hoofdstuk 75

(226)

Vitellius hees de speer van zijn schouder en legde die langs de kant van de weg op de grond. Naar alle kanten om zich heen kijkend, trok hij met een trage beweging zijn zwaard. Elk geluid in de nacht op deze verlaten route naar Jericho was verdacht. Het gekreun dat hij had gehoord, leek te zijn opgehouden. Hij hoorde het niet meer. Vitellius keek om zich heen. De maan ging half schuil achter wolkenslierten maar prikte daar met haar schijnsel nog voldoende doorheen om de contouren van de begroeiing langs de weg zichtbaar te maken. Veel meer dan wat dorre struiken waren het niet maar dat was voldoende voor leden van een bende om zich achter te verschuilen.

Plotseling klonk het kreunende geluid opnieuw. Direct ontwaarde Vitellius de stem van een vrouw. Hij wist nu ook met zekerheid waar het geluid vandaan kwam en langzaam liep hij er met getrokken zwaard naar toe, terwijl hij voortdurend om zich heen keek. Het kon een verlate reiziger zijn, die was overvallen door rovers. Maar eerder nog leek het Vitellius een valstrik. Vrouwen zouden zich nooit en te nimmer ‘s nachts alleen op pad begeven en al helemaal niet op de weg tussen Jericho en Jeruzalem. Hoewel hij volop rekening hield met de mogelijkheid van een val, naderde Vitellius de plek van het kreunende geluid. Al die tijd kon hij echter geen enkele gestalte ontwaren. Het geluid kwam bij enkele struiken vandaan, buiten het bereik van het schaarse maanlicht. Nog steeds keek Vitellius speurend om zich heen en slechts heel af en toe richtte hij zijn oog op de plek van het gekreun. Vanuit zijn ooghoeken zag hij een vage gestalte. Langzaam en met zijn zwaard voor zich, boog Vitellius zich over de gestalte, waarvan hij op dat moment duidelijk zag dat het een vrouw was. Eén van haar armen was ontbloot en het leek of die zwaar gewond was. Ze trilde. Haar haren hingen in warrige slierten over haar gezicht. Het leek of ze haar ogen gesloten had.

Net wilde Vitellius zijn mond openen om iets tegen haar te zeggen of hij zag in de weerschijn van zijn zwaard een heftige beweging. Meteen sloeg hij met zijn zwaard achteruit, terwijl hij zich bliksemsnel omdraaide en met zijn onderarm de slag van een grote knuppel afweerde. De man die hem aanviel, klapte dubbel van de pijn en zakte voor hem in elkaar op de grond. Vaag zag Vitellius de contouren van twee anderen direct achter de aanvaller. Hij aarzelde geen moment maar stootte met zijn zwaard richting de grootste van de twee. De overmacht van het postuur en de vechttechniek van Vitellius was meer dan waar de rovers op hadden gerekend en de twee stoven weg in de struiken, hun maat gewond achterlatend. De aanvaller zat nog steeds voorover gebukt de pijn van zijn wond te verbijten. Vitellius pakte hem aan zijn haren en trok hem languit achterover op het pad. Terwijl de man op zijn rug lag te creperen sprak Vitellius hem op barse toon toe:

‘Kijk, dat komt ervan als je een legionair in de rug aanvalt.’

De man had te veel pijn om te kunnen antwoorden. Dus ging Vitellius verder. Hij legde zijn zwaard op de keel van de man en vroeg:

‘Zullen we er maar meteen een eind aan maken?’

Dat had effect want direct begon de man heftig met zijn hoofd te schudden, terwijl hij hakkelde:

‘Alstublieft… Ah.....Laat me hier liggen. Ah… Mijn maten halen me wel op.’

De maan kwam even volledig achter de wolken vandaan en Vitellius bestudeerde kort het gezicht van de bandiet. Toen antwoordde hij, nog steeds met het zwaard op de keel:

‘Ik weet het goed gemaakt. Als ik jouw gezicht ooit weer zie, dan maak ik het karwei af, begrepen?’

Er trok een siddering door de man heen van afgrijzen en opluchting tegelijk terwijl hij heftig met zijn hoofd knikte. Vitellius hief zijn zwaar op en keek nog even naar de wond, die hij de man had toegebracht en die zag er niet best uit. Als die maten van hem niet voortmaakten, dan zou hij het einde van de nacht niet halen. Vitellius draaide zich om en keek naar de vage gestalte bij de struik, die nog steeds zacht kreunend op de grond lag. Even overwoog hij de bandiet nog te vragen naar de vrouw maar die wist waarschijnlijk helemaal niets van zijn lokaas. En als hij al iets wist, was het zeer de vraag of hij eerlijk antwoord zou geven. Naar alle kanten om zich heen kijkend, hing Vitellius het zwaard weer aan zijn zijde. Van de twee andere bandieten was geen spoor te bekennen. Hij overwoog dat hij daar geen last meer van zou hebben omdat ze straks hun handen vol hadden aan hun eigen gewonde.

Terwijl hij een stukje terugliep om zijn speer op te pakken, speurde hij de weg naar alle kanten af. De weg liep naar twee kanten omhoog. Hij bevond zich op het laagste punt. Vitellius schatte de afstand tot het Romeinse fort, dat op een top lag, op ongeveer een uur. Daarna zou de weg weer gaan dalen. Het was een loodzware taak om haar naar het fort te brengen, zeker na alles wat hij eerder die dag al had meegemaakt. Maar hij kon haar niet hier bij die bandieten achterlaten. Weer bij de vrouw gekomen, zette Vitellius zijn speer rechtop tegen één van de struiken. Met een zucht knielde hij neer bij de vrouw en zei:

‘Ik ben Vitellius, een legionair en zal proberen je bij het Fort te brengen, wat verderop.’

De vrouw zei niets maar knikte kreunend dat ze het begrepen had. Ze was nog jong. Vitellius schatte haar op een jaar of achttien. Voorzichtig schoof hij zijn armen onder haar door en met een groter gemak dan hij had verwacht, tilde hij haar op. Daarna pakte hij met zijn rechterhand de speer en liet die weer op zijn schouder zakken. Met de vrouw in zijn armen begon Vitellius aan de klim naar het fort.

– 26 juli 2022 -


(227)

Met een hart dat klopte in zijn keel duwde Saraf, zittend op zijn knieën, langzaam de deur open, die naar zijn wachtpost van de kamer van de vlam leidde.

De tientallen priesters, die allemaal nieuwsgierig waren naar de afloop van het verhaal over de soldaat, hielden zich schuil aan weerskanten van de deur. De angst voor de eventuele pijlen die door de deuropening konden worden afgevuurd zorgde ervoor dat Saraf even geheel alleen op zijn knieën kon rondkruipen op het grote balkon, waar hij die nacht zijn wacht moest houden. Hij wist niet of hij opgelucht moest zijn vanwege de pijlen die niet op hem werden afgevuurd of dat hij in de rats moest zitten over de stok, die hem nog steeds te wachten stond. In het schemerduister kon hij nergens een spoor van de soldaat ontdekken. Met elke blik van zijn ogen over het balkon voelde hij zijn allerlaatste mogelijkheid om aan een fiks pak rammel te ontkomen, door zijn vingers glippen. Ondertussen klonk vanaf de andere kant van de deur de snerpende stem van Jefta:

‘Nou, Saraf! Heb je je soldaat al gevonden?’

Saraf beet zijn kaken stijf op elkaar van frustratie. Hij vroeg zich wanhopig af waar die vent kon zijn gebleven. Langzaam rees hij overeind. Met ogen vol paniek liep hij zoekend heen en weer. Nergens was een spoor te vinden van de soldaat, die hij intussen wel kon vervloeken. Vanuit zijn ooghoeken zag hij de deur openzwaaien en de hoofden van de priesters langzaam vanachter de deurposten tevoorschijn komen. Saraf stelde cynisch vast dat de kluwe die hem op de voet volgde, nog steeds dacht dat er pijlen op hen afgeschoten konden worden. Pijlen waren er echter allerminst. En dus resteerde alleen nog de stok voor zijn achterwerk, zo concludeerde Saraf. Achter elkaar schuifelden de priesters het voor hem intussen zo vertrouwde balkon op. Saraf werd achteruit gedrongen en ging met zijn rug tegen de stenen ballustrade staan, met zijn handen aan weerszijden uitgestrekt over het klamme koude steen. Opnieuw snerpte de stem van Jefta:

‘Nou,Saraf! Dat ziet er niet best voor je uit! Wie van de priesters heeft een spoor van de Romeinse soldaat kunnen ontdekken?’

Triomfantelijk keek Jefta zijn medepriesters rondom hem aan. Er kwam geen enkel antwoord. Jefta trok de onvermijdelijke conclusie:

‘Geen spoor van de soldaat! Je weet wat dat betekent, Saraf!’

Terwijl Jefta dit zei, haalde hij met een plotselinge beweging zijn stok onder zijn priesterkleed vandaan. Hij hield de stok dreigend voor zich. Jefta voer verder:

‘Ik vraag me af: waar zullen we jou die welverdiende veertig min één stokslagen eens toedienen?’

Om zich heen kijkend liep hij naar Saraf en plotseling greep hij hem in zijn nek. Saraf voelde hoe de sterke priesterhanden, die reeds menige bok hadden geslacht, zijn adem bijna afknepen. De priesters stonden allemaal dicht opeengepakt om Saraf heen op het balkon. Hij werd meegetrokken naar de Westelijke rand van het balkon, waar Jefta voldoende ruimte had voor het zwiepen van zijn stok. Saraf wist dat er één moment was in de gang naar het pak slaag, waarop hij zou kunnen ontvluchten.

Vanuit zijn ooghoeken zag hij de maan achter de wolken vandaan komen, alsof het hemellichaam ook getuige wilde zijn van de afranseling, die hem te wachten stond. Hij zag het maanlicht weerkaatsen op de priestergewaden, die als een witte waas om hem heen dansten terwijl zijn hoofd heen en weer werd getrokken voor de juiste houding van zijn lichaam. Ineens voelde hij dat het moment, dat hij verwachtte, was gekomen. De ijzeren greep om zij nek werd losser. Hij voelde weliswaar de andere hand om zijn arm maar doordat Jefta met die hand tevens de stok vast moest houden, was die greep niet erg stevig. Met een ruk trok Saraf zich los uit de greep van zijn beul en direct sprong hij weg in de richting van de priestergewaden. De priesters weken iets opzij en Saraf wurmde zich door een tunnel van wit linnen richting de deur naar het balken. Achter zich hoorde hij het bevelende gebrul van Jefta:

‘Staan blijven! Wee je gebeente als je ervandoor gaat! Sta stil of je krijgt een ongenadig pak slaag!’

Saraf trok zich van het getier achter hem niets aan en sprong tussen de priesters door, de gang op. Achter zich hoorde hij het opgewonden geroezemoes van de horde priesters en daarbovenuit het geschreeuw van Jefta:

‘Wacht maar jij! Ik krijg je wel! Je krijgt de hardste klappen die ik in huis heb! Weken lang zul je niet kunnen zitten!’

Die woorden hielpen niet bepaald om Saraf af te houden van zijn vluchtpoging. Integendeel. Ze gaven hem vleugels en hij vloog bijna door de gang in de richting van de wenteltrap. Achter zich hoorde hij de klepperende sandalen van Jefta. Hij durfde niet achterom te kijken maar te horen aan het geluid leek het of de afstand tussen hem en zijn achtervolger groeide. Eindelijk bereikte hij de wenteltrap. Razendsnel paste hij het ritme van zijn voeten aan voor de afdaling van de smalle traptreden. Beneden gekomen aarzelde hij een moment welke kant hij zou opgaan. Hij durfde het niet erger maken da het al was door het betreden van de binnenste voorhof, die een hogere graad van heiligheid had. De priesterslaapplaatsen betekenden een doodlopende weg. Alleen de poort naar de buitenste voorhof bleef over. Hij rende door het haardgebouw, langs het enorme haardvuur. Door zijn aarzeling zat Jefta hem weer op de hielen. Voor hem zag hij de brede poort naderen met daarin de andere priesterjongen, die hij aan het begin van de avond had gesproken en die al een pak slaag te pakken had. Achter zich hoorde hij geschreeuw:

‘Hou tegen! Hou tegen!’,

- 1 augustus 2022 –

paasroman

De Heer is werkelijk opgestaan