden overvallen, die haar wilden helpen?’

‘Dat is een methode die dat soort lieden helaas gebruiken. Maar ze hadden aan mij de verkeerde. Ik vraag me af of de baas van het zootje nog in leven is, nadat ik hem aan mijn zwaar reeg.’

De stemming van Ehud was omgeslagen van scherts naar bewondering en hij keek naar de enorme armen van Vitellius waarmee hij het karwei had geklaard. Even had hij ook kennis gemaakt met de kracht van één van die armen, waardoor hij achterover op de grond was getuimeld. Vitellius merkte het en werd en verlegen van. Om de aandacht van zichzelf af te leiden vroeg hij:

‘Maar wat deed Esther zo laat nog op die gevaarlijke weg? Wisten jullie dat ze onderweg was?’

Ehud schonk hen beiden nog een beker wijn in en hervatte zijn verhaal:

‘We hadden haar afgelopen middag voor het laatst gezien. Ze was op weg van Jericho, waar ze woont, naar haar tante in Bethanië. Je moet weten, Vitellius, dat ze een soort volgeling wilde zijn van die Rabbi uit Nazareth, Jezus. Volgens haar was hij de Messias. Daar was ze volkomen van overtuigd.’

Ineens dacht Vitellius terug aan de paar woorden die ze onderweg had uitgesproken en hij onderbrak Ehud met:

‘O, dus daarom zei ze dat een paar keer tegen me.’

‘Wat? Wat zei ze een paar keer tegen je?’

‘Nou, ze noemde me ‘Yeshua Messiah’. Ik zei haar dat ik dat niet was maar dat drong niet tot haar door. Ze verloor telkens haar bewustzijn.’

Ehud keek Vitellius met emotie in zijn ogen aan en zei:

‘Dat arme kind. Ze had de afgelopen dagen al zoveel meegemaakt. En nu dit ook nog.’

Vitellius keek verrast en vroeg:

‘Maar wat had ze dan allemaal meegemaakt?’

- 5 november 2022 -


(257)

Voor de laatste keer probeerde Saraf langs de jongen de komen die de wacht had bij het haardgebouw. Maar die was vastbesloten Saraf er niet eerder langs te laten, dan nadat die de wachtmeester zou hebben verraden over het verzuim van de aflossing. Sarafs laatste poging had geen enkele overtuigingskracht omdat Saraf in zijn achterhoofd intussen een ander plan had gevormd.

Enige tijd keken Saraf en de jongen elkaar recht in het gezicht. De jongen, met zijn uitdrukkingsloze gezicht en de armen over elkaar. Saraf met de handen in de zij. Saraf wist dat een discussie geen enkele zin meer had maar bleef toch zo lang mogelijk staan om de jongen het idee te geven dat hij ten einde raad was. Hij probeerde daarbij net zo uitdrukkingsloos te kijken als de jongen en dat lukte hem aardig. Daarna slaakte Saraf een diepe zucht. Langzaam draaide hij zich om voor de afdaling langs de trap naar de chel. Om de paar treden keek hij even om naar de jongen. Die bleef bewegingloos staan, nog steeds met gekruiste armen. Onderaan de trap gekomen, slenterde Saraf langzaam en ogenschijnlijk doelloos in Oostelijke richting. De jongen riep hem na:

‘Moet je niet nog een keer je wachtpost controleren?’

Saraf draaide zich om en keek naar de jongen. Die voelde zich oppermachtig en bleef fier overeind staan, met zijn tenen vlak voor de trap naar beneden. Het was alsof hij wilde tonen hoe onneembaar hij was als hindernis. Saraf kon zijn gezicht niet goed zien maar hij vermoedde daarin nog steeds dezelfde uitdrukkingsloosheid. Hoewel Saraf de neiging had te gaan rennen, dwong hij zichzelf om even te blijven staan, alsof hij besluiteloos was en niet wist wat hij moest beginnen. Opnieuw klonk de stem van de jongen:

‘Je wachtpost is de andere kant op.’

Saraf reageerde niet maar keek een paar keer om zich heen, over het duistere plein. Langzaam draaide hij zich weer om en drentelde verder richting het Oosten. Achter zich hoorde hij de jongen roepen:

‘De andere kant! Ik zou nog maar een keer goed kijken of daar iemand staat!’

Saraf bleef echter doorlopen en ging een eind verderop op de onderste traptree zitten. Hij moest blijven doen alsof hij zich bij de situatie had neergelegd, anders zou de jongen zijn plan kunnen verijdelen.

Na een tijdje al zittend om zich heen te hebben gekeken naar het schaduwspel dat de maan en de fakkels samen leken te spelen met de stenen van de balustrade, keek hij over zijn schouder richting het haardgebouw. De jongen zag hij niet meer.

Die stond waarschijnlijk weer in de poort, waar hij de warmte van het vuur kon voelen en minder last had van de nachtelijke kou. Er stak een briesje op en Saraf huiverde even in de duisternis. Langzaam kwam hij overeind en hij begon de trap schuin omhoog te beklimmen. Af en toe keek hij nog even naar het haardgebouw maar er was niemand meer te bekennen. Bij de tempelmuur gekomen liep hij korte tijd evenwijdig met de muur over het plateau bovenaan de trap. In de duisternis van de muur doemde aan zijn rechterhand een kleine poort op, veel kleiner dan die van het haardgebouw. Dichtbij de poort gekomen zag hij één van de jonge levieten staan. Saraf wist dat er meerdere poorten waren, waar de Levieten op wacht stonden. Hij wist echter niet of deze jongen hem toegang zou verschaffen. Daar daar zou hij echter snel genoeg achter komen. Hij ging recht voor de jonge wachter staan en zei:

‘Dag. Ik ben Saraf van de priesterafdeling van Jakim Ik had de wacht boven de kamer van de vlam maar moest kort even mee met hogepriester Annas. Ik ben nu op weg naar de wachtmeester om weer op mijn post te worden geplaatst.’

Saraf keek in het gezicht van de jongen en probeerde te peilen of die zijn verhaal geloofde. Er was geen woord van gelogen. Daarom kon Saraf de jongen recht in de ogen kijken. De jongen keek terug en Saraf meende daar in het schaarse licht van een fakkel, die naast de poort aan de muur hing, enige twijfel in te zien. De jongen bekeek hem van top tot teen en keek toen weer in zijn ogen. Saraf zag de pupillen van de jongen heen en weer gaan, alsof hij hem beurtelings in zijn linker en in zijn rechteroog aankeek. Toen kwam eindelijk de reactie:

‘En waarom kom je dan vanaf de buitenste voorhof? De hogepriesters vergaderen in de kamers van het Sanhedrin rond de binnenste voorhoven.’

Saraf had deze vraag aan zien komen en was erop voorbereid. Hij bleef de jongen recht in de ogen aankijken, terwijl hij antwoordde:

‘De hogepriester was vanavond laat voor de zitting en vroeg mij even met hem mee te lopen, terwijl hij nog buiten de tempelgebouwen was.’

Saraf zag de jongen nadenken. Voor de jongen voelde dit als een test van zijn kwaliteit als wacht. Het duurde weer even voor de volgende vraag kwam:

‘En waarom wil je dan door deze poort naar binnen? Waarom neem je niet de poort van het haardgebouw?’

Het was een vraag die Saraf had kunnen verwachten. Saraf richtte zijn ogen op de neus van de jongen terwijl hij koortsachtig zocht naar een excuus. Toen zei hij:

‘Ik weet niet of je wel wil weten waarom.’

- 11 november 2022 -

paasroman

De Heer is werkelijk opgestaan