Hoofdstuk 8

(25)

‘Iesous ho Nazoraios ho Basileus toon Ioudaion – Iesus Nazarenus, Rex Iudaeorum – Yeshua Hanozri Melech Hajehudim’

Malchus las de tekst op het bord hardop en plechtig in drie talen voor. Even stonden ze ernaar te kijken.

‘Was je erbij, toen ze Hem kruisigden?’, vroeg Malchus.

Langzaam groeide er tussen de slaaf en de soldaat een band. Het kwam door hun missie naar het graf. Onbewust voelden ze aan dat ze met iets heel belangrijks bezig waren, iets dat hun voorstellingsvermogen ver oversteeg. Vitellius schudde zijn hoofd. Toen antwoordde hij.

‘Wel bij de geseling en dat was al erg genoeg.’

‘Hoezo dat?’

Vitellius zuchtte even, terwijl hij strak naar de titulus keek. Sinds de gebeurtenissen van die nacht kostte het hem meer moeite om over de Rabbi van Nazareth te spreken.

‘De lictors geselden Hem meedogenloos. Meedogenloos. Hij kreunde zelfs niet. Wij stonden ze op te jutten, omdat hun slagen geen enkel effect leken te hebben.’

‘Hoeveel slagen schat je?’

‘Wel honderd. Ik denk zelfs meer. Van voren en van achteren. Van boven naar beneden. Het is een wonder dat Hij dat heeft overleefd.’

‘Hij was beresterk. Ze zeggen dat Hij vroeger timmerman was.’

‘Oh ja? Hij was toch een Rabbi, een Leraar van de wet?’

‘Ja, maar Schriftgeleerden hebben daarnaast allemaal een beroep geleerd.’

‘Dus daarom was Hij zo gespierd.’

Vitellius liep naar een van de andere kruispalen en pakte zijn zwaard uit de schede.

‘Wat doe je?’, vroeg Malchus.

‘Ik haal de titula eraf. Voordat een ander het doet. Dat is roofgoed.’

Vitellius staarde even naar het houten bord.

‘– Roofoverval –, dat is wel even wat anders dan Koning van de Joden.’

‘Doe je dat met je zwaard?’

‘Het zwaard is het gereedschap van de soldaat.’

Terwijl hij op zijn tenen stond, wurmde Vitellius de punt van het zwaard achter het houten bordje en wrikte het los, met draadnagels en al. Daarna liep hij terug naar het kruis van de Rabbi van Nazareth en wrikte ook daarvan de titulus los. Hij keek nog even rond om te zien of er nog meer waren. Hij ontdekte er ook nog een aan de andere kant en liep erheen.

‘– Roofoverval –. Ook al. De koning der Joden is toch wel uniek met zijn titulus.’

Na ook het derde bord te hebben verwijderd, legde Vitellius ze op de grond, nam ze een voor een in zijn handen en sloeg met de platte kant van zijn zwaard de draadnagels één voor één uit het hout. Toen hij daarmee klaar was deed hij de spijkers in zijn loculus en nam de houten bordjes onder zijn arm. Daarna ging hij Malchus voor over het pad naar de graftuin.

Na de tuin te hebben betreden en de groente- en kruidenbedden te hebben gepasseerd, kwamen ze bij een muur met daarop een cipressenhaag. Vitellius ging steeds langzamer lopen want hij wist dat het graf bij de bocht van het pad naar links in het zicht zou komen. Hij vroeg zich af of de lichtende gestalte nog steeds op de grafsteen zou zitten. Hij had zich voorgenomen geen stap dichter bij het graf te zetten als dat het geval was. Toen de bocht naar links naderbij kwam, bleef Vitellius staan en hij draaide zich om.

‘Nu is het jouw beurt om voorop te lopen’, zei hij tegen Malchus.

Malchus keek verbaasd maar haalde zijn schouders op en liep Vitellius voorbij. Aan de slaaf was niet verteld wat er precies bij het graf was gebeurd. Ook Vitellius had tot op dat moment geweigerd er iets over los te laten. Maar gezien de missie waarop hij was gestuurd, vermoedde Malchus dat er vreemde dingen hadden plaatsgevonden en dat Vitellius er tegenop zag om daar direct weer mee geconfronteerd te worden. Voorzichtig naderde hij de laatste cipres van de haag, voordat het pad de bocht naar links maakte en het andere deel van de tuin zichtbaar werd. Behoedzaam stak hij zijn hoofd om de haag. Direct daarna deed hij een stap achteruit. Hij draaide zich om naar Vitellius. Die was nieuwsgierig en angstig tegelijk en wilde meteen weten wat hij had gezien.

‘Ga zelf maar kijken’, was het antwoord van Malchus.

‘Je kunt toch wel aangeven wat je daar zag?’

Malchus zweeg en keek Vitellius uitdagend aan. Dit was het moment waarop hij mogelijk iets uit de soldaat kon loskrijgen.

‘Wat denk je dat ik zag?’

‘Zag je hém?’

‘Wie bedoel je met ‘hém’?’

Vitellius voelde zich in het nauw gedreven en had zin om uit te varen tegen de slaaf. Toen vermande hij zich en liep Malchus voorbij naar de bocht in het pad. Met gekromde tenen keek hij om de cipres en zette grote ogen op. De gestalte van de engel was in geen velden of wegen meer te bekennen. In plaats daarvan zag hij twee groepen Romeinse soldaten. Eén groep stond bij de opening van het graf. De andere stond bij de plek waar de grote steen zo ongeveer moest liggen, waar hijzelf die ochtend met angst en beven in het gras had gelegen. Snel trok hij zijn hoofd terug en draaide zich om naar Malchus.

‘Zullen we maar gaan kijken?’, vroeg die lachend.

‘Absoluut niet. Jij weet dondersgoed dat ik een confrontatie met legionairs op dit moment totaal niet kan gebruiken.’

‘Dan is het te hopen dat ze daar niet al te lang zullen blijven rondhangen.’

‘Het is natuurlijk de wacht die ons kwam aflossen. Ze zullen wel verbaasd zijn geweest toen ze het geopende graf aantroffen.’

‘Om maar te zwijgen van de verdwenen soldaten’, grapte Malchus.

Vitellius ging hier niet op in maar draaide zich weer om. Hij bleef lange tijd zijn kameraden van de aflossing gadeslaan. Die liepen wat heen en weer tussen het graf en de steen. Ze maten het aantal passen afstand tussen beide en een man of vier trachtte de steen van de grond te krijgen, wat hopeloos faalde. Een aantal malen zag hij soldaten het graf ingaan en er even later weer uit komen. Over de toestand die de soldaten in het graf aantroffen kon hij echter niets wijs worden. Vitellius vroeg zich af of het lichaam er nog zou liggen. Hij overwoog dat de discipelen alle gelegenheid hadden gehad om het weg te halen. Hij draaide zich weer om naar Malchus.

‘Veel zal ervan afhangen of het lichaam van de Rabbi er nog ligt’.

Malchus keek Vitellius niet begrijpend aan.

‘Nou, kijk’, legde Vitellius uit, ‘als het lichaam er nog ligt, dan zullen ze met een groot aantal een nieuwe wacht bij het graf vormen. Twee tot vier soldaten zullen dan rapport uitbrengen van de situatie die ze aantroffen. Maar als het lichaam weg is, dan heeft een wacht geen enkele zin meer.’

‘Dus als ze allemaal weggaan, kunnen we concluderen dat het lichaam weg is.’

‘Ik weet niet of ze dan allemaal weggaan. Misschien dat er één of twee soldaten achterblijven. Maar gezien de drukte in de stad, denk ik dat ze allemaal op rapport in het fort Antonia zullen gaan en dan elders worden ingezet. Dan is voor ons de weg vrij om op onderzoek uit te gaan.’

‘Dat zou mooi zijn voor onze opdracht het graf te inspecteren. Maar het zou een ramp betekenen voor de priesters. Die waren er nu juist zo op gebrand dat het lichaam niet zou worden gestolen.’

Vitellius gaf geen antwoord maar stak opnieuw zijn hoofd om de cipres om de zien of de soldaten nog steeds bij het graf rondhingen. Direct draaide hij zich om en sprintte naar de cipressenhaag aan de rand van de tuin. Voor de tweede keer die ochtend dook hij voorover door de struiken en liet hij Malchus alleen achter. Malchus merkte al snel waarom. Direct na de verdwijning van Vitellius, kwamen de soldaten van de aflossende wacht om de bocht van het pad lopen, in de richting van de uitgang van de tuin.

- 5 juni 2021 -


(26)

Als een razende rende Saraf door de stad. De pelgrims probeerde hij zo min mogelijk te raken maar soms stootte hij tegen een mouw of een heup. Een enkele keer draafde hij zo dicht langs een bundel met olijven dat de vruchten voor, naast en achter hem over de straat dansten. Af en toe kwam hij abrupt tot stilstand omdat er te veel pelgrims naast elkaar liepen. Dan gaf hij zichzelf even de gelegenheid om op adem te komen maar al snel daarna worstelde hij zich erlangs of erdoorheen en dan zette hij het weer op een lopen. Toen hij het fort Antonia bereikte, kwam hij in de schaduw onder de vijgenbomen, die in rijen de brede avenue langs het fort en de tempel sierden. Dat was maar goed ook want de zon begon al behoorlijk heet te worden en hij kon op de brede hoofdstraat veel meer tempo maken.

Al dravend gingen zijn gedachten terug naar Simon, de discipel, die hij zojuist alleen had achtergelaten. Plotseling was hij weggesprint, toen deze hem vroeg of hij nog deelnam aan schriftlezingen. Dat was het eerste moment, die ochtend, dat de plichten voor die dag hem te binnen schoten. En direct had hij zich gerealiseerd dat hij op dat moment al flink te laat was. Zijn oom had er de leiding en die hechtte erg aan stiptheid. Een kleine paniek had zich kortstondig van Saraf meester gemaakt en hij had Simon verder niets meer gevraagd. Hij vroeg zich af of hij deze discipel van de Rabbi ooit weer zou zien.

Zich voort haastend, flitsten de gedachten door zijn hoofd. Het beeld van zijn verontwaardigde oom te midden van de andere leerlingen stond hem prominent voor de geest. De rake opmerkingen richting andere laatkomers klonken in zijn herinnering. Ook het beeld uit zijn droom van het tanende altaarvuur schoot hem weer te binnen en daarna de schok van zijn tuimeling vanaf de poort. Maar boven dat alles uit rees de stralende gestalte van de Rabbi bij het graf. De blik in diens ogen. De warmte in zijn stem. Zij hand op de schouder. Het was alsof hij die nog voelde.

De verpletterende tekst op het bord aan het kruis en de direct daaropvolgende verschijning van de gekruisigde lieten een onuitwisbare, alles overtreffende indruk achter op de ziel van de jonge priester. De benauwdheid om zijn late komst bij de schriftlezing werd volledig weggedrongen door de verrukking van het weergaloze heil, waar hij als een van de eersten van het volk getuige van was geweest. Hoewel hij voort spoedde door Jeruzalems drukke straten voelde hij toch de rust, die zijn hart die morgen in de tuin was binnengestroomd. In plaats van excuses te bedenken, voelde hij zich in staat het te laten aankomen op de spontaniteit van wat hem zo meteen te binnen zou schieten. De ontmoeting met de Rabbi gaf hem zoveel moed dat zijn oom hem geen schrik meer kon aanjagen.

Zijn gedachten versprongen opnieuw. In zijn geheugen klonken de woorden van de Rabbi over iets anders dat hem de stuipen op het lijf kon jagen. Het was iets dat morgenochtend bij de tempel zou gebeuren. Die waarschuwing kwam telkens terug in zijn hoofd en de jongen bleef zich afvragen wat de Rabbi daarmee toch bedoeld kon hebben.

Intussen was hij de tempel zo ongeveer gepasseerd. Het werd weer een stuk moeilijker om door te lopen omdat hij tegen de stroom van pelgrims in moest. Hij probeerde vooruit te bedenken hoe hij het laatste stuk naar het huis van zijn oom zou afleggen. Hij moest eerst zijn eigen versie van de Torah nog ophalen van thuis. Te laat komen en dan ook nog zonder Torah was een dubbelde zonde. En hij kon zich dan ook nog wel even opfrissen bij het badwater van Siloam. Met deze gedachten stopte hij met draven.

Hij was buiten adem en voelde een steek in zijn zijde. Toch bleef hij stevig doorstappen langs de overvolle hoofdstraat, die tussen de twee zuidelijke heuvels van Jeruzalem door het Kaasmakersdal liep. De straat was meer een enorme trap die zeer geleidelijk afliep naar het lager gelegen Zuidelijke deel van de stad. Eerder die ochtend hadden veel marktkooplieden zich opgesteld en nu prezen zij luidruchtig hun waren aan vanaf beide kanten van de straat.

Al snel bereikte Saraf het badwater van Siloam. Het was er behoorlijk druk vanwege de grote aantallen pelgrims, die het water gebruikten als Mikvah, de rituele reiniging voor hun bezoek aan de tempel. Door de enorme afmetingen van het bad, was het voor Saraf echter geen probleem om het water te bereiken. De vier zijden van het bad waren geconstrueerd als enorme, brede trappen. Elke zijde telde drie opeenvolgende trappen die naar en vervolgens in het water afdaalden. Hoe ver je moest afdalen om bij het water te komen, hing af van de waterstand. Het Pascha was net voorbij. De vroege regens na de droogte van de vorige zomer en de late regens van het voorjaar droegen bij tot een rijkelijk gevuld badwater. Al bij de vierde trede bereikte Saraf de waterspiegel.

Saraf deed zijn sandalen uit en liep wat pootje badend heen en weer. Daarna ging hij op zijn hurken zitten, nam het water in beide handen, dronk het met gulzige teugen en waste zijn gezicht. Nadat hij zich had opgefrist, trok hij zijn sandalen weer aan en liep tussen de pelgrims door, langs de trappen omhoog, terug richting de tempel. Bij een nauw steegje sloeg hij rechtsaf, waar de weg steil omhoog liep. Hij kwam in een wirwar van straatjes tussen de kleine lemen huisjes van de lagere priesterklassen, waar hij toe behoorde. Feilloos vond hij de kortste weg naar zijn huis.

In de deuropening naar de binnenplaats bleef hij even staan. Het was er benauwd. Het zonlicht viel in een hoek, tegen de muren en op de grond. Saraf bedacht dat hij een nieuwe opfrisbeurt bij het badwater van Siloam goed zou kunnen gebruiken. Het binnenplaatsje lag er verlaten bij. Ergens vlakbij koerde alleen een duif. Zijn moeder was waarschijnlijk boodschappen doen. Matilda en Nathan waren natuurlijk al naar de schriftlezing.

Hij ging bij zichzelf na waar hij zijn Torah voor het laatst had gehad. Hij rende de stenen trap op en liet zijn ogen even wennen aan het donker. De zee van zon op de binnenplaats had plaatsgemaakt voor het schamele licht dat door de kleine raampjes van de slaapvertrekken naar binnen scheen. Op de plank boven zijn bed vond hij zijn Torah-rol. Even ging hij op zijn bed zitten. Hij dacht terug aan zijn droom van de afgelopen nacht over het eeuwige vuur en zijn val van het balkon boven de poort en hij vroeg zich af of de waarschuwing van de Rabbi daar iets mee te maken kon hebben.

Hij ontdeed de rol van de linnen mantel, die er altijd omheen moest zitten en rolde hem iets open. Hij was alweer over de helft van het laatste boek van Mozes, Dewariem. Met enige moeite vanwege het schaarse licht las hij de eerste zinnen van zijn schriftlezing van die morgen: ‘Ik zal een Profeet voor hen doen opstaan uit het midden van hun broeders, zoals u. Ik zal Mijn woorden in Zijn mond geven, en alles wat Ik Hem gebied, zal Hij tot hen spreken. En met de man die niet naar Mijn woorden luistert, die Hij in Mijn Naam spreekt, zal het zó zijn: Ík zal rekenschap van hem eisen.’

Terwijl hij de rol weer sloot en in de mantel stak, vroeg Saraf zich af wie Mozes met die profeet bedoeld kon hebben. Dat was een goede vraag voor zijn oom, zo meteen. Met die gedachte stond hij op en verliet hij het huis. Het huis van zijn oom was slechts enkele straten verder. Saraf klopte aan en wachtte op de barse stem van de andere kant van de deur.

- 14 juni 2021 -


(27)

Annas schrok hevig. Plotseling werd hij weer overstelpt door de droomwereld, die hem de afgelopen nacht had geteisterd. Het gebeurde op het moment dat een groep Romeinse soldaten vanaf het fort kwam aanlopen. Hun helmen, speren en schilden blonken in het felle zonlicht. Hij verstarde toen hij de beweeglijke schittering van al het metaal op zich af zag komen en voor korte tijd kon hij zich niet bewegen. Het eerste waar hij weer de controle over kreeg was zijn gezicht. Hij dwong zichzelf weg te kijken van de snel naderende militaire vechtmachine om te zoeken naar een schuilplaats. Hij hoefde niet ver te kijken want hij stond vlakbij het enorme theater, een gebouw in de vorm van een halve cirkel, dat een jaar of vijftig eerder in opdracht van Herodes de Grote was gebouwd. Direct hervond hij weer zijn tegenwoordigheid van geest en hij zette zich in beweging zonder nog een blik te slaan op de legionairs.

In de schaduw van het kolossale gebouw kon hij even uithijgen. Hij zag de groep soldaten passeren en verdwijnen in de richting van de bovenstad, waar hijzelf net vandaan was gekomen.

Annas was op weg gegaan naar de tempel. Hij wachtte op de berichten waarmee Malchus thuis zou komen maar dat duurde hem te lang. Hij had besloten om alvast wat zaken te bespreken met de belangrijkste leden van het Sanhedrin. De berichten die hem vanaf het graf reeds bereikt hadden, vond hij verontrustend genoeg om direct gerichte actie te ondernemen. Twee leden wilde hij direct informeren: Kajafas, zijn schoonzoon, die tevens de officiële hogepriester was en Jonathan, zijn zoon. Als zij doordrongen waren van de ernst van de situatie, dan konden zij direct beginnen om de andere leden van het Sanhedrin te bewerken en een vergadering beleggen.

Het duurde even voordat Annas op adem was gekomen en de angst van zijn droomwereld van zich had afgeschud. Hij keek nog even goed om zich heen. Hij zag geen enkele soldaat meer. Alleen de pelgrims, die luid zingend langstrokken. Hij gunde zich geen tijd om, zoals hij andere jaren wel deed, enige tijd naar de stoet van pelgrims te staren, en te genieten van alle rijkdommen van het land, die de tempel en daarmee de zakken van de priesters gestaag vulden. In plaats daarvan stond hij snel op en hij liet zich door de pelgrims meevoeren in de richting van de tempel. Af en toe werd hij begroet door voorbijgaande priesters. Bij het naderen van de tempel werden de begroetingen talrijker. Oudere priesters probeerden een praatje met hem te maken maar vriendelijk doch beslist wees hij elk gesprek af. Via de 'Kiponos poort' aan de Westzijde van het tempelcomplex bereikte hij de buitenste voorhof.

Op het tempelplein bleek hoezeer Annas in alle opzichten de meest invloedrijke figuur van zijn tijd was. Hij moest moeite doen om alle uitnodigingen voor een praatje of een afspraak af te slaan. Daardoor kostte het enige tijd voor hij één van de vier Noordelijke poorten van de binnenste voorhof binnenschreed en een groot vertrek betrad, dat zich bevond in een uitbouw van de enorme muur. Het was het vertrek van de haard. Er brandde een vuur voor de priesters die daar ’s nachts sliepen in verband met hun dienst, vroeg in de morgen.

In het vertrek van de haard nam Annas een deur aan zijn rechterhand. Daar bevond zich een wenteltrap, die hij afdaalde naar een lagere verdieping waar zich diverse reinigingsbaden, de Mikvoth, bevonden. Voor elk bad stond een flinke rij priesters, die allemaal die dag dienst moesten doen in verband met Bikkurim. De tempel mocht alleen betreden worden na de rituele reiniging. Ook Annas moest zich daaraan houden, al had hij het die ochtend liever overgeslagen. Hij liep naar een van de baden en nam plaats naast de priester die vooraan stond. Die schrok toen hij zag wie er naast hem stond en direct stond hij zijn plaats in de rij af aan de oude gerenommeerde priester. Kort daarna kwam degene die zich nog in het bad bevond naar buiten. Annas had geen aandacht voor de geschrokken groet en wilde direct in de besloten ruimte stappen. De man vroeg hem echter even te wachten en rende weg. Annas begreep het niet maar besloot toch even te wachten. Direct kwam er een jonge priester aanlopen met een groot vat heet water. Hij verdween in de Mikvah-ruimte en kwam direct daarna weer naar buiten met de mededeling dat het water weer op termperatuur was. Annas stapte naar binnen, ontdeed zich van zijn kleding en daalde vervolgens af in het zuivere warme water.

Het water deed wat het moest doen. Het werkte kalmerend op zijn ziel. De gejaagdheid gleed van hem af. Rustgevende gedachten schoten hem te binnen. Hij bedacht dat er een rationele verklaring moest zijn voor de verhalen van de soldaten. Hij verwachtte dat Malchus met geruststellende berichten zou thuiskomen. De gevluchte bangerds van soldaten zouden hun straf niet ontlopen. Zijn haast om te overleggen kwam hem ineens overdreven voor. Terwijl hij met zijn ledematen langzaam door het water woelde liet hij de betekenis van Mikvah tot zich doordringen: de mens in de moederschoot. De mens als gespeend kind bij God Zelf, tot rust en stilte gebracht. De nieuwe geboorte, uit het water van de Torah, die reinigend werkt op de ziel. Toivul is bittul. Reiniging is zelfontkenning. Reiniging van de boom van kennis van goed en kwaad. Met die gedachte ging Annas voor even kopje onder. De gedachten en opvattingen moesten worden gereinigd, bedacht hij terwijl hij enkele seconden onder water bleef. Annas kwam weer boven. Hij dacht aan de Mikvah als poort naar puurheid vanaf het begin van de schepping. Dagenlang had Adam in een van de rivieren gezeten, die uit de hof van Eden vloeide, waaruit hij was verbannen. De uiting van zijn diepe berouw was zijn poging terug te keren naar zijn oorspronkelijke staat.

Na het bad ging Annas direct op zoek naar Kajafas. Al snel waren de verheven gedachten die hij had in het rituele water, weer naar de achtergrond verdrongen door de heilige plicht, die hem als politieke hoeksteen van de tempeldienst op de schouders rustte.

- 19 juni 2021 -

paasroman

De Heer is werkelijk opgestaan